XIV.

EEN VUURBOL.—DE LANTAARNS VAN ONZEN-LIEVEN-HEER.—HET STINKDIER.—DE

JALAPPE.—EENE LUCHTREIS.—DE ORCHIDEEËN.—BIVAK BIJ DEN INGANG VAN EENE

GROT.—GRINGALET EN DE KEVERS.—EEN TERMIETENNEST.

De zon verliet ons weldra en wij bleven bij het vuur zitten praten.

Eindelijk nam de Encuerado Lucien mede naar de rots en hief daar een der

bijna niet eindigende lofzangen aan, waarvan zijn geheugen ruim voorzien

was. Ons vuur verlichtte den grooten steen met zijn rood schijnsel; men

zou het voor een reusachtig voetstuk gehouden hebben, met twee bronzen

beelden er op. Een reiziger, die onverwacht de vallei zou binnengekomen

zijn, ware voor deze spookachtige verschijning teruggedeinsd; indien een

of ander roofdier in den omtrek ronddoolde, zouden onze reusachtige

schaduwen voldoende geweest zijn, om het op de vlucht te drijven.

Wij dachten er reeds aan om Lucien terug te roepen, ten einde ons onder

de hut ter ruste te begeven, toen de Encuerado ons riep. Naar den kant

van het Oosten, boven den top der bergen, schitterde eene groote

lichtende schijf. De maan was ternauwernood in haar eerste kwartier en

bovendien scheen de bol, die den vorm eener ellips aannam, zich voort te

bewegen. Werkelijk daalde zij langzaam langs de boschachtige bergruggen.

Lucien en de Encuerado overlaadden ons met vragen, waarop wij niet

wisten te antwoorden. De roode ellips, die geen stralen vertoonde, nam

hare richting naar ons toe.

»Wat is dat?” riep Sumichrast uit.

—»Een vuurbol!” riep ik uit, door eene plotselinge gedachte getroffen.

—Als ik mijn geweer had, zou ik er op goed geluk af op schieten, sprak

de Encuerado en wilde schielijk zijn wapen krijgen.

»Blijf hier,” sprak ik; »die bol bevat misschien den bliksem, en men

moet dien niet nutteloos naar zich toe trekken.” Op hetzelfde oogenblik

ging de meteoor ons voorbij; wij hadden ons met het gelaat op den grond

geworpen, daar wij het onbekende vreesden. Toen ik het waagde op te

staan, was hij reeds ver weg, maar scheen toch onbeweeglijk te zijn. Uit

zijn middenpunt schoten onophoudelijk in beweging zijnde stralen; het

licht, dat van binnen wit was, nam aan de randen eerst gele, dan roode

en eindelijk blauwe tinten aan. Een bliksemstraal van eene buitengewone

sterkte verblindde ons eensklaps; eene verschrikkelijke ontploffing,

door alle echo's herhaald, maakte ons bijna doof; daarna verviel alles

weer in stilte en in duisternis.

Terwijl wij naar het bivak terugkeerden, bestormden Lucien en de

Encuerado ons met vragen.

»Wat zijn toch vuurbollen?” vroeg de knaap.

—Volgens het zeggen der geleerden, antwoordde Sumichrast, zijn het

brokstukken van planeten, die in de ruimte dwalen en die, onverwacht in

ons planetenstelsel getrokken, aan de aantrekkingskracht onzer aarde

gehoorzamen en krachtens de wet der zwaartekracht op hare oppervlakte

neervallen.

—Maar waaruit bestaan zij dan?

—Gewoonlijk uit zwavel, chroom en ijzer. Het verschijnsel der vallende

sterren staat in nauw verband met dat der vuurbollen en de neergeworpen

brokstukken heeten aëroliden.

—Wilt gij ons wijsmaken, dat er steenen van den hemel regenen? vroeg de

Encuerado.

—Zeker, en als ik mij niet vergis heeft men in uw land de grootste

bekende aërolide gevonden, want zij weegt niet minder dan vijfduizend

kilo's. Morgen zullen wij gaan zoeken naar die, welke aan het einde der

vallei moet neergevallen zijn.

—Geven die steenen dan licht? hernam de Indiaan.

—Neen, maar door de snelheid van den val ontbranden zij.

—En vanwaar kwam de vuurbol, die langs ons heenging?

—Van de maan, van de sterren, misschien wel van de zon.

De Encuerado kneep zijne oogen half dicht en begon te lachen, om hetgeen

hij dacht dat eene scherts was. Hij lachte zelfs zoo hartelijk, dat

zijne vroolijkheid zich aan ons mededeelde.

