XX.

MIST EN DAUW.—HET KOUDE LAND.—HOOZEN EN WERVELWINDEN.—DE BARBARIJSCHE

VIJGEN.—DE KAARSCACTUSSEN.—DE VIZNAGA.—TELEURGESTELDE HOOP.—DON

BENITO COYOTEPEC.

De zon kondigde hare komst nog niet aan en reeds waren wij overeind

en gereed om op weg te gaan. Wij rilden van kou, want op het hooge

bergvlak, hetwelk wij bereikt hadden en dat de inwoners der lagere

streken met den naam van het Koude Land bestempelen, zijn de

ochtendstonden zeer koud. Op de diepe duisternis volgde een vaag

schemerlicht, en daarna kwam een lichte nevel op, die ons als een

stortregen doornat maakte.

»Wat is dat nu?” riep Lucien uit, »het heeft niet geregend en toch zijn

wij nat.”

—Dat is de dauw, Chanito, hij is in het Warme Land bijna even

overvloedig als de mist.

—Zijn mist en dauw dan niet hetzelfde?

—»Niet geheel en al,” antwoordde ik; »de dauw is gewoonlijk weldoende

en valt alleen des morgens, terwijl de Mexicanen zeer bevreesd zijn voor

de mist, die na het ondergaan der zon komt en aanvallen van koorts

verwekt.

—Maar vanwaar komt dat water?

—Uit de lucht, die er altijd eene zekere hoeveelheid van bevat, en dat

zij op den grond, de planten en steenen afzet, naar gelang deze door de

uitstralingen kouder worden.

Op dit oogenblik werd onze aandacht getrokken door eenen eersten straal,

die, eene dunne wolk doorborende, de vlakte als een lichtgevende pijl

overtrok. De horizon, die tot dusverre zichtbaar was geweest, bedekte

zich met een vlokachtigen nevel, die zich trapsgewijze tot onze voeten

uitstrekte. De nu vrij geworden zon steeg boven de toppen uit en haar

levendig licht overstroomde den hemel. Allengs verdunde de nevel, de

boomen vertoonden van verre hunne ronde toppen, terwijl zich hier en

daar groote scheuren in den half doorschijnenden sluier openden, die

even spoedig verdween als hij op was gekomen.

De kijker ging van hand tot hand en ieder zocht de hut te ontdekken,

waarvan de haard ons gister zijn schijnsel had toegezonden. Het zoeken

was vergeefsch, de weerkaatsing van het licht verblindde ons en beperkte

het vergezicht; maar eenmaal de hoogte genomen zijnde, konden wij zonder

vrees voorwaarts gaan; wij moesten, volgens onze berekening, den

volgenden dag op zijn laatst woningen ontmoeten.

Gringalet liet zijne tong hangen; hij vond het loopen op dezen

salpeterachtigen grond, waar de Mimosa's de stralen der zon tusschen

hare wijd uiteenstaande bladeren temperden, moeielijk. Welk een

tegenstelling met de heerlijke streken, die wij tot nu toe doorloopen

hadden.

»Uw land is niet zoo mooi als het mijne,” sprak Lucien tot den

Encuerado.

—Mijn land is mooier dan dat, waar wij nu doortrekken, Chanito; in de

eerste plaats heeft het bergen en bosschen en het regent er ook soms.

—Zullen wij nu sneeuw zien vallen, nu wij in het Koude Land zijn?

—»Neen,” antwoordde Sumichrast glimlachende, »gij zult geene sneeuw

zien vallen dan het volgende jaar, als gij in Frankrijk zult zijn.

De winters in het Koude Land van Mexico herinneren meer aan onze

Europeesche lentes; maar toch bereiken zij nooit eene temperatuur, die

de tropische vruchten doet rijpen; het Koude Land verdient slechts zijn

naam als men zijn klimaat vergelijkt met dat van het Warme of het

Gematigde Land.

—Ik vind, dat men het slecht genoemd heeft: want op dit oogenblik is

het bijna even warm, als op den dag, toen de Zuidenwind zoo hard gewaaid

heeft. Gringalet schijnt als ik te denken,—hij laat zijne tong nog

langer hangen dan naar gewoonte.

