OP WEG!—DE VOGELSPIN.—EEN KAKKERLAK.—WEZEL- EN CIVETKAT.—DE
VLIEGENDE EEKHOORN.—DE DADELPRUIMENBOOM.—DE OTTER.—DE ENCUERADO WORDT
GEWOND.
Drie dagen van een moeielijken marsch brachten ons te midden van het
Gematigde Land. Wij trokken ditmaal de Cordilleras in de breedte over,
klimmende, dalende, op de toppen rillende, en groote druppels zweetende
in de nauwe en donkere dalen, waar het toeval van den marsch ons bracht.
De vulkaan van Orizava vertoonde van tijd tot tijd zijn scherpen kegel,
wat ons zeer hielp om onze richting te bepalen. Vier dagen nadat wij
Coyotepec verlaten hadden, sloegen wij ons bivak aan den voet van een
berg bij een rivier met helder en ijskoud water op.
Terwijl de Encuerado den vuurhaard gereedmaakte, ontdekte Lucien onder
een grooten steen eene buitengewoon dikke, zwarte en harige spin, met
pooten die met dubbele haken gewapend waren.
»Dat is een tarentella, nietwaar mijnheer Sumichrast?”
—Neen, vriendje, dat is de vogelspin, aldus geheeten omdat zij, naar
men zegt, de nesten der vliegenvogels aanvalt en de jongen er van
verslindt.
—Kan ik haar pakken?
—Niet met de handen; haar beet is gevaarlijk.
—Men zou zeggen, dat zij ons met die twee groote oogen, die dicht bij
haar bek staan, aanziet.
—Zij ziet zonder twijfel naar ons; bedreig haar eens met dit takje, en
gij zult zien dat zij zich ter verdediging gereed maakt.
De groote spin stak hare voorste pooten in de lucht en uit haar mond
kwamen twee zwarte, gladde haken. Na een oogenblik geaarzeld te
hebben, wierp zij zich onverwacht op het stukje hout, dat Lucien,
achteruitdeinzende, vallen liet, terwijl de Encuerado het afschuwelijke
dier verdreef.
Een tiental stappen verder vond de jeugdige natuuronderzoeker eene
tweede spin en overstelpte mij met vragen. Ik kon hem niets dan eenige
algemeenheden over deze zonderlinge klassen van dieren mededeelen.
»Maar, papa, wij ontmoeten bij elke schrede groene, zwarte, gele,
goudkleurige spinnen; zijn er dan zoo veel soorten?”
—Er zijn er zoo vele, dat men ze niet alle kent; ik geloof zelfs,
dat die van Mexico nooit beschreven zijn. Men zou ze trouwens op de
plaats-zelve moeten bestudeeren; want het weeke lichaam der spinnen
verliest door het drogen zijn vorm en men kan ze slechts bewaren door
middelen, die een reiziger niet altijd onder zijn bereik heeft.
—»Ik heb er evenwel in mijne doos, die niet al te zeer gehavend zijn,”
hernam de knaap.
En hij liet mij verschillende dieren met een driehoekigen buik zien, die
bruine puntjes vertoonden en vol stekels zaten. Ik ried hem aan er zich
van te ontdoen, daar hij dezelfde soorten in de omstreken van Orizava
kon vinden.
Onderweg verscheurde ik eenige draden van een licht web, dat tusschen
twee heesters was uitgespannen en waarvan de bezitster—eene grijze
spin—onmiddellijk te voorschijn kwam om in haast de schade, die ik
onvrijwillig had aangericht, te herstellen.
»Waar haalt zij toch dien draad vandaan, die zoo dun is dat men hem
ternauwernood ziet?” vroeg Lucien.
—Uit vier bewaarplaatsen, die onder aan den buik gelegen en met eene
gomachtige stof opgevuld zijn, welke hard wordt, zoodra zij aan de lucht
is blootgesteld. Deze bewaarplaatsen, welke de natuuronderzoekers
spintepeltjes noemen, zijn met ongeveer een duizendtal gaatjes
doorboord. Uit elk dezer gaatjes komt een draad, die voor het ongewapend
oog onzichtbaar is, omdat men er duizend noodig heeft om den draad te
vormen, dien de spin op het oogenblik te voorschijn brengt.
