WILDE DAHLIA'S.—EEN BETREURENSWAARDIG ONGEVAL.—DE WOLFSMELKBOOMEN.—DE
WASCHRAT.—DE STROOM.—DE ENCUERADO HOEDENMAKER.—NIEUW MIDDEL OM BOOZE
GEESTEN TE VERDRIJVEN.—DE ANHINGA.
Den volgenden dag, die de negentiende was na ons vertrek uit Orizava,
vergeleek men de Kompassen en werd de reisroute veranderd. Tot nu toe
hadden wij in de richting van het Noord-Oosten langs de provinciën
Puebla en Veracruz geloopen, maar zonder evenwel de Cordilleras te
verlaten, welker wouden en talrijke valleien nog niet onderzocht zijn.
Naar de berekeningen van Sumichrast en ook de mijne moesten wij op dit
oogenblik op de hoogte van de provincie Mexico zijn en wij kwamen
overeen dat wij ons naar het Westen zouden richten, alsof wij op de
hoofdstad van Mexico afgingen.
»Waarom blijven wij niet voorwaarts gaan?” vroeg Lucien.
—»Omdat onze reis eenmaal een einde moet hebben,” antwoordde ik; »tot
nu toe zijn wij getrokken door wat men het Gematigde Land noemt. Van
heden af zullen wij op het Koude Land toegaan en binnen twee of drie
dagen zullen wij woningen aantreffen.
—Zullen wij dan weer menschen zien?
—Ik hoop het. Mishaagt die gedachte u dan?
Neen; maar het zal mij zoo vreemd voorkomen, als ik weer menschen en
woningen zie.
—»Drommels, drommels!” riep Sumichrast uit, »gij zijt zoo waar reeds
een wilde geworden.”
—Ik vind het zoo aangenaam te voet te reizen, dat ik wel zou willen,
dat de reis nog lang duurde.... maar op voorwaarde, dat ik Mama van tijd
tot tijd eens mag omhelzen.
—»Arme Zonnestraal,” sprak Sumichrast, »als ik er aan denk dat gij het
volgend jaar op eene kostschool zult zijn; dan eerst zult gij aan ons
leven van nu denken.”
—Maar als het vacantie is, papa, en u weer eene reis onderneemt, dan
mag ik toch weer mee, daar ik toch goed kan loopen.
—Alvorens aan eene andere reis te denken, zullen wij eerst die, welke
wij nu ondernomen hebben, ten einde brengen. Gij schijnt te vergeten,
dat wij het moeielijkste gedeelte van onze taak nog volbrengen moeten.
—Het Koude Land doortrekken?
—Neen, dat zullen wij slechts terloops zien; maar het Warme Land
belooft ons meer dan ééne kwelling.
—»Bah!” sprak Lucien, terwijl hij mij omhelsde, »het Warme Land is
bijna mijn land; ik zal er mij zoo goed houden, dat u aan Mama zult
kunnen zeggen, dat ik een man ben.”
De zon schitterde reeds toen ik het teeken tot vertrek gaf. Wij
verlieten nooit zonder leedwezen de bivaks, die wij bij een waterstroom
hadden opgeslagen. Meestal kostte het ons moeite ons van die gastvrije
schuilplaatsen los te rukken, om ons weer op weg naar het onbekende te
begeven. Een kwartier uurs verliep met op den Encuerado te wachten, die
met alle geweld de stukken van de zwarte slang wilde terugvinden; daarna
nog een tweede met het vullen van onze veldflesschen, het landschap te
beschouwen en de vlucht der vogels met het oog te volgen. Sumichrast
opperde het denkbeeld dat het, na zulk een slechten nacht, niet kwaad
zou zijn als wij een beteren, temidden van zulk een verrukkelijk oord
doorbrachten.
