XXV.

DE AARD-EEKHOORN.—EEN MUIZENNEST.—VLIEGENVOGELS EN COLIBRI'S.—DE

CHACHALACA.—DE CASSIEBOOM.—DE TLALCOYOTE.—DE KREKELS.

Een geweerschot deed mij verschrikt ontwaken; de dag brak aan. De

Encuerado toonde mij een grooten eekhoorn met grijzen rug en witten

buik, eene soort die niet op de boomen klimt en daarom door de Mexicanen

aard-eekhoorn (_amohli_) genoemd wordt. Dit dier, dat in holen onder

den grond woont, bezit de bevalligheid en levendigheid van zijne

soortgenooten, maar men kan het niet tam maken. Het loopt meestal bij

talrijke benden, nadert de woningen en verslindt in één nacht de zaden,

die door de landbouwers aan den bodem worden toevertrouwd. Dezen doen

het dan ook een onverbiddelijken oorlog aan.

Op het oogenblik, dat wij ons op weg wilden begeven, maakte de

Encuerado, wiens wonde reeds dicht was gegaan, zich van de mars meester.

Ik liet hem haar dragen, op voorwaarde dat hij mij zou waarschuwen als

hij vermoeid zou zijn. Ik ging voorop, Lucien bij de hand houdende en de

rotsachtige helling werd zonder ongeval afgelegd. De dunne en ver

uiteenstaande eiken leverden ons een gemakkelijken doorgang over een

bodem, bedekt met dorre bladeren, die onder de voeten knapten.

»Zou men niet zeggen, dat men in Europa was?” riep Sumichrast, stil

blijvende staan, mij toe.

—Ja,” antwoordde ik, »het is of de herfstwind reeds over de geel

geworden bladeren heeft gewaaid.

—Ik bemerk daar een dooden boom; ik ben zeker dat, als wij de schors

onderzoeken, wij er insecten uit ons land zullen vinden.”

De hoop van mijn vriend werd niet verwezenlijkt; zijne onderzoekingen

hadden geen ander gevolg, dan dat zij de rust stoorden van twee muizen

met zeer spitse snuitjes, waarvan de eene vluchtte, terwijl de andere

een nest met vijf jongen trachtte te beschermen, die op zeer fijn

plantaardig dons lagen. Lucien beschouwde met belangstelling de jonge

zoogdiertjes, plaatste de schors zooveel mogelijk in de oorspronkelijke

ligging, en vervoegde zich voorbij het bosch bij ons. Eene helling, die

zoo steil was, dat wij ternauwernood ons evenwicht konden bewaren,

bracht ons te midden van struiken met dubbele dorens, die Lucien niet

zonder reden bij stierenhorens in 't klein vergeleek. Eindelijk werd de

grond meer effen, ik wendde rechtsaf en kwam op eene, met bosschen

omringde vlakte uit.

Sumichrast nam den draagkorf op; Lucien en de Encuerado gingen voorop.

In plaats van effen te zijn, zooals wij, op een afstand gezien, gedacht

hadden, verborg het terrein talrijke plooien, waarin onze gidsen elk

oogenblik verdwenen, honderden kardinalen met rood gevederte en zwarten

halsband opjagende. Een troep parkieten viel dicht bij Lucien neer, maar

hervatte onmiddellijk zijne hortende vlucht. Eensklaps gaf de Encuerado

vuur en zijn leerling schoot toe om aan Gringalet een fraaien geel,

blauw, groen en rood gekleurden papegaai te ontrukken, waarvan de makker

onder een angstig geschreeuw de vlucht nam. Wij waren wel degelijk in

het Warme Land.

Eerst na een vermoeienden marsch scheen het bosch eindelijk naderbij te

komen. Het zweet parelde op onze voorhoofden; ik nam op mijne beurt den

zoo onontbeerlijken en toch zoo duizend maal verwenschten korf op den

rug. Ik hield aan den voet van een virginischen cederboom stil, ongeveer

op vijfhonderd meter van het bosch; ik behoefde mijn »halt” niet

tweemaal te herhalen.

Iedereen ging hout zoeken en in minder dan een half uur werd de voorraad

voor een nacht voldoende geoordeeld. De Encuerado richtte den haard op;

daarna gingen wij licht gewapend uit om een herkenningstocht te doen.