»Wat denkt gij dan, dat de zon en de maan zijn?” vroeg Lucien hem.

—De lantaarns van Onzen-lieven-Heer, antwoordde de Indiaan vol ernst.

Gewoon aan de kinderlijke onwetendheid van zijn vriend, maar die altijd

willende bestrijden, trachtte onze kleine reismakker hem ons

planetenstelsel duidelijk te maken. De grootte, die hij de sterren

toeschreef, vermaakte den Indiaan zeer. Toen eindelijk de jonge

sterrenkundige meende de overwinning te hebben behaald, omhelsde zijn

tegenspreker hem en zeide:

»Uw vertelseltje is heel mooi! Och, wat zou ik 'n plezier hebben, als ik

al die fraaie geschiedenissen in de boeken kon lezen.”

—Dàt 'n vertelseltje! riep Lucien verontwaardigd uit.

—Drommels, wat anders. Te willen beweren, dat de aarde een bol is, die

rondwandelt, en dat er sterren zijn, grooter dan zij! Ik heb meer dan

één nacht doorgebracht met er naar te kijken, en het zijn wel degelijk

lantaarns, hoor!

—Maar als gij ze dan hebt gadegeslagen, viel Sumichrast hem in de rede,

dan moet ge ook opgemerkt hebben, dat zij van plaats veranderen.

—Omdat de Engelen niet altijd dezelfde aansteken en omdat de goede God

rijk genoeg is...

—Kom, laat ons gaan slapen, riep ik uit, om een einde te maken aan eene

woordenwisseling, die ik bij ondervinding wist, dat slechts op eene

nederlaag van Sumichrast en Lucien kon uitloopen.

Den volgenden morgen was mijn eerste werk mijne metgezellen meê te nemen

om naar den vuurbol te zoeken. De vuurbol was bijna over ons heengegaan

en ik geloofde zeker er de brokstukken van te zullen vinden. Na een uur

van nutteloos ronddolen, moest ik wel aannemen, dat onze oogen zich in

den afstand vergist hadden. De Encuerado liet wel eenige ongeloovige

lachjes hooren, bij het vernemen van mijne gissingen en die van

Sumichrast, maar hij was edelmoedig genoeg om geen misbruik te maken

van de meerdere sterrenkundige wetenschap, die hij meende te bezitten.

Toen het uur van het vertrek was aangebroken, trok ik opnieuw de vallei

door en daarna den berg beklimmende, voerde ik mijne makkers op een

bergvlak.

Ik volgde zooveel mogelijk den vermeenden weg van den vuurbol. Reeds

drong de Encuerado het bosch binnen, toen Sumichrast aan zijne

rechterhand een afgebroken boom bemerkte. Ik snelde de helling af,

en weldra bevond ik dat de grond op eene uitgestrektheid van twintig

meter bezaaid was met zwarte of groene opgezwollen steenen, waarvan

verscheidene op ijzersintels geleken.

Ongetwijfeld had de getroffen boom de uitbarsting van den meteoor

veroorzaakt en was onder den schok bezweken.

»Dat zijn de stukken van een lantaarn,” zeide Lucien tot den Encuerado,

die een grooten steen met metaalachtigen glans had opgeraapt.

De Indiaan schudde het hoofd zonder te antwoorden. Die omgeworpen boom,

die zwartgebrande stam, dat verdorde en als 't ware verbrande gras,

die steenen, zoo vreemd van uiterlijk, wierpen klaarblijkelijk zijne

theorieën omver. Ieder onzer vermeerderde zijne vracht met een aërolide

en daarop het bergvlak weer bereikende, trokken wij het bosch in.

Een geweerschot van Sumichrast maakte dezen voor den geheelen dag

gelukkig; hij had een kruisbek van groenachtige kleur, in Europa nog

onbekend, geschoten.

»Wat een vreemde vogel! riep Lucien uit. Hoe kan hij met zulk een

scheeven bek eten?”

—Zijn bek, antwoordde Sumichrast lachende, is geschikt voor zijn soort

van voedsel. Deze kruisbek, dien wij hier bij toeval aantreffen—want

men vindt hem gewoonlijk slechts op den top der bergen—voedt zich

met wortels, bladknoppen en dennezaden. Met zijne twee sterke, en

zoo zonderling geplaatste kaken, knijpt hij, als met eene schaar, de

uiteinden der takjes af, die een vogel met spitsen bek nauwelijks zou

kunnen beschadigen.

