XV.

EENE NIEUWE SOORT FAKKELS.—EERSTE BLIK IN DE GROT.—DE LICHTKEVERS.—DE

GOTHISCHE ZAAL.—STALACTIETEN EN STALAGMIETEN.—EEN KERKHOF DER

CHICHIMETEN.—DE INDISCHE NOTENBOOM.—DE BUIDELRAT EN HARE JONGEN.

Lucien was met de twee patrijzen vooruitgegaan; toen ik op mijne beurt

bij het vuur aangekomen was, vond ik er een grooten mol die voor het

vuur gebraden werd, en waarvan Sumichrast het vet zeer zorgvuldig

opving.

»Hoe hebt ge dat dier gedood? vroeg ik mijnen makker, ik heb u niet

hooren schieten.

»De Encuerado heeft het met een slag met de geweerkolf gedood;

terzelfder tijd hebben uwe twee geweerschoten ons naar de grot doen

terugkeeren.

»En met welk doel verzamelt gij dat vet? Moet dat misschien een of

anderen schotel voorspellen?

»Neen; maar ik ben van plan de grot te onderzoeken en met dat vet zullen

wij eene lamp maken, waarvan het licht ons van veel nut kan zijn.

Ik juichte het denkbeeld van Sumichrast toe, en daar hij eene gansche

kolonie mollen had ontdekt, stelde ik voor, om er na het middagmaal

eenigen te gaan vangen, ten einde zóó het aantal lampen te vermeerderen.

Bovendien hoopte ik op die wandeling wel een harsachtigen boom te

ontmoeten, waarvan de takken als fakkels dienst zouden kunnen doen.

Lucien kon zijne blijdschap nauwelijks bedwingen, en zou wel zonder

uitstel in de grot hebben willen doordringen. Hij gunde zich nauwelijks

den tijd om te eten en beknorde den Encuerado over zijne langzaamheid,

eene indirecte manier om ons ook tot meer spoed aan te sporen.

Nadat wij opnieuw het woud bereikt hadden, gingen wij een denne- of

pijnboom opzoeken, waarvan de met hars gevulde takken ons zouden

veroorloven de mollen te sparen. Toen Lucien ons die beide boomen hoorde

noemen, vroeg hij, waarin zij van elkander verschilden.

»De sparreboom, zeide Sumichrast, groeit gewoonlijk op hooge bergen,

binnen in het vasteland, terwijl de denneboom op de oevers groeit,

waarvan hij het beweeglijke zand op den duur vast en vruchtbaar

maakt. Deze twee boomen behooren tot de familie der conifeeren of

kegeldragenden. Zij verschillen slechts door hunne vruchten; de

kegelvruchten van den denneboom worden gevormd uit de in hout verouderde

schubben van den kelk en bevatten een zaad, dat door eene vliesachtigen

vleugel omgeven wordt. De kegels van den spar zijn dun, taai, niet

houtachtig, en deze laatste eigenschap helpt de plantenkundigen vooral

in hunne rangschikking.”

De geleerde uitlegging van Sumichrast liet veel te wenschen over. Ik

maakte dit op uit de talrijke vragen van Lucien, maar zonder een

exemplaar der beide boomen voor oogen te hebben, was het ook moeielijk

hun verschillend kenmerk beter te verklaren.

Na eene lange, vruchtelooze wandeling, bleven wij voor een gaiacboom

met donkergroen gebladerte, en hooger dan die, welken wij tot dusverre

ontmoet hadden, staan. Ik wist, dat hij eene hars bevatte, dat vooral

door de Engelschen als tandmiddel wordt gebruikt; maar de hardheid van

het hout, dat onze wapens stomp zou gemaakt hebben, deed ons besluiten

verder te gaan.

