BLANKEN EN ZWARTEN.—WIJ WORDEN SCHRIJNWERKERS.—DE ENCUERADO
GAAT PREEKEN.—DE WAAIERPALMEN.—DE ADVOCAATBOOM.—DE KOESKOES.—DE
GIER.—EENE MOEIELIJKE ONDERHANDELING.—DE ENCUERADO BAL-ONDERNEMER.
De woning, zoo edelmoedig te onzer beschikking gesteld, was eene ruime
loods, door wanden van bamboe in drie vertrekken verdeeld. Op den grond
uitgespreide matten dienden voor bed; het verdere huisraad bestond uit
twee bankjes. De Encuerado veegde eene der kamers uit en richtte voor
ons eene slaapstede in, veel zachter dan wij sedert een twintigtal dagen
hadden gebruikt. Een troep kinderen van beider kunne, in 't kleed der
onschuld gehuld, maakte een kring om ons en volgde onze bewegingen met
verbaasde blikken. Ik heb nog vergeten te gewagen van een half dozijn
honden, bij welke de tegenwoordigheid van Gringalet in den beginne eene
soort van razernij had opgewekt; maar weldra vergenoegden zij zich nog
maar met brommen, als de indringer in hunne nabijheid kwam.
Toen ons goed in de loods was gebracht, ging ik op eenige schreden van
de hut op eene hoogte zitten, van waar men de beek overzag. Sumichrast
vervoegde zich bij mij, met eene uit tabaksbladeren gerolde sigaar
in den mond. Langzamerhand begon de zon lager te staan, de kinderen
begonnen in onze nabijheid te spelen en plasten in het kristalheldere
water. Ik spoorde Lucien, die van begeerte verging om eveneens te
doen, aan hen na te volgen. Nauwelijks had hij zich ontkleed, of de
jonge Indianen, die hem met eene zichtbare nieuwsgierigheid hadden
aangestaard, barstten in lachen uit en kakelden onder elkander als
jonge papegaaien.
»Waarom lachen zij toch zoo hard, als zij mij aanzien?” vroeg Lucien aan
den Encuerado.
—Om uwe blanke huid; wat wilt gij er aan doen? Zij hebben er nooit eene
van die kleur gezien.
—Vinden zij die dan zoo belachelijk? vroeg Sumichrast op zijne beurt.
—»Een beetje,” hernam de Indiaan, »maar maak u daar niet ongerust over,
Chanito; 't is in elk geval uwe schuld niet.
Ons lachen paarde zich toen aan dat der jonge Indianen en was oorzaak,
dat er zich tusschen Sumichrast en mij een lang gesprek ontspon. De
Encuerado, dien wij meenden dat ons om onze blanke huid benijdde,
beklaagde ons dus, evenals hij door de Nubiërs beklaagd zou worden,
omdat hij slechts eene koperkleurige huid bezat.
»Maar,” sprak Lucien, die bij ons was gekomen op het oogenblik toen het
gesprek begon, »waarom hebben niet alle menschen dezelfde kleur? Waar
ligt dat aan, mijnheer Sumichrast.”
—Aan den invloed van het licht, dat het pigment meer of minder kleurt,
mijn vriend.
—Het pigment.
—Ja, eene bruine zelfstandigheid, die zich onder de huid bevindt en die
haar eene meer of minder donkere tint verleent.
—Dan hebben de Europeanen zeker geen pigment?
—Zij bezitten het, evenals alle andere menschenrassen; slechts is het
bij hen niet over het gansche lichaam verspreid. De bruine vlekken of
zomersproeten, die het gelaat en de handen van sommige personen
bedekken, worden voortgebracht door het pigment, dat door de huid
heenkomt.
—»Beteekent dat dan dat de negers in Europa wit zouden worden,” gaf
Lucien ten antwoord.
—»Neen,” antwoordde ik lachende, »de zon schijnt in Europa even goed
als in Amerika, en hare inwerking, hoe zwak die ook zijn moge, is
voldoende om het pigment donker te kleuren.”
—»Maar als men hen in de schaduw grootbracht,” riep de Encuerado uit.
—Daartoe zou eene volkomen duisternis gevorderd worden en dat is
onmogelijk.
