DE GALWESPEN.—EEN AFGROND.—DE KAPPERS.—SALADE VAN PORTULAC.—DE
BEDROGEN JAGERS.—GRAFGRAVENDE INSECTEN.—DE ZANDKEVERS.—CACTUS EN
COCHENIELJE. DE MEXICAANSCHE WIJN.—AFSCHEID VAN ONZEN GASTHEER.
Zoodra de morgenstond aanbrak riep ik Sumichrast en Lucien. De Encuerado
sliep zoo rustig na zijne heldendaden van den vorigen dag, dat ik zijn
slaap eerbiedigde. Mijn plan was den geheelen dag te gaan jagen, ten
einde de ledige ruimte in de kisten, welke Torribio naar Puebla zou
brengen, te vullen. Ik voerde mijne gezellen naar het benedengedeelte
van de vallei; alles sliep nog in de hutten en Gringalet kon met
opgerichten staart voorbij zijne soortgenooten gaan.
Na verloop van twintig minuten bevonden wij ons in een nauw pad, omzoomd
met _guapaques_—(_ostrya mexicana_)—een boom behoorende tot de familie
der cupuliferen of beker dragende boomen, en die door zijn uiterlijk aan
onzen eik, zijn verwante, herinnert.
»Zie eens, papa,” riep Lucien uit; »men zou zeggen dat die bladeren met
vruchten beladen zijn.»
—Dat zijn uitwassen, veroorzaakt door het steken van een insect, tot de
orde der huidvleugeligen (_hymenoptera_) behoorende en hetwelk de
geleerden _cynips_ noemen.
—Hoe kan een insect die fraaie, ronde, met stekels bezette balletjes
maken?
—De buik van de _cynips_ of galwesp bevat een hollen angel, waarvan
de kanten gewapend zijn met tandjes, die de gedaante van eene pijlpunt
hebben. Het insect bedient zich van dat werktuig om in de planten, waar
aan het zijne eieren toevertrouwt, te steken; de uittreding van het sap
veroorzaakt die wratten, die men vooral aan rozelaars, vijgeboomen en
eiken opmerkt. Een der galwespen van den eikenboom geeft het ontstaan
aan de galnoten, eene zelfstandigheid, die zeer rijk aan looistof is en
waarvan men zich bedient bij de bereiding van schrijfinkt.
—Als een van die insecten mij in de hand stak, zouden er dan ook zulke
bollen ontstaan?” vroeg Lucien.
—De galwespen hebben het slechts op planten voorzien,” hernam mijn
vriend; »maar zij hebben neven—de sluipwespen bij voorbeeld,—die hunne
eieren in de lichamen van sommige rupsen leggen. Zoodra de larven
uitgekomen zijn, beginnen zij aan het dier, dat ze draagt, te knagen,
zonder het evenwel te dooden.
—'t Is gelukkig, dat die dieren ons sparen.
—Er zijn er ook ten onzen gerieve: denkt gij dan niet aan de
_moyocuile_, die vlieg, die zoo goed hare familie onder onze huid weet
te herbergen; zonder nog te spreken van de _niqua_, die onder onze
nagels een huis graaft, dat zij met eieren opvult?
—En de schurftmijt,” hernam ik, een heel klein diertje, dat eene zeer
leelijke en lastige ziekte veroorzaakt.
Ik had van Coyotepec vernomen, dat het ravijn op ongeveer drie mijlen
van zijne woning plotseling eindigt en dat het water der beek zich daar
in een afgrond verliest. Ik richtte mij dan naar dat punt, nu eens
voorafgegaan, dan weer gevolgd door Gringalet, die er vermaak in vond de
kleine rivier over te zwemmen en in het gras te rollen.
Het kronkelige pad voerde ons in een grooten door groen omzoomden
trechter; na een honderd schreden kwam men aan rotsen, in den vorm van
pyramiden en ondersteund door de reusachtige wortels van een kleinen
boom met schaarsch gebladerte. Het water gleed zonder geraas over de
steenen en verdween onder een laag gewelf, dat achter lischplanten met
gele en roode bloemen verborgen was.
Lucien, over den afgrond gebogen, wilde weten waar dat water bleef.
»Misschien wordt het opgeslorpt door de zandige bodems, waarop het
valt,” zeide ik; »misschien komt het weer in de valleien te voorschijn,
waar het terrein even laag wordt als zijne bedding.”
—Gebeurt het dikwijls dat de beken zoo onder den grond gaan?