Een weinig verder ontdekte de Encuerado een amberboom, een boom, vooral

kostbaar door den balsem, die uit de ingekerfde takken vloeit en die

door de Indianen, bij wijze van wierook, gebrand wordt. Hij klom langs

den kwastigen stam van den reuzenboom op en hakte er takken af, die

Sumichrast in kleine stukken verdeelde, nadat ik ze van de bladeren

ontdaan had. Dit werk werd door het naderen van den avond onderbroken en

met een zwaren takkenbos beladen, trokken wij naar den haard terug.

Nauwelijks waren wij daar aangekomen, of ik gaf Lucien de voldoening,

van eene onzer fakkels te mogen beproeven. De tak ontbrandde al

knetterend, en bij onze eerste schreden in het gewelf namen vier of

vijf vleermuizen met een licht gepiep de vlucht. Ik hield Lucien bij de

hand en weldra kon hij nog maar alleen rechtop loopen. Wij bevonden ons

in eene ruime zaal, waarvan het gewelf in koepelvorm, te lager werd,

naarmate wij verder voortschreden. Een hoopje roodachtige aarde in een

hoek, trok de aandacht van Sumichrast, die er eenige fossiele beenderen

in hoopte te vinden. Om onzen reisgezel geschaard, moesten wij, bij het

schijnsel van de fakkels, die een dikken, onwelriekenden rook gaven,

een groep van eene fantastische uitwerking hebben gemaakt. Er verliep

meer dan een halfuur, zonder dat onze opgravingen tot de geringste

ontdekking leidden. De Encuerado, die onder het gewelf en den grond was

doorgekropen, liet eensklaps een kreet van verrassing hooren; hij was

bijna in een soort van put gevallen.

In een oogwenk lag ik plat op den buik, en kroop ik in de richting van

den Indiaan voort; Lucien kon, dank zij zijne geringe grootte, op handen

en voeten kruipen; het kostte hem dan ook niet veel moeite om vooruit

te komen. Weldra peilden onze oogen de diepte van de uitgraving; de

brandende overblijfselen vielen op een hoop steenen, ter diepte van

vier of vijf meters. De Encuerado slingerde eene fakkel, waarvan het

weifelend licht ons aan de linkerzijde eene groote opening liet zien, de

ruimte in. Gelukkig over deze ontdekking, namen wij den terugtocht aan,

en stelden wij de verdere onderzoeking tot den volgenden morgen uit.

De nacht was duister en gedurende onze afwezigheid was het vuur bijna

geheel uitgegaan. Boven ons scheen een boom, waarvan wij nauwelijks den

vorm konden onderscheiden, met sterretjes bedekt te zijn. Lucien zette

groote oogen op, want hij begreep niets van dit verschijnsel, dat teweeg

werd gebracht door honderden lichtkevers, die van weerszijden van de

borst eene gele vlek hebben, welke in de duisternis lichtgevend wordt.

Niets is aardiger, dan die duizenden glinsterende puntjes te zien omhoog

gaan, te zien neerdalen en elkander met eene ongekende snelheid te zien

kruisen; men zou gezegd hebben, dat het een boom met vurige bloemen was,

die door den wind werd heên en weêr geslingerd. De Encuerado naderde met

een _Cucuyo_, die zijne hand met een groenachtigen glans verlichtte.

Lucien nam hem in de hand: de twee lichtgevende vlekken schenen hem twee

groote oogen te zijn. Eensklaps gaf het insect een duw aan de vingers

van den knaap, die ons heel verbaasd aankeek. »Deze kevers,” zeide

Sumichrast, »behooren tot de snelkevers of _elateriden_. Elater is een

Grieksch woord, dat veerkrachtig beteekent, en de _Cucuyo_ heeft u

bewezen, dat hij den familienaam verdient, dien de geleerden er aan

gegeven hebben. Beziet hun lichaamsbouw eens goed; de hoeken van het

borststuk verlengen zich in scherpe punten; boven eindigt het middelste

gedeelte van de borst eveneens in eene punt, welke het dier, naar

willekeur, in de holte duwt, die zich onder het tweede paar pooten

bevindt. Met eene speld, die door dezen natuurlijken ring gestoken

wordt, bevestigen de vrouwen uit het volk, in het warme land, den

snelkever, zonder hem te verwonden, in hun haar.