Op dit oogenblik riep onze gastheer ons. Op eene kreupele tafel, met een
klein katoenen tafellaken gedekt, dampte eene magere soep van maïskoeken
en tomaten, waaraan iedereen eer bewees. Deze schotel werd opgevolgd
door eene kip, toebereid met eene saus van piment en in 't vet gebraden
bruine boonen; daarna spreidden pataten—_Convolvulus batata_—de
levendige kleuren van hun meelachtig vleesch ten toon, te midden van
eene siroop, waarvan de Encuerado en Lucien smulden. Een groote kom
koffie voerde onze tevredenheid ten top. In plaats van brood aten wij
versch bereide maïskoeken. Misschien had nooit een maaltijd ons zoo
heerlijk toegeschenen. Het wild, dat sedert ons vertrek ons gewoon
voedsel uitmaakte, begon ons te vervelen; wij vergastten ons het meest
aan de boonen en aan de koeken, welke men _tortillas_ noemt.
Toen de maaltijd geëindigd was, nam Lucien zijne plaats in 't midden der
kinderen weer in, die, op den oever der beek gezeten, bladeren van den
waaierpalm vlochten.
Een hunner maakte een sprinkhaan, die zeer goed geslaagd mocht heeten,
en de jongens, verrukt over den lof van hunnen gast, wedijverden in
vindingrijkheid. Zij schonken hem een stier, eene kip, een korfje en
andere voorwerpen, die zeer aardig waren, vooral wat de gebruikte stof
en de bekwaamheid der uitvoering betreft.
Lucien was over deze geschenken verrukt. Daar hij vond, dat onze
bewondering de zijne niet evenaarde, wendde hij zich tot den Encuerado,
die als een kenner zijn oordeel uitsprak over de voorwerpen, die men hem
vertoonde.
»Kunt gij dan ook de bladeren van den waaierpalm vlechten?
—Ja, Chanito, ik kan ook sprinkhanen, paarden en zelfs vogels maken.
—En gij hebt er nooit een voor mij gevlochten.
—Daarin vergist gij u; toen ge nog klein waart, maakte ik uwe wieg er
vol mee. Als u dat vermaak kan doen, zal ik u leeren er zelf te
vlechten.
Bij het aanbreken van den nacht verdwenen de kinderen, en onze gastheer
kwam ons goeden nacht wenschen. Ik sprak hem over het vuur, dat wij den
vorigen dag gezien hadden.
»Dat is Juan,” zeide hij.
—Wie is dat, Juan?
—De oudste van mijne kleinzonen; hij bewaakt in de vlakte een troep
geiten, die ons toebehoort.
Den volgenden morgen werd ik gewekt door de stem van den grijsaard en ik
stond terzelfder tijd als Sumichrast nog geheel droomerig op; zoo goed
had ik geslapen. Lucien en de Encuerado, die eerder wakker waren dan ik,
hadden reeds, door de jongste kinderen geleid, het ravijn onderzocht; de
oudste waren reeds naar hunne krachten aan den arbeid, hetzij om hout te
sprokkelen of om op het veld te werken.
Onze eerste zorg bestond in het uitpakken der insecten en vogelhuiden,
die wij sedert ons vertrek bereid hadden. De geheele kolonie omringde
ons en de Hemel weet hoeveel vragen ons gedaan werden. Tot onzen grooten
spijt konden wij slechts de merkwaardigste van onze vondsten bewaren.
Tot dusverre hadden de huiden in de mars de plaats ingenomen van de
verbruikte levensmiddelen; maar toen ik de lijst van onze schatten
opmaakte, begreep ik, dat, als wij onzen voorraad vernieuwd zouden
hebben, de Encuerado onmogelijk met zulk eene vermeerdering zou kunnen
loopen. Wij begonnen derhalve een groot getal voorwerpen, onder talrijke
uitroepingen van leedwezen, ter zijde te leggen, toen het mij eensklaps
inviel om Coyotepec over de jaarlijksche reis van zijn zoon te
ondervragen.
»Hij vertrekt binnen een veertien dagen,” antwoordde de oude man.
—Alleen?
—Neen, hij neemt drie van de grootste jongens en zes ezels mede.
—Zijn de ezels beladen?
—Ja, maar de jongens vertrekken met ledige handen.
Na verloop van een uur (want een Indiaan neemt nooit overhaast een
besluit) kwam ik met mijn gastheer overeen, dat hij twee kisten, waarin
wij onze schatten zouden bergen, naar Puebla zou doen overbrengen en dat
zijn zoon zijne reis eenige dagen zou vervroegen.
Dit buitenkansje maakte ons weer opgeruimd; het zou ons in staat stellen
onze verzamelingen te bewaren, in plaats van er een gedeelte van langs
den weg te werpen, zooals wij reeds dikwijls hadden moeten doen.