„En de hut!” riep Lucien uit.

—»De tijd der hutten is voorbij,” antwoordde Sumichrast.

—Moeten wij zonder beschutting slapen?

—Ja, behalve op de dagen als het regent, die, naar ik hoop, zeldzaam

zullen zijn. Wij zijn in het Warme Land en voortaan zullen wij, in

plaats van eene beschutting noodig te hebben, zoowel des nachts als over

dag de frissche lucht opzoeken.

Lucien schudde het hoofd en nam zijn geweer op om ons te vergezellen.

Ik voerde hem naar het bosch, waar eene menigte planten een

onontwarbaar net vormden. De lianen, aan de boomen vastgeklemd,

slingerden zich als guirlandes van den eenen top tot den anderen en

lieten loten afhangen, die zich met hunne bijwortels in den grond

inplantten. Andere soorten omslingerden deze natuurlijke steunpilaren en

bedekten ze zoo met haar gebladerte, dat dezelfde stengel tegelijkertijd

bloemen van verschillende kleuren voortbracht. Hier en daar vertoonden

varenplanten hare gevingerde bladeren; puntvarens hechtten hare behaarde

wortels aan de takken en groote horzels, met zwart en geel gewaad,

kropen in dezen muur van groen of kwamen er met luid gegons uit.

»De boomen en de planten schijnen mij hier grooter toe dan op de

bergen,” merkte Lucien op.

—»Gij vergist u niet,” antwoordde Sumichrast, »de plantengroei van het

Warme Land is nog veel krachtiger dan die van het Gematigde Land; gij

zult er nog beter over kunnen oordeelen naargelang wij meer voorwaarts

gaan.

—Hebt gij dat groote insect gezien, dat al gonzende voor ons uitvloog?

—Zeker, mijn beste Zonnestraal; dat is een vliegenvogeltje.

—»Een vliegenvogeltje!” riep de knaap uit, terwijl hij zijn vlindernet

opendeed.

En weg ging hij, den vluchteling achterna. De vlugge vogel beschreef

duizend bochten en bleef steeds buiten het bereik van den jongen jager,

die plotseling voor een heester stand hield. Toen ik bij hem was

gekomen, vond ik hem verdiept in de beschouwing van drie kleine nestjes,

die op gevorkte takjes geplaatst waren, en van binnen bekleed met groene

en gele boommossen.

»Hij is daar,” sprak Lucien zachtjes.

Ik tilde den kleinen weetgraag stilletjes op; twee wijfjes vlogen op en

hij kon in elk nestje een paar eitjes van eene groenachtige kleur en

niet grooter dan eene erwt zien.

—Als u mij een weinig dichterbij bracht, kon ik die eitjes krijgen.

—Waartoe zou dat dienen, mijn vriend? Beschouw ze op uw gemak, maar

beroof die lieve vogeltjes niet van hetgeen hun het dierbaarst is.

—»Daar is er een, dat zich niet bewogen heeft,” hernam Lucien.

—Misschien zijn zijne jongen reeds uitgekomen.

—Het geheele lichaam schittert; men zou zeggen, dat het terzelfder tijd

blauw, groen en goudkleurig is. Hij ziet mij aan en staat op; daar zit

hij op een boom. Als gij dat eens kondet zien, papa! er bewegen zich

twee jongen in het nestje.

Ik zette mijn zoon op den grond, opdat hij den Encuerado, die hem riep,

zou kunnen antwoorden. De Indiaan had een nest van vliegenvogeltjes

ontdekt en bracht het aan den tak, dien hij had afgesneden. Het

sierlijke bouwwerk, een wonder van teerheid, was van binnen met het

zijdeachtige dons van eene plant bekleed. Twee nog kale jongen en

nauwelijks zoo groot als eene hazelnoot, openden hunne snaveltjes om

voedsel te vragen. Ik beval den Indiaan den tak weer aan den boom te

bevestigen, waarvan hij hem had afgesneden en hem zoo stevig vast te

maken, dat hij niet kon vallen. Ik volgde hem zelfs om het werk na te

gaan. Nauwelijks naderden wij den struik of de moeder kwam om den

Indiaan vliegen en ging met kloppend hartje op haar kroost zitten.