»Welzeker,” riep ik uit, »de weekelijkheid zal over de geestkracht, de
lafheid over den moed zegevieren! Laten wij ons als Romeinen van het
tweede keizerrijk gedragen. Laten wij morgen, overmorgen maar eerst
vertrekken! Laat ons het gedenkwaardig verblijf te Capua vergeten! O!
zoon van Helvetia, wat zou de schim van Willem Tell wel zeggen, als hij
u hooren kon?”
Mijn makker verwijderde zich met groote schreden, Lucien en
den Encuerado, die verbaasd stond over mijne gebaren en mijn
declamatorischen toon, met zich mede voerende. Toen ik de kleine
karavaan bereikt had, wenschte ik haar geluk over haar ijver, en ik
verklaarde dat Willem Tell, Guatimatzin en Napoleon tevreden konden
zijn.
De beek wees den weg aan, dien wij volgen moesten; wij gingen langs hare
oevers, beschut door de heesters en opgevroolijkt door de vogels, die
er langs vlogen. Sumichrast wees ons dahlia's aan, de bloem die geheel
volmaakt zou zijn, als zij geur bezat. Uit Mexico oorspronkelijk,
vanwaar zij in Europa werd ingevoerd, bereikt de dahlia eene hoogte van
ongeveer een meter en brengt zij enkele, bleekgele bloemen voort. Door
de kweeking heeft men dubbele bloemen verkregen, die duizenden tinten
vertoonen en een sieraad van onze tuinen zijn. Veel Mexicanen, die voor
veel geld dahlia's in Frankrijk en in Holland koopen, weten zelfs niet,
dat de plant uit hun land afkomstig is.
De gekookte en gezouten knollen van de dahlia worden door de Indianen
gegeten; 't is een melig, flauw en weinig gezocht voedsel. De wilde
aardappel, 't is waar, is al niet veel beter en wie weet of de kweeking,
na onze tuinen met deze heerlijke plant verrijkt te hebben, onze tafel
niet den een of anderen tijd met de sappig geworden knollen der dahlia's
zal begiftigen.
De beek beschreef talrijke kronkelingen en onze begeerte om haar niet te
verlaten, bracht ons herhaalde malen van onzen weg af; eindelijk liep
zij naar links; ik groette haar als een vriend, van wien men noode
afscheid neemt, maar in de hoop dat haar grillige loop haar weer op
onzen weg zou voeren.
Onze marsch ging nu naar omhoog; nu eens trokken wij door lichtingen,
dan weer door boschjes. Eensklaps opende zich voor ons eene uitgestrekte
prairie en Sumichrast voerde ons door hooge, witachtige planten. Na
verloop van een kwartier uurs begon onze gids te niezen, Lucien volgde
zijn voorbeeld, daarna kwam de beurt aan den Encuerado, vervolgens ook
aan mij en aan Gringalet. Deze opeenvolgende uitbarstingen werden door
lachen en veelvuldige »God zegene je” begroet; maar eene levendige
prikkeling in de keel en aan de oogen vergezelde weldra het niezen.
»Drommels, drommels!” riep mijn vriend uit, »wat beteekent die
misplaatste grap?”
Ik sloeg de oogen rondom mij; wij waren omringd door wolfsmelkplanten en
onze zorgeloosheid had ons dit ongeval op den hals gehaald.
De lust tot lachen verging ons; wij hadden het midden der vlakte
bereikt; het was te laat om terug te keeren. Al hoestende, traanoogende
en niezende voerde ik mijne gezellen door de verwenschte planten,
waarbij ik opmerkte, dat zij elken anderen plantengroei verstikten.
Reeds was mij eens in het Warme Land dergelijk ongeval overkomen en
ik vreesde voor de gevolgen van zulke eene wezenlijke vergiftiging.
Sumichrast en Lucien bloedden uit den neus; ik versnelde den pas nog
meer. Eindelijk drongen wij, met roode en opgezwollen oogen en een
gevoel in de keel, alsof zij door eene ijzeren hand werd toegeknepen,
het bosch in. Onze eerste zorg was ons gelaat wat te betten en de keel
te gorgelen, zonder ook den ongelukkigen Gringalet te vergeten, die van
dat alles niets begreep en zijn snuit over den grond wreef.