—»Drommels! drommels!” riep Sumichrast uit, »de opmerking van meester

Zonnestraal duidt aan, dat hij een waarnemer van de eerste soort zal

worden. Gij hebt honderdmaal gelijk,” vervolgde hij, terwijl hij zijne

hand op den schouder van den knaap legde; »in de vlakten van het Koude

Land is de warmte nog lastiger dan zelfs in het Warme Land, waar een

voortdurend zweeten aan de te felle steken van de zon tegenstand biedt.

Een marsch van eenige dagen onder dit klimaat zou onze huid zwarter

maken dan het geheele overige gedeelte van de reis.”

Mijn makker bleef eensklaps staan, en wees ons met den vinger den

gezichteinder aan.

—Rook! riep Lucien uit.

—»Neen, Chanito,” antwoordde de Encuerado, »'t is een _tornado_.” Ik

had eerst dezelfde gedachte als mijn zoon, toen ik eene dunne kolom slof

tot aan de wolken zag opstijgen. Het was echter slechts een dwarlwind,

die na een oogenblik verdween.

—»De wind waait toch niet,” hernam Lucien; »hoe kan het stof zoo hoog

stijgen?

—»Gij moogt u met recht verwonderen; want geen enkele geleerde heeft de

werkelijke oorzaak van dit verschijnsel verklaard,” gaf ik ten antwoord.

—Zouden wij meê gesleurd worden, als wij ons in een dezer dwarlwinden

bevonden.

—Neen, Chanito, de _tornado_ zou ons alleen omwerpen.

—Hebt gij dit dan wel eens beproefd?

—Ja, als ik met de kinderen van mijn dorp speelde en er in onze

nabijheid een _tornado_ kwam, vonden wij er pleizier in om er doorheen

te loopen.

Op honderd schreden van ons, zonder dat het minste windje de lucht

bewoog, dwarrelde het zand en steeg het snel naar omhoog. Het gedraai

was duizelingwekkend en had slechts op eene uitgestrektheid van ongeveer

een voet plaats. Zonder merkbare oorzaak ontstaan, verdween het

verschijnsel even zoo, en het stof viel naar gelang de zwaarte met meer

of minder snelheid neer.

Lucien verging van begeerte om door een dezer _tornado's_ te loopen;

maar zij vertoonden zich altijd buiten ons bereik.

»Zou men er eindelijk niet in slagen om eene verklaring te vinden voor

de hoozen en typhons,” vroeg Sumichrast, »als men dit verschijnsel, dat

zich bijna onophoudelijk op de groote bergvlakten van Mexico voordoet,

bestudeerde? De dwarlwinden zijn toch niet anders dan hoozen in 't

klein.

—»Een hoos? wat is dat?” vroeg Lucien.

—Een meteorologisch verschijnsel, gelijk aan dat, wat gij nu gezien

hebt, maar duizendmaal aanzienlijker; want het rukt boomen uit en neemt

de woningen mee, die het op zijn doortocht ontmoet.

—Hebt gij er wel eens eene gezien, papa?

—Eenmaal slechts, op zee. De Engelsche pakketboot, waarop ik mij

bevond, had juist de haven van Sint-Thomas verlaten; wij waren nog

dwars voor het eiland; er woei eene lichte bries; de lucht bleef helder,

het water golfde zonder te schuimen, toen de zee recht tegenover ons

over eene groote uitgestrektheid in beweging begon te komen; eene

ontzaglijke waterzuil verhief zich snel en vormde eene donkere en

onheilspellende wolk. Na verloop van een kwartier uurs bleef het

verschrikkelijke verschijnsel, dat zich gelukkig van ons af bewoog,

onbeweeglijk. De wolk, die voortdurend opzwol, werd zienderweg

grooter en nam eene donkerblauwe tint aan, terwijl de waterkolom,

die haar voedde, donkergrijs afstak. Een dof gerommel, gelijk aan een

verwijderden donderslag, deed zich zonder ophouden hooren. De waterzuil

brak onverwacht in 't midden door, een gedeelte van het vocht viel

met een verschrikkelijken plons in de zee terug en een overvloedige

regen overstroomde ons. Een half uur later voeren wij weer onder een

wolkeloozen hemel en op een sluimerenden Oceaan.

