XIX.

MIDDEN DOOR DE MIEREN.—EEN TROEP HAZEN.—DE ZWARTE IGUANO.—EEN ANDER

LAND.—HERINNERINGEN UIT DE KINDSHEID.—DE LUCHTSPIEGELING.—EEN VUUR IN

DE VLAKTE.

Tegen tien uur in den morgen waren wij reeds verscheidene heuvels

overgetrokken en volgden wij een nauwe, met varenplanten bekleede kloof.

Lucien opende den marsch, door den Encuerado op den voet gevolgd;

hij bracht ons allengs op eene rotstrap, die in het regenseizoen

ongetwijfeld tot afvoer van het water diende. De steile weg dwong ons

herhaalde malen tot stilstaan, teneinde adem te scheppen. De heesters

kruisten hunne takken boven onze hoofden en zonden ons hunne welriekende

geuren toe; maar Sumichrast, die door zijne lengte gedwongen was om half

gebukt te loopen, herhaalde van tijd tot tijd zijn geliefkoosden

uitroep.

De jonge gids, verlangende een minder moeielijk pad te bereiken, had

zijn weg onverpoosd vervolgd. Ik hoorde hem den Encuerado roepen en

weldra zag ik hem onbeweeglijk midden in de kloof staan en naar zijne

voeten zien, alsof een onzichtbare hinderpaal hem den weg versperde.

Toen ik bij hem gekomen was, begreep ik zijne verlegenheid; de grond was

bedekt met roode mieren; men kon onmogelijk voortgaan zonder ze bij

honderden te vertrappen, een onvrijwillige moord, dien men niet kan

bedrijven zonder zich aan pijnlijke beten bloot te stellen.

De Encuerado stroopte de halffladderende pijpen van zijn leeren broek op

en wierp zich midden in den vijand, maar het steile terrein veroorloofde

hem niet den levenden stroom zoo spoedig over te komen, als hij gehoopt

had. Deze poging, die op een effen grond slechts kinderspel zou geweest

zijn, werd op eene helling gevaarlijk. Tot overmaat van ramp gleed de

Indiaan uit en lag nu, plat op den buik, midden tusschen de mieren. Hij

stond op, overdekt met de nijdige dieren; aan den overkant der kolonne

gekomen, kleedde hij zich haastig uit, teneinde zich te ontdoen van de

duizenden tegenstanders, welker venijnige kaken in zijn vleesch drongen.

Door den val van den Indiaan in de war gebracht, verspreidde de bende

zich en verbreedde zij hare gelederen; nieuwe regimenten rukten aan,

hoopten zich op en hieven hunne dreigende koppen omhoog. Ik wilde mijn

zoon niet aan de kwelling hunner beten blootstellen; ik nam hem op mijn

rug en ging op mijne beurt voorwaarts. De vracht vertraagde mijn loop

zoozeer, dat ik mieren tot aan mijn hals toe had, toen ik bij den

Encuerado was aangekomen. Ik zette Lucien op den grond, want ik hield

het niet langer uit; ik ging toch te zijner hulp en bevrijdde hem van

zijn vijanden, op gevaar af van mij nog meer te laten bijten. Door den

Encuerado geholpen, bevrijdde ik den knaap van zijn vijanden; hij had

niet veel letsel bekomen, hoogstens een twintigtal beten. De woedende

Indiaan rukte graszoden uit, die hij naar den vijand slingerde. De reeds

vertoornde insekten verspreidden zich nu nog meer en bedekten eene

oppervlakte, dubbel zoo groot als die, welke zij eerst besloegen. Ik

dacht aan mijn vriend, die een weinig lager stond adem te scheppen en

toomde den toorn van den Encuerado in.

Sumichrast naderde; verwonderd over onze luchtige kleeding, opende hij

een paar verbaasde oogen, ging eenige schreden voorwaarts en liet toen

zulk een vervaarlijk »drommels, drommels!” hooren, dat wij in een

schaterlach uitbarstten, waarin hij evenwel volstrekt niet deelde: hij

was dan ook den Rubicon nog niet overgetrokken.