»Gij zijt een braaf vogeltje!” riep de Indiaan uit, »en ik vraag u wel

vergiffenis, dat ik uw huis heb meêgenomen. Wees niet bang, ik ben de

Encuerado en men kan op mij vertrouwen. Beef dus maar niet; ik zou mij

zelven liever verwonden, dan u eenig kwaad te doen. Zie zoo, nu is

het weer stevig vast gemaakt en gij kunt in vrede verder leven. Uw

kindertjes kunnen getuigen, dat ik ze niet gekweld heb, ik wilde ze maar

alleen aan Chanito laten zien. Tot wederzien, senor _huitzitzilin_; gij

zijt een braaf vogeltje, dat zeg ik u.”

En de Indiaan verwijderde zich, terwijl hij het moedige vogeltje met

zulk een gezwaai met zijn hoed begroette, dat het arme diertje zeker wel

zal gedacht hebben, dat zijn laatste uur gekomen was.

»Behooren de vliegenvogeltjes tot de orde der vinkvogels, mijnheer

Sumichrast?” vroeg Lucien.

—Ja, tot de dunsnavelige vinkvogels. Zij vormen met de colibri's, die

vliegenvogeltjes met gebogen snavels zijn, de familie der trochilideeën.

—En waarmede voeden zij zich?

—Met den nektar der bloemen en kleine insecten.

Zie eens hier; daar komt er een al gonzende aangevlogen; zijne vleugels

bewegen zich zoo snel, dat me ze niet kan onderscheiden. Laat ons zeer

stil zijn; ik zie een tak, die zoo vol met blauwe klokken is, dat

hij er zeker wel door aangetrokken zal worden. Zie, de vlucht wordt

onbeweeglijk; hij houdt boven de bloemkelk stil; hij steekt er den kop

in, zonder dat de vleugels ophouden in beweging te blijven; de gespleten

tong heeft het sap, dat in het honigbakje van de bloem verborgen was,

reeds uitgepompt, hij keert naar zijne jongen terug, die hem met

geopenden snavel zullen ontvangen, ten einde hun aandeel van den honig

te krijgen.

—»Dat zijn heel aardige vogels!” sprak de Encuerado tot Lucien. Over

drie maanden, dat wil zeggen in October, zullen zij gaan slapen, om in

April weer wakker te worden.

—Is dat waar, Papa?

—Ik geloof eerder, dat deze vogels verhuizen.

—»Laten wij Chanito geen dwalingen leeren,” sprak de Encuerado, een

mijner gewone gezegden herhalende; »de _huitzitzilins_ verhuizen niet,

maar zij slapen.”

—Dit feit is mij door zooveel Indianen verteld, die gewoon zijn in de

bosschen te leven,” zeide mijn vriend mij, »dat ik geneigd ben er geloof

aan te slaan.”

—Maar zeggen zij ook niet hetzelfde van de vleermuizen en de

zwaluwen?[37] En toch weten wij, dat zij van luchtstreek veranderen.

[37] De vraag of enkele zwaluwen in onze streken, die verhinderd zijn

geworden te verhuizen, niet in eene soort van winterslaap vallen,

is nog niet opgelost. Het schijnt althans zeker, dat men in

Duitschland zwaluwen in holle boomen in winterslaap heeft

gevonden.

(N. v. d. V.)

—Ja, maar zij beweren ze slapende gevonden te hebben. In elk geval is

het zeker, dat zij gedurende den winter verdwijnen.

Het geklok van een hoendervogel, dien de Indianen _chachalaca_ noemen,

onderbrak het gesprek en mijn beide makkers slopen behoedzaam naar een

boom met zwartachtig gebladerte, die op weinig afstands van den zoom van

het woud stond. De vogels, die zeer wantrouwend van aard zijn, zwegen;

daar viel een schot en ik zag drie chachalacas wegvliegen en in het

bosch verdwijnen. Ik naderde den stam, dien de Indiaan beklom, want de

getroffen vogel was tusschen de takken blijven hangen.

»Zie eens wat lange stokken daar bij dien boom neerhangen!” riep Lucien

uit.

—»Dat is een met peulen behangen cassieboom,” antwoordde mijn vriend,

»hij is verwant aan de erwten en boonen.”

—»Kan men de schil eten?” vroeg de knaap, die een der op den grond

gevallen peulen had opgeraapt.