—God denkt aan alles, mompelde de Encuerado, die de huid van den vogel

hielp bereiden; ik heb altijd gedacht dat die arme dieren verminkt

waren.

Tegen den middag voerde de weg ons bij toeval diep in eene nauwe vallei,

te midden van eene menigte heesters, die ons uitnoodigden daar ons bivak

op te slaan. In een oogwenk was de grond van takken gezuiverd en de hut

opgericht. Nauwelijks waren wij gezeten om wat adem te scheppen, of een

licht geruisch in het kreupelhout trok onze aandacht; een dier met

gepluimden staart sprong van een heester. Gringalet ging er op los, maar

een verpestende stank deed hem terugdeinzen en ons bijna stikken. Een

Zorilla[28], wiens vormen en kleur aan de eekhoorns herinneren, had de

lucht van ons bivak vergiftigd.

[28] _Surilho_ of stinkdier.

Er bleef ons niets anders over dan te vertrekken, want de stank zou

deze plaats verscheidene dagen onbewoonbaar maken. De Encuerado kon

geen scheldwoorden genoeg vinden, om ze het dier naar den kop te

werpen; eigenlijk had dit niet anders gedaan dan gebruik gemaakt van de

verdedigingsmiddelen, waarmede de natuur het begiftigd heeft. Iedereen

nam zijne vracht droevig op, niet zonder een teleurgestelden blik op

de hut te hebben geworpen. Sumichrast opende den marsch en bleef niet

staan, voor hij uitgeput aan den ingang van een grot was gekomen.

Nog geheel onpasselijk door den stank, dien de Zorilla had verspreid en

ons niet andermaal aan een soortgelijk ongeval willende blootstellen,

was onze eerste zorg, alvorens de hut op te richten, om de struiken en

heesters goed te doorzoeken.

Eenige vogels, die wij onderweg gedood hadden, bespaarden ons de moeite

eener verdere jacht, iedereen begon zich derhalve met zijne kleerkast

bezig te houden. Vooral onze schoenen riepen hard om hulp. Sumichrast

wierp zich op als meester-schoenlapper. Ik zag niet zonder eenige vrees,

hoe hij met onervaren hand in het reserve stuk leer, dat wij bezaten,

ging snijden. De sandalen van den Encuerado gaven hem op ons veel voor,

hij had slechts een zool en een riem noodig om een schoeisel voor zijn

voet te vinden. Ongelukkigerwijze gaf de gevoeligheid van onze huid meer

dan eens aan Sumichrast reden, om zich te beklagen, dat hij niet als

Indiaan geboren was.

De altijd vindingrijke Encuerado vond evenwel het middel om op oude

zolen stukken van de vossehuid te lappen en voor Lucien een paar

laarsjes te maken, die even sterk als weinig sierlijk waren. Hij

beloofde er voor ons ook zulke te zullen maken, en Sumichrast, die zich

tamelijk wel van zijn lapwerk gekweten had, benoemde hem tot den gewonen

en buitengewonen sandaalmaker van onze Majesteiten.

Den volgenden morgen drongen wij met het aanbreken van den dag eene

nauwe bergkloof in, waar wij onmogelijk naast elkander konden gaan. Den

ganschen ochtend liepen wij tusschen twee muren, met mos, varens en

orchideeën begroeid. De vochtige bodem onderhield rondom ons eene zeer

aangename frischheid, maar de doortocht, door omgeworpen boomstammen

versperd, maakte den marsch zeer moeielijk.

De kloof liep zoo lang voort, dat ik werkelijk bevreesd begon te worden,

en ik vroeg mijzelven af, of wij niet in een doodloopenden weg waren.

De loodrechte wanden maakten de minste afwijking onmogelijk; boven ons

kruisten de takken der boomen zich en verborgen zij de lucht. Geen

enkele vogel vervroolijkte door zijn gezang deze eenzaamheid en de

varenplanten werden zoo talrijk, dat men gemeend zou hebben in een

hoekje van de oorspronkelijke wereld te zijn; om de vergelijking nog

meer te rechtvaardigen, zagen wij bij onze nadering talrijke kruipdieren

vluchten, die ons tot de grootste omzichtigheid aanspoorden.