—Ja; vooral in Mexico, waar die onderaardsche monden, den naam van
_Sumidero_ dragen. Dicht bij Chiquihuite, ongeveer vijf mijlen van den
weg, die van Vera-Cruz naar Cordova voert, verdwijnt eene breede rivier
in een grot, die meer dan een mijl lengte heeft.
—Wat zou ik zulk een fraai schouwspel gaarne willen zien.
—Uw wensch zal vervuld worden, als wij niet te veel in het Warme Land
verdwalen.
Sumichrast had ons verlaten om in de struiken te kruipen. Er viel een
schot en de jager keerde terug, een prachtige vogel, wiens rood
gevederte gouden en purperen weerschijnen had, in de hand houdend.
»Dat is een fraai heer, dien hebben wij nog niet ontmoet,” riep Lucien
uit.
—Het is de prachtigste onder de vinkvogels van Amerika,” gaf ik ten
antwoord, »'t is de _ampelis pompadora_[33]; maar zijn schitterend
gewaad duurt niet lang. Binnen weinige dagen zouden die veeren, die zoo
levendig schitteren, uitgevallen zijn en vervangen worden door een dof
en donker gewaad. Deze rui, die veel vogels eigen is, heeft meer dan
eens de ornithologen op een dwaalspoor gebracht, daar zij als eene
nieuwe soort beschouwden wat slechts een voorwerp was, dat door eene
verandering in het gevederte onkenbaar was geworden.
[33] De pracht- of Pompadoer-kotinga. Wat Biart hier zegt is
gedeeltelijk onjuist. De veeren vallen niet uit, maar veranderen
van kleur. Men kan dit verschijnsel waarnemen bij een aantal
buitenlandsche volière-vogels, zooals de verschillende wevervogels
en de Widah-vinken. Tegen den broeitijd wordt het gewoonlijk
grijsbruine gevederte allengs geel, oranje, blauw of rood,
naar gelang der soort. Men noemt dit 't prachtgewaad of
bruiloftsgewaad. Tegen den winter verdwijnen deze schitterende
kleuren opnieuw om voor het eenvoudige winterkleed plaats te
maken. (N. v. d. B.)
Een lang vertoeven bij den _Sumidero_ stelde ons in 't bezit van een
twaaftal vogels van verschillende soorten, onder andere verschillende
Tangaras, die alleen aan Amerika eigen zijn, en van een paar fraaie
koekoeks van eene geelachtig bruine kleur en met een waaiervormigen
staart, die op deze plaats op den trek waren.
»Waarom?” zoo vroeg Lucien, »zegt gij dikwijls, dat een vogel uit
Brazilië, uit Guyana of uit Peru is, terwijl gij hem toch in Mexico
vindt?
—Omdat veel vogels op sommige tijdstippen van het jaar trekken,”
antwoordde mijn vriend, »en men ze op groote afstanden aantreft van
de landen, waar ze geboren zijn. Deze fraaie merel, bijvoorbeeld,
verschijnt slechts tegen de lente in Mexico, weshalve men hem den naam
van _primavera_, eerste van de lente, heeft gegeven.
—Zie toch eens die fraaie gele bloemen, papa, zij verbergen zoo
volkomen den stam van den boom, dat men zou meenen, dat hij ze
voortbrengt.
—Dat zijn de bloemen van den _tropoeolum_ of wilden kapper, die zijn
naam te danken heeft aan het in den vorm van een monnikskap verlengde
kelkblad. De kapper is in Europa aangekweekt, waar men de in azijn
ingelegde vruchten eet en met de bloemen de sla toebereidt.
—Kennen de Mexicanen ze dan niet? ik heb er bij hen nooit op tafel
gezien.
—Dat is waar, en toch zou de prikkelende smaak van de bloemen van den
_tropoeolum_ hun wel behagen; misschien vinden zij dat de smaak te flauw
is, omdat zij te veel gewoon zijn aan het piment.
—»Gij hebt de kruiderijen, ik de salade,” riep mijn vriend eensklaps
uit.
Hij liet ons een handvol planten zien, die men portulak noemt.
Deze plant, die in alle vochtige bodems in overvloed groeit, geeft roode
bloemen, die zich des avonds sluiten, om des morgens opnieuw open te
gaan. Ik verzamelde de vleezige bladen, terwijl Sumichrast, die een
plant vol met zaad had gezien, aan Lucien de ronde gleuf (_portula_),
die zij bezitten, toonde en waaraan de plant haar familienaam van
_portulaceeën_ (portulakken) te danken heeft.
Maïskoeken en onze salade verschaften ons een landelijk ontbijt, dat aan
den oever der beek werd voorgediend. Lucien smulde in dit eenvoudige
maal en ik moest zijn eetlust, die door de prikkelende bloemen nog werd
opgewekt, matigen.
