XVIII.

WILDE DAHLIA'S.—EEN BETREURENSWAARDIG ONGEVAL.—DE WOLFSMELKBOOMEN.—DE

WASCHRAT.—DE STROOM.—DE ENCUERADO HOEDENMAKER.—NIEUW MIDDEL OM BOOZE

GEESTEN TE VERDRIJVEN.—DE ANHINGA.

Den volgenden dag, die de negentiende was na ons vertrek uit Orizava,

vergeleek men de Kompassen en werd de reisroute veranderd. Tot nu toe

hadden wij in de richting van het Noord-Oosten langs de provinciën

Puebla en Veracruz geloopen, maar zonder evenwel de Cordilleras te

verlaten, welker wouden en talrijke valleien nog niet onderzocht zijn.

Naar de berekeningen van Sumichrast en ook de mijne moesten wij op dit

oogenblik op de hoogte van de provincie Mexico zijn en wij kwamen

overeen dat wij ons naar het Westen zouden richten, alsof wij op de

hoofdstad van Mexico afgingen.

»Waarom blijven wij niet voorwaarts gaan?” vroeg Lucien.

—»Omdat onze reis eenmaal een einde moet hebben,” antwoordde ik; »tot

nu toe zijn wij getrokken door wat men het Gematigde Land noemt. Van

heden af zullen wij op het Koude Land toegaan en binnen twee of drie

dagen zullen wij woningen aantreffen.

—Zullen wij dan weer menschen zien?

—Ik hoop het. Mishaagt die gedachte u dan?

Neen; maar het zal mij zoo vreemd voorkomen, als ik weer menschen en

woningen zie.

—»Drommels, drommels!” riep Sumichrast uit, »gij zijt zoo waar reeds

een wilde geworden.”

—Ik vind het zoo aangenaam te voet te reizen, dat ik wel zou willen,

dat de reis nog lang duurde.... maar op voorwaarde, dat ik Mama van tijd

tot tijd eens mag omhelzen.

—»Arme Zonnestraal,” sprak Sumichrast, »als ik er aan denk dat gij het

volgend jaar op eene kostschool zult zijn; dan eerst zult gij aan ons

leven van nu denken.”

—Maar als het vacantie is, papa, en u weer eene reis onderneemt, dan

mag ik toch weer mee, daar ik toch goed kan loopen.

—Alvorens aan eene andere reis te denken, zullen wij eerst die, welke

wij nu ondernomen hebben, ten einde brengen. Gij schijnt te vergeten,

dat wij het moeielijkste gedeelte van onze taak nog volbrengen moeten.

—Het Koude Land doortrekken?

—Neen, dat zullen wij slechts terloops zien; maar het Warme Land

belooft ons meer dan ééne kwelling.

—»Bah!” sprak Lucien, terwijl hij mij omhelsde, »het Warme Land is

bijna mijn land; ik zal er mij zoo goed houden, dat u aan Mama zult

kunnen zeggen, dat ik een man ben.”

De zon schitterde reeds toen ik het teeken tot vertrek gaf. Wij

verlieten nooit zonder leedwezen de bivaks, die wij bij een waterstroom

hadden opgeslagen. Meestal kostte het ons moeite ons van die gastvrije

schuilplaatsen los te rukken, om ons weer op weg naar het onbekende te

begeven. Een kwartier uurs verliep met op den Encuerado te wachten, die

met alle geweld de stukken van de zwarte slang wilde terugvinden; daarna

nog een tweede met het vullen van onze veldflesschen, het landschap te

beschouwen en de vlucht der vogels met het oog te volgen. Sumichrast

opperde het denkbeeld dat het, na zulk een slechten nacht, niet kwaad

zou zijn als wij een beteren, temidden van zulk een verrukkelijk oord

doorbrachten.