—Ge moogt van het zwarte moes, hetwelk de zaden omgeeft en een

zoetachtigen smaak heeft, proeven; maar eet er niet te veel van, want

het is purgeerend en wordt als zoodanig in Europa gebruikt. De Encuerado

liet den zwaren vogel, door Sumichrast gedood, voor onze voeten vallen.

Zoo groot als eene kip, het lichaam bedekt met grijze veeren, zou deze

fraaie vogel met blauwe pooten en snavel, gemakkelijk tot hofvogel

kunnen gekweekt worden. Zijn geluid, een soort van geklok, maakt den

jager op hem opmerkzaam, evenwel weet hij hem gewoonlijk te ontsnappen.

De Encuerado ging naar het bivak terug en Sumichrast voerde ons naar den

rand van een met struiken versperd en door vijf of zes groote boomen

overschaduwd ravijn.

Wij rustten zoo een oogenblik stilzwijgend, maar het oog steeds geopend,

toen drie jonge vossen, van de soort, die de Indianen _tlalcoyote_

noemen, elkander vervolgende, kwamen aangeloopen, weldra door een

vierden gevolgd; de moeder, dubbel zoo groot als de Europeesche vos,

kwam op hare beurt te voorschijn. Zij vestigde hare vurige oogen op

ons en liet een dof gejank hooren om hare jongen terug te roepen.

»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast; »dat canaille wil ons aan haar

jongen geven.

Ik stak mijne machete in den grond, ten einde haar onder mijn bereik te

hebben. Het beest ging op den buik liggen, gereed om zich op ons te

werpen.

»Ja, ja, schoone dame, waag er u maar eens aan,” mompelde mijn vriend,

den Encuerado nabootsende.

De tlalcoyote liet een scherpen schreeuw hooren en bijna terzelfder tijd

kwam een tweede dier zich bij haar vervoegen.

»Schiet niet voor ik het bevel geef,” sprak ik tot Lucien, wiens houding

niets te wenschen overliet.

—»Gij het mannetje,” riep Sumichrast mij toe; »maar laten wij niet tot

de worsteling uitdagen.”

Toen zij ons overeind zagen staan, verdwenen de verbaasde roofdieren

plotseling. Sumichrast daalde in het ravijn neer en riep mij toen;

tusschen het gras zag ik den ingang van een hol, rondom met witte

beenderen bezaaid. Twee schreden verder en op dezelfde lijn, vertoonde

zich de kop van een der dieren, welks oogen als die eener kat

glinsterden, aan de opening van een tweede hol. Ik wierp het dier een

steen toe, dat, in plaats van te vluchten, den neus optrok en ons zijn

scherpe tanden liet zien.

Daar wij er volstrekt niet op gesteld waren om de vossen te

trotseeren, ging ik met Lucien, die gedurende dit tooneel eene groote

koelbloedigheid had doen blijken, naar de vlakte terug. Ik was daar zeer

over tevreden, want ik wenschte vooral hem te harden, en ik vreesde dat

het ongeval van den Encuerado met den otter een kwaden indruk op hem had

gemaakt.

»Hebben die groote vossen u niet erg bevreesd gemaakt?” vroeg mijn

vriend hem, toen hij zich weer bij ons vervoegde.

—Een weinig, vooral hunne oogen, die bliksemstralen schenen uit te

schieten.

—En wat zoudt gij gedaan hebben, als zij op ons toe waren gesprongen?

Ik zou zoo goed mogelijk gemikt en dan geschoten hebben, maar de vossen

zijn moediger dan ik gedacht had.

—»Zij wilden hunne jongen beschermen, en de nabijheid van hun hol heeft

hen stoutmoedig gemaakt.”

Toen de Encuerado vernam, dat er tlalcoyoten in de nabijheid waren,

maakte hij nog een tweeden vuurhaard voor den nacht gereed. Reeds begon

het Oosten bleeke tinten aan te nemen en terwijl wij aten zagen wij

verschillende paren papegaaien ver over onze hoofden vliegen en zich

naar het bosch begeven. De vliegenvogeltjes gonsden overal. Troepen

kardinalen en blauwe musschen vlogen van den eenen struik naar den

anderen. Als zij te dicht bij het bivak neerstreken, verzocht de

Encuerado hen in zeer beleefde woorden een weinig verder te gaan, en als

zij weigerden zette hij zijne beleefdheid kracht bij door een zacht naar

hen toegeworpen steen, die zelden zijn uitwerking miste. De zon ging

onder, de bergen staken somber tegen den rooskleurigen hemel af en de

pijnboomen vertoonden hunne vormen op de hooge bergtoppen. De krekels

hieven hun gezang aan.