—»En wat zou er gebeurd zijn, als de hoos het vaartuig had bereikt?”

vroeg Lucien.

—Dan zouden wij waarschijnlijk verzwolgen zijn geworden.

—Wat zult ge bang geweest zijn, Tatita!

—»Zeker, en ik was niet de eenige; de officieren en matrozen volgden

den loop van de hoos met zichtbaren angst.”

Zoo pratende hadden wij ons te midden der raketcactussen—_cactus

opuntia_,—gewoonlijk _Barbarijsche vijgen_ genoemd, begeven. Deze

planten, met gele bloemen bedekt, zouden eene maand later met

vreugdekreten begroet zijn geworden; dan zou elke stengel ons eene van

die waterachtige vruchten hebben aangeboden, waarop de Kreolen zoo

verlekkerd zijn. Lucien bleef voor een paar van deze planten staan,

welker grootte wel in staat was zijne verwondering op te wekken.

Sumichrast maakte van dit onderzoek gebruik, om hem te vertellen dat

de cactussen—een Grieksch woord dat doornig beteekent—uit Amerika

voortkomen; dat zij in droge en zandachtige bodems groeien en doorns in

plaats van bladeren dragen.

»Gij vergeet te zeggen,” voegde de Encuerado er bij, »dat de laatste

scheuten van den _tunero_ onder de asch gebakken, ons dezen avond eenen

heerlijken schotel zullen opleveren.

Een weinig verder werden de Barbarijsche vijgen vervangen door eene

soort, kaarscactussen genoemd, (_cactus cereus_ der geleerden).

Verscheidene dezer planten groeiden alleen staande tot eene hoogte van

drie of vier meter: anderen hadden twee of drie geledingen, wat hun een

nog zonderlinger uiterlijk gaf. Eene derde soort, die langs den grond

kruipt, maakte onzen marsch zeer moeielijk en dwong ons telkens om

wijdbeens te stappen. Niettegenstaande onze voorzorgen gebeurde het

meer dan eens, dat wij ons vel aan de scherpe stekels, die ons van alle

kanten bedreigden, openscheurden.

Ik plaatste mij opnieuw aan 't hoofd van de kolonne; want tusschen de

kaarscactussen als 't ware bekneld, konden wij niet op één gelid loopen.

Ik beklom een heuveltje, vanwaar mijne blikken den ruimen gezichteinder

doorzochten. Nooit en in geen enkel land ter wereld kan zulk eene

grondige verandering zich in zoo weinig uren voordoen. Geen boomen,

geen heesters, geen struiken meer. Overal schenen de cactussen, die

twintig verschillende vormen aannamen,—ronde, rechte, kegelvormige,

platte—er vermaak in te vinden door hun zonderling uiterlijk de

verbeelding te trotseeren. Nu eens wedijverden naast elkander staande

kaarscactussen, wie de hoogste zou zijn en bereikten soms eene lengte

van acht tot tien meter, terwijl de jonge scheuten eene borstwering of

een dier ondoordringbare heggen schenen te vormen, waarmede de Indianen

van het bergvlak hunne woningen omringen. Verderop spreidden groote

bollen, die met rooskleurige, hoornachtige en doorschijnende doornen

waren bezet, hunne ronde vormen ten toon, van een gewas niets dan de

kleur hebbende. Hier en daar vormde eene kruipende soort groote bundels,

waaruit met scherpe punten gewapende stengels kwamen; men zou gezegd

hebben eene honderdkoppige hydra te zien.

»Zou men niet meenen in eene dier Hollandsche plantenhuizen te zijn

overgeplaatst, opgevuld met vetplanten met gouden bloemen?” zeide

Sumichrast.

—Ja, antwoordde ik, maar dan zou men zich moeten verbeelden dat men ze

door de lens van een microscoop beschouwt.