»Welzeker,” riep ik uit, »de weekelijkheid zal over de geestkracht, de

lafheid over den moed zegevieren! Laten wij ons als Romeinen van het

tweede keizerrijk gedragen. Laten wij morgen, overmorgen maar eerst

vertrekken! Laat ons het gedenkwaardig verblijf te Capua vergeten! O!

zoon van Helvetia, wat zou de schim van Willem Tell wel zeggen, als hij

u hooren kon?”

Mijn makker verwijderde zich met groote schreden, Lucien en

den Encuerado, die verbaasd stond over mijne gebaren en mijn

declamatorischen toon, met zich mede voerende. Toen ik de kleine

karavaan bereikt had, wenschte ik haar geluk over haar ijver, en ik

verklaarde dat Willem Tell, Guatimatzin en Napoleon tevreden konden

zijn.

De beek wees den weg aan, dien wij volgen moesten; wij gingen langs hare

oevers, beschut door de heesters en opgevroolijkt door de vogels, die

er langs vlogen. Sumichrast wees ons dahlia's aan, de bloem die geheel

volmaakt zou zijn, als zij geur bezat. Uit Mexico oorspronkelijk,

vanwaar zij in Europa werd ingevoerd, bereikt de dahlia eene hoogte van

ongeveer een meter en brengt zij enkele, bleekgele bloemen voort. Door

de kweeking heeft men dubbele bloemen verkregen, die duizenden tinten

vertoonen en een sieraad van onze tuinen zijn. Veel Mexicanen, die voor

veel geld dahlia's in Frankrijk en in Holland koopen, weten zelfs niet,

dat de plant uit hun land afkomstig is.

De gekookte en gezouten knollen van de dahlia worden door de Indianen

gegeten; 't is een melig, flauw en weinig gezocht voedsel. De wilde

aardappel, 't is waar, is al niet veel beter en wie weet of de kweeking,

na onze tuinen met deze heerlijke plant verrijkt te hebben, onze tafel

niet den een of anderen tijd met de sappig geworden knollen der dahlia's

zal begiftigen.

De beek beschreef talrijke kronkelingen en onze begeerte om haar niet te

verlaten, bracht ons herhaalde malen van onzen weg af; eindelijk liep

zij naar links; ik groette haar als een vriend, van wien men noode

afscheid neemt, maar in de hoop dat haar grillige loop haar weer op

onzen weg zou voeren.

Onze marsch ging nu naar omhoog; nu eens trokken wij door lichtingen,

dan weer door boschjes. Eensklaps opende zich voor ons eene uitgestrekte

prairie en Sumichrast voerde ons door hooge, witachtige planten. Na

verloop van een kwartier uurs begon onze gids te niezen, Lucien volgde

zijn voorbeeld, daarna kwam de beurt aan den Encuerado, vervolgens ook

aan mij en aan Gringalet. Deze opeenvolgende uitbarstingen werden door

lachen en veelvuldige »God zegene je” begroet; maar eene levendige

prikkeling in de keel en aan de oogen vergezelde weldra het niezen.

»Drommels, drommels!” riep mijn vriend uit, »wat beteekent die

misplaatste grap?”

Ik sloeg de oogen rondom mij; wij waren omringd door wolfsmelkplanten en

onze zorgeloosheid had ons dit ongeval op den hals gehaald.

De lust tot lachen verging ons; wij hadden het midden der vlakte

bereikt; het was te laat om terug te keeren. Al hoestende, traanoogende

en niezende voerde ik mijne gezellen door de verwenschte planten,

waarbij ik opmerkte, dat zij elken anderen plantengroei verstikten.

Reeds was mij eens in het Warme Land dergelijk ongeval overkomen en

ik vreesde voor de gevolgen van zulke eene wezenlijke vergiftiging.

Sumichrast en Lucien bloedden uit den neus; ik versnelde den pas nog

meer. Eindelijk drongen wij, met roode en opgezwollen oogen en een

gevoel in de keel, alsof zij door eene ijzeren hand werd toegeknepen,

het bosch in. Onze eerste zorg was ons gelaat wat te betten en de keel

te gorgelen, zonder ook den ongelukkigen Gringalet te vergeten, die van

dat alles niets begreep en zijn snuit over den grond wreef.