»Drommels, drommels!” riep mijn vriend uit, »dat is nog eentoniger dan

een lofzang van den Encuerado.

—»Vanwaar komt dat vreemde geluid?” vroeg Lucien, »men zou zeggen, dat

duizend van die kleine trommels, welke de Indianen maken, bespeeld

worden.”

—»Dat zijn krekels,” antwoordde ik, »een insect dat in Europa bijna den

geheelen zomer, en in het Warme Land bijna het geheele jaar zingt.”

—Zijn zij dan zoo groot, dat zij zoo hard zingen?

—Zij zijn bijna zoo groot als mijn duim; maar daar komt de Encuerado er

reeds met een aan.

—Wat een kop en wat groote oogen! Hij heeft een snuit.

—Wel zeker, evenals alle halfvleugeligen, zooals ik dat gezegd heb bij

gelegenheid van de tettigonen. Maar de krekel brengt dat scherp geluid,

dat hem tot zinnebeeld der slechte dichters heeft gemaakt, niet met zijn

snuit voort. Het mannetje maakt het door de twee veerkrachtige vliezen,

die onder zijn fraaie glaskleurige vleugels zitten, en roept daardoor

het wijfje. Dit laatste geeft geen geluid.

—»Waar hebt gij dien krekel gevonden?” vroeg Lucien zijn vriend.

—Op een boom, Chanito! men vindt ze altijd op boomen.

—Ja,” antwoordde ik, »en het wijfje boort met een priem, waarin haar

buik eindigt, een gat in de takken, om er hare eieren in te leggen. Als

de larven uitkomen, laten zij zich op den grond glijden en kruipen daar

in ten einde hare gedaanteverwisselingen te ondergaan.

—»Ach! Chanito,” sprak de Indiaan, die het dier, dat zich nu stilhield,

weer teruggenomen had, »als gij eens wist hoe lekker de krekels smaken!”

—Hoe, lekker smaken? Hebt gij ze dan wel eens gegeten?

—Ja, in mijn land.

—»Daar behoeft gij u niet over te verwonderen,” sprak Sumichrast tot

Lucien; »de oude Grieken vonden het ook eene lekkernij en aten bij

voorkeur de wijfjes op het tijdstip als zij vol met eieren waren.”

De maan kwam op; ik kan niet zeggen, welke wonderlijke lichtuitwerkselen

hare stralen op de bergen te voorschijn riepen. De Encuerado had het

tweede vuur aangestoken en nam Gringalet terzijde ten einde hem te

waarschuwen, dat hij niet buiten den door het vuur verlichten kring

moest gaan wandelen, want dat de tlalcoyoten, die zonder twijfel den

nacht zouden doorbrengen niet om het bivak te sluipen, veel van

hondenvleesch houden. Als om deze goede raadgevingen klem bij te

zetten, weerklonk een lang gejank en Gringalet meende verplicht te

zijn er met een verschrikkelijk gehuil op te moeten antwoorden.

»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast, »willen die heeren hunne stem

voegen bij het concert, dat de krekels en de muskieten ons geven?”

Lucien, die reeds was gaan liggen, stond weer op.

»En mijn papegaai,” riep hij.

—Slaap maar gerust, Chanito, antwoordde de Indiaan; hij is gebraden;

wij zullen hem morgen bij het ontbijt opeten.

Dit antwoord en het teleurgestelde gezicht van Lucien deed ons lachen.

De Encuerado had door te veel ijver gezondigd; niet wetende dat

Sumichrast de huid wilde bereiden, had hij hem gebraden. Ten einde zijne

misdaad zooveel mogelijk goed te maken, beloofde hij zijn lieveling

honderden papegaaien van allerlei kleuren. Ik sliep in en droomde van

een bosch vol opgezette ara's en parkieten.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 42 / 54 题