Wat zou een Parijzenaar wel van deze viznaga zeggen?

De plant, die ik bedoelde, had minstens eene hoogte van twee meter bij

een omtrek van drie of vier meter.

»Toen ik herder was,” sprak de Encuerado, »voerde ik mijne geiten in de

vlakten waar de viznaga's groeien. Met behulp van mijne machete hakte ik

eene der zijden in en dan begonnen mijne geiten onmiddellijk het merg,

dat er in zit, op te eten. Zoo holden zij er allengs een gat in uit,

waarin twee of drie harer gemakkelijk te gelijk konden staan, en deze

schuilplaats beschutte mij voor de stralen van de zon en de koelte van

den nacht.

—»Och!” riep Lucien vol geestdrift uit, »als wij op dit veld moeten

kampeeren, moeten wij een huis in de viznaga uithollen.

Ik onderzocht opnieuw den gezichteinder; niets verried de nabijheid van

menschen. Overal spreidden de cactussen hunne verschillende bloemen uit,

maar bijna alle waren geel of rood. Boven ons een hemel van vuur, die

slechts door gieren doorkruist werd; op den grond honderden hagedissen,

met levendige, hortende bewegingen.

Ik sloeg opnieuw den weg tusschen de cactussen in, door de hitte

uitgeput, en het hoofd vermoeid door de weerkaatsing van het licht,

sleepten wij ons op onze beenen voort.

Ik begon te vreezen, dat wij reeds voorbij de plek waren, waar wij den

vorigen avond het licht hadden zien schitteren.

Het oplettende oog van den Encuerado ontdekte op een cactus opgedroogde

sporen van inkervingen.

De Indiaan ging als verkenner voorop, door Lucien gevolgd.

»Een pad,” riep deze eensklaps uit.

—»Een mimosa,” zeide Sumichrast, die door zijne hooge gestalte boven

ons uitstak.

—»Eene hut,” mompelde de Encuerado, staan blijvende en een vinger op

den mond leggende.

Wij wisselden een blik; daarna, voorovergebogen naar het punt, door

onzen makker aangewezen, onderzocht ieder onzer een dak van gras,

waarvan men slechts den top kon zien.

Ik onderzocht vlug mijne wapens en schreed met omzichtigheid voorwaarts,

weldra door Sumichrast gevolgd. Lucien, de Encuerado en Gringalet

vormden de achterhoede.

Wij waren ontroerd; de gedachte dat wij onze gelijken zouden weerzien,

deed onze harten kloppen; maar zouden wij vrienden of vijanden

ontmoeten?

Het pad werd breeder; wij waren nauwelijks tweehonderd schreden van de

hut verwijderd en verwonderden ons zeer dat de honden, die gewoonlijk om

de hutten der inboorlingen zwerven, niet blaften. Sumichrast, die

vooruit was gegaan, keerde terug.

»Deze stilte schijnt mij niets goeds te voorspellen,” sprak hij; »laten

wij oppassen, dat wij niet in eene hinderlaag vallen; ik ben er

volstrekt niet op gesteld om gekneveld te worden.”

Terwijl wij het pad aan onze linkerhand lieten liggen, drongen wij tot

groote verbazing van Lucien weer onder de cactussen door.

»Zijn wij dan in een land van wilden?” vroeg hij mij.

—»Misschien, en dat noodzaakt ons voorzichtig te zijn,” gaf ik ten

antwoord.

—Zou men ons kwaad doen?

—Het gezicht van onze wapens alleen zou de begeerlijkheid der Indianen

kunnen opwekken; hier, waar zij niemand rekenschap hebben te geven, zou

niets hun beletten ons uit te schudden en naakt weg te zenden.

—Zijn het dan geen christenen?

—»Zeker, Chanito, zij moeten het zijn, maar de booze weet ieder mensch

te verleiden,” mompelde de Indiaan.

En na zich van zijne mars ontdaan te hebben, verdween hij al kruipende.

Onder andere omstandigheden zou het angstige gelaat van Lucien, toen

hij ons zooveel voorzorgen zag nemen, om eene menschelijke woning te

naderen, ons vermaakt hebben; maar verre van te lachen, leenden wij aan

het minste gerucht het oor.