Leg hem nu eens op den rug.

—Hij houdt zich dood! riep Lucien uit.

—Ja, zooals veel andere insecten doen, die hun pooten samentrekken en

zich laten vallen, om zóó den mensch, als hij ze wil grijpen, te

misleiden.

—O, wat springt hij!

—Dat is ook het eenige middel, wat hij bezit, om weer overeind te

komen, als hij bij toeval op zijn rug is gevallen. Zie eens, hij steekt

de punt, waarin zijne borst uitloopt, tegen den rand van het lager

liggende gat; dan heft hij eensklaps den kop op. Paf... paf... men zou

zeggen dat het eene veer is, die losspringt. Bij de eerste poging is het

hem niet gelukt; maar nu... zie, hij is reeds op de beenen, en vliegt

zelfs al weg!”

De eerste beweging van Lucien was, om de _Cucuyo_, wiens weg door de

lichtende vlekken werd aangewezen, achterna te loopen; maar het uur om

te gaan rusten was reeds lang verstreken, en iedereen zocht zich zoo

goed mogelijk onder dak te brengen, om over den ontdekkingstocht van den

volgenden dag te droomen.

De aanbrekende dag vond ons reeds op en door een kop koffie versterkt.

De muskieten hadden het ons den ganschen nacht lastig gemaakt; dat waren

nog slechts de voorloopers van de legioenen, wier aanvallen wij later te

verduren zouden hebben. Lucien, die vol ongeduld was, verloor den ingang

van de grot geen oogenblik uit het oog, en volgde met spanning al onze

bewegingen. Een holle steen, dien de Encuerado gevonden had, werd met

vet gevuld, een stukje linnen diende voor wiek, en onze nieuwerwetsche

lamp brandde al knetterende.

Toen ik de takken uitdeelde, die ons tot fakkels moesten dienen,

bemerkte ik, dat zich een geelachtige, doorschijnende traan aan elk

der uiteinden gevormd had. Deze hars heeft, door hare kleur en haar

reuk, aan den boom, die haar voortbrengt, den naam van _liquidambar_

(vloeibare amber) doen geven. Eindelijk drong ik, door mijne makkers

gevolgd, in de grot door; de Encuerado zette de lamp op den rand der put

neer, en de vleermuizen, die wij reeds den vorigen dag gestoord hadden,

begonnen zwijgend rond te fladderen.

Voorafgegaan door Sumichrast, waagde ik mij op den bodem der diepte. Een

nauwe gang voerde ons in eene ruime zaal, waarvan de duisternis ons

eerst belette de uitgestrektheid te peilen. Terwijl mijn vriend het

terrein onderzocht, keerde ik op mijne schreden terug, en weldra kwam

Lucien, aan een riem bengelende, bij ons. Dank zij de behendigheid van

den Indiaan, kwam ook de lamp brandende beneden, eindelijk verscheen de

Encuerado op zijne beurt. Lucien liet niet de minste vrees blijken; ik

moest zelfs zijn ijver intoomen. Door den nauwen gang te volgen, kwamen

wij weer bij Sumichrast, en het geleek wel op eene spookachtige

verschijning, zooals hij daar stond, de fakkel boven zijn hoofd

zwaaiende, om de duisternis, die ons omringde, te doorboren.

Nadat de lamp aan den ingang van den gang was neêrgezet, nam ieder onzer

eene fakkel, en ging het, schrede voor schrede, voorwaarts. Sumichrast

en de Indiaan volgden den linkerwand, terwijl ik den rechterwand langs

liep, mijn zoon aan de hand geleidende. Onze fakkels gaven slechts een

onzeker licht en lieten niet meer dan drie schreden vooruit zien. Een

weinig verder bedekten afgevallen steenen den grond; alvorens mij op dit

moeielijk terrein te wagen, wierp ik een blik op mijne makkers. Zij

waren verdwenen; maar de lamp die rustig aan den ingang, boven mij,

brandde, wees het punt aan, vanwaar zij vertrokken waren. Ik riep—een

vreeselijk geraas weerklonk. Lucien kwam schielijk dichter tegen mij

aan.