De Encuerado bromde tusschen zijne tanden en wilde de wolfsmelkplanten

vernietigen. Ik had veel moeite om hem te beletten den oorlog te

beginnen tegen de planten, die ons in zulk een erbarmelijken toestand

hadden gebracht; zich van zijne mars ontdaan hebbende, bood hij aan ons

te wreken en keerde hij elk oogenblik naar het noodlottige veld terug.

Hij wilde het in brand steken; dat was het onmogelijke beproeven. Hij

moest zich dus met scheldwoorden vergenoegen; ze waren kort maar

krachtig, want de toestand van zijne keel veroorloofde hem nauwelijks te

spreken.

Ter prooi aan een onverdraaglijk onaangenaam gevoel, drongen wij het

woud in, een weinig op goed geluk voortloopende, in de hoop, dat wij

eene bron zouden ontmoeten. Eindelijk werd het terrein vlak; vervolgens

voerde eene steile helling ons in de bedding van een opgedroogden

stroom; eenige schreden verder brachten ons bij een plas groenachtig

water—het manna in de woestijn.

Onze gezichten waren opgezwollen, de oogleden brandden, de mond was

droog en het niezen wilde maar geen einde nemen; dien dag werd er noch

over eene hut noch over een haard gesproken. Door de koorts verteerd,

strekte een ieder zich in de schaduw uit en zocht in den slaap een

weinig verlichting voor zijn lijden.

Lucien, die zeer terneergeslagen was, verdroeg zijn lijden met een moed,

die mij aandeed. Ik droeg zorg zijne oogen van tijd tot tijd uit te

wasschen en hem te drinken te geven.

Hij sliep in; maar hij had, evenals wij, een gevoel, alsof zijn hoofd te

zwaar voor zijne schouders was geworden.

Toen de zon onderging, maakte ik den Indiaan wakker.

Onze gezichten bleven opzwellen; de Encuerado zag mij verwonderd aan

en sliep weer in. Er moest vuur aangemaakt en koffie gezet worden;

maar ik geloof niet, dat het ons een van allen mogelijk zou geweest

zijn te eten. Met een langzaamheid en eene linkschheid, die ik niet kon

overwinnen, gelukte het mij eindelijk eenige droge takken bijeen te

rapen en het water aan 't koken te brengen. Toen riep ik mijne gezellen;

zij dronken, zonder eenig besef te hebben van den dienst, dien ik hun

bewees, en vielen toen weer in een zwaren slaap.

De zon kondigde minstens tien uur aan, toen Lucien, het voorbeeld

gevende, ons overreedde om op te staan.

Met zulk een opgezwollen en pijnlijk gelaat konden wij er niet aan

denken op weg te gaan. Sumichrast deelde zijn leerling eenige korte

bijzonderheden mede over de wolfsmelkboomen, waarvan vele Afrikaansche

soorten in hunne groeiwijze op reusachtige cactussen gelijken. De

planten van deze familie, kruiden, struiken of heesters, bevatten een

melkachtig, scherp en vergiftig sap.

Eene verscheidenheid, welke men slechts zelden in Mexico aantreft, maar

die men zegt, dat in Brazilië zeer algemeen is, is de phosphoriseerende

wolfsmelkplant,—die des nachts licht geeft. De mancenilla, in welks sap

de vroegere Caraïben de pijlpunten dompelden, welke zij vergiftig wilden

maken, behoorde tot deze plantenorde; maar de reizigers en later de

dichters, zijn veel te ver gegaan met te beweren, dat het voldoende was

in zijne schaduw te gaan liggen, om den eeuwigen slaap in te gaan.

Het melksap van de wolfsmelkplanten (eupharbiaceeën) wordt soms in de

geneeskunde gebruikt en de olie uit de zaden van den wonderboom is een

wormafdrijvend purgeermiddel, hetwelk de kinderen zelfs maar al te goed

kennen.