—Wat spijt het mij nu, dat ik niet een groot aantal van deze insecten
verzameld heb; wij hebben er zulke zonderlinge ontmoet.
—In de eerste plaats zijn de spinnen geen insecten; zij hebben
longen en een hart, terwijl de insecten door luchtbuizen of tracheeën
ademen.[34] Bovendien hebben de insecten voelsprieten en ondergaan zij
gedaanteverwisselingen, wat niet bij de spinnen plaats heeft. Gij zult u
zeker nog wel herinneren, dat zij aan den schorpioen verwant is.
[34] De tracheeën of luchtbuizen zijn twee vaten, die aan weerskanten
langs het lichaam zijn geplaatst en van vertakkingen zijn voorzien;
zij dienen om de lucht op te vangen en zich door het lichaam te
verspreiden.
—Ja, maar de schorpioenen kunnen niet spinnen.
—Die kunst verstaan ook niet alle spinnen; zoo leeft bijvoorbeeld die
soort met gouden weerschijn, waarover gij zooeven spraakt, op planten en
zij zou zeer in verlegenheid zijn, als het ongeluk haar overkwam van in
het web harer spinnende zuster te vallen.
—Eten de spinnen elkander dan op?
—Zonder de minste aarzeling; de schorpioenen doen het ook; dat is eene
familiekwaal.
—Dan verwondert het mij niet meer, dat de spinnen over 't algemeen zoo
leelijk zijn.
—Al waren zij ook nog zoo mooi, dan zou dat nog niets aan hare
geaardheid afdoen. Maar zij hebben bovendien ook hare goede
eigenschappen—het geduld, bijvoorbeeld, en de vastberadenheid. De arme
spin, die gij daar ziet, zweet, om zoo te zeggen, water en bloed, om
eene prooi te vangen, die haar telkens ontsnapt. Nu eens verscheurt
de wind het met zooveel moeite gesponnen weefsel; dan weer vliegt een
groote kever, als een echte wildzang, door het web. En toch wordt
het beestje niet ontmoedigd; het herstelt zijn val en terwijl het
onbeweeglijk het wild bespiedt, dat voor zijn onderhoud noodzakelijk is,
gebeurt het maar al te dikwijls, dat het in den snavel van een vogel
wordt weggevoerd.
—En u, mijnheer Sumichrast, weet u niets over de spinnen?
—Zeker, meester Zonnestraal, veel anecdoten; zoo zegt men, dat men
ze tam kan maken en dat zij dan tusschen de vingers de vliegen komen
weghalen, die men haar voorhoudt; men verzekert zelfs, dat zij zich zeer
dankbaar betoonen tegenover hen, die zoo in haar voedsel voorzien, wat
mij eenigszins met die onaangename dieren verzoent. Ik moet u nog zeggen
dat er eene soort bestaat, waarover uw papa niet gesproken heeft,
de waterspin, die eene duikerklok vervaardigt, welke zij met een
bewonderenswaardig instinct met lucht vult en met draadjes tusschen de
waterplanten ophangt.
—Dat zal toch wel niet zijn om vliegen te vangen, veronderstel ik?
—Neen, zij voeden zich met larven, muggen en eendagsvliegen. De
beroemde sterrekundige Lalande at uit pralerij eene kelderspin op; men
beweert dat de Indianen uit de provincie Honduras ook van spinnen
smullen.[35]
[35] Men heeft ook van onze beroemde landgenoote Anna Maria Schuurmans
gezegd, dat zij spinnen at.
(N. v. d. V.)