De Encuerado bromde tusschen zijne tanden en wilde de wolfsmelkplanten
vernietigen. Ik had veel moeite om hem te beletten den oorlog te
beginnen tegen de planten, die ons in zulk een erbarmelijken toestand
hadden gebracht; zich van zijne mars ontdaan hebbende, bood hij aan ons
te wreken en keerde hij elk oogenblik naar het noodlottige veld terug.
Hij wilde het in brand steken; dat was het onmogelijke beproeven. Hij
moest zich dus met scheldwoorden vergenoegen; ze waren kort maar
krachtig, want de toestand van zijne keel veroorloofde hem nauwelijks te
spreken.
Ter prooi aan een onverdraaglijk onaangenaam gevoel, drongen wij het
woud in, een weinig op goed geluk voortloopende, in de hoop, dat wij
eene bron zouden ontmoeten. Eindelijk werd het terrein vlak; vervolgens
voerde eene steile helling ons in de bedding van een opgedroogden
stroom; eenige schreden verder brachten ons bij een plas groenachtig
water—het manna in de woestijn.
Onze gezichten waren opgezwollen, de oogleden brandden, de mond was
droog en het niezen wilde maar geen einde nemen; dien dag werd er noch
over eene hut noch over een haard gesproken. Door de koorts verteerd,
strekte een ieder zich in de schaduw uit en zocht in den slaap een
weinig verlichting voor zijn lijden.
Lucien, die zeer terneergeslagen was, verdroeg zijn lijden met een moed,
die mij aandeed. Ik droeg zorg zijne oogen van tijd tot tijd uit te
wasschen en hem te drinken te geven.
Hij sliep in; maar hij had, evenals wij, een gevoel, alsof zijn hoofd te
zwaar voor zijne schouders was geworden.
Toen de zon onderging, maakte ik den Indiaan wakker.
Onze gezichten bleven opzwellen; de Encuerado zag mij verwonderd aan
en sliep weer in. Er moest vuur aangemaakt en koffie gezet worden;
maar ik geloof niet, dat het ons een van allen mogelijk zou geweest
zijn te eten. Met een langzaamheid en eene linkschheid, die ik niet kon
overwinnen, gelukte het mij eindelijk eenige droge takken bijeen te
rapen en het water aan 't koken te brengen. Toen riep ik mijne gezellen;
zij dronken, zonder eenig besef te hebben van den dienst, dien ik hun
bewees, en vielen toen weer in een zwaren slaap.
De zon kondigde minstens tien uur aan, toen Lucien, het voorbeeld
gevende, ons overreedde om op te staan.
Met zulk een opgezwollen en pijnlijk gelaat konden wij er niet aan
denken op weg te gaan. Sumichrast deelde zijn leerling eenige korte
bijzonderheden mede over de wolfsmelkboomen, waarvan vele Afrikaansche
soorten in hunne groeiwijze op reusachtige cactussen gelijken. De
planten van deze familie, kruiden, struiken of heesters, bevatten een
melkachtig, scherp en vergiftig sap.
Eene verscheidenheid, welke men slechts zelden in Mexico aantreft, maar
die men zegt, dat in Brazilië zeer algemeen is, is de phosphoriseerende
wolfsmelkplant,—die des nachts licht geeft. De mancenilla, in welks sap
de vroegere Caraïben de pijlpunten dompelden, welke zij vergiftig wilden
maken, behoorde tot deze plantenorde; maar de reizigers en later de
dichters, zijn veel te ver gegaan met te beweren, dat het voldoende was
in zijne schaduw te gaan liggen, om den eeuwigen slaap in te gaan.
Het melksap van de wolfsmelkplanten (eupharbiaceeën) wordt soms in de
geneeskunde gebruikt en de olie uit de zaden van den wonderboom is een
wormafdrijvend purgeermiddel, hetwelk de kinderen zelfs maar al te goed
kennen.