Met zijn machete in de hand klom Lucien met de meeste behendigheid

op de omgevallen stammen, die ons den weg versperden. Weldra zakten

onze voeten in een vloeibaar slijk en ik ontdekte een dun straaltje

kristalhelder water, dat tusschen twee rotsen doorzijpelde. De kloof

werd nog nauwer; als zich op dit oogenblik een wild dier vertoond had,

zouden wij hem den doortocht hebben moeten betwisten. Eene soortgelijke

ontmoeting behoorde niet tot de onmogelijkheden en tot zijn grooten

spijt moest Lucien naar de achterhoede gaan. De ruimte werd een weinig

breeder, het terrein werd meer open en de kleine kolonne kou sneller

vooruitkomen. Wij liepen zwijgend tusschen deze granieten muren, van een

streng en indrukwekkend uiterlijk voort, in de hoop dat zij eensklaps

wijder zouden worden en op eene vlakte konden uitkomen. Bij elke schrede

stelde eene nieuwe bocht onze verwachting te leur en als ooit een

doorgang den naam van Duivelskloof verdiende, dan was het wel de

eindelooze spleet, die wij zoo langen tijd reeds volgden. Bij alle

hoogten dreigden overhangende rotsen neer te storten, meer dan een vulde

zelfs het nauwe pad. Eindelijk liet eene laatste bocht ons eene lichting

zien; maar onze vreugde was van korten duur; een loodrechte afgrond

gaapte voor onze voeten.

Wij keken elkander onthutst aan; wij waren gevangen! Links en rechts een

muur van meer dan honderd voet hoog en onmogelijk over te komen; voor

ons een afgrond met loodrechte wanden. Wat te doen? Sumichrast ontstak

de raadspijp, terwijl de Encuerado, zich aan de rotsen vastklampende,

den afgrond met de oogen peilde.

Wij zaten bij een slingerplant met dunne takken, koordvormige, rood

gekleurde bladeren, die hier en daar eene violetblauwe bloemkelk

verborgen. Ik herkende de plant, die de jalappe voortbrengt en door de

Indianen _talonpable_ genoemd wordt. Ik deed haar Lucien opmerken, die

weldra twee of drie peervormige wortels uitgegraven had. De jalappe, die

haar naam aan de stad Jalappe, van waar men haar vroeger naar Vera-Cruz

uitvoerde, ontleend heeft, groeit in 't wild op alle bergen van het

Gematigde Land. Ongelukkigerwijze verwoesten de Indianen de plant, door

alle knollen uit te graven, en het tijdstip is niet ver meer verwijderd

waarop dit, in Europa zoo veelvuldig gebruikt purgeermiddel, geheel

ontbreken zal, zooals gebeurd is met den Kinaboom, dien men vernietigd

heeft, zonder aan de toekomst te denken.

Ik naderde den afgrond en bemerkte den Encuerado, die, meer dan twintig

voet beneden mij, met de vlugheid van een aap over den gladden bodem

kroop. Ik beval hem bij ons te komen; maar hij kon niet terug en bleef

onbeweeglijk in eene vrij hachelijke stelling. Sumichrast haastte

zich een lazo te brengen, dien ik onzen koenen reisgezel toewierp; maar

in plaats van naar boven te klimmen, liet hij zich vier of vijf voet

lager glijden en ging schrijlings op den stam van een boom zitten, die

schuins gegroeid was en riep ons toe den lazo los te laten. Na den lazo

om een sterken tak geknoopt te hebben, verdween hij.

[Illustratie: Toen liet Sumichrast zich tot den boom afglijden. (blz.

127).]

Spoedig vertoonde hij zich weer, ging opnieuw op den boomstam zitten,

om welken hij den lazo gerold had en berichtte ons, dat wij onze

nederdaling zonder veel gevaar ten uitvoer konden brengen. Sumichrast

maakte een tweeden lazo gereed.

»Hoe zullen wij hem vastmaken? vroeg Lucien. Er zijn geen dikke takken

op den rand.”

—De riem is lang en ik zie daar een heester met vrij stevige takken.

—Maar dan is de lazo verloren, niemand zal naar boven kunnen klimmen om

hem los te maken.

—Drommels! drommels! herhaalde Sumichrast verscheidene malen, meester

Zonnestraal heeft gelijk.

En ieder onzer trachtte de moeielijkheid op te lossen, door meer of

minder uitvoerbare middelen voor te stellen.

»Ik heb het gevonden!” riep ik met minstens evenveel voldoening uit,

als Archimedes, toen hij uit het bad kwam. Mijn machete nemende, maakte

ik twee palen van gemiddelde dikte, die ik dicht bij elkander, op drie

pas van den afgrond in den bodem stak. Terwijl Sumichrast met een

geïmproviseerd heiblok dit werk nog meer bevestigde, kapte ik een tak

van ongeveer een voet lengte af, in 't midden waarvan ik den lazo stevig

vastknoopte en dien ik dwars achter mijne palen plaatste. Ik berekende

dat, als wij eenmaal de plaats zouden bereikt hebben, waar zich de

Encuerado bevond, het voldoende zou zijn aan den lazo eene sterk

golvende beweging te geven, om den tak los te maken. Toen deze

voorbereidselen afgeloopen waren, ging de mars zich bij hem, die haar

gewoonlijk droeg, vervoegen. Toen liet Sumichrast, de zwaarste onder

ons, zich tot den zoo gelukkig geplaatsten boom afglijden. De palen

gaven slechts eenige strepen mee. Zijne nederdaling voortzettende,

verdween mijn makker spoedig onder den Indiaan; daarna kwam de beurt aan

onzen voorraad, die dit tweede gedeelte van de reis er goed afbracht.

Het ongeduld van Lucien was buitengewoon groot; deze luchtreis bekoorde

hem.

»Nu uwe beurt,” sprak ik, zoodra ik den riem weer had opgehaald.

—Wilt u me vastbinden? vroeg hij geheel teleurgesteld.

—Hoe denkt gij dan naar beneden te komen?

—Door mij aan den lazo vast te houden, zooals de Encuerado en mijnheer

Sumichrast.

—Uw vuisten zijn daar nog niet sterk genoeg voor, er valt niet aan te

denken, ik wil mij niet aan 't gevaar blootstellen u in den afgrond te

zien vallen.

—Och, vadertje, laat mij het beproeven.

—Volstrekt niet, want als de proefneming mislukte, zoudt gij niet meer

in de gelegenheid zijn haar te hernieuwen.

Lucien liet zich, niet zonder een weinig spijtigheid te betoonen,

vastbinden, terwijl zijn verbaasde hond om hem stond te blaffen.

»Geduld maar! Geduld maar! sprak ik tot hem; je beurt zal ook wel komen,

dan zal je zoo blij niet zijn.”

De riem gleed langzaam af en weldra was de knaap tusschen de takken van

den boom. Daar bond de Encuerado hem met dezelfde zorgvuldigheid en niet

minder stevige knoopen, opnieuw vast. Over den afgrond gebogen, hoorde

ik Sumichrast den Encuerado bevelen den riem met meer of minder snelheid

te laten vieren. Toen ik zag dat hij behouden was aangekomen, gevoelde

ik mij van eene groote zorg bevrijd; ik begon Gringalet, die niet

ophield met janken, sedert zijn meester verdwenen was, vast te binden.

Niettegenstaande zijn angst liet ik den hond in de lucht bengelen; hij

spartelde, huilde, en ontsnapte bijna aan de handen van den Encuerado,

die hem, terwijl hij hem lager liet zakken, het nuttelooze van zijn

geschreeuw en het gevaarlijke van zijn spartelen onder 't oog bracht. Na

de palen en den dwarsstok nog eens goed onderzocht en mij overtuigd te

hebben dat niets vergeten was, gleed ik op mijne beurt naar beneden. Ik

schudde daarop den riem, dien ik gelukkig los kreeg. Onder mij bemerkte

ik Sumichrast en Lucien, op een nauwen voorsprong zittende, welke langs

eene rotsachtige helling naar den voet van den berg voerde. Ik vervoegde

mij bij hen, door den Encuerado gevolgd.

Wij hadden het dwarshout tusschen twee stevige takken bevestigd; ditmaal

schudde ik lang aan den riem zonder dien los te kunnen krijgen. Mijne

nuttelooze pogingen moede, wilde ik het reeds opgeven, toen het stuk

hout eensklaps meegaf en mij bijna dood had geslagen. Sumichrast en

Lucien waren vooruitgegaan.

De marsch werd bezwaarlijk, en het was niet altijd gemakkelijk om

op die, nu eens gladde, dan weer hobbelige rotsen zijn evenwicht te

bewaren. Wij liepen tusschen twee heggen van Orchideeën door, eene soort

vetplanten, waarvan Mexico duizenden soorten bezit; bijna bij elke

schrede staan blijvende om de eene of andere van deze fraaie planten

te bewonderen, die zoo zonderling van vorm zijn en zulke schitterende

bloemen hebben, gewoonlijk echter zonder geur. De Encuerado wees

ons verscheidene planten van de lynx-bloem, die door de Indianen

»slangenbloem” wordt genoemd, en wier vijf, met gele punten bezaaide

bloembladen, met rose, violet en wit gemarmerd zijn. Iets verder

herinnerde eene andere bloem, de _oceloxochitl_, tijgerbloem, door hare

kleur aan de huid van het dier, waar de Indianen haar den naam van

hebben gegeven. Hier en daar eene bloem plukkende, was Lucien weldra in

't bezit van een ruiker, zooals de rijkste plantenkassen er hem geen

zouden hebben kunnen leveren; hij zou den naam van al die fraaie planten

wel hebben willen kennen, maar hij moest zich nu tevreden stellen met

te vernemen, dat, met uitzondering van de vanielje en de Orchidee, die

haar naam aan de geheele familie heeft gegeven, en wier gedroogde

knollen onder den naam van _salep_ bekend zijn, geene enkele van het

schitterende legioen der Orchideeën, iets voor de kunsten noch voor de

nijverheid oplevert.