„Dat is eene mooie familie,” riep de Encuerado uit, die een afschuw

van de wonderolie had; »zoo beschouwd, zijn alle leden giftmengers en

moordenaars.”

—»Behalve de manioc, welke de tapioccae oplevert, waarvan gij zooveel

houdt,” antwoordde ik.

—»Is de manioc een verwante van de wolfsmelkboomen?” sprak de Indiaan,

met een twijfelachtig gelaat.

—Zeer zeker, en wanneer zij, die haar verzamelen, niet de voorzorg

namen haar in zeer ruim water af te wasschen, zoudt gij er niet van

kunnen eten, zonder uw leven er bij in te schieten.

—»Wel nu,” zeide de Encuerado, vol overtuiging, »de duivel van mijnheer

Sumichrast mag van mijnentwege de geheele familie halen en de tapiocca

op den koop toe, ik zal er mij niet over beklagen.

In den namiddag verklaarden Sumichrast en Lucien, dat zij honger hadden;

dat was een goed teeken. Ik nam mijn geweer, dat mij wel honderd pond

scheen te wegen, en door mijne makkers gevolgd, ging ik strompelend den

loop van de stroombedding op.

Wij ontmoetten verschillende waterpoelen en daarna van de bergen

losgescheurde en zonderling op elkander gestapelde rotsen. Ik klom bij

den oever op, van plan om mij met het eerste stuk wild, dat zich zou

voordoen, te vergenoegen. Ik zag evenwel niet anders dan koningstoccoms,

met zwart, geel en rood gevederte; maar die vogels waren te vlug, dan

dat ik er aan denken kon ze te vervolgen. Een eekhoorn liet zich echter

schieten; 't was wel een schraal maal voor vijf hongerige magen.

Sumichrast, die vooruit was gegaan, bleef staan en gaf ons een teeken om

stil te zijn. Mijne oogen drongen op het bed van den stroom en bij een

met water gevuld gat zag ik een _tejor_ of waschrat. Het dier, dat een

grijs met zwart gestreept vel bezat, had een spitsen snuit als die van

de buidelrat; het was op zijn achterdeel gezeten, dompelde zijne pooten

in het water en wreef ze tegen elkander aan. De Encuerado schoot, de

rat sprong op en weldra kon Lucien hare prachtige huid en haar fraaien

staart bewonderen. Het dier was bezig eene hagedis te wasschen, alvorens

haar te verslinden, aan welke onverklaarbare gewoonte het zijn bijnaam

te danken heeft.

De _tejor_ (_procyon lotor_) wordt veel in Mexico aangetroffen. Hij

behoort tot de familie der beren, maar is veel kleiner en veel vlugger;

hij is vleeschetend en tevens insektenetend. Hij klimt met veel gemak

op de boomen, en als hij zijn verblijf dicht bij eene woning heeft

opgeslagen, vernietigt hij in korten tijd al het pluimgedierte. De

_tejor_ wordt zonder veel moeite tam gemaakt, loopt zijn meester te

gemoet en zoekt zijne liefkoozingen; evenwel bijt hij, evenals de

eekhoorn, waarop hij door zijne levendigheid gelijkt, onverwacht de hand

die hem voedt. Het vleesch van den procyon is blank, zacht en malsch.

De Encuerado had dahliabollen verzameld en onder de asch gebraden; daar

dit voedsel ons niet smaakte, misschien omdat onze ontstoken keel ons

niet toeliet de fijnheid er van te erkennen, gaf ik het aan Gringalet,

die er zich aan te goed deed.

De nacht brak aan, de hemel bedekte zich met grauwe wolken, die hevig

werden voortgedreven, ofschoon de boomen om ons heen onbeweeglijk

bleven.

Het was te laat om eene hut te bouwen en evenals den vorigen nacht

strekte ieder zich op goed geluk op een bed van droog mos uit.

