XXIV.

EEN MOEIELIJK AMBACHT.—WILDE LINDEBOOMEN. DE DUIVEN.—KERSEN VAN DE

ANTILLEN.—DE OORWORM. SLANGEN EN ADDERS.—HET WARME LAND.

»Hoe gaat het met den arm?” vroeg ik den Encuerado, die reeds op was

toen ik wakker werd.

—»Vrij goed, Tatita, maar ik moet hem niet te veel bewegen; want dan

heb ik een gevoel, alsof die verwenschte waterhond mij nog tusschen

zijne tanden heeft.”

Ik verbond den gewonde, die niet nalaten kon den otter opnieuw met

scheldwoorden te overladen; ik dwong hem zich rustig te houden en

bereidde zelf de koffie. Sumichrast en Lucien werden nu ook wakker; er

werd tot het vertrek besloten, het regenseizoen naderde en beval ons ons

te haasten.

De Encuerado wilde, niettegenstaande onze tegenwerpingen, zijne mars

opnemen; hij beurde zijne vracht op, maar viel weer neer en werd geheel

bleek.

»Geen koppigheid,” zeide ik hem: »gij zijt nu overtuigd, dat uwe

pogingen nutteloos zijn. Ik zal onze bagage dragen totdat uw arm genezen

is.”

—Ik kan niets beters doen dan maar naar huis gaan; mijn geweer schijnt

mij zelfs te zwaar toe.

—Als ge nu maar geen dwaasheden begaat, zult ge over drie dagen je

vracht weer kunnen dragen en je van je geweer bedienen.

Ik nam de riemen van de mars op en volgde mijne makkers voet voor

voet. Het gebrek aan gewoonte verdriedubbelde de vracht, die ik op de

schouders droeg. De Indiaan overlaadde mij met raadgevingen en maakte

mij boos door telkens op te merken, dat ik de mand minder gemakkelijk

droeg dan hij. Ik zond hem, om er van af te zijn, naar de voorhoede. Na

verloop van een half uur was ik geheel uitgeput en loste Sumichrast mij

af. Veel sterker dan ik zijnde, ging mijn makker met den looppas vooruit

en verwierf de loftuigingen van den Encuerado. Maar zijn ijver bedaarde

al zeer spoedig, want de kracht kan niet dan onvolkomen de gewoonte

vervangen. De mars, waarvan het gewicht mijn dienaar niet belet had om

de steilste paden op te klimmen en zelfs niet om hard te loopen, als het

noodig was, deed ons bezwijken.

Ik nam haar op mijne beurt weer op den rug; mijne taak werd hoe langer

zoo moeielijker, want wij gingen onder het geboomte door en telkens

bleef ik in de takken verward steken. Ten slotte werd toch half

lachende, half preutelende een weg afgelegd van ongeveer drie uren, en

de otter, de oorzaak van al het leed, boette door onze gretige beten

voor de vermoeienis, die hij ons berokkende.

De Encuerado, die van zijne jeugd af aan gewoon was eene vracht op

zijn rug te gevoelen, beklaagde zich over het ongemak hetwelk men

ondervindt als men onbeladen loopt. Dat was geene overdrijving; niets

was meer gewoon dan de Indianen van de markt, waar zij hunne waren

hebben afgeleverd, te zien terugkeeren met de mars vol steenen of takken

als tegenwicht, zonder hetwelk hun gang langzaam en moeilijk zou zijn.