Daar klonk het hioe, hioe! van den Encuerado; ik hielp mijn vriend om

onze bagage te dragen, terwijl Lucien vooruitliep.—De hut was leeg.

Na verloop van een uur, dat de knaap had gebruikt om rondom de hut, wier

muren uit gedroogde leem bestonden, te dolen, gaf ik het teeken tot

vertrek. De Indiaan ging voorop, het nog zichtbare spoor van een pad

volgende. Het huisje, dat nauwelijks groot genoeg was om drie personen

te bevatten, geleek meer op eene schuilplaats dan op eene woning; naar

het beweren van den Encuerado, die in zulke zaken een goed zegsman was,

moest het bij een grooter gebouw behooren. Na een vrij langen marsch

kruiste een tweede pad datgene, dat wij volgden; de indrukken van bloote

voeten waren er in zichtbaar—'t waren voeten van vrouwen en kinderen.

De Encuerado voerde ons naar links; de cactussen ruimden hunne plaats

voor Mimosa's in; maar onze oogen ondervroegen tevergeefs den horizon;

de onmetelijke witte vlakte, door de zon met licht overgoten, strekte

zich uit zoo ver uit als het oog reikte.

Dit vooruitzicht bekoelde onzen ijver; aangespoord door het licht, dat

wij den vorigen avond bemerkt hadden, liepen wij van den morgen af, in

de hoop eene woning te ontmoeten. Wij hadden nauwelijks gegeten en met

de moedeloosheid deden ook de honger en de dorst zich gevoelen. Lucien

stelde voor een viznaga uit te hollen, in welk voorstel hij door den

Encuerado ondersteund werd, die hem verzekerde dat men zich zelfs de

weelde van een venster kon veroorloven en met alle roofdieren spotten,

door den ingang met kaarscactussen te versperren. Men begrijpt hoezeer

het denkbeeld om binnen eene plant te kampeeren, onzen jongen reisgezel

moest toelachen. Misschien zouden wij hem geholpen hebben om zijn wensch

tot werkelijkheid te maken, had niet het blaffen van een hond onze

aandacht getrokken.

De marsch werd met moed hervat; eene kleine helling bracht ons bij

boomvarens, welke verandering in den plantengroei ons van goede

voorbeteekenis scheen. Terwijl wij maar altijd het pad volgden, hield de

Encuerado stand op eene hoogte, vanwaar men eene kleine, groene vallei

overzag, die door een beekje doorsneden werd; tot mijne groote vreugde

telde ik tot zelfs zes hutten van waaierpalm.

Dit gezicht verdreef onze vermoeidheid als bij tooverslag en Sumichrast

daalde met groote schreden de helling af; nu en dan kraaide een haan,

klokte een kalkoen of blafte een hond en ik kan niet zeggen, welke

heerlijke gewaarwordingen die geluiden bij ons opwekten. Hoe meer wij

naderden, des te meer ontnamen de heesters, die den weg omzoomden, ons

het gezicht op de hutten. Daar klonk een gehinnik, en een man op een

ongezadeld mager paard gezeten, verscheen op honderd schreden van ons.

»Halt!” riep ik mijnen makkers toe.

En mijn geweer op den rug dragende en met mijn punthoed in de hand ging

ik alleen naar den ruiter toe, die eensklaps zijn paard had ingehouden.

»Ave Maria!” sprak ik, naar hem toegaande.

—»Dat haar naam gezegend zij,” antwoordde de ruiter, zijn hoed

afnemende, waaruit de grijze haren te voorschijn kwamen.

—Spreekt mijn vader Spaansch?

—Een weinig.

—Is hij het hoofd van zijn dorp?

—Wat wilt gij?

—Water en een dak.

—Gij zijt niet alleen? in wiens naam komt gij?

—Wij zijn reizigers en doortrekken de bosschen om planten en dieren te

zoeken, die genezen kunnen.

—Zijt gij gewapend?

—Wij hebben een kind te beschermen en de dieren van het woud zijn

wreed.