Ik werd stijf van koude wakker; er blonk geene enkele ster aan den

hemel. Er bleef mij van de onpasselijkheid, door de wolfsmelkplanten

veroorzaakt, nog slechts een weinig zwaarte in het hoofd en eene lichte

ontsteking in de keel over. Ik trachtte weer in te slapen en viel in

eene soort van pijnlijke soezerij. Ik meende roofvogels te hooren

schreeuwen en in het bosch een geloei te vernemen. Ik stond op om die

nachtmerrie te verdrijven; maar ik droomde niet, de dag brak aan, de

vogels namen onder wild gekrijsch de vlucht, een dof geraas, gelijk aan

dat van den wind, die de boomen van het woud doet schudden, klonk zonder

ophouden in mijne ooren. Ik riep Sumichrast en den Encuerado; deze

laatste riep vol schrik uit:

»De stroom!”

Lucien opnemende, droeg ik hem op mijne armen weg, terwijl de Indiaan

in alle haast de over den grond verspreide voorwerpen bijeenzocht. Ik

bereikte door mijne beide makkers en Gringalet gevolgd, den dam. Lucien,

in zijn slaap gestoord, had den tijd niet om te vragen wat er aan de

hand was. Een woedend geraas maakte ons bijna doof; een geelachtige

watermassa ging ons voorbij; ik zag een mijner dekens drijven en bijna

terzelfder tijd vielen de rotsen in als door eene onzichtbare macht

voortgesleept, en stieten tegen elkander aan, onder den drang van een

vloeibare lawine.

Een minuut later en het ware met ons gedaan geweest, of althans met ons

goed en onze wapenen, zonder welke onze toestand zeer hachelijk zou

geworden zijn.

Onze hoeden dreven met de deken weg; dit verlies was ons zeer

onaangenaam, want geen onzer, behalve de Encuerado, kon onder de stralen

eener tropische zon blootshoofds loopen. Het ontmoeten van een palmboom

zou ons er over getroost hebben, want de Indiaan kon, evenals al zijne

landgenooten, stroo en riet vlechten. Inmiddels bedekte ieder zich het

hoofd met de breede bladeren van eene plant, die op de oevers der

stroomende wateren groeit en waarvan de Indiaansche vrouwen zich soms

bij wijze van zonnescherm bedienen.

Wij wisten bij ondervinding met welke snelheid de rivieren soms

overstroomen.

Een maand later, tegen het tijdstip van de regelmatig terugkeerende

regenbuien, zouden wij het nooit gewaagd hebben midden in eene

stroombedding te kampeeren. Wij hadden den vorigen dag evenwel

opgemerkt, dat de lucht vol grauwe wolken werd, wat ons op onze hoede

had moeten doen zijn.

De woedende stroom ging voort, zonder moeite ontzaglijke steenblokken

meesleepende; maar de waterhoogte vermeerderde niet en toonde aan, dat

hij even spoedig weer zou opdrogen als hij gezwollen was. De Encuerado

moest zich met een slijkerig water vergenoegen om de koffie te koken;

maar als wij onze kieskeurigheid van beschaafde menschen hadden willen

behouden, zouden wij de reis hebben moeten opgeven! Een ander ongeval

hield ons trouwens bezig; het overgebleven gedeelte van de waschrat, dat

voor ons ontbijt had moeten dienen, was, evenals onze zak rijst door den

stroom meegesleurd.

Wij gingen, weinig opgebeurd door deze reeks tegenspoeden, op weg.

Alle ongesteldheid was gelukkig verdwenen; maar wij bleven de

wolfsmelkboomen en den stroom een kwaad hart toedragen. Een lange

marsch, gedurende welken wij nog den loop van de onverwacht ontstane

rivier verscheidene malen verloren en weer teruggevonden hadden, bracht

ons eindelijk aan een heuvel, aan welks voet een uitgestrekt moeras

lag. De Encuerado die, bij gebrek aan wild, hier en daar wat riet had

uitgetrokken, begon dadelijk hoeden voor ons te vlechten.

Terwijl ik hem in gezelschap van Lucien achterliet, ging ik met

Sumichrast uit om eenig wild op te sporen.

Toen wij van onze nuttelooze wandeling terugkwamen, vond ik mijn zoon

reeds in 't bezit van een hoofddeksel in den vorm van een trechter; de

Encuerado bood er mij ook een aan, die, naar het zeggen van mijn vriend,

mij op een Chinees deed gelijken. Nadat ik een weinig uitgerust was,

wilde ik opnieuw op de jacht gaan. Het geraas van den stroom scheen de

vogels verdreven te hebben. Er vertoonde zich ternauwernood nu en dan

een muschvogel, die het schot kruit, dat hij gekost zou hebben, niet

waard was. Ik vertrok opnieuw in gezelschap van Sumichrast, die op zijne

beurt een mooien punthoed op had gekregen.

Deze nieuwe loop putte ons geheel uit, zonder ons een anderen buit op te

leveren dan een tangara, waarvan het schitterend gevederte onzen honger

niet kon doen bedaren. De Encuerado en Lucien bemerkten ons, midden in

het moeras staande; de jonge visscher liep op ons toe met zijn nieuw

hoofddeksel in de hand; in zijne haast vergat hij, dat de bodem van een

moeras bijna altijd glibberig is en ik zag hem plat op zijn buik op eene

laag waterplanten vallen. Met één sprong was de Encuerado bij hem en

hielp hem overeind; maar in plaats van zich over zijn val te bekommeren,

sloeg Lucien zijne bedroefde oogen naar den Indiaan op.

Zijn hoed bevatte een gedeelte van de visch, die zij met het vlindernet

hadden gevangen en waarvan meer dan een derde in het modderige water van

het moeras verdwenen was.

»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast, om het bedrukte gelaat van den

visscher lachende, »wij zijn bepaald betooverd.”

Deze scherts werd door den Encuerado voor ernst opgenomen; hij sloeg

zich voor het voorhoofd, alsof hij plotseling eene ingeving had

gekregen.

»Dat is de geest van de grot!” riep hij uit. O! die rekel, en dat na

alles wat hij mij te danken heeft en de voorzorg, die ik genomen heb.

—»Welke voorzorg?” vroeg Lucien.

—Ik heb zeven witte keisteentjes opgeraapt en er een mooi kruis mee

geteekend.

—Wat heeft hij met dat kruis te maken?

—Hoe, Chanito, hij weet dat wij christenen zijn en durft ons aanvallen!

Wacht een beetje! Ik zal hem den boozen geest, dien hij in mijn lichaam

heeft gezonden, terugsturen en spoedig ook.

En tegen een boom leunende met zijn hoofd omlaag en de beenen in de

lucht, begon de Encuerado als een bezetene met de beenen te spartelen.

Nu eens viel hij links, dan weer rechts, maar na elken val stond hij op

om dadelijk zijne houding van clown weer aan te nemen. Bij het zien van

die lichaamsverwringingen kon geen onzer zijn ernst bewaren.

Lucien lachte dat de tranen hem over de wangen liepen, te meer nog daar

de Indiaan, als om het tooneel nog grappiger te maken, zijn gebaren deed

vergezeld gaan van scheldwoorden aan het adres van den geest van de

grot.

Eindelijk beval ik hem zijne natuurlijke houding weer aan te nemen en

zich stil te houden.

»Denkt gij, dat hij vertrokken zal zijn?” vroeg hij met een

onverstoorbaren ernst.

—»Zeker,” antwoordde ik; »op de wijze waarop gij hem geschud hebt, moet

hij wel door den mond of de ooren naar buiten zijn gegaan.”

—Nu uwe beurt, Chanito!

Lucien, die verrukt was dat hij ook die kunsten eens zou mogen uithalen,

poogde herhaalde malen zich op het hoofd in evenwicht te houden, maar

door zijn lachen beheerscht, vond hij de kracht niet om zich op te

heffen. Hoe meer de Encuerado hem toeriep, dat hij den ernst moest

bewaren, die voor het welslagen van de bewerking noodig was, des te

onweerstaanbaarder werd het lachen. De goede Indiaan, die meende dat

een geest bepaald een lichaam moest verlaten, dat met het hoofd omlaag

is geplaatst, vatte de beenen van zijn jongen meester vast en schudde

hem als een zak, dien men ledigen wil. Sumichrast maakte een einde aan

de geestverdrijving, door te verklaren dat de geest op de vlucht was

gegaan. Toen naderde de Encuerado mijn metgezel en stelde dezen voor ook

hem te helpen, zooals hij Lucien had gedaan.

»Nu is het genoeg,” sprak ik, zoodra het lachen mij toeliet te spreken.

»Sumichrast en ik bezitten een ander middel om geesten te verdrijven.”

De Encuerado zag mij met bewondering aan, meer dan ooit overtuigd dat

mijne macht die van de toovenaars van zijn land ver te boven ging.

Wij waren den haard genaderd; Lucien herhaalde vol ernst de woorden van

den Indiaan aan 't adres van den booze, toen Gringalet begon te huilen.

De Encuerado had het arme dier bij zijne achterste pooten gevat en

schudde hem met den kop omlaag, heen en weer.

»'t Is voor uw bestwil,” zeide hij. »Begrijpt gij dan niet, dat de

geest, dien gij in het lijf hebt, u tot de eene of andere dwaasheid zou

verleiden?”

Lucien vloog zijn trouwen vriend te hulp, die eindelijk door den Indiaan

werd losgelaten. Weinig erkentelijk voor de goede bedoelingen van den

Encuerado te zijnen opzichte, bleef Gringalet boos op hem en gedurende

een dag of drie naderde hij hem slechts met wantrouwen.

Na dit tooneel hield de zorg voor het middagmaal ons geheel bezig.

Als de jacht goed was geweest, zou zij ons het vet geleverd hebben om

onzen visch te bakken. Terwijl wij zoo over ons weinig geluk klaagden,

bemerkte ik een troep vogels, die op de manier der eenden vlogen; zij

beschreven een grooten kring en zetten zich op den top van een boom

neer. De Encuerado schoot en een vogel viel naar beneden. Het door den

Indiaan gedoode wild was een _anhinga_[31], een der zonderlingste

zwemvogels, die men maar zien kan. Men stelle zich een vogel voor met

het lichaam van eene zeer groote eend, den hals eener zwaan, met een

rechten, puntigen snavel, die langer dan de kop is, met van zwemvliezen

voorziene pooten en groote, sterk bevederde vleugels. De anhinga duikt

en zwemt met dezelfde kracht, zwemt onder het water, zit op boomen en

zoekt den hoogsten top uit om er zijn nest op te bouwen.

[31] _Anhingo Levallantii_, de Amerikaansche verwante van den

Slangenhalsvogel (_Plotus Levallantii_ of _melanagaster_).

(Noot v. d. V.)

Het vleesch van de anhinga is weinig gezocht; men beweert, dat het hard

en taai is. Stemde de honger mij tot toegevendheid? Ik weet het niet;

maar ik vond, dat het even malsch was als van de eend. Het vet van den

vogel, dat zorgvuldig werd opgevangen, diende om de visschen te bakken.

Deze, ik moet het bekennen, kwamen ons minder sappig voor dan het zwarte

vleesch van den zwemvogel. Smaakte deze een weinig naar visch, de andere

smaakten grondig; evenwel ging het gansche menu naar binnen.

Toen de nacht aanbrak, teekende de maan den omtrek der boomen tegen den

blauwen hemel af en de Encuerado, blijde te weten dat hij onttooverd

was, vergastte ons op een nog niet gehoorden lofzang, die er niet weinig

toe bijbracht om ons te doen inslapen.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 35 / 54 题