»Dat is de echo, die ons het antwoord van Sumichrast en den Encuerado

overbrengt,” haastte ik mij hem te zeggen. »Zij zijn in eene andere

zaal. Roep ze ook eens.”

De stem van den knaap klonk eenigszins ontroerd. Oogenblikkelijk schenen

de sombere gewelven zijne woorden te herhalen, en het geraas werd

grooter, hoe meer het zich verwijderde, alsof duizenden personen

elkander een orderwoord toeriepen. Een vreeselijk »hioe, hioe!”

overstemde dat geraas, en reeds vertoonde zich het gelaat van den

Encuerado aan onze linkerhand, als de echo nog het roepen herhaalde.

»Kom eens gauw naar de mooie kerk zien. Eene kerk van diamanten,

Chanito!”

Ik naderde den ingang van eene schuine galerij, op wier helling ik mij,

den Encuerado volgende, begaf. Allengs verwijderden de muren zich van

elkander, en ik bevond mij in eene onmetelijke zaal, versierd met

stalactieten, waar Sumichrast zijne brandende fakkel neerzette.

De Encuerado had gelijk; men zou gemeend hebben in eene gothieke zaal te

zijn. Men kan zich onmogelijk eene vreemder, zonderlinger en grilliger

bouwstijl uitdenken.

Nooit heeft een schilder van een toovertooneel, schitterender effecten

uitgedacht. Honderden kolommen daalden van het gewelf neer, om zich

in den grond vast te zetten. Het was eene bewonderenswaardige

dooreenmengeling van spitsbogen, roosvensters, boomen en reusachtige

bloemkorven. Hier en daar beelden, door de natuur gebijteld; Lucien

merkte vooral eene vrouw op, met een langen sluier bedekt en die haar

arm boven het hoofd omboog; geen bijtel van een beeldhouwer had haar

levendiger kunnen voortbrengen; dan weer waren het wanstaltige

dierenmuilen, monsterachtige koppen, geheele dieren, als 't ware in

dreigende houdingen versteend. Het gezichtsbedrog werd grooter of

kleiner naargelang het lichtspel, en meer dan een half geziene boom

verdween als een droom in dit tooverpaleis.

Terwijl wij zoo onzen weg vervolgden, raakten lange naalden, die van het

gewelf afdaalden, onze hoofden.

»Dat zijn stalactieten,” sprak ik tot den verrukten Lucien. »Het

regenwater, dat door den berg sijpelt, lost op zijn doortocht de

kalkbestanddeelen, die hij bevat, op, en brengt, als het verdampt, die

fraaie afzetsels voort, die gij daar voor oogen hebt.

—Daar is eene naald, die uit den grond opstijgt.

—Dat is een stalagmiet; die groeit van beneden naar omhoog, en niet van

boven naar beneden, zooals de stalactieten, welke bovendien met eene

buis doorboord zijn. Sla uwe oogen eens op en zie naar die fraaie naald,

aan wier uiteinde een druppel water glinstert. Door haar eigen zwaarte

meegesleept, valt die vloeibare parel, welke reeds eene lichte laag

kalk op de stalactiet heeft afgezet, op de stalagmiet, waarvan de top

afgerond is. Langzamerhand zullen de twee naalden tot elkander komen,

en eene kolom te meer in de grot vormen, welke met den tijd eindelijk

geheel gevuld zal zijn.

—Groeien de steenen dan in 't water?” vroeg Lucien, met een nadenkend

gelaat.

—Dat wil zeggen, dat het water kalkