DE AARD-EEKHOORN.—EEN MUIZENNEST.—VLIEGENVOGELS EN COLIBRI'S.—DE
CHACHALACA.—DE CASSIEBOOM.—DE TLALCOYOTE.—DE KREKELS.
Een geweerschot deed mij verschrikt ontwaken; de dag brak aan. De
Encuerado toonde mij een grooten eekhoorn met grijzen rug en witten
buik, eene soort die niet op de boomen klimt en daarom door de Mexicanen
aard-eekhoorn (_amohli_) genoemd wordt. Dit dier, dat in holen onder
den grond woont, bezit de bevalligheid en levendigheid van zijne
soortgenooten, maar men kan het niet tam maken. Het loopt meestal bij
talrijke benden, nadert de woningen en verslindt in één nacht de zaden,
die door de landbouwers aan den bodem worden toevertrouwd. Dezen doen
het dan ook een onverbiddelijken oorlog aan.
Op het oogenblik, dat wij ons op weg wilden begeven, maakte de
Encuerado, wiens wonde reeds dicht was gegaan, zich van de mars meester.
Ik liet hem haar dragen, op voorwaarde dat hij mij zou waarschuwen als
hij vermoeid zou zijn. Ik ging voorop, Lucien bij de hand houdende en de
rotsachtige helling werd zonder ongeval afgelegd. De dunne en ver
uiteenstaande eiken leverden ons een gemakkelijken doorgang over een
bodem, bedekt met dorre bladeren, die onder de voeten knapten.
»Zou men niet zeggen, dat men in Europa was?” riep Sumichrast, stil
blijvende staan, mij toe.
—Ja,” antwoordde ik, »het is of de herfstwind reeds over de geel
geworden bladeren heeft gewaaid.
—Ik bemerk daar een dooden boom; ik ben zeker dat, als wij de schors
onderzoeken, wij er insecten uit ons land zullen vinden.”
De hoop van mijn vriend werd niet verwezenlijkt; zijne onderzoekingen
hadden geen ander gevolg, dan dat zij de rust stoorden van twee muizen
met zeer spitse snuitjes, waarvan de eene vluchtte, terwijl de andere
een nest met vijf jongen trachtte te beschermen, die op zeer fijn
plantaardig dons lagen. Lucien beschouwde met belangstelling de jonge
zoogdiertjes, plaatste de schors zooveel mogelijk in de oorspronkelijke
ligging, en vervoegde zich voorbij het bosch bij ons. Eene helling, die
zoo steil was, dat wij ternauwernood ons evenwicht konden bewaren,
bracht ons te midden van struiken met dubbele dorens, die Lucien niet
zonder reden bij stierenhorens in 't klein vergeleek. Eindelijk werd de
grond meer effen, ik wendde rechtsaf en kwam op eene, met bosschen
omringde vlakte uit.
Sumichrast nam den draagkorf op; Lucien en de Encuerado gingen voorop.
In plaats van effen te zijn, zooals wij, op een afstand gezien, gedacht
hadden, verborg het terrein talrijke plooien, waarin onze gidsen elk
oogenblik verdwenen, honderden kardinalen met rood gevederte en zwarten
halsband opjagende. Een troep parkieten viel dicht bij Lucien neer, maar
hervatte onmiddellijk zijne hortende vlucht. Eensklaps gaf de Encuerado
vuur en zijn leerling schoot toe om aan Gringalet een fraaien geel,
blauw, groen en rood gekleurden papegaai te ontrukken, waarvan de makker
onder een angstig geschreeuw de vlucht nam. Wij waren wel degelijk in
het Warme Land.
Eerst na een vermoeienden marsch scheen het bosch eindelijk naderbij te
komen. Het zweet parelde op onze voorhoofden; ik nam op mijne beurt den
zoo onontbeerlijken en toch zoo duizend maal verwenschten korf op den
rug. Ik hield aan den voet van een virginischen cederboom stil, ongeveer
op vijfhonderd meter van het bosch; ik behoefde mijn »halt” niet
tweemaal te herhalen.
Iedereen ging hout zoeken en in minder dan een half uur werd de voorraad
voor een nacht voldoende geoordeeld. De Encuerado richtte den haard op;
daarna gingen wij licht gewapend uit om een herkenningstocht te doen.
„En de hut!” riep Lucien uit.
—»De tijd der hutten is voorbij,” antwoordde Sumichrast.
—Moeten wij zonder beschutting slapen?
—Ja, behalve op de dagen als het regent, die, naar ik hoop, zeldzaam
zullen zijn. Wij zijn in het Warme Land en voortaan zullen wij, in
plaats van eene beschutting noodig te hebben, zoowel des nachts als over
dag de frissche lucht opzoeken.
Lucien schudde het hoofd en nam zijn geweer op om ons te vergezellen.
Ik voerde hem naar het bosch, waar eene menigte planten een
onontwarbaar net vormden. De lianen, aan de boomen vastgeklemd,
slingerden zich als guirlandes van den eenen top tot den anderen en
lieten loten afhangen, die zich met hunne bijwortels in den grond
inplantten. Andere soorten omslingerden deze natuurlijke steunpilaren en
bedekten ze zoo met haar gebladerte, dat dezelfde stengel tegelijkertijd
bloemen van verschillende kleuren voortbracht. Hier en daar vertoonden
varenplanten hare gevingerde bladeren; puntvarens hechtten hare behaarde
wortels aan de takken en groote horzels, met zwart en geel gewaad,
kropen in dezen muur van groen of kwamen er met luid gegons uit.
»De boomen en de planten schijnen mij hier grooter toe dan op de
bergen,” merkte Lucien op.
—»Gij vergist u niet,” antwoordde Sumichrast, »de plantengroei van het
Warme Land is nog veel krachtiger dan die van het Gematigde Land; gij
zult er nog beter over kunnen oordeelen naargelang wij meer voorwaarts
gaan.
—Hebt gij dat groote insect gezien, dat al gonzende voor ons uitvloog?
—Zeker, mijn beste Zonnestraal; dat is een vliegenvogeltje.
—»Een vliegenvogeltje!” riep de knaap uit, terwijl hij zijn vlindernet
opendeed.
En weg ging hij, den vluchteling achterna. De vlugge vogel beschreef
duizend bochten en bleef steeds buiten het bereik van den jongen jager,
die plotseling voor een heester stand hield. Toen ik bij hem was
gekomen, vond ik hem verdiept in de beschouwing van drie kleine nestjes,
die op gevorkte takjes geplaatst waren, en van binnen bekleed met groene
en gele boommossen.
»Hij is daar,” sprak Lucien zachtjes.
Ik tilde den kleinen weetgraag stilletjes op; twee wijfjes vlogen op en
hij kon in elk nestje een paar eitjes van eene groenachtige kleur en
niet grooter dan eene erwt zien.
—Als u mij een weinig dichterbij bracht, kon ik die eitjes krijgen.
—Waartoe zou dat dienen, mijn vriend? Beschouw ze op uw gemak, maar
beroof die lieve vogeltjes niet van hetgeen hun het dierbaarst is.
—»Daar is er een, dat zich niet bewogen heeft,” hernam Lucien.
—Misschien zijn zijne jongen reeds uitgekomen.
—Het geheele lichaam schittert; men zou zeggen, dat het terzelfder tijd
blauw, groen en goudkleurig is. Hij ziet mij aan en staat op; daar zit
hij op een boom. Als gij dat eens kondet zien, papa! er bewegen zich
twee jongen in het nestje.
Ik zette mijn zoon op den grond, opdat hij den Encuerado, die hem riep,
zou kunnen antwoorden. De Indiaan had een nest van vliegenvogeltjes
ontdekt en bracht het aan den tak, dien hij had afgesneden. Het
sierlijke bouwwerk, een wonder van teerheid, was van binnen met het
zijdeachtige dons van eene plant bekleed. Twee nog kale jongen en
nauwelijks zoo groot als eene hazelnoot, openden hunne snaveltjes om
voedsel te vragen. Ik beval den Indiaan den tak weer aan den boom te
bevestigen, waarvan hij hem had afgesneden en hem zoo stevig vast te
maken, dat hij niet kon vallen. Ik volgde hem zelfs om het werk na te
gaan. Nauwelijks naderden wij den struik of de moeder kwam om den
Indiaan vliegen en ging met kloppend hartje op haar kroost zitten.
»Gij zijt een braaf vogeltje!” riep de Indiaan uit, »en ik vraag u wel
vergiffenis, dat ik uw huis heb meêgenomen. Wees niet bang, ik ben de
Encuerado en men kan op mij vertrouwen. Beef dus maar niet; ik zou mij
zelven liever verwonden, dan u eenig kwaad te doen. Zie zoo, nu is
het weer stevig vast gemaakt en gij kunt in vrede verder leven. Uw
kindertjes kunnen getuigen, dat ik ze niet gekweld heb, ik wilde ze maar
alleen aan Chanito laten zien. Tot wederzien, senor _huitzitzilin_; gij
zijt een braaf vogeltje, dat zeg ik u.”
En de Indiaan verwijderde zich, terwijl hij het moedige vogeltje met
zulk een gezwaai met zijn hoed begroette, dat het arme diertje zeker wel
zal gedacht hebben, dat zijn laatste uur gekomen was.
»Behooren de vliegenvogeltjes tot de orde der vinkvogels, mijnheer
Sumichrast?” vroeg Lucien.
—Ja, tot de dunsnavelige vinkvogels. Zij vormen met de colibri's, die
vliegenvogeltjes met gebogen snavels zijn, de familie der trochilideeën.
—En waarmede voeden zij zich?
—Met den nektar der bloemen en kleine insecten.
Zie eens hier; daar komt er een al gonzende aangevlogen; zijne vleugels
bewegen zich zoo snel, dat me ze niet kan onderscheiden. Laat ons zeer
stil zijn; ik zie een tak, die zoo vol met blauwe klokken is, dat
hij er zeker wel door aangetrokken zal worden. Zie, de vlucht wordt
onbeweeglijk; hij houdt boven de bloemkelk stil; hij steekt er den kop
in, zonder dat de vleugels ophouden in beweging te blijven; de gespleten
tong heeft het sap, dat in het honigbakje van de bloem verborgen was,
reeds uitgepompt, hij keert naar zijne jongen terug, die hem met
geopenden snavel zullen ontvangen, ten einde hun aandeel van den honig
te krijgen.
—»Dat zijn heel aardige vogels!” sprak de Encuerado tot Lucien. Over
drie maanden, dat wil zeggen in October, zullen zij gaan slapen, om in
April weer wakker te worden.
—Is dat waar, Papa?
—Ik geloof eerder, dat deze vogels verhuizen.
—»Laten wij Chanito geen dwalingen leeren,” sprak de Encuerado, een
mijner gewone gezegden herhalende; »de _huitzitzilins_ verhuizen niet,
maar zij slapen.”
—Dit feit is mij door zooveel Indianen verteld, die gewoon zijn in de
bosschen te leven,” zeide mijn vriend mij, »dat ik geneigd ben er geloof
aan te slaan.”
—Maar zeggen zij ook niet hetzelfde van de vleermuizen en de
zwaluwen?[37] En toch weten wij, dat zij van luchtstreek veranderen.
[37] De vraag of enkele zwaluwen in onze streken, die verhinderd zijn
geworden te verhuizen, niet in eene soort van winterslaap vallen,
is nog niet opgelost. Het schijnt althans zeker, dat men in
Duitschland zwaluwen in holle boomen in winterslaap heeft
gevonden.
(N. v. d. V.)
—Ja, maar zij beweren ze slapende gevonden te hebben. In elk geval is
het zeker, dat zij gedurende den winter verdwijnen.
Het geklok van een hoendervogel, dien de Indianen _chachalaca_ noemen,
onderbrak het gesprek en mijn beide makkers slopen behoedzaam naar een
boom met zwartachtig gebladerte, die op weinig afstands van den zoom van
het woud stond. De vogels, die zeer wantrouwend van aard zijn, zwegen;
daar viel een schot en ik zag drie chachalacas wegvliegen en in het
bosch verdwijnen. Ik naderde den stam, dien de Indiaan beklom, want de
getroffen vogel was tusschen de takken blijven hangen.
»Zie eens wat lange stokken daar bij dien boom neerhangen!” riep Lucien
uit.
—»Dat is een met peulen behangen cassieboom,” antwoordde mijn vriend,
»hij is verwant aan de erwten en boonen.”
—»Kan men de schil eten?” vroeg de knaap, die een der op den grond
gevallen peulen had opgeraapt.
—Ge moogt van het zwarte moes, hetwelk de zaden omgeeft en een
zoetachtigen smaak heeft, proeven; maar eet er niet te veel van, want
het is purgeerend en wordt als zoodanig in Europa gebruikt. De Encuerado
liet den zwaren vogel, door Sumichrast gedood, voor onze voeten vallen.
Zoo groot als eene kip, het lichaam bedekt met grijze veeren, zou deze
fraaie vogel met blauwe pooten en snavel, gemakkelijk tot hofvogel
kunnen gekweekt worden. Zijn geluid, een soort van geklok, maakt den
jager op hem opmerkzaam, evenwel weet hij hem gewoonlijk te ontsnappen.
De Encuerado ging naar het bivak terug en Sumichrast voerde ons naar den
rand van een met struiken versperd en door vijf of zes groote boomen
overschaduwd ravijn.
Wij rustten zoo een oogenblik stilzwijgend, maar het oog steeds geopend,
toen drie jonge vossen, van de soort, die de Indianen _tlalcoyote_
noemen, elkander vervolgende, kwamen aangeloopen, weldra door een
vierden gevolgd; de moeder, dubbel zoo groot als de Europeesche vos,
kwam op hare beurt te voorschijn. Zij vestigde hare vurige oogen op
ons en liet een dof gejank hooren om hare jongen terug te roepen.
»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast; »dat canaille wil ons aan haar
jongen geven.
Ik stak mijne machete in den grond, ten einde haar onder mijn bereik te
hebben. Het beest ging op den buik liggen, gereed om zich op ons te
werpen.
»Ja, ja, schoone dame, waag er u maar eens aan,” mompelde mijn vriend,
den Encuerado nabootsende.
De tlalcoyote liet een scherpen schreeuw hooren en bijna terzelfder tijd
kwam een tweede dier zich bij haar vervoegen.
»Schiet niet voor ik het bevel geef,” sprak ik tot Lucien, wiens houding
niets te wenschen overliet.
—»Gij het mannetje,” riep Sumichrast mij toe; »maar laten wij niet tot
de worsteling uitdagen.”
Toen zij ons overeind zagen staan, verdwenen de verbaasde roofdieren
plotseling. Sumichrast daalde in het ravijn neer en riep mij toen;
tusschen het gras zag ik den ingang van een hol, rondom met witte
beenderen bezaaid. Twee schreden verder en op dezelfde lijn, vertoonde
zich de kop van een der dieren, welks oogen als die eener kat
glinsterden, aan de opening van een tweede hol. Ik wierp het dier een
steen toe, dat, in plaats van te vluchten, den neus optrok en ons zijn
scherpe tanden liet zien.
Daar wij er volstrekt niet op gesteld waren om de vossen te
trotseeren, ging ik met Lucien, die gedurende dit tooneel eene groote
koelbloedigheid had doen blijken, naar de vlakte terug. Ik was daar zeer
over tevreden, want ik wenschte vooral hem te harden, en ik vreesde dat
het ongeval van den Encuerado met den otter een kwaden indruk op hem had
gemaakt.
»Hebben die groote vossen u niet erg bevreesd gemaakt?” vroeg mijn
vriend hem, toen hij zich weer bij ons vervoegde.
—Een weinig, vooral hunne oogen, die bliksemstralen schenen uit te
schieten.
—En wat zoudt gij gedaan hebben, als zij op ons toe waren gesprongen?
Ik zou zoo goed mogelijk gemikt en dan geschoten hebben, maar de vossen
zijn moediger dan ik gedacht had.
—»Zij wilden hunne jongen beschermen, en de nabijheid van hun hol heeft
hen stoutmoedig gemaakt.”
Toen de Encuerado vernam, dat er tlalcoyoten in de nabijheid waren,
maakte hij nog een tweeden vuurhaard voor den nacht gereed. Reeds begon
het Oosten bleeke tinten aan te nemen en terwijl wij aten zagen wij
verschillende paren papegaaien ver over onze hoofden vliegen en zich
naar het bosch begeven. De vliegenvogeltjes gonsden overal. Troepen
kardinalen en blauwe musschen vlogen van den eenen struik naar den
anderen. Als zij te dicht bij het bivak neerstreken, verzocht de
Encuerado hen in zeer beleefde woorden een weinig verder te gaan, en als
zij weigerden zette hij zijne beleefdheid kracht bij door een zacht naar
hen toegeworpen steen, die zelden zijn uitwerking miste. De zon ging
onder, de bergen staken somber tegen den rooskleurigen hemel af en de
pijnboomen vertoonden hunne vormen op de hooge bergtoppen. De krekels
hieven hun gezang aan.
»Drommels, drommels!” riep mijn vriend uit, »dat is nog eentoniger dan
een lofzang van den Encuerado.
—»Vanwaar komt dat vreemde geluid?” vroeg Lucien, »men zou zeggen, dat
duizend van die kleine trommels, welke de Indianen maken, bespeeld
worden.”
—»Dat zijn krekels,” antwoordde ik, »een insect dat in Europa bijna den
geheelen zomer, en in het Warme Land bijna het geheele jaar zingt.”
—Zijn zij dan zoo groot, dat zij zoo hard zingen?
—Zij zijn bijna zoo groot als mijn duim; maar daar komt de Encuerado er
reeds met een aan.
—Wat een kop en wat groote oogen! Hij heeft een snuit.
—Wel zeker, evenals alle halfvleugeligen, zooals ik dat gezegd heb bij
gelegenheid van de tettigonen. Maar de krekel brengt dat scherp geluid,
dat hem tot zinnebeeld der slechte dichters heeft gemaakt, niet met zijn
snuit voort. Het mannetje maakt het door de twee veerkrachtige vliezen,
die onder zijn fraaie glaskleurige vleugels zitten, en roept daardoor
het wijfje. Dit laatste geeft geen geluid.
—»Waar hebt gij dien krekel gevonden?” vroeg Lucien zijn vriend.
—Op een boom, Chanito! men vindt ze altijd op boomen.
—Ja,” antwoordde ik, »en het wijfje boort met een priem, waarin haar
buik eindigt, een gat in de takken, om er hare eieren in te leggen. Als
de larven uitkomen, laten zij zich op den grond glijden en kruipen daar
in ten einde hare gedaanteverwisselingen te ondergaan.
—»Ach! Chanito,” sprak de Indiaan, die het dier, dat zich nu stilhield,
weer teruggenomen had, »als gij eens wist hoe lekker de krekels smaken!”
—Hoe, lekker smaken? Hebt gij ze dan wel eens gegeten?
—Ja, in mijn land.
—»Daar behoeft gij u niet over te verwonderen,” sprak Sumichrast tot
Lucien; »de oude Grieken vonden het ook eene lekkernij en aten bij
voorkeur de wijfjes op het tijdstip als zij vol met eieren waren.”
De maan kwam op; ik kan niet zeggen, welke wonderlijke lichtuitwerkselen
hare stralen op de bergen te voorschijn riepen. De Encuerado had het
tweede vuur aangestoken en nam Gringalet terzijde ten einde hem te
waarschuwen, dat hij niet buiten den door het vuur verlichten kring
moest gaan wandelen, want dat de tlalcoyoten, die zonder twijfel den
nacht zouden doorbrengen niet om het bivak te sluipen, veel van
hondenvleesch houden. Als om deze goede raadgevingen klem bij te
zetten, weerklonk een lang gejank en Gringalet meende verplicht te
zijn er met een verschrikkelijk gehuil op te moeten antwoorden.
»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast, »willen die heeren hunne stem
voegen bij het concert, dat de krekels en de muskieten ons geven?”
Lucien, die reeds was gaan liggen, stond weer op.
»En mijn papegaai,” riep hij.
—Slaap maar gerust, Chanito, antwoordde de Indiaan; hij is gebraden;
wij zullen hem morgen bij het ontbijt opeten.
Dit antwoord en het teleurgestelde gezicht van Lucien deed ons lachen.
De Encuerado had door te veel ijver gezondigd; niet wetende dat
Sumichrast de huid wilde bereiden, had hij hem gebraden. Ten einde zijne
misdaad zooveel mogelijk goed te maken, beloofde hij zijn lieveling
honderden papegaaien van allerlei kleuren. Ik sliep in en droomde van
een bosch vol opgezette ara's en parkieten.