Wij hadden den voet van den berg bereikt: reeds groeiden eenige struiken

om ons, toen eene onmetelijke rotsmassa ons tot een omweg dwong.

Ik ging voorop en een onvrijwillig uitglijden bracht mij voor den ingang

van eene grot. Op mijn geroep ijlden mijne makkers naar mij toe; ik deed

twee of drie schreden onder het gewelf, onder welks beschutting wij den

nacht besloten door te brengen.

Terwijl ik, door Lucien geholpen, hout verzamelde, ruimde de Encuerado

den grond op en hakte Sumichrast een paar struiken om, die ons het

vrije uitzicht belemmerden. Ik beval den Indiaan het vuur aan te maken,

waarvan de rook ons zou helpen den ingang van de grot te vinden; daarna

moest men er op uit om voor het maal te zorgen.

Toen ik in de vlakte was gekomen, kon ik beter oordeelen over

het kunststuk, dat wij volbracht hadden. Tot op de hoogte der grot

ongeveer, struiken en kreupelhout; hooger op de Orchideeën, wier

levendig gekleurde bloemen en opaalgroene bladeren, sterk op de zwart

en grijs getinte rotsen afstaken; hooger nog een rechte, gladde,

onoverkoombare muur, daarna de kloof waardoor wij gekomen waren.

Sumichrast voerde ons door het struikgewas naar de bosschen, waar de met

welriekende bloemen bedekte broodboomen verkondigden, dat wij het Warme

Land en een anderen plantengroei naderden. Weldra verhief een groote

magonie-boom—_swietenia mahogoni_—met talrijke twijgen en donkergroene

bladeren, zich voor onze oogen; een weinig verder versmoorde een

omgevallen wolboom vijf of zes struiken. De wolboom—_eriodendron

anfractuosum_—door de Indianen _pochotl_ geheeten, is een der grootste

bekende boomen; de peulvormige vruchten bevatten een zijdeachtig dons,

dat de zonderlinge eigenschap bezit van in de zon op te zwellen.

Ik was juist bezig Lucien op deze bijzonderheid opmerkzaam te

maken, toen een vreeselijk gegons zich deed hooren. Een honderdtal

Hercules-kevers, die uit een struik waren opgevlogen, kwamen met kracht

tegen de takken van den boom terecht. Een er van viel ons voor de

voeten. Lucien wilde hem tegen den grond houden, maar het dier worstelde

zich los en vervolgde zijn weg.

—Och! riep de knaap uit, die kever is sterker dan ik.

—Hij draagt ook niet voor niets den naam van _Hercules_, antwoordde

Sumichrast lachende. Zoo als gij ondervindt is zijne kracht even

opmerkenswaardig als zijne grootte. 't Is een inwoner van Brazilië, dien

men slechts nu en dan eens in Mexico aantreft.

—En reist hij altijd in troepen?

—Neen, het geval is zelfs zeldzaam genoeg, om er aanteekening van te

houden.

—'t Is of ik een reuk van snuif in den neus krijg, sprak Lucien,

niezende.

—Drommels! Drommels! 't Zijn de kevers, welke dien van zich geven,

hernam Sumichrast. Dat is nog eene bijzonderheid, die ik aanteekenen

moet.

—Zie eens, Papa! hoe ze aan elkander gaan hangen en zoo een grooten

tros vormen. Bijten zij niet met die groote kaken?

—Wat gij voor hunne kaken aanziet, zijn hunne horens, maar de

plaatsing er van verontschuldigt uwe vergissing. Merk wel op, dat het

bovengedeelte van het lichaam van het insect zwart en glanzend is,

terwijl de dekschilden van een grijsachtig groen en met donkere puntjes

gestippeld zijn.

—Daar is er een, die geen horens heeft.

—Dat is een wijfje, hetwelk een plaatsje opzoekt, waar het haar eieren

kan leggen!

Wij sloegen met veel nieuwsgierigheid het gaan en komen der kolonie

gade, die door onze tegenwoordigheid volstrekt niet beangst scheen, toen

Gringalet, die ook aan 't niezen geraakte, eensklaps klagend begon te

janken. De Encuerado had hem drie of vier kevers op den rug gezet, die

hunne, met dubbele haken gewapende pooten, in de huid van hun rijdier

sloegen. De Indiaan, zelf verbaasd over het gevolg zijner proefneming,

haastte zich den armen hond, die zich over den grond rolde, ter hulp te

komen; hij kreeg hem te pakken, maar had veel moeite om hem van zijne

lastige ruiters te bevrijden. Een hunner klampte zich zelfs aan de hand

van den grappenmaker vast, wiens vreemde gezichten ons zeer vermaakten.

Als hij een poot van het insect losmaakte, vond dit altijd gelegenheid

om zich met een anderen, het had er zes, vast te haken. Boos, omdat hij

met zulk een tegenstander moest worstelen, trok de Encuerado met een ruk

het dier los, zoodat het bloed uit zijne koperkleurige hand parelde.

Altijd tot wraakneming bereid, dreigde hij den geheelen troep te

vernietigen; maar terwijl ik over zijn booze luim lachte, belette ik

hem toch zulk een nutteloozen moord te begaan.

»Ziet me die mooie heeren eens aan, riep hij uit. Omdat men zegt dat

het Herculessen zijn, meenen zij de vingers van hun evennaaste te mogen

verscheuren? Lummels, wier neus langer dan hun lichaam is, en die

Gringalet met blaffen op de vlucht kan krijgen!

—Pak ze, pak ze dan!” riep hij den hond toe.

Maar deze vluchtte met hangenden staart en de ooren in den nek, in

plaats van aan te vallen, en ik merkte dat van dien dag af, het

geringste gegons van een insect voldoende was, om hem onrustig te maken.

Sumichrast, die een der kevers had gegrepen, bedekte dezen met een

steen, die, beider verhouding in aanmerking genomen, hem had moeten

verpletteren; maar de Hercules op zes pooten sleepte, tot groote

verwondering van Lucien, zijne vracht bijna zonder inspanning voort.

Weldra hernamen de kevers een voor een hunne vlucht, en kwamen zij om

ons zweven. Wij moesten nog eens terugwijken, uit vrees dat een,

misschien, zijn buitengewoon lange horens in onze oogen zou steken.

Gringalet nam den terugtocht aan. Lucien ging zitten, om op zijn

gemak te kunnen lachen, want de Encuerado had, in plaats van zich te

verwijderen, zijne machete getrokken, nam eene uitdagende houding aan,

en zijne vijanden uitscheldende, als een held uit Homerus, daagde hij ze

uit om hem te naderen.

Eindelijk ging de weer vereenigde troep aan het uiteinde van een tak van

den wolboom hangen, voor welken boom de Hercules-kever eene bijzondere

voorkeur schijnt te hebben.

Wij hadden onzen maaltijd geheel vergeten; wij gingen dus, ieder een

kant uit, op de jacht. Ik ging, door Lucien en Gringalet gevolgd,

langs den zoom van het woud. Zoo liepen wij ongeveer een uur, zonder

iets gevonden te hebben, toen vier patrijzen met aschkleurigen buik,

bruingele vleugels en een kuifje op den kop, op vijftig pas afstand van

ons opvlogen, om een weinig verder neer te strijken.

Toen zij goed onder schot waren, beval ik Lucien terzelfder tijd als ik

te schieten en twee dezer vogels, die de geleerden Sonini-patrijzen

noemen, kwamen in ons bezit. Deze fraaie hoendervogels worden zelden in

Mexico aangetroffen, althans in dat gedeelte waar wij ons bevonden.

Ik sloeg den weg naar het bivak in, dezen keer het woud binnen

dringende.

»Oh! Papa, wat eene groote spons!” riep Lucien eensklaps uit.

Eene vormelooze, poreuse, geelachtige massa verhief zich aan onze

rechterhand, drie of vier voet boven den grond. Ik herkende het nest van

den termiet, dien de Mexicanen _Comejen_ noemen.

»Dat is een nest van witte mieren,” zeide ik tot Lucien; »het zijn

insecten van de orde der adervleugeligen en verwanten van de

waterjuffers.”

—Maar waar zijn ze dan?

—Dat zal ik u laten zien.

Ik schopte met den voet tegen de sponsachtige massa, en oogenblikkelijk

kwamen er eene menigte insecten uit, die zeer op mieren geleken en naar

alle kanten rondliepen, als om de oorzaak te zoeken van het geraas, dat

hen gestoord had. Lucien wilde ze meer van nabij bezichtigen.

»Pas op, de termieten, die gij nu ziet, zijn slechts weerlooze

arbeidsters; maar spoedig zullen de soldaten verschijnen, en als dezen

bij u kunnen komen, zullen ze u tot bloedens toe bijten.

Lucien keek mij eens aan, denkende dat ik schertste.

»Ik spreek in allen ernst, haastte ik mij er bij te voegen; de

termieten, zoowel als de bijen en mieren, waarop zij op 't eerste

gezicht veel gelijken, leven in gezelschap en bouwen nesten, die nog

veel grooter zijn dan dat, hetwelk gij hier voor u ziet. Dit nest, zeer

regelmatig in celletjes verdeeld, bevat een koning, eene koningin,

werklieden en soldaten. De werklieden zijn bekwame bouwmeesters, die

zich belasten met het bouwen, onderhouden en zoo noodig vergrooten van

de zonderlinge woning, die gij voor eene spons hebt aangezien.

»De soldaten hebben niets anders te doen dan te strijden tegen den

vijand, wie hij ook zijn moge, die den vrede van de kolonie zou komen

verstoren.”

»Maar ik zie duizenden gaten; heeft elke termiet dan eene afzonderlijke

kamer?”

»Ten naasten bij: er is in de eerste plaats eene kamer voor de koningin,

die de grootste is; dan eene voor den koning; dan de kinderkamer, waar

de werksters de eieren inbrengen, welke de koningin dag en nacht legt.

—Wat zou ik dat alles eens gaarne willen zien!”

Overtuigd dat het voorbeeld beter is dan de duidelijkste verklaring,

sloeg ik opnieuw op het nest.

De werksters, die reeds bijna allen verdwenen waren, keerden

onmiddellijk terug, om de bedreigde plek te onderzoeken. Ik streek met

veel geraas mijne machete links en rechts er over, en in een oogwenk

scheen de geheele oppervlakte te leven. Toen bepaalde ik mij er toe, om

slechts op één punt met mijn geraas voort te gaan en weldra zag ik de

soldaten, aan hun grooten kop herkenbaar, te voorschijn komen; eindelijk

sloeg ik een stuk van het gebouw af, en legde zoodoende eene menigte

witte puntjes bloot: dat waren de eieren, welke de werksters met veel

overhaasting naar het binnenste van het gebouw in veiligheid brachten.

Na zoodoende alles in rep en roer gebracht te hebben, haastte ik mij

Lucien mee te trekken, want de soldaten bedekten reeds den grond, en ik

kende te goed de felheid hunner beten, om er mij willens en wetens aan

bloot te stellen.

»Maar ik heb de koningin niet gezien,” riep mijn kleine makker uit.

—Zij bevindt zich in het middelste gedeelte van het gebouw, en is in

eene cel ingemetseld, waaruit zij onmogelijk zou kunnen ontsnappen,

want de omvang van haar lichaam is gelijk aan dien van twintig of

dertig werksters. Sumichrast, die de termieten veel heeft waargenomen,

beweert, dat eene koningin ongeveer tachtigduizend eieren per dag legt.

Nauwelijks zijn de kleine termieten geboren, of ze worden naar ruime

kamers gebracht, waar ze gevoed worden, tot ze sterk genoeg zijn om

zelven te arbeiden. Tegen het regenseizoen worden er eenige witte mieren

geboren, die vier vleugels hebben, zoodat ze verderop nieuwe kolonies

kunnen stichten; maar die vleugels zijn van korten duur; het is gebeurd,

dat ik er gansche hoopen van heb ontmoet, waarvan ik mij de aanwezigheid

niet kon verklaren.

»En hoe bouwen de termieten hunne woningen?

»Die, welke wij gezien hebben, schijnt gebouwd te zijn van aarde,

doorweekt met eene soort gom, welke het insect door den mond afscheidt.

Over het algemeen hebben de onderaardsche gangen van een termietennest

gewelven, die schijnen te bestaan uit hout, dat door eene of andere

kleverige stof stevig is gemaakt. Deze insecten zijn, evenals de mieren,

allesetend en als dezen dragen zij zorg in hunne magazijnen een

overvloedigen voorraad op te stapelen.”

Wij begonnen den berg te beklimmen, en toen ik naar boven keek, was ik

geheel verwonderd mijne twee makkers reeds bij het vuur te zien zitten.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 31 / 54 题