Zonder met onze bewegingen op te houden, om het jeuken tegen te gaan,

overlaadden wij hem met allerlei raadgevingen. Hij wilde uit het ravijn

gaan, door tegen den wand op te klimmen—moeite te vergeefs, de helling

was te steil. Hij sneed een tak met bladeren af en veegde den grond

schoon; maar het pad werd even spoedig weer gevuld als het geopend

is. Sumichrast ging peinzend zitten, Gringalet, dien dit tooneel

verwonderde, ging naar hem toe; ons geschreeuw doet hem midden in den

mierenhoop stilstaan, maar hij bleef er niet lang.

Terwijl de Encuerado en Lucien den armen hond ontlastten van den vijand,

dien hij zoo dwaaslijk had uitgetart, trok Sumichrast de helsche kolonne

met eene stoicynsche gelatenheid door. Een kwartier uurs later zetten

wij onze opstijging voort, als mannen van ondervinding redekavelende

over de beten der mieren en het gevoel, dat zij te weeg brengen.

Met Lucien aan 't hoofd bereikten wij eindelijk eene naakte bergvlakte

en trokken tusschen ontzaglijke rotsblokken door. Sumichrast sloeg een

uitgedroogd geultje in, en hij, die zich straks zoo beklaagde dat hij in

gebukte houding moest loopen, noodzaakte ons nu op handen en voeten te

gaan; Lucien gaf hem dan ook met woeker de schimpscheuten terug, die hij

van hem ontvangen had. Eene laatste krachtige inspanning bracht ons op

een bergrug; wij gingen onder struikgewas door om eensklaps op eene

zandige vlakte terecht te komen, te midden van een vijftigtal hazen,

die eerst de vlucht namen, nadat Lucien en de Encuerado er twee gedood

hadden.

Om drie uur in den namiddag voerde ik mijne makkers nog altijd door de

vlakte; de temperatuur was zacht en een licht windje maakte, dat wij

zonder te veel vermoeidheid de brandende zonnestralen verduurden. Wij

werden nog slechts omringd door eenige magere struiken, die op een

witachtigen bodem groeiden. Sumichrast stelde voor zonder schuilplaats

te kampeeren. Een vuur van droog gras zou voldoende zijn om onzen slaap

te beschermen; maar voor de keuken was hout noodig. Ieder ging in eene

verschillende richting om hout te sprokkelen en de zon was reeds onder

eer de kok in staat was om het wild gereed te maken.

Den volgenden morgen verguldde de zon eensklaps de vlakte met een

fraaie gouden kleur. Roofvogels zweefden in de lucht en bij onze eerste

schreden begon Gringalet reeds jacht op de hazen te maken. Deze dieren,

die gewoonlijk zoo vreesachtig zijn, zagen ons met eene bedaarde

nieuwsgierigheid, die ons zeer verwonderde, voorbijtrekken. Wij zagen

ze bij hunne legers met opgerichte ooren en onbeweeglijk zitten, hunne

groote zwarte oogen wijd geopend. Bij deze gelegenheid verzekerde de

Encuerado ons, dat de haas nooit de oogen toe doet,—zelfs niet om te

slapen.

Aan het einde van de vlakte versperde een zandheuvel ons den weg en de

warmte begon het ons lastig te maken. De weerkaatsing vooral deed de

oogen pijnlijk aan. Onze voeten woelden wolken van stof op. Lucien, die

een onvermoeibare looper was geworden, was ons gewoonlijk vooruit en

won veel weg op ons, terwijl wij bleven staan om adem te scheppen. Wij

hadden bijna den top van den heuvel bereikt, terwijl hij ons reeds vier

of vijf honderd pas voor was, toen ik zag dat hij zijn geweer aanlegde

en schoot. Ik liep op hem toe, terwijl hij verder den top beklom en

daarop verdween, mij toeroepende dat hij een draak had gedood.

Ik vond den jongen jager terug; hij stond voor een prachtigen iguano

(_cyclura acanthura_), die inderdaad op het fabelachtige dier gelijkt,

dat ons door de dichters beschreven is. De huid van den fraaien Sauriër

had een zilvergrijzen weerschijn, die vooral op den rugkam zeer

duidelijk was. Het dier stierf juist, toen de Encuerado bij ons kwam,

die zich de handen wrijvende uitriep:

»Dat is een _guachi-chevé_, wat zullen wij een lekker avondmaal hebben.”

—»Hebt gij er dan al meer gezien?” vroeg Lucien.