„Dat is eene mooie familie,” riep de Encuerado uit, die een afschuw
van de wonderolie had; »zoo beschouwd, zijn alle leden giftmengers en
moordenaars.”
—»Behalve de manioc, welke de tapioccae oplevert, waarvan gij zooveel
houdt,” antwoordde ik.
—»Is de manioc een verwante van de wolfsmelkboomen?” sprak de Indiaan,
met een twijfelachtig gelaat.
—Zeer zeker, en wanneer zij, die haar verzamelen, niet de voorzorg
namen haar in zeer ruim water af te wasschen, zoudt gij er niet van
kunnen eten, zonder uw leven er bij in te schieten.
—»Wel nu,” zeide de Encuerado, vol overtuiging, »de duivel van mijnheer
Sumichrast mag van mijnentwege de geheele familie halen en de tapiocca
op den koop toe, ik zal er mij niet over beklagen.
In den namiddag verklaarden Sumichrast en Lucien, dat zij honger hadden;
dat was een goed teeken. Ik nam mijn geweer, dat mij wel honderd pond
scheen te wegen, en door mijne makkers gevolgd, ging ik strompelend den
loop van de stroombedding op.
Wij ontmoetten verschillende waterpoelen en daarna van de bergen
losgescheurde en zonderling op elkander gestapelde rotsen. Ik klom bij
den oever op, van plan om mij met het eerste stuk wild, dat zich zou
voordoen, te vergenoegen. Ik zag evenwel niet anders dan koningstoccoms,
met zwart, geel en rood gevederte; maar die vogels waren te vlug, dan
dat ik er aan denken kon ze te vervolgen. Een eekhoorn liet zich echter
schieten; 't was wel een schraal maal voor vijf hongerige magen.
Sumichrast, die vooruit was gegaan, bleef staan en gaf ons een teeken om
stil te zijn. Mijne oogen drongen op het bed van den stroom en bij een
met water gevuld gat zag ik een _tejor_ of waschrat. Het dier, dat een
grijs met zwart gestreept vel bezat, had een spitsen snuit als die van
de buidelrat; het was op zijn achterdeel gezeten, dompelde zijne pooten
in het water en wreef ze tegen elkander aan. De Encuerado schoot, de
rat sprong op en weldra kon Lucien hare prachtige huid en haar fraaien
staart bewonderen. Het dier was bezig eene hagedis te wasschen, alvorens
haar te verslinden, aan welke onverklaarbare gewoonte het zijn bijnaam
te danken heeft.
De _tejor_ (_procyon lotor_) wordt veel in Mexico aangetroffen. Hij
behoort tot de familie der beren, maar is veel kleiner en veel vlugger;
hij is vleeschetend en tevens insektenetend. Hij klimt met veel gemak
op de boomen, en als hij zijn verblijf dicht bij eene woning heeft
opgeslagen, vernietigt hij in korten tijd al het pluimgedierte. De
_tejor_ wordt zonder veel moeite tam gemaakt, loopt zijn meester te
gemoet en zoekt zijne liefkoozingen; evenwel bijt hij, evenals de
eekhoorn, waarop hij door zijne levendigheid gelijkt, onverwacht de hand
die hem voedt. Het vleesch van den procyon is blank, zacht en malsch.
De Encuerado had dahliabollen verzameld en onder de asch gebraden; daar
dit voedsel ons niet smaakte, misschien omdat onze ontstoken keel ons
niet toeliet de fijnheid er van te erkennen, gaf ik het aan Gringalet,
die er zich aan te goed deed.
De nacht brak aan, de hemel bedekte zich met grauwe wolken, die hevig
werden voortgedreven, ofschoon de boomen om ons heen onbeweeglijk
bleven.
Het was te laat om eene hut te bouwen en evenals den vorigen nacht
strekte ieder zich op goed geluk op een bed van droog mos uit.
Ik werd stijf van koude wakker; er blonk geene enkele ster aan den
hemel. Er bleef mij van de onpasselijkheid, door de wolfsmelkplanten
veroorzaakt, nog slechts een weinig zwaarte in het hoofd en eene lichte
ontsteking in de keel over. Ik trachtte weer in te slapen en viel in
eene soort van pijnlijke soezerij. Ik meende roofvogels te hooren
schreeuwen en in het bosch een geloei te vernemen. Ik stond op om die
nachtmerrie te verdrijven; maar ik droomde niet, de dag brak aan, de
vogels namen onder wild gekrijsch de vlucht, een dof geraas, gelijk aan
dat van den wind, die de boomen van het woud doet schudden, klonk zonder
ophouden in mijne ooren. Ik riep Sumichrast en den Encuerado; deze
laatste riep vol schrik uit:
»De stroom!”
Lucien opnemende, droeg ik hem op mijne armen weg, terwijl de Indiaan
in alle haast de over den grond verspreide voorwerpen bijeenzocht. Ik
bereikte door mijne beide makkers en Gringalet gevolgd, den dam. Lucien,
in zijn slaap gestoord, had den tijd niet om te vragen wat er aan de
hand was. Een woedend geraas maakte ons bijna doof; een geelachtige
watermassa ging ons voorbij; ik zag een mijner dekens drijven en bijna
terzelfder tijd vielen de rotsen in als door eene onzichtbare macht
voortgesleept, en stieten tegen elkander aan, onder den drang van een
vloeibare lawine.
Een minuut later en het ware met ons gedaan geweest, of althans met ons
goed en onze wapenen, zonder welke onze toestand zeer hachelijk zou
geworden zijn.
Onze hoeden dreven met de deken weg; dit verlies was ons zeer
onaangenaam, want geen onzer, behalve de Encuerado, kon onder de stralen
eener tropische zon blootshoofds loopen. Het ontmoeten van een palmboom
zou ons er over getroost hebben, want de Indiaan kon, evenals al zijne
landgenooten, stroo en riet vlechten. Inmiddels bedekte ieder zich het
hoofd met de breede bladeren van eene plant, die op de oevers der
stroomende wateren groeit en waarvan de Indiaansche vrouwen zich soms
bij wijze van zonnescherm bedienen.
Wij wisten bij ondervinding met welke snelheid de rivieren soms
overstroomen.
Een maand later, tegen het tijdstip van de regelmatig terugkeerende
regenbuien, zouden wij het nooit gewaagd hebben midden in eene
stroombedding te kampeeren. Wij hadden den vorigen dag evenwel
opgemerkt, dat de lucht vol grauwe wolken werd, wat ons op onze hoede
had moeten doen zijn.
De woedende stroom ging voort, zonder moeite ontzaglijke steenblokken
meesleepende; maar de waterhoogte vermeerderde niet en toonde aan, dat
hij even spoedig weer zou opdrogen als hij gezwollen was. De Encuerado
moest zich met een slijkerig water vergenoegen om de koffie te koken;
maar als wij onze kieskeurigheid van beschaafde menschen hadden willen
behouden, zouden wij de reis hebben moeten opgeven! Een ander ongeval
hield ons trouwens bezig; het overgebleven gedeelte van de waschrat, dat
voor ons ontbijt had moeten dienen, was, evenals onze zak rijst door den
stroom meegesleurd.
Wij gingen, weinig opgebeurd door deze reeks tegenspoeden, op weg.
Alle ongesteldheid was gelukkig verdwenen; maar wij bleven de
wolfsmelkboomen en den stroom een kwaad hart toedragen. Een lange
marsch, gedurende welken wij nog den loop van de onverwacht ontstane
rivier verscheidene malen verloren en weer teruggevonden hadden, bracht
ons eindelijk aan een heuvel, aan welks voet een uitgestrekt moeras
lag. De Encuerado die, bij gebrek aan wild, hier en daar wat riet had
uitgetrokken, begon dadelijk hoeden voor ons te vlechten.
Terwijl ik hem in gezelschap van Lucien achterliet, ging ik met
Sumichrast uit om eenig wild op te sporen.
Toen wij van onze nuttelooze wandeling terugkwamen, vond ik mijn zoon
reeds in 't bezit van een hoofddeksel in den vorm van een trechter; de
Encuerado bood er mij ook een aan, die, naar het zeggen van mijn vriend,
mij op een Chinees deed gelijken. Nadat ik een weinig uitgerust was,
wilde ik opnieuw op de jacht gaan. Het geraas van den stroom scheen de
vogels verdreven te hebben. Er vertoonde zich ternauwernood nu en dan
een muschvogel, die het schot kruit, dat hij gekost zou hebben, niet
waard was. Ik vertrok opnieuw in gezelschap van Sumichrast, die op zijne
beurt een mooien punthoed op had gekregen.
Deze nieuwe loop putte ons geheel uit, zonder ons een anderen buit op te
leveren dan een tangara, waarvan het schitterend gevederte onzen honger
niet kon doen bedaren. De Encuerado en Lucien bemerkten ons, midden in
het moeras staande; de jonge visscher liep op ons toe met zijn nieuw
hoofddeksel in de hand; in zijne haast vergat hij, dat de bodem van een
moeras bijna altijd glibberig is en ik zag hem plat op zijn buik op eene
laag waterplanten vallen. Met één sprong was de Encuerado bij hem en
hielp hem overeind; maar in plaats van zich over zijn val te bekommeren,
sloeg Lucien zijne bedroefde oogen naar den Indiaan op.
Zijn hoed bevatte een gedeelte van de visch, die zij met het vlindernet
hadden gevangen en waarvan meer dan een derde in het modderige water van
het moeras verdwenen was.
»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast, om het bedrukte gelaat van den
visscher lachende, »wij zijn bepaald betooverd.”
Deze scherts werd door den Encuerado voor ernst opgenomen; hij sloeg
zich voor het voorhoofd, alsof hij plotseling eene ingeving had
gekregen.
»Dat is de geest van de grot!” riep hij uit. O! die rekel, en dat na
alles wat hij mij te danken heeft en de voorzorg, die ik genomen heb.
—»Welke voorzorg?” vroeg Lucien.
—Ik heb zeven witte keisteentjes opgeraapt en er een mooi kruis mee
geteekend.
—Wat heeft hij met dat kruis te maken?
—Hoe, Chanito, hij weet dat wij christenen zijn en durft ons aanvallen!
Wacht een beetje! Ik zal hem den boozen geest, dien hij in mijn lichaam
heeft gezonden, terugsturen en spoedig ook.
En tegen een boom leunende met zijn hoofd omlaag en de beenen in de
lucht, begon de Encuerado als een bezetene met de beenen te spartelen.
Nu eens viel hij links, dan weer rechts, maar na elken val stond hij op
om dadelijk zijne houding van clown weer aan te nemen. Bij het zien van
die lichaamsverwringingen kon geen onzer zijn ernst bewaren.
Lucien lachte dat de tranen hem over de wangen liepen, te meer nog daar
de Indiaan, als om het tooneel nog grappiger te maken, zijn gebaren deed
vergezeld gaan van scheldwoorden aan het adres van den geest van de
grot.
Eindelijk beval ik hem zijne natuurlijke houding weer aan te nemen en
zich stil te houden.
»Denkt gij, dat hij vertrokken zal zijn?” vroeg hij met een
onverstoorbaren ernst.
—»Zeker,” antwoordde ik; »op de wijze waarop gij hem geschud hebt, moet
hij wel door den mond of de ooren naar buiten zijn gegaan.”
—Nu uwe beurt, Chanito!
Lucien, die verrukt was dat hij ook die kunsten eens zou mogen uithalen,
poogde herhaalde malen zich op het hoofd in evenwicht te houden, maar
door zijn lachen beheerscht, vond hij de kracht niet om zich op te
heffen. Hoe meer de Encuerado hem toeriep, dat hij den ernst moest
bewaren, die voor het welslagen van de bewerking noodig was, des te
onweerstaanbaarder werd het lachen. De goede Indiaan, die meende dat
een geest bepaald een lichaam moest verlaten, dat met het hoofd omlaag
is geplaatst, vatte de beenen van zijn jongen meester vast en schudde
hem als een zak, dien men ledigen wil. Sumichrast maakte een einde aan
de geestverdrijving, door te verklaren dat de geest op de vlucht was
gegaan. Toen naderde de Encuerado mijn metgezel en stelde dezen voor ook
hem te helpen, zooals hij Lucien had gedaan.
»Nu is het genoeg,” sprak ik, zoodra het lachen mij toeliet te spreken.
»Sumichrast en ik bezitten een ander middel om geesten te verdrijven.”
De Encuerado zag mij met bewondering aan, meer dan ooit overtuigd dat
mijne macht die van de toovenaars van zijn land ver te boven ging.
Wij waren den haard genaderd; Lucien herhaalde vol ernst de woorden van
den Indiaan aan 't adres van den booze, toen Gringalet begon te huilen.
De Encuerado had het arme dier bij zijne achterste pooten gevat en
schudde hem met den kop omlaag, heen en weer.
»'t Is voor uw bestwil,” zeide hij. »Begrijpt gij dan niet, dat de
geest, dien gij in het lijf hebt, u tot de eene of andere dwaasheid zou
verleiden?”
Lucien vloog zijn trouwen vriend te hulp, die eindelijk door den Indiaan
werd losgelaten. Weinig erkentelijk voor de goede bedoelingen van den
Encuerado te zijnen opzichte, bleef Gringalet boos op hem en gedurende
een dag of drie naderde hij hem slechts met wantrouwen.
Na dit tooneel hield de zorg voor het middagmaal ons geheel bezig.
Als de jacht goed was geweest, zou zij ons het vet geleverd hebben om
onzen visch te bakken. Terwijl wij zoo over ons weinig geluk klaagden,
bemerkte ik een troep vogels, die op de manier der eenden vlogen; zij
beschreven een grooten kring en zetten zich op den top van een boom
neer. De Encuerado schoot en een vogel viel naar beneden. Het door den
Indiaan gedoode wild was een _anhinga_[31], een der zonderlingste
zwemvogels, die men maar zien kan. Men stelle zich een vogel voor met
het lichaam van eene zeer groote eend, den hals eener zwaan, met een
rechten, puntigen snavel, die langer dan de kop is, met van zwemvliezen
voorziene pooten en groote, sterk bevederde vleugels. De anhinga duikt
en zwemt met dezelfde kracht, zwemt onder het water, zit op boomen en
zoekt den hoogsten top uit om er zijn nest op te bouwen.
[31] _Anhingo Levallantii_, de Amerikaansche verwante van den
Slangenhalsvogel (_Plotus Levallantii_ of _melanagaster_).
(Noot v. d. V.)
Het vleesch van de anhinga is weinig gezocht; men beweert, dat het hard
en taai is. Stemde de honger mij tot toegevendheid? Ik weet het niet;
maar ik vond, dat het even malsch was als van de eend. Het vet van den
vogel, dat zorgvuldig werd opgevangen, diende om de visschen te bakken.
Deze, ik moet het bekennen, kwamen ons minder sappig voor dan het zwarte
vleesch van den zwemvogel. Smaakte deze een weinig naar visch, de andere
smaakten grondig; evenwel ging het gansche menu naar binnen.
Toen de nacht aanbrak, teekende de maan den omtrek der boomen tegen den
blauwen hemel af en de Encuerado, blijde te weten dat hij onttooverd
was, vergastte ons op een nog niet gehoorden lofzang, die er niet weinig
toe bijbracht om ons te doen inslapen.