—Spreekt gij de waarheid?

Ik riep Lucien, die voor den grijsaard zijn hoofd ontblootte en hem

groette.

»Mijn kind, dat God van u een heilige make.”

—Zijn wij uwe gasten?

—»Ja, gij zijt de gasten van Coyotepec; komt mede.”

Sumichrast en de Encuerado naderden op hunne beurt den ruiter, die

afsteeg en ons den weg wees. Hij onderhield zich met den Encuerado in de

taal der Misteken, welk taaleigen alleen Lucien, die het nog jong zijnde

van zijn vriend geleerd had, verstond. Te oordeelen naar de wijze waarop

de grijsaard ons bekeek, raadde ik, dat de Encuerado ons voorstelde als

bekwame blanke toovenaars.

Coyotepec—steenen chacal—kon ongeveer zeventig jaren oud zijn. Hij was

in dit ravijn geboren, dat hij, ik weet niet waarom, _mond van den berg_

noemde. Nog jong door een zijner ooms naar Puebla gebracht zijnde,

verliet hij reeds spoedig de groote stad om de hut van zijn vader

weer op te zetten en voor hem bestond het gansche heelal uit zijn

grondgebied. Zijne zes kinderen, die allen gehuwd waren, woonden bij

hem en de kleine kolonie telde niet minder dan een dertigtal personen.

Het was een Indiaan van het ras der Tlascaliers, van eene middelmatige

gestalte, eene bruine gelaatskleur, sterk en vlug als een man van

veertig jaar. Hij droeg een hoed van palmboomstroo en zijne kleeding

bestond uit eene soort van wit linnen jas, om het middel vastgebonden en

een katoenen broek, die nauwelijks de knieën bedekte.

»Welke is de naastbijzijnde stad?” vroeg Sumichrast.

—Puebla.

—Hoever is dat van hier?

—Acht dagen marsch.

Daar de gewone marsch van een Indiaan tien mijlen per dag is,

vertegenwoordigde de afstand ongeveer tachtig mijlen.

De grijsaard kon ons geene andere aardrijkskundige inlichtingen geven;

hij kende den naam van Orizava en Tehuacan, maar hij had die steden

nooit bezocht, en kende den afstand niet, die ons er van verwijderde.

Sedert veertig jaren waren wij, met uitzondering van de bloedverwanten

van zijne schoonzonen en schoondochters, die hem eens per jaar kwamen

bezoeken, de eersten die zijne eenzaamheid verstoorden.

Wij trokken de beek over een boomstam over en onze gids hield voor eene

hut stil. Vier bijna naakte kinderen, waarvan het oudste tien jaar kon

zijn, beschouwden ons met eene grappige nieuwsgierigheid. Nooit hadden

zij nog een blanke gezien, en ofschoon onze door de zon gebronsde huid

deze eigenschap zeer verminderde, was hunne nieuwsgierigheid zeer

natuurlijk. Eene jonge vrouw, wier kleeding uit een om de heupen gerold

stuk stof bestond, begroette ons in gebroken Spaansch en heette ons

welkom. De grijsaard stelde ons aan zijn oudsten zoon voor, die

omstreeks veertig jaar oud kon zijn en Torribio heette. Minder eenvoudig

in zijne kleeding dan zijn vader, droeg hij een broek, die op de zijden

open en met zilveren knoopjes versierd was, een katoenen hemd en een

vilten hoed met verlakt leer overtrokken. De kleine kolonie verzamelde

cochenielje, die de oudste zoon in Puebla ging verkoopen; vandaar zijne

meer beschaafde kleeding. De grijsaard noodigde ons ten slotte uit

zijne hut binnen te gaan, waarheen een groot gedeelte der familie zich

ook begaf.

Hij riep zijne vrouw, een klein besje, in een lang katoenen gewaad

gekleed; vervolgens sprak hij, op zijne kinderen en kleinkinderen

wijzende:

»Gij zijt mijne gasten! dit huis is het uwe en ziedaar uwe

dienstknechten en dienstmaagden.”

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 37 / 54 题