—Dat is een dier uit mijn land, Chanito; het is zeer overvloedig in de

vlakten, die naar den Stillen Oceaan afdalen. Die dieren kunnen leven

zonder te eten; men bewaart ze soms twee maanden met vastgebonden pooten

en dichtgenaaiden bek.

—Met dicht genaaiden bek!

—Ja, Chanito, om te beletten dat zij mager worden. Op uw leeftijd en

tegen de vasten, ging ik met mijne broers op de iguanojacht. Wij zochten

bij voorkeur de lage gronden op, die in den regentijd onder water staan.

Daar vonden wij in holle boomen of in gaten, die zij in het vochtige

slijk hadden gemaakt, de zwarte iguano, die wij bij den staart er

uittrokken.

—Bijten zij dan niet?

—Oh, ja. Chanito, zij bijten zeer goed en krabben nog beter; wij

droegen dan ook wel zorg ze bij den hals te vatten en de pooten en kaken

vast te binden; soms vervolgden wij ze op de boomen; maar dan lieten de

iguano's zich zonder gevaar van een hoogte van twintig of dertig voet

vallen en ontsnapten ons meestal.

Sumichrast vulde deze inlichtingen aan, door den jongen

natuuronderzoeker mede te deelen, dat de iguano—een verwante van de

hagedis—tot een meter lang wordt; dat het wijfje twintig à dertig

eieren legt, die door de inlandsche lekkerbekken zeer gezocht zijn en

dat de groene soort—_iguana rhinolopha_—een dunnen en platten staart

heeft en veel beter zwemt dan de zwarte, welks met stekels bezette

staart minder tot zwemmen geschikt is. Het ontmoeten van een groenen

iguano kondigt dan ook bijna altijd de nabijheid van een waterstroom

aan, terwijl men weet dat de zwarte iguano, die zeer bevreesd voor de

crocodillen is, zich van de rivieren verwijderd houdt.

Lucien wilde eerst zelf het wild dragen; maar onder het gewicht van

zijn draak bezwijkende, gaf hij het spoedig aan den Encuerado over. Er

vertoonde zich weer een nieuwe heuvel; de grond werd bij elke schrede

dorder; ternauwernood groeide hier en daar een klein grasgewas met

blauwe bloempjes. Toen de tweede top bereikt was, ontplooide zich eene

grenzenlooze vlakte voor onze oogen;—wij waren op het middelste

bergvlak van Mexico, in het Koude Land en op 2.500 meter boven de

oppervlakte der zee.

Welk eene verandering! Op een witten grond, die zoo licht en droog was,

dat het minste windje dien medevoerde, verhieven zich hier en daar

vijf of zes bijna bladerlooze boomen en vervolgens eenige doornachtige

met stof bedekte struiken; een weinig verder verbaasden reusachtige

cactussen ons door hun zonderlingen bouw. De zon, door het zand

teruggekaatst, vermoeide het gezicht. Ik richtte den marsch eenigszins

naar rechts, waar zich een weinig groen vertoonde en onze tent van

bladeren werd onder Peruaansche peperstruiken opgericht.

»Wat een leelijk land!” riep Lucien uit. „Zijn wij dan niet meer in

Mexico?”

—»Zeker,” antwoordde ik; »maar wij zijn op het groote bergvlak, bijna

op de hoogte van Mexico en Puebla.”

—Moeten wij die groote vlakte overtrekken? Ik zie er noch dieren noch

vogels, men zou zeggen, dat de boomen dorst hebben.

—Gij hebt meer gelijk dan gij misschien wel denkt, want het regent hier

niet meer dan viermaal in 't jaar. En toch is deze grond, die op het

eerste gezicht zoo dor schijnt, uitstekend ter bebouwing geschikt. Hij

brengt koren, gerst, aardappelen, peren, appelen, kersen, perziken,

druiven, in één woord, alle Europeesche vruchten voort, die in de

gematigde luchtstreek niet kunnen groeien, omdat de warmte ze te spoedig

doet ontwikkelen. Eindelijk groeit op dit bergvlak de _maguey_,—_agave

mexicana_, eene wonderbare plant, die aan de Mexicanen evenveel diensten

bewijst als de cocospalm aan de bewoners van Afrika.