Eindelijk hadden wij nog een uur afgelegd, maar de Hemel weet ten koste

van hoeveel inspanning; de hut werd aan den voet van een heuvel, te

midden van ebbenhout-, wol-, en eikeboomen opgericht. De Encuerado

ging bij den haard zitten, terwijl ik in gezelschap van mijn vriend en

Lucien den heuvel opklom. De boomen, die den top bekroonden, waren

lindeboomen—_tilia sylvestris_—de type van de boomen van denzelfden

naam, die in Europa zoo algemeen verspreid zijn en waar de kweeking ze

zoozeer veranderd heeft, dat zij niet meer tot dezelfde soort als hunne

verwanten in de maagdelijke wouden schijnen te behooren. Het hout van

den lindeboom wordt door de Indianen zeer gezocht voor de vervaardiging

van die kleine mandolinen—xaranas—, die bij duizenden in Mexico

verkocht worden. In Europa wordt de schors van dezen boom gebruikt tot

het vervaardigen van puttouwen en de kool, die zijn hout oplevert, wordt

boven elk andere verkozen voor de vervaardiging van het buskruit. Weinig

gewassen zijn dan van meer algemeen nut; het gebladerte, van een fraai

groen, maakt hem zeer geschikt voor de versiering van tuinen; de

geelachtige bloemen, bij iedereen onder den naam van lindebloesem

bekend, bevatten eene vluchtige olie, die haar krampstillende

eigenschappen verleent. Het zachte en lichte hout wordt door de

beeldhouwers gebruikt; de olieachtige zaden worden als surrogaat van

de cacao aangewend en de Lithauers maken uit het sap een op wijn

gelijkenden drank, die samentrekkende eigenschappen bezit.

Het bekende gekoer van duiven trok onze aandacht; ik gleed onder de

boomen door en joeg spoedig een troep fraaie duiven op de vlucht, van

eene mooie donkere aschblauwe kleur, den staart met eene zwarte streep

overtrokken en met parelgrijze stuurpennen; de geleerden noemen ze

Zenaïde-duiven. Ik schoot er twee; Sumichrast, die beter geplaatst was,

raakte er drie; dat was meer dan wij voor ons middagmaal noodig hadden.

Het waren de eerste duiven, die wij gedood hadden, en Lucien zocht

tevergeefs hare verwantschap vast te stellen.

»Het zijn geen vinkvogels, noch minder zwemvogels,” zeide hij, »en de

klimvogels hebben anders gevormde pooten.

—»Uwe twijfelingen zijn zeer natuurlijk,” viel mijn vriend hem in de

rede; »de ornithologen-zelve zijn in 't onzekere. Zij rangschikken de

duiven evenwel onder de hoendervogels en beschouwen ze als den schakel,

die dezen met de vinkvogels verbindt.

—Waarom heeft men er geene afzonderlijke orde van gemaakt?

—Bravo, meester Zonnestraal! maar uw uitmuntend denkbeeld is reeds

geopperd geworden; verscheidene natuuronderzoekers tellen ook een orde

van de _colombíden_ of duifachtige vogels. Wat gij evenwel dient te

weten, is, dat de duiven den geheelen aardbol bewonen; dat er witte,

blauwe, roode, groene en bruine zijn; soms zijn die tinten te zamen

versmolten en verhoogen zij nog de schoonheid van deze lieve vogels. De

duif, het zinnebeeld der zachtmoedigheid en der onschuld, laat zich zeer

licht tam maken, zij heeft eene zware maar volhardende vlucht en in veel

landen heeft men ze afgericht om berichten over te brengen.

Lucien bleef geheel in nadenken verzonken.

»Als ik dat geweten had, zou ik een paar duiven hebben medegebracht en

dan zou mijne lieve Mama reeds lang bericht van ons ontvangen hebben.”

Sumichrast, die om de betrekking van opperkeukenmeester had gevraagd,

die open was gevallen door de wonde van den Encuerado, ging beladen met

de opbrengst van onze jacht, naar het kamp terug. Ik volgde den zoom

van het woud, in gezelschap van Lucien, die het eerst een kerseboom

der Antillen—_malpighia glabra_—ontdekte. De roode, vleezige en

zuurachtige vruchten vielen zeer in onzen smaak en de knaap klom in den

boom om er eene goeden voorraad van te plukken en blijde bij de gedachte

aan de verrassing, die hij zijnen beiden vrienden bereidde. Toen het

plukken gedaan was, onderzocht ik den boomstam. Een haastig afgerukt

stuk schors bracht een groot aantal zoogenaamde oorwormen te voorschijn.

»Wat mooie kevers!” zeide Lucien.

—»Dat zijn rechtvleugelige insecten of _orthopteren_,” haastte ik mij

hem te onderrichten, »zij behooren tot eene familie, die zeer aan de

kakkerlakken verwant is. De oorwormen worden ten onrechte gevreesd; de

soort tang, waarin hun staart uitloopt, is geheel en al onschadelijk.”

—Zie eens, papa, wat is het lichaam van dien oorworm met eene menigte

witte puntjes overdekt.

—Dat is een wijfje, dat hare eieren zoo uitbroedt; maar zie eens hier.

—Acht, tien, twaalf jongen; wat zijn ze aardig! Men zou zeggen dat zij

zich laten geleiden door dien grooten oorworm, die zich bij elke schrede

omkeert. Mooi zoo, zij blijven staan en de kleinen verzamelen zich om

hem.

—»Zeg om haar, want het is eene moeder en hare kinderen; de zoo

geprezene hen zorgt niet beter voor haar kroost dan dit arme insect.”

Ik kon Lucien niet zonder moeite van het beschouwen der oorwormen

afrukken; het gesis van eene slang, die ik van onder een steen verjoeg,

bracht hem weer bij mij. Ik had nog juist den tijd om de slang te

pakken, die zich met kracht om mijn arm kronkelde. De knaap zag mij,

stom van verbazing, met angstigen blik aan.

»Vader”, riep hij uit, vol schrik op mij toeschietende.

—Stel u gerust; dit arme kruipdier kan zich niet verdedigen, en het is

zoo klein, dat men het gerust in de handen kan nemen.

—Maar het zal u met zijn angel steken.

—Het heeft geen anderen angel dan zijne tong, wier aanraking geen

gevaar oplevert. Komaan, neem de slang ook eens aan.

De knaap aarzelde in den beginne; maar allengs werd hij stoutmoediger en

liet de slang toe zich om zijn arm te kronkelen. Toen hij bij den haard

was gekomen, liet hij haar aan den Encuerado zien, die van schrik

achteruitsprong, want volgens hem waren alle kruipende dieren vergiftig.

Alle aansporingen van Lucien, om hem ook de slang te doen vastnemen,

waren vruchteloos.

»Ik zal het niet doen voor gij mij de woorden zult herhaald hebben, die

gij uitgesproken hebt, om onkwetsbaar te worden.”

—»Ik ben niet meer onkwetsbaar dan gij,” hervatte Lucien lachende. »De

slang is onschadelijk en papa heeft mij wel op het hart gedrukt nooit

eene slang aan te raken, alvorens hem te hebben geraadpleegd.

—En hebt gij dan geen enkel woord gezegd voor gij haar aanpaktet.

—Neen; papa had haar in zijne handen en heeft haar om zijn arm

gekronkeld.

—»Nu begrijp ik het,” mompelde de Indiaan; »de slang is betooverd.”

Gringalet, die even wantrouwend was als de Indiaan, ging op de vlucht,

toen hij de slang zich bewegen zag.

Ik beval mijn zoon de slang de vrijheid weer terug te geven; de Indiaan

trok zijn machete, maar ik zette haar zelf in een struik, zoodat hij

haar geen leed kon doen.

De nieuwe keukenmeester overtrof zichzelven; hij zette ons eene soep van

maïs, gebraden duiven en een rijstetaart voor, die wel niet mooi van

vorm, maar heerlijk van smaak was. De kersen voltooiden dit vorstelijk

maal, en de rustpijp werd begeleid door een kop warme koffie. Toen de

nacht daalde ging Sumichrast, door Lucien over de gewoonten der slangen

ondervraagd, stilletjes slapen; ik wachtte niet lang met zijn voorbeeld

te volgen, want de zwaarte van de mars had mij meer vermoeid, dan mijne

eigenliefde het wel wilde bekennen.

Den volgenden dag vond de opgaande zon ons reeds op weg. De wonde van

den Encuerado, die reeds veel minder pijnlijk was, veroorloofde hem

weer, zich van zijn geweer te bedienen en zonder mijn uitdrukkelijk

verbod zou hij zijne vracht opnieuw hebben opgenomen. Op den top van

den heuvel gekomen, voerde hij ons op eene helling en de karavaan

hield slechts halt in een somber en vochtig dal, op den rand van een

groenachtigen poel. Na eene kleine rust, die wij gebruikten om onze

veldflesschen te vullen en een tatoe te dooden, haastten wij ons deze

plaats te ontvluchten, waar de lucht door vergiftige uitwasemingen

verpest scheen te zijn. Toen de tegenovergestelde helling afgelegd was,

begaf ik mij onder de pijnboomen, terwijl ik mijn vriend, die de mars

droeg, aanmoedigde en Lucien schelmsch tot een wedloop uitdaagde.

»Dat is niet edelmoedig van je,” zeide ik tot den kleinen schelm; »wat

zou er van ons zijn geworden als Sumichrast zich niet de moeite gaf den

korf te dragen.”

—Mij spijt slechts één ding,” antwoordde de knaap, »en dat is, dat: ik

niet sterk genoeg ben om u te helpen. Als ik mijnheer Sumichrast zoo

plaag, dan doe ik het omdat mijne plagerijen hem vermaken—zij maken dat

hij zijne vracht vergeet en dus lichter loopt.”

—»Kom bij me, dat ik u omhelze,” riep mijn vriend uit; »gij hebt

honderdmaal gelijk. Ik dacht ook, dat gij slechts een luim

opvolgdet, zonder om mij te denken.”

Eene nieuwe daling putte ons volkomen uit en Sumichrast zwoer dat hij

tot de volgende dag de mars vaarwel zeide. Ik nam haar nu op, maar na

verloop van weinig tijds deed ik denzelfden eed als mijn vriend, en

het bivak werd opgeslagen. Terwijl mijne gezellen zich met de keuken

bezighielden steeg ik de hoogte op; ik had haar nauwelijks twee of drie

honderd meters doorloopen of ik riep allen bij mij,—het Warme Land lag

aan mijne voeten. In den beginne doorvorschte een ieder zwijgend het

onmetelijke panorama, dat zich voor onze oogen ontrolde. Wij bevonden

ons op eene der tegenhellingen der Cordilleras. Het toeval was ons

gunstig geweest; eenige honderden meters verder zouden de boomen ons

niet veroorloofd hebben dit wonderschoone vergezicht te bewonderen.

Boven ons rotsen met mos en orchideeën bekleed, een ruime, rotsachtige,

steile bodem; daarna een woud van eikeboomen, welker roode bladeren

reeds door de zon geroosterd waren. Lager op, eene lange prairie bezaaid

met groene struiken en omzoomd door een bosch, waarvan de hooge toppen

zich, zoover het gezicht reikte, uitstrekten. Aan de rechterhand

kondigde eene breede gele en schitterende ruimte eene savanne aan en aan

onze zijde vormden nu eens naakte, dan weer met boomen begroeide hoogten

een grooten halven cirkel.

—»Het beloofde land!” riep Sumichrast eindelijk uit.

—»Het tijgerland!” hervatte de Encuerado.

—»Het land der muskieten en van den dorst,” voegde ik er bij.

Lucien alleen bleef zwijgen; het Warme Land was voor hem het lang

gedroomde land. In het Gematigde Land geboren en groot gebracht, moesten

die bodem van vuur en die wouden, welker schoonheden en gevaren wij

voortdurend zoo geroemd hadden, zijn ideaal zijn. Hij dacht zonder

twijfel aan de leeuwen, de tijgers, de krokodillen, de wilde paarden en

stieren, de savannen en palmboomen, waarover de Encuerado nooit moede

werd te spreken. Hij verheugde zich er over dat land te mogen zien, zoo

gevreesd door Creolen en Europeanen; die ondoorzochte wereld, waarvan de

gele koorts den toegang verbiedt.

De kok vergat zich zoozeer in zijne bewondering, dat het middagmaal

slechts uit dikke soep en aangebrand vleesch bestond. Nauwelijks was

de koffie op of wij begaven ons, zonder dat er afspraak over geweest

was, naar het uiterste punt van de hoogvlakte. Daar zagen wij hoe de

schaduwen zich langzamerhand over de savanne uitstrekten; hoe het groen

der bladeren donkerder tinten aannam en hoe de zon de lichte wolken,

die aan den blauwen hemel verschenen waren, met gouden weerschijn

verlichtte. De nacht kwam op zijne beurt zijn geheimzinnigen sluier over

de onmetelijke vlakten, die wij moesten doortrekken, uitspreiden. Eer de

dag verdwenen was, teekende zich nog in de verte een besneeuwd hoekje

van den vulcaan van Orizava af; ik dacht aan de wezens, zoo dierbaar aan

mijn hart, die, achter die bergen, op mij wachtende, de dagen telden; ik

tilde Lucien op en omhelsde hem. Gringalet blafte om ook zijn aandeel in

de liefkoozingen te vragen, en door hem geleid kwam de kleine troep weer

aan het bivak, om een welverdiende rust te genieten.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 41 / 54 题