De Encuerado had op zijne beurt ook iets over de spinnen mede te
deelen. Hij vertelde ons dat als een paard den voet op een vogelspin
zet, de hoef binnen acht dagen afvalt en niet meer aangroeit. Hij
beloofde bovendien aan Lucien dat, zoodra wij het Warme Land zouden
bereikt hebben, hij hem de beroemde kristallen spin zou laten zien, die
in duizend stukken breekt, als men onhandig genoeg is haar te laten
vallen.
»Chema,” riep Lucien eensklaps uit, »kom eens naar die groote
_coucaratcha_ zien! Ik dacht dat die insecten alleen in de huizen
leefden. Wat sleept zij toch achter zich aan?”
—»Een klein doosje, waarin hare eieren vervat zijn,” antwoordde ik. In
drie of vier dagen zal dat doosje aan de zijde opengaan en er zullen een
twintigtal jonge kakkerlakken uitkomen.
—Heet de _coucaratcha_ kakkerlak?
—Kakkerlak of zwarte tor. Voor de geleerden is het een rechtvleugelig
insect, voor de creolen een vuil dier, dat in de laden van alle meubelen
binnendringt en er ongeveer dezelfde verwoestingen aanricht als de
muizen. Des nachts loopen de kakkerlakken, die een letterkundigen smaak
schijnen te hebben, in groot aantal in de kamers rond, knagen aan het
papier en drinken de inkt uit.
—Zij wachten daartoe niet eens den nacht af,” riep Lucien uit; »zij
hebben meermalen de onbeschaamdheid zoo ver gedreven, dat zij in mijn
inktkoker hunnen dorst leschten, terwijl ik bezig was mijn schoolwerk af
te maken. Ik ken bruine en groene kakkerlakken, maar de Encuerado heeft
laatst volgehouden dat er ook witte zijn.
—De Encuerado heeft gelijk, antwoordde ik; ik heb er ook wel eens van
die kleur gevangen en opgesloten, maar na verloop van vierentwintig
uren waren zij roestrood geworden, zooals hunne geheele familie. Dit
verschijnsel bewijst, dat de kakkerlakken van huid verwisselen, eene
eigenaardigheid die zij met verschillende dieren gemeen hebben, zooals
de groote spin, welke uw vriend straks heeft weggejaagd.
Ik ontrukte Lucien aan zijne entomologische studiën om hem meê onder de
boomen te nemen, ten einde den hoofdschotel voor ons middagmaal op te
zoeken. Wij stieten eerst op een _Cacamizli_ of kattefret[36], een soort
van wezel van een wreed uiterlijk, die ons met een scherpen schreeuw
verwelkomde. Gringalet begon het dier onmiddellijk te vervolgen en
bleef slechts stand houden bij den ingang van het hol van het dier.
De cacamizli nestelt zich, evenals de wezel, waarvan hij slechts in
grootte verschilt, op de zolders der woningen, waar hij zich des
nachts aan de luidruchtigste beweging overgeeft. In de voorwijken van
verschillende steden van Mexico staat meer dan één huis ledig, omdat
men meent dat het door spoken bezocht wordt, terwijl het eenvoudiglijk
bevolkt is met wezels en buidelratten.
[36] Bassario astuta. Biart noemt het hier bedoelde dier _cacomiste_,
een verbastering van het _cacamizli_ der Mexicanen.
(N. v. d. V.)
[Illustratie: Op tien passen van ons af, viel een dier naar beneden.
(blz. 213).]
»Opgepast!” riep de Encuerado eensklaps uit.
Een civetkat, een roofdier dat wel een weinig op een Angora-kat
gelijkt, liep hard voor ons weg. Gringalet, wien het verveelde om op
de wezel te wachten, kruiste zich met het dier en begon het dadelijk,
niettegenstaande ons roepen, te vervolgen. De civetkat bleef eensklaps
staan, wroette met haar scherpe nagels den grond om en verspreidde toen
zulk een stank om zich, dat de hond dadelijk den terugtocht aannam.
De Encuerado vervolgde zijn marsch en geleidde ons zonder geraas te
maken en met den vinger aan den trekker. Plotseling bukte hij om beter
te kunnen hooren.
»Een quimichpatlan,” zeide hij zachtjes.
—Een »vliegende rat”, herhaalde ik aan Sumichrast.
Lucien wilde spreken; ik wees met den vinger op den Indiaan, die, den
neus in den wind en half achter een dooden boomstam verborgen, den
top van een ebbenhoutboom onderzocht. Op hetzelfde oogenblik legde de
Encuerado aan en gaf vuur; hij had goed gemikt,—op tien pas afstands
van ons viel een dier neer, dat in zijne stuipachtige bewegingen een
vlies had uitgespannen, dat de pooten onderling verbond en het als met
een mantel omgaf.
Lucien raapte het dier op, dat meer algemeen bekend is onder den naam
van _vliegenden eekhoorn_. Daar men ze zelden alleen aantreft gingen
mijne beide gezellen opnieuw op de jacht en doodden er een tweeden.
»Moeten wij die dieren eten?” vroeg Lucien.
—Waarom niet!” antwoordde ik. »Het zijn eekhoorns, en al waren het ook
ratten, zooals de Mexicanen beweren, dan zou hun vleesch er niet minder
smakelijk om zijn.”
—Kunnen die eekhoorns lang vliegen?
—In werkelijkheid vliegen zij niet; maar het vlies, dat hunne vier
pooten verbindt, houdt hen als een valscherm in de lucht en vermindert
het gevaar van hunne verbazende sprongen.
—Loopen zij even vlug als de eekhoorns?
—Daar scheelt veel aan; zij komen zelfs niet op den grond; maar hunne
vlugheid op de boomen maakt, dat zij hunne familie geen oneer aandoen.
—»Ik dacht, dat de vleermuis het eenige vliegende zoogdier was,”
hervatte Lucien.
—»Wij hebben nog de phalangista,” zeide mijn vriend, »een dier dat tot
de orde der buideldieren behoort en in Australië wordt aangetroffen; het
gelijkt op de buidelrat. Men zegt dat het zich als het een mensch ziet,
aan den staart laat hangen en geen beweging durft maken. Dit sprookje
past goed bij dat van den Encuerado over de kristallen spin.
De Indiaan begaf zich in rechte lijn naar het bivak, terwijl ik mijne
twee metgezellen weer naar den stroom terugbracht; onderweg hadden wij
nog gelegenheid eene prachtigen dadelpruimenboom te bewonderen. Eén
daarvan was beladen met bruine, van binnen witachtige vruchten, die een
vrij aangenamen zuurzoeten smaak hebben. Ik plukte er in haast een half
dozijn van, wetende dat het eene smullerij voor mijn bediende zou zijn.
Terwijl wij zoo onzen weg vervolgden, zagen wij dat de oevers van den
stroom trapsgewijze lager werden en weldra vertoonde zich een meer, dat
heerlijk omgeven was met cypressen, populieren, elken, ebbenhout- en
styraxboomen, aan onze oogen.
Ik ging op eene rots zitten, vanwaar mijne oogen op het blauwe en
doorschijnende water rustten; Sumichrast en Lucien kwamen naast mij
zitten. Verrukt over de lachende majesteit van dit onbekende plekje
der wereld, bleven wij sprakeloos zitten. Vogels zweefden door den
wolkenloozen hemel, kwamen in onze nabijheid zitten, kweelden een
oogenblik, en vlogen verder, na ons den tijd te hebben gegeven om de
rijke kleuren van hun gevederte te bewonderen. Op het onbeweeglijke
water liepen duizenden insecten met lange pooten en doorschijnende
vleugels, die eene onzichtbare kracht over de effene vlakte deed
glijden. Soms verscheen een waterjuffer met een azuurblauw en purper
lichaam, en alles vluchtte voor dien vijand, als een troep musschen voor
een sperwer. Een vlinder met gouden en perlemoeren vleugels kwam onder
het bereik van het vraatzuchtige insect. Meer dan één vreeselijk gevecht
werd onder onze oogen tusschen de kleinste schepsels geleverd; eindelijk
vond de waterjuffer, die den vlinder bijna overwonnen had, een graf in
de maag van een vogel.
Wij wilden ons juist verwijderen, toen het water tot in de diepte in
beroering scheen gebracht te worden, en terwijl op de oppervlakte
vliegen en muggen met hun spel ongestoord voortgingen, vluchtten de
visschen vol spoed en schenen hun angst aan de waterslangen mede te
deelen. Een schildpad, die den terugtocht nutteloos scheen te oordeelen,
trok haar kop en pooten binnen haar schaal terug. Bijna op hetzelfde
oogenblik hield een dier, dat krachtig zwom, bij het kruipdier stil om
het te beruiken en vervolgde toen zijn weg.
—Zijn er dan ook water-buidelratten? vroeg Lucien.
—»Dat is een otter,” antwoordde ik zacht.
Terwijl wij zonder geraas de rots afdaalden, volgde ik Sumichrast naar
den waterkant, naar eene plek, waar het dier aan land scheen te willen
komen. Een uur verliep evenwel in vruchteloos wachten.
Mijn vriend stelde voor in de haast te gaan eten en daarna weer onzen
post bij de rots in te nemen. Eenige minuten waren voldoende om bij den
Encuerado terug te zijn; want zonder het te weten hadden wij ons bivak
op nauwelijks vier geweerschoten afstands van het meer opgeslagen. De
Indiaan sprong van vreugde, toen hij de nabijheid vernam van wat hij een
waterhond noemde.
»Ge moogt me een ezel noemen,” zeide hij tegen Gringalet, terwijl hij
hem streelde, »als ik je morgen ochtend geen bout van je broer vóór
ontbijt breng.”
—Zijn de otters dan werkelijk verwanten van Gringalet?” vroeg Lucien
mij.
—»Ja,” antwoordde ik; »volgens Cuvier zijn het teenloopers. Overigens
laat de otter zich zoo tam maken als een hond en men richt hem af om
visch te vangen, dien hij te gereeder weet te krijgen, daar hij niets
anders dan visch eet.”
De vliegende eekhoorn werd noch goed, noch kwaad bevonden; maar de
Encuerado smulde van de dadelpruimen, wat niet belette dat hij het eerst
gereed was. Lucien, altijd even ongeduldig, knorde op Sumichrast, die
smakelijk zijn koffie dronk.
»Drommels, drommels! meester Zonnestraal,” riep hij vroolijk uit, »gij
vergeet dat ik een Zwitser ben en half een Indiaan ben geworden, en dat
ik aan de Franschen de onbezonnenheid en de voortvarendheid overlaat.”
—Moet ik mijn aandeel in het compliment nemen?” vroeg ik glimlachende.
—»Ge zult moeten bekennen,” antwoordde mijn vriend, »dat wij een
tamelijk volledig geheel vormen en dat, alles wel overwogen, mijne
langzaamheid ons meer dan één middagmaal heeft bezorgd, waarvan uw
Fransch ongeduld ons zou beroofd hebben.
—En gij zult, op uwe beurt, moeten bekennen, dat mijne voortvarendheid
ons meer dan één ontbijt heeft verschaft, dat uwe langzaamheid ons zou
hebben doen verliezen.
—Drommels, drommels! dan is het uit met mijne meerderheid; we zullen
dan maar zeggen, dat alles om 't best is.
—»Toch niet,” riep Lucien uit; »terwijl wij praten gaan de otters
slapen, zonder ons goeden nacht te wenschen.
—Dat hebt ge mis, Chanito; de waterhonden gaan juist des nachts aan 't
werk.
Tien minuten later stonden wij op nieuw bij de rots op den uitkijk. De
Encuerado wilde ons niet volgen en ik liet hem handelen zooals hij zelf
verkoos. De zon was op punt van onder te gaan en achter ons teekenden
de boomen hunne donkere schaduwen tegen een oranjekleurigen hemel af,
terwijl honderden vogels te gelijk babbelden. De schemering bedekte den
horizon en overal heerschte eene plechtige stilte. Allengs begonnen de
sterren te schitteren en steeg de maan boven de boomen. Haar wit licht
drong door het gebladerte en verleende het fantastische vormen, die aan
een bovennatuurlijke wereld deden denken. Naar gelang het gesternte
hooger steeg, verspreidde het ook meer licht en ik ken geen prachtiger
schouwspel dan die nachten onder de keerkringen, die helderder, zachter
en geheimzinniger zijn dan de zoo geroemde nachten der koude landen.
Een schot brak de mijmering af, waaraan ik mij had overgeleverd en het
hioe! hioe! van den Encuerado riep ons. De Indiaan draafde langs den
voet der rots, door den getrouwen Gringalet gevolgd. Een pijnlijke kreet
deed mij schrikken; Sumichrast verdween als een pijl uit den boog,
terwijl ik den loop van Lucien bespoedigde. Ik hoorde een groot geraas
van stemmen, bijna door het razend geblaf van den hond overheerscht; ik
vond mijn vriend, die de keel van een otter, dien Gringalet woedend
beet, tusschen zijne handen dichtkneep. De Encuerado, op den grond
gezeten, drukte vol angst zijn rechterarm; hij was door het dier, dat
hij te overijld had willen vatten, gebeten. Het was nu de tijd niet om
verwijtingen te doen; ik troonde mijn dienaar in allerijl naar het bivak
mede; hij troostte Lucien, die in stilte schreide.
Het onderzoek van de beet stelde mij gerust; ik was eerst bang voor eene
verscheuring, maar die bestond niet. Ik verbond den gekwetste, wat hem
zeer verlichtte.
»Oh! Tatita,” sprak hij, »'t gaat nu beter, veel beter; maar toen die
rakker mijn arm beet pakte, dacht ik dat ik flauw zou vallen.”
—»God geve dat dit ongeval je wat voorzichtiger moge maken,” gaf ik ten
antwoord; »hoe kondet gij het ook in uw hoofd krijgen om een gewond dier
te naderen, als ge weet dat het zulke scherpe tanden heeft als de
otter?”
—Hij wilde in 't water springen en dan zou hij verloren zijn geweest;
toen heeft hij zich dood gehouden.
—Dat wil zeggen, dat hij het gunstige oogenblik bespiedde om zich op u
te werpen.
—Gij hebt misschien gelijk, Tatita, ik zag hem naar de rivier gaan;
toen heb ik geschoten en ben naar hem toegeloopen. Nadat het dier
getracht had te vluchten, is het zonder beweging neergevallen. Ik heb er
mij overheen gebukt en voelde toen dadelijk zijne tanden. De pijn was
zoo hevig, dat ik de kracht niet had om er meê te worstelen; gelukkig is
Tata Sumichrast toen gekomen, zonder nog Gringalet mee te rekenen, die
uit al zijne macht beet, maar niet op een zulke goede plaats als de
otter, anders zou hij mij wel spoedig hebben losgelaten.”
Mijn vriend stroopte het wild de huid af en stak het onmiddellijk aan
het spit. Lucien onderzocht het dier met zijn opgekrulden snuit met
breede neusgaten, en zwart en glad haar en de pooten van zwemvliezen
voorzien, zooals de eenden en de Nieuw-Foundlanderhonden. Zoodra het
gebraad goed gaar was omwikkelde ik het, om het voor de insecten te
beschermen, waarna wij ons te ruste begaven. Ik voorzag wel dat de
Indiaan den volgenden dag zijne mars niet zou kunnen dragen, en dat de
noodzakelijkheid om hem te vervangen, mijn geduld en dat van Sumichrast
op de proef zou stellen, want wij konden er niet toe besluiten ons
oponthoud te rekken. De slaap overviel ons, zonder dat dit gewichtig
vraagstuk eene oplossing had gekregen.