De Encuerado was onder een peperstruik neergehurkt en zijne blikken

dwaalden over den onmetelijken horizon. Wij bevonden ons toch op de

hoogte van _zijn_ land en hij kon meenen, dat hij in de nabijheid van

zijn dorp was.

»Waar denkt ge zoo aan?” vroeg ik, terwijl ik hem op den schouder

klopte.

—Oh, Tatita, waarom hebt gij mij gestoord? Hier ben ik even geleerd

als gij, en ik zou u op mijne beurt de namen kunnen noemen van al

de bloemen, welke hare hoofdjes naar mij toeneigen, alsof zij mij

herkenden. Ik heb dikwijls in deze vlakte rondgedoold; ik heb die

struiken, die boomen, die planten reeds vroeger gezien... Gij lacht,

Chanito. Welnu! gij zult het zien! laat Tatita het maar gerust zeggen,

als ik de waarheid niet spreek.—»Zie hier,” sprak de Indiaan, terwijl

hij opstond en een plantje met dunne en witachtige bladeren uittrok,

dit is de _alfilerillo_, dien de moeders aan de kinderen geven, om ze

van de keelpijn te genezen. De boomen, welke ons overschaduwen, zijn de

valsche peperboomen, die men tevergeefs in het Warme Land zou zoeken;

hunne fraaie roode trossen zullen vruchten opleveren, die hier verloren

gaan, maar die evenwel dienen om de buikpijn te doen bedaren. Zie,

Chanito, dat is een _mizquitl_, een doornachtige boom, waarop wij gom

zullen vinden. Wat heb ik u gezegd? Ziedaar reeds drie stukken; gij

kunt ze zuigen; eerst zullen ze u wel bitter toeschijnen, maar ge zult

spoedig aan den smaak gewennen. Tatita, gij hebt mij in mijn land

teruggebracht.

—Wij zijn op dezelfde lijn, het is dus geen wonder, dat gij hier

denzelfden plantengroei aantreft als dien, te midden waarvan gij zijt

opgegroeid!

De Indiaan bleef peinzend; Sumichrast en ik zagen hem met

nieuwsgierigheid aan en Lucien, verwonderd hem zoo ontroerd te zien,

bleef geheel ongerust bij hem staan.

—»Daar is het Engelenkruid,” hernam de Encuerado eensklaps. »Wat was

mijne moeder verheugd, toen ik haar een takje van dit gras had

meegebracht.”

—»Welke eigenschappen heeft het dan?” vroeg ik.

—»Het verschaft droomen, die ons ten hemel voeren; het is dat zeldzame

bloempje, dat het kind Jezus in de vlakten van Bethlehem ging plukken.

Ziet ge, Chanito, zonder uwe tegenwoordigheid zouden wij dat plantje,

dat de moeders uit mijn land zoo verheugd maakt, niet gevonden hebben.

De Indiaan verviel weer in zijne droomerij, nu eens zijn blik over den

ruimen gezichteinder latende dwalen, dan weer het gras, dat aan zijne

voeten groeide, uittrekkende. »Er ontbreekt nog maar een latania aan, om

het landschap volkomen te maken,” sprak hij.

Na verloop van een oogenblik liep hij naar de struiken toe en knielde

neer; hij had een bundeltje van die gele vergeet-mij-nietjes gevonden,

die men in zijn land het »doodenbloempje” noemt. Weldra hoorde ik hem

snikken.

»Oh, Chema, wat scheelt er toch aan?” riep Lucien uit, terwijl hij op

zijn vriend toeijlde.

De Indiaan stond op en nam den knaap in zijne armen. »Ik had eene

moeder, ik had broers, ik had een Vaderland,” sprak hij; »en deze

bloemen herinneren mij, dat zij, die ik lief heb gehad, in het graf

slapen.”

—»Houdt gij dan niet veel van mij?” hernam Lucien, hem omhelzende.

Als eenig antwoord drukte de Encuerado hem zoo vast tegen zijne borst,

dat hij hem een lichten kreet ontlokte; daarna droeg hij hem naar het

bivak.