Wij moesten kisten hebben, maar Coyotepec bezat noch zaag, noch hamer,
noch spijkers. Hij stond mij eenige ruwe planken af en zoo waren wij in
schrijnwerkers veranderd.
De Encuerado en Sumichrast maakten het hout met een houthakkersbijl
gelijk en ik vervaardigde houten pennen. Wij werkten zonder ophouden tot
den volgenden avond door. Een weinig voor het ondergaan der zon hadden
wij twee groote en vrij lichte doozen gereed, een werk dat veel
moeielijker is dan men wel denkt, eer men er aan begint.
De volgende dag, Pinksterzondag, vond ons vol bewondering voor onzen
arbeid staan. De Encuerado had juist gedaan met het vlechten van eenige
matten, die de kisten omhullen moesten, teneinde den inhoud voor vocht
te vrijwaren. Tegen elf uur verzamelde de familie van onzen gastheer
zich voor de woning; de vrouwen en jonge meisjes waren gekleed in roode
en blauwe jurken, de borst was bedekt met een hemdje van geborduurd
katoen, de jonge knapen hadden eene soort van kiel zonder mouwen aan.
De oude vrouw verscheen het laatst, zij droeg om den hals een snoer
paarlen van groote waarde. De vrouwen hadden sieraden van ruw koraal en
de vingers waren bedekt met zilveren ringen.
»Wij vereenigen ons des Zondags op het uur der godsdienstoefeningen om
gezamenlijk ons gebed te doen en God te danken, die de vruchten aan de
takken der boomen hangt en ons in gezondheid bewaart,” sprak Coyotepec.
—Wij zijn Christenen als gij,” antwoordde ik.
Iedereen ging knielen, de grijsaard bad eene litanie en vervolgens een
aantal Ave Maria's. Een der jonge meisjes zong vervolgens een lofzang,
waarvan het refrein door de aanwezigen in koor herhaald werd. Nauwelijks
had de zangster haar lied geëindigd of de in geestdrift geraakte
Encuerado verzocht het gehoor niet op te staan en hief toen een zijner
geliefkoosde lofzangen aan. Hij hield ons zoo een half uur in de zon,
toen ik, vermoeid van het knielen, hem een teeken gaf om op te houden.
Vergeefsche moeite, mijn dienaar scheen mij niet te bemerken; zijn
gebaren en kreten nog vermeerderende, herhaalde hij, tot driemaal toe,
hetzelfde vers.
»Amen!” riep ik, opstaande, uit.
Men volgde mijn voorbeeld en vrij geworden verwijderde ik mij, terwijl
de Indianen den Encuerado omringden om hem geluk te wenschen.
Ik had nog geen bezoek gebracht aan het ravijn, dat te midden van het
Koude Land de voortbrengselen van het Warme Land bevatte. Ik riep
Sumichrast en Lucien, en geleid door Torribio den ezeldrijver, die elk
jaar de reis naar Puebla onderneemt, ging ik den loop der beek op. De
Encuerado, daartoe door de vergadering uitgenoodigd, dreunde een nieuwen
lofzang op.
Onze gids geleidde ons eerst naar zijne hut, die door latanias of
waaierpalmen omgeven was. Deze fraaie boom, tot de familie der palmen
behoorende, heeft een zonderling en tevens aangenaam voorkomen. Uit den
top ontspringen lange bladstelen, aan welker uiteinde een breed blad
slingert, dat eerst opgevouwen is, maar later, als het zich opent,
op een met punten bezetten waaier gelijkt. De Indianen snijden deze
bladeren aan reepen, om er matten, _petates_ genaamd, van te maken, die
in Mexico een groot handelsartikel zijn. Bovendien worden zij gebruikt
om er korfjes, bezems, blaasbalgen en een aantal andere voorwerpen van
te maken.[32]
[32] Deze plant of althans een naaste verwante ervan, de _Latania
borbonica_ (_Livistonia sinensis_), is een der beste en fraaiste
kamerplanten, die wij hebben. De bladeren ontwikkelen zich juist,
zooals Biart het hier beschrijft (Noot v. d. V.)
De hut van Torribio bestond slechts uit een enkel vertrek; de haard was
buiten onder een afdak; deze woning van de allereenvoudigste soort had
noch stoelen, noch tafels, noch banken; Sumichrast bewonderde dezen
eenvoud, dien ik een weinig te landelijk vond; maar mijn vriend vond,
terwijl hij het leven der beschaafde menschen, voor wie de weelde eene
menigte behoeften heeft in 't leven geroepen, vergeleek met dat van deze
lieden, die alles weten te ontberen, dat het geluk slechts voor hen
bestaat.
Nauwelijks waren wij de hut uit of ik bemerkte aan mijne linkerhand een
prachtigen advokaatboom—_persea gratissima_—waarvan de vrucht een moes
geeft, dat de naam van plantaardige boter draagt. De advokaatvrucht
_ahuacate_ der Indianen, heeft den vorm van eene groote peer; het
vleesch, van eene lichtgroene kleur, is boterig, met een aangenamen
smaak, die aan alle tongen behaagt. Men eet haar ontoebereid of wel
toebereid met zout, olie en azijn; Gringalet was er evenzeer op
verlekkerd als zijn jonge meester.
»Heeft de advokaatboom dan geen verwanten?” vroeg Lucien glimlachende.
—Zeer zeker; hij behoort tot de familie der laurierboomen, waarvan geen
enkel ander lid eetbare vruchten oplevert; zijne verwanten zijn evenwel
van groot belang voor het huishoudelijk gebruik. In de eerste plaats
hebben wij den edellaurier—_laurus nobilis_—waarvan de bladeren in de
keuken onmisbaar zijn, en welks vruchten eene olie opleveren, die in de
geneeskunde aangewend wordt. Vervolgens komt de kamferboom—_laurus
camphora_—uit welks bladeren men den kamfer trekt; dan hebben wij den
kaneelboom—_laurus cinnamomum_—waarvan de bast de kaneel oplevert, en
eindelijk den sassafras, waarvan het aromatisch hout zeer geprezen wordt
als zweetverwekkend geneesmiddel.
Onze gids voerde ons door een veld met Turksche tarwe of maïs. Dit
kostbare grasgewas, dat Europa aan Amerika te danken heeft, vervangt bij
de Asteken het koren. Zij maken er hun gewoon brood of tortillas van,
een soort pannekoeken, welke vooral de Indiaansche vrouwen uitstekend
weten te bereiden. Voor zij geheel rijp is wordt de maïs gekookt of
geroosterd gegeten; in Mexico vervangt zij de gerst en de haver als
voedsel voor paarden en hoornvee.
Toen Torribio in zijne beplanting was binnengegaan brak hij eenige
stengels door, zonder ze evenwel van den hoofdstam te scheiden.
»Waarom worden die arme planten zoo geknakt? Ze zullen zoo dood gaan,”
riep Lucien uit.
—Ja, maar in de eerste plaats omdat het jaarlijksche planten zijn
en onze gids verhaast hun dood maar met enkele dagen; bovendien zijn
de aren, die hij afbreekt, rijp en zullen ze aan den stengel, die ze
draagt, drogen. Deze methode, die even eenvoudig als afdoende is, kan
slechts aangewend worden in landen, waar de winter in werkelijkheid
slechts eene lente is.”
Achter het maïsveld bevond zich eene haag, overdekt met lange goudgele
vezels. Deze vezels, die geheel en al zonder bladeren waren, omgaven de
struiken als met een dikken mantel.
»Wat is dat toch voor eene zonderlinge plant?” vroeg Lucien.
—Een _Sacatlaxcale_, antwoordde Torribio.
—Een soort koeskoes,” hernam Sumichrast; eene plant uit de familie der
_convolvulaceeën_ of winden. In Europa vernietigt men de daar bestaande
soort, die zich om de planten slingert en ze verstikt; hier laat men de
_Sacatlaxcale_ groeien, want men weet er goed gebruik van te maken.
—Wat kan men dan toch wel met die teere stengeltjes, die onder mijn
vingers breken, doen?
Men kneust ze en droogt ze in de zon, hernam Torribio. Als men nu iets
zwart of geel wil verven, behoeft men ze slechts met ijzer of aluin te
koken.”
Terwijl wij de oevers van het ravijn afklommen, kon Lucien niet nalaten
van zulk eene fraaie gelegenheid gebruik te maken om zich de hand mooi
geel te verven. Toen wij op eene zekere hoogte waren aangekomen,
strekten wij ons op het gras uit. Met een enkelen oogopslag overzagen
wij de oase. De beek kronkelde voort, overschaduwd door de groene
boomen; hier en daar ontdekte men tusschen boschjes waaierpalmen de
onregelmatig verspreide hutten. Mijne blikken zochten de hut van onzen
gastheer op, en door mijn kijker zag ik den Encuerado nog altijd aan 't
preeken. Hij had zeker gedaan met zingen, want zijne toehoorders zaten
op den grond gehurkt om hem.
Lucien had den kijker genomen en nu merkte ik op, dat Torribio zeer
verlangend was om er ook eens door te zien. Ik zeide dus aan Lucien, dat
hij hem dien zou leenen. Toen onze gids zag, dat de boomen nader bij hem
kwamen, wist hij zich eerst geen rekenschap van dat gezichtsverschijnsel
te geven. Ik richtte de glazen zoo, dat hij de groep voor de hut
kon zien; nooit heeft een menschelijk gelaat zulk eene verwondering
uitgedrukt. De Indiaan, die geheel verbazing was, verloor weldra al
zijne deftigheid. Telkens als het hem gelukte eene hut te ontdekken,
gaf hij zich nauwelijks den tijd haar te onderzoeken, maar rolde hij
zich over den grond en schaterde van 't lachen. Twee of drie malen
stak ik de hand uit om mijn kijker weer in mijn bezit te nemen; maar
Torribio drukte hem aan zijne borst, als een kind, hetwelk men een stuk
speelgoed wil ontnemen. Eindelijk gaf hij hem terug en het speet mij
waarlijk dat ik er geen tweeden had, om hem dien te kunnen schenken.
Sumichrast ging voorop, om het ravijn om te loopen. Plotseling namen
de vogels, die op den oever der beek keuvelden, de vlucht; in de lucht
zweefde een havik. De vogel schoot naar omlaag en kwam onder het bereik
van onze geweren; er viel een schot en de getroffen vogel viel, al
ronddraaiende, op twintig schreden afstand neer. Lucien ging hem
opzoeken.
»'t Is een valk,” riep hij ons toe.
—Gij hebt gelijk,” antwoordde Sumichrast; »'t is de havik van Cayenne,
herkenbaar aan zijn met aschkleurige veertjes bedekten kop, aan zijn
bruin lichaam en aan de zwarte staartpennen.
»Gaat u hem afstroopen?
—Zeker, mijn beste Zonnestraal; in de eerste plaats is deze roofvogel
niet zeer algemeen en bovendien moeten wij, gedurende de enkele dagen,
die wij hier zullen vertoeven, er voor zorgen dat de kisten, die wij met
zooveel moeite gemaakt hebben, vol komen.”
Op dit oogenblik ging een goudvink met rood, wit en bruin gevederte in
onze nabijheid zitten.
't Is de _pyrrhula telasco_, sprak mijn vriend, eene soort, die door den
beroemden ornitholoog Lesson ontdekt is op zijne reis naar Lima. Och,
als wij maar niet zoo zuinig op ons kruit moesten zijn....
—Ik heb kruit,” mompelde Torribio.
—Hebt gij kruit?” riep ik uit, »wilt gij er ons van verkoopen?
—Neen,” antwoordde de Indiaan kortweg.
—Waarom niet?” hernam ik. »Zijt gij dan een jager? Ge gaat toch immers
weldra naar Puebla en dan kunt ge uwen voorraad weer vernieuwen.
—Ik verkoop mijn kruit niet.
—'t Is goed, dan zullen wij er maar niet meer over spreken.
Een boom, die van den eenen oever tot den anderen was gegooid, diende
als brug over de beek. Weldra hield de zon op het ravijn te vergulden.
Wij bevonden ons tegenover de woning van den ouden man, waarbij eene hut
stond, gelijk aan die van onzen gids. De hemel had eene bleekblauwe
kleur; wij zagen even de eentonige vlakte, bezaaid met sombere
cactussen, terwijl boven ons zich die frissche oase ontplooide, die door
de groote tegenstelling nog bekoorlijker scheen. De vogels zongen in
de struiken en vlogen de een vóór en de andere ná weg om den boom te
bereiken, in wier takken zij misschien geboren waren. Er woei een lauw
koeltje; ik stond op om te vertrekken.
»Ik heb kruit,” herhaalde eensklaps Torribio.
—Maar ik weet ook, dat gij het niet verkoopen wilt.
—Neen, dat wil ik ook niet.
—Het kruit behoort mij reeds toe,” dacht ik, en na een twintigtal
schreden gedaan te hebben, hervatte ik:
—Als uw kruit van goede hoedanigheid is, zal ik het niet van u koopen;
neen, ik weet dat een man slechts een woord heeft. Evenwel, als gij
wildet, zou ik u een ruil voorslaan.
—Wat zoudt gij mij dan wel willen geven?” antwoordde Torribio, met
eene gemaakte onverschilligheid; »ik heb uwe vogels niet noodig en
mijn geweer is zoo goed als het uwe, al is het ook niet zoo mooi.
—Dat is waar ook, laat ons er niet meer over spreken.
En ik volgde steeds mijn gids, die zeer langzaam liep.
Hij keerde zich nogmaals om.
»De tooverglazen,” bracht hij er met moeite uit.
—»Komaan, eindelijk zijn wij er!” mompelde Sumichrast.
—Dat is afgedaan; als uw kruit althans goed is.
—»Zoudt gij ze me geven?” riep de Indiaan uit, wiens oogen schitterden.
—Mannen hebben slechts éen woord.
Torribio versnelde zijne schreden zoozeer, dat Lucien ons hard loopende
moest bij houden. Toen wij de beek over waren bracht onze gids ons weer
in zijne hut en toonde ons vier bussen Amerikaansch kruit, en in goeden
staat, benevens vijf of zes pond verschillende soorten van jachthagel.
Deze vondst verheugde mij buitengewoon; maar ik hield mij even bedaard
als mijn gastheer, die op den grond neerhurkte en zijn kin op de knieën
liet rusten.
»Daar hebt gij den kijker,” sprak ik.
Zijn trekken bleven onwrikbaar; maar zijne oogen flikkerden en zijne
hand beefde een weinig, toen hij het voorwerp zijner begeerte vasthield.
Ik legde hem uit, hoe hij er zich van moest bedienen en hoe hij het
instrument moest schoonmaken; daarna ging ik, beladen met de kostbare
bussen en gevolgd door mijne metgezellen, naar de hut van Coyotepec
terug.
»Waarom heeft Torribio niet dadelijk gezegd, dat hij zijn kruit tegen
den kijker wilde ruilen?” vroeg Lucien.
—Omdat een Indiaan zooveel mogelijk zijne begeerten en hartstochten
verbergt.
—Maar u, waarom heeft u hem dan niet terstond het instrument
aangeboden?
—»Als ik mij te begeerig had getoond, zou hij den ruil misschien
geweigerd hebben, en een Indiaan komt zeer moeielijk op het eens
uitgesproken woord terug.”
Ik riep den Encuerado, die verbluft stond toen hij zag, dat onze
jachtmunitie verdriedubbeld was. Lucien vertelde hem den koop, dien ik
met Torribio gedaan had.
»De kijker diende tot niet heel veel,” sprak de Indiaan, »terwijl dit
kruit ons toelaat menig mooi schot te doen, zonder dat je er een verwijt
van wordt gemaakt.” Nauwelijks was het middagmaal afgeloopen of ik
hoorde de tonen van een guitaar; na des morgens zijne toehoorders
gesticht te hebben, had mijn dienaar ze door een zeer behendige
toespraak weten te overtuigen, dat de dag met een bal moest besloten
worden. Het voorplein van de woning van den grijsaard kon, goed
aangeveegd zijnde, uitstekend voor balzaal dienen. Twee knetterende
haarden vervingen de lusters en de waskaarsen. Weldra vertoonden de
vrouwen zich in groot toilet, dat wil zeggen, de haren vol bloemen. De
_Jarabe_, het volkslied, weerklonk; dansers en danseressen trippelden op
de maat af; Lucien, die zich bij de kinderen had aangesloten, wilde aan
de kleine Indiaansche meisjes de polka en de mazurka leeren; Sumichrast
lachte, dat hij schaterde. Het werd nog erger toen wij onze blikken op
den Encuerado sloegen; nog nooit had ik hem zulke kuitenflikkers zien
slaan. Hij zong, kraste op den guitaar en sprong ter zelfder tijd.
Tegen tien uur nam ik Lucien mee om hem te noodzaken zich ter ruste te
begeven. Hij sliep in, niettegenstaande al het geraas van den guitaar en
het zingen.
Ik spreidde de houten van het vuur uiteen en raadde iedereen aan om
te gaan rusten. Men kuste mijne handen, omhelsde mij zelfs, maar
gehoorzaamde ook en de kleine vallei viel weldra in diepe stilte. Toen
ik bij mijn bed kwam, snurkte de Encuerado, met het hoofd op den rug van
Gringalet rustende, reeds.