Toen onze maaltijd afgeloopen was, poogde Sumichrast tegen den wal op te
klimmen; maar de grond zakte telkens onder hem in en hij viel twee- of
driemaal op zijn neus. Ik liet Lucien aan zijn lot over, want het vallen
leverde niet het minste gevaar op. Minder zwaar dan wij, bereikte hij
zonder moeite den bovenkant van de vlakte en lachte zeer oneerbiedig
over onze pogingen.
»Pas op je ooren,” riep mijn vriend hem toe; »als ik bij je kom zullen
ze mij tot steunmiddel dienen.
Aldus schertsende zocht hij tevergeefs naar een beter beklimbare plek;
wij maakten ons boos en onze onmacht vermaakte Lucien. Eindelijk ontdeed
ik mij van mijn geweer en weitasch en zoo opgelicht gelukte het mij
eindelijk naar boven te komen.
»Dat is alles goed en wel,” sprak Sumichrast, zich vastklampende en
waggelende, »maar hoe zal ik nu bij u komen, nu ik twee geweren en twee
weitasschen te dragen heb.
—»Wacht een weinig!” riep Lucien uit.
En naar de helling ijlende verdween hij weldra. Ik hoorde hem spoedig
daarop met zijne machete een tak afkappen en kort daarna kwam hij weer
met een bamboestengel boven.
»Wij zullen mijnheer Sumichrast visschen;” zeide hij, nog geheel buiten
adem.
Op den wal zittende stak ik mijn vriend den stok toe; hij pakte hem vast
en won zoo wat terrein en bracht allengs ons jachtgereedschap omhoog.
Na mij geweren en weitasschen te hebben aangereikt kwam hij zelf ook
bij ons. In plaats van meester Zonnestraal bij zijne ooren te pakken,
omhelsde hij hem, om hem voor zijn uitmuntend denkbeeld te bedanken.
Het ravijn liep ongeveer tweehonderd passen verder ten einde en
wij bevonden ons te midden der cactussen. Lucien deed zijn best om
hagedissen te vangen; maar Gringalet, die zeker dacht heel slim te doen,
liep altijd voor hem uit en verjoeg zoo de diertjes. Toch slaagde de
jonge jager er in om eene mooie groene hagedis te vangen, een _Anolis_,
die, driester dan de gewone hagedissen, in de vingers, die haar vast
hielden, zocht te bijten, en de keelhuid, die doorschijnend is als een
vlindervleugel, vol toorn opblies.
Eensklaps begon Gringalet onrustig te blaffen; een scherp gefluit
antwoordde er op en daarna de stem van den jakhals. Ik riep den hond
terug en met den vinger aan den trekker van mijn geweer, ging ik
voorzichtig voorwaarts, mijn vriend op den voet volgende en Lucien
bevelende naast mij te blijven. Onze stille gang verraste eenige
gladslangen, die in de zon lagen te slapen. Daar weerklonk het
geroep van den nachtuil. Ik wisselde met mijn reisgezel een blik van
verwondering; het was noch het uur, noch de plaats om dien vogel te
ontmoeten. Een nieuw gejank en een nieuw blaffen deden zich hooren; maar
ditmaal zoo dicht bij, dat ik staan bleef. Gringalet sprong voorwaarts
en daar verschenen vier kinderen, die Gringalet cactusbladeren als een
schild voorhielden.
»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast, »als ik mij niet vergis zijn dat
de uil, de jakhals en de hond, die ons zoozeer in spanning hebben
gehouden.”
Mijn reisgezel vergiste zich niet; de jonge Indianen brachten
levensmiddelen aan hun ouderen broeder, die belast was met het hoeden
van een troep geiten; en om de eentonigheid van den weg wat te verkorten
hadden zij zich vermaakt met het geluid van verschillende dieren zoo
volmaakt na te bootsen, dat wij er door misleid werden.
Tegen drie uren verliet mijn vriend, die de vogels, welke bij gedood
had, wilde bereiden, ons om de woning van Coyotepec te bereiken. Ik
vervolgde mijne wandeling in gezelschap van Lucien en bleef staan bij
het lijk van eene muis, welke eenige doodgravers bezig waren te
begraven.
De insecten, vijf in getal, groeven de aarde om de muis op, ten einde
die er onder te stoppen. De doodgravers, die zoo druk aan 't werk waren,
hadden eene taak ondernomen, die zij niet in minder dan vierentwintig
uren ten einde konden brengen; twee der aardwerkers lichtten het lijk
aan eene zijde op, terwijl de andere met hunne pooten de aarde er
onderuit haalden. De kleine mijnwerkers haalden zonder tusschenpoozen
den grond onder hunne prooi uit.
»Welk doel hebben zij toch met die muis te willen begraven?” vroeg
Lucien mij.
—Zij denken aan hunne kinderen. Zij zullen hunne eieren onder het
begraven dier leggen en als de larven geboren worden zullen deze zich
voeden met de overblijfselen van het lijk, in welks nabijheid de
voorzorg der ouders hen geplaatst heeft.”
Ik stoorde de ijverige doodgravers, die, tot hun ongeluk, tot eene niet
veel verspreide soort behoorden. Hun voelsprieten, die den knotsvorm
vertoonden, eindigden plotseling in een knopje en hun dekvleugels, die
schitterend zwart waren, werden door eene gele streep doorsneden. Ik
mocht den grond en de prooi zooveel omkeeren als ik wilde, ik vond er
maar vier.
Op een pad, dat de nabijheid van het dal aankondigde, vertoonden zich
zandkevers. Lucien maakte er jacht op, maar de vlugheid der insecten
stelde zijne pogingen te leur.
»Wat zijn die vliegen slim,” riep hij uit, »ik kan er geene enkele
vangen.”
—Dat zijn geen vliegen maar kevers en verwant met de loopkevers. Geef
mij uw net.
Lucien wilde nog eens beproeven om een zandkever te vangen en hij kreeg
er inderdaad twee. De schoone metaalglans van hunne bruine, met gele
puntjes bezaaide dekschilden bekoorden hem, maar de insecten ontsnapten,
na hem gebeten te hebben.
»Welke kaken,” zeide hij, zijn vinger schuddende; »gelukkig dat die
beestjes maar heel klein zijn. Leven de zandkevers dan niet in 't
bosch?”
—Zij vertoeven bij voorkeur op droge en zandige plaatsen; zij loopen en
vliegen zeer snel; maar het is niet moeielijk ze te vangen, want, zooals
gij ziet, vallen zij weer spoedig op den grond. Deze fraaie kever bezit
eene buitengewone vraatzucht; daar is er een, die eene groote vlieg
heeft gevangen en die hij bezig is te verscheuren. De grillige vlucht
van een hertskever voerde ons op den rand van het ravijn: terwijl wij
het pad, dat talrijke door struikgewas beschaduwde zigzaglijnen vormde,
volgden, kwamen wij voor eene hut terecht. Voor de deur was eene jonge
vrouw, die ik als eene der danseressen van den vorigen avond herkende,
bezig een stuk katoen te weven. Het weefgetouw, dat de schering bevatte
en aan den eenen kant aan een boomstam was bevestigd en aan den anderen
kant om het middel van de arbeidster was gerold, was tegelijkertijd
eenvoudig en samengesteld, zooals alle oorspronkelijke gereedschappen.
Lucien zag met nieuwsgierigheid toe, en ziende hoe de weefster telkens
de kleur van haar garen veranderde, begreep hij hoe de Indiaansche
vrouwen beneden om hare rokken die zonderlinge teekeningen vervaardigen,
die hare verbeelding uitdenkt.
Tegenover de hut groeiden _nopales_-cactussen.
»Kijk die planten, waarvan het zien den Encuerado zeker zou aandoen,
want men vindt ze overal in zijn land, eens goed aan, sprak ik tot
Lucien. »De talrijke bruine puntjes, die gij op de bladeren bemerkt,
zijn halfvleugelige insecten van de familie der galwespen, cochenieljes,
zooals men ze gewoonlijk noemt. Zij hebben geen vleugels en leven op
kosten van de cactussen, waaruit zij met hun zuigsnuit het sap zuigen.
Alleen de mannetjes kunnen zich bewegen, de wijfjes zijn veroordeeld
om te sterven, waar zij geboren zijn. Op een gegeven oogenblik zullen
die kleine insecten duizenden eieren leggen en hun lichaam zal met een
wolachtig mos bedekt worden, dat tot beschutting voor de jonggeborenen
moet dienen. Men oogst de cochenielje als zij rijp is, om eene
uitdrukking der Indianen te bezigen, door de plant met een lang,
buigzaam mes af te schrappen, waarna de insecten levend in een ketel met
kokend water worden gedompeld. Zoodra ze dood zijn worden zij er uit
gehaald om in de zon te drogen. Die kleine korreltjes bedekken zich
nu met een zilverkleurig huidje en worden dan in zakken van geitevel
ingepakt en naar Europa verzonden, waar men ze gebruikt om stoffen
te verven en carmijn te maken, dat zulke fraaie rose kleuren aan het
suikergoed geeft.”
Een weinig verder bevond ik mij tegenover een _maguey_—_agave
mexicana_—eene soort aloë, waaruit men de _pulque_ bereidt. De maguey
bloeit alle vijfentwintig of dertig jaren en de steel, die de bloemkroon
moet dragen, groeit in twee maanden ongeveer vijf à zes meters. Deze
steel draagt niet minder dan vier à vijfduizend bloemen aan zijn top en
de plant verteert al hare kracht met ze voort te brengen, want zij
sterft spoedig daarop.
In de plantages van de vlakten van Apam, waar de maguey op groote schaal
wordt gekweekt, belet men het bloeien. Zoodra de kegelvormige knop,
waar de stengel uit voortkomt, zich vertoont, snijdt men dien af en men
graaft er met een grooten lepel eene cilindervormige holte in uit, die
vijftien of twintig centimeters diep is. In deze holte hoopt zich het
sap op; men schept het er twee of driemaal daags met eene langwerpige
kalebas, waarvan de Indianen zich in plaats van hevel bedienen, uit. Men
berekent dat eene krachtige plant in vierentwintig uur ongeveer drie
liters van een suikerachtig vocht—_agua miel_—zonder reuk en van een
zuurzoeten smaak moet leveren.
Het agua miel wordt in ossenhuiden, die bij wijze van troggen op vier
paaltjes zijn geplaatst, opgevangen. Er bezinkt eene witachtige stof,
de vloeistof gist en na verloop van tweeenzeventig uren levert men het
aan de liefhebbers, onder welken men een groot aantal Europeanen kan
rekenen, af. Een Maguey-plant kan gedurende twee of drie maanden bewerkt
worden.
De _pulque_ is een dronkenmakende drank, waarvan de smaak afwisselt naar
mate van den graad van gisting; men kan hem vergelijken bij een goeden
appel- of perewijn; men zegt, dat degenen die er veel van gebruiken, vet
worden.
Ik bereikte de hut van Coyotepec, waar Lucien reeds voor mij was
aangekomen. Sumichrast had zijn werk af, en de Encuerado, te midden van
een hoop gedroogde bladeren van den waaierpalm gezeten, bood mij een
prachtigen hoed met breede randen aan.
De twee volgende dagen werden met jagen doorgebracht; weldra waren onze
kisten vol en dichtgemaakt. Ik verklaarde aan Torribio, die met het
aanbreken van den dag op reis dacht te gaan, op welke manier hij ze
behandelen moest; vervolgens gaf ik hem brieven mede, die onze spoedige
thuiskomst meldden. Lucien had aan zijne lieve Mama en zijn zusje
Hortense geschreven en hij moest zijn brief wel twintigmaal opnieuw
openen om er de _post-scriptum's_ bij te voegen, die de Encuerado hem
voorzegde.
Reeds des avonds namen wij afscheid van onzen gastheer. Door zijne
welwillendheid hadden wij onzen voorraad rijst, koffie, suiker en
maïskoeken vernieuwd. In plaats van zwarte peper, namen wij roode piment
mede, maar de kostbaarste koop bestond in het kruit en de hagel, die wij
tegen den verrekijker hadden ingeruild.
Vrijdagmorgen vernam ik, dat Torribio reeds op weg naar Puebla was.
Hij was tegen middernacht op reis gegaan, teneinde de vlakte niet op
het warmste van den dag te moeten doortrekken. Ik verhaastte ons eigen
vertrek. Wij hadden goede hoeden, onze kleeren, met zacht leer versteld,
gaven ons het uiterlijk van zindelijke bedelaars, waar wij ons evenwel
weinig het hoofd om braken. Mijne schoenen en die van Sumichrast, stevig
en bijna netjes opgelapt, waren evenveel waard als nieuwe en Lucien
bezat nog een paar reserve-sandalen. Gringalet blafte vroolijk bij het
zien van de toebereidselen, die wij maakten.
De kleine kolonie, die zich in gelid had geschaard om ons te zien
vertrekken, begroette ons met hare zegewenschen. Ik drukte de handen,
die mij werden toegestoken en vergezeld door den kindertroep, die den
jongen reiziger omringde, begon ik het pad op te klimmen, dat ons in
deze gastvrije oase had gevoerd. Op den top van den oever aangekomen,
zwaaide ik met mijn hoed om Coyotepec opnieuw te groeten; de Encuerado
schoot bij wijze van afscheidsgroet zijn geweer af en wij drongen den
doolhof van cactussen in, ons in rechte lijn naar het Oosten richtende.