Dit tooneel had ons ontroerd; met langzame schreden en zonder een woord

te wisselen gingen wij, mijn vriend en ik, naast elkander voort. »O!

macht van den dorpstoren en van de herinneringen der jeugd!” dacht ik,

»welk paleis zal ooit zooveel waarde hebben als het ouderlijk dak;

welk geluk zal ooit dat der eerste kinderjaren evenaren? De herder,

die groot-vizier is geworden, zal altijd in eene kist het ruwe kleed

bewaren, waaronder hij meende ongelukkig te zijn. O roem! o fortuin!

hebben de machtigste opkomelingen wel ooit hunne jeugd kunnen vergeten?

en dacht Napoleon, toen hij beheerscher der wereld was geworden, nooit

aan de tafel, zonder tafellaken, die zijne moeder met vijgen en olijven

bedekte?

De honger bracht mij tot meer prozaïsche gedachten. Het blanke en

sappige vleesch van den Iguano was eene smullerij zoowel voor Gringalet

als voor ons. Het maal duurde langer dan naar gewoonte; wij waren over

het vaderland aan 't praten geraakt en dat onderwerp was onuitputtelijk.

Ik herinnerde mijn vriend er aan, dat hij een paar dagen te voren

even ontroerd was geweest als de Indiaan, toen hij twee vlinders zag

verdwijnen, die hij meende tot eene soort uit zijn land te behooren en

ik stelde deze herinnering tegenover het plan, dat hij zoo dikwijls had

geuit, om midden in de eenzaamheid te gaan wonen, teneinde daar onbekend

te leven en te sterven.

Op het groote bergvlak blijft de zon een weinig langer schijnen dan in

de warme gewesten. Hoe meer de zon de aarde naderde, des te meer begon

de hemel in eene purperen tint te gloeien en aan onze rechterhand zag ik

de oneffenheden van de Cordilleras uit het land van den Encuerado, zich

afteekenen. Allengs nam de witachtige grond een doorschijnend uiterlijk

aan; onze misleide oogen waanden eene onmetelijke watervlakte te zien,

waarboven overstroomde boomen hunne groene koppen uitstaken.

De maan kwam op, en verre van een einde aan de luchtspiegeling te maken,

deed zij het gezichtsbedrog nog duidelijker voorkomen. Ik besloot den

heuvel af te dalen, ten einde Lucien van deze zonderlinge dwaling onzer

zintuigen te overtuigen.

»Ik heb wel gezien dat de vlakte droog is,” sprak hij, zich omkeerende,

»maar hoe meer wij het bivak naderen, des te meer zou men zeggen, dat

het water achter ons stijgt.”

—»De luchtlagen zijn ongelijk verwarmd,” antwoordde ik, »en hare

weerkaatsing, die de lichtstralen doet afwijken, keert eendeels de

voorwerpen, die de vlakte bedekken, om en toont ons ze anderdeels veel

hooger dan ze werkelijk zijn.

—Maar wij zien water, waar het toch niet is.

—Telt gij den hemel dan voor niets? 't Is de hemel, die, omgekeerd

zijnde, zich aan onze voeten als een spiegel vertoont. Maar de lucht

koelt af en gij kunt waarnemen, dat het verschijnsel langzaam verdwijnt,

alsof eene onzichtbare hand deze denkbeeldige watervlakte tot aan de

grenzen van den horizon terugschoof.

Terwijl onze blikken, op het vlak gevestigd, de uitwerkselen van de

luchtspiegeling in al hunne bijzonderheden volgden, flikkerde er

plotseling een verwijderd licht op. Luide kreten begroetten dit

onbekende bivak; vervolgens verloor een ieder, de oogen op het

onbeweeglijk schijnsel gevestigd, zich in eindelooze gissingen. Wij

verwachtten er eerst den volgenden dag woningen te ontmoeten, en het

woord _land_, na eene lange reis aan boord van een schip uitgesproken,

had geen dieperen indruk op ons kunnen maken, dan het zien van dat

lichtend stipje. Niet dan nadat wij het hadden zien uitgaan, dachten wij

er aan te gaan rusten. De lucht werd koel, en toch stak de Encuerado

het vuur, dat ons zou kunnen verraden, niet meer aan. Helaas! sedert

twintig dagen hadden wij geen enkel menschelijk wezen ontmoet, en na

de vreugde van onze gelijken terug te zien, was ons tweede gevoel dat

van wantrouwen; van alle wezens is de wilde mensch zeker wel de minst

menschelijke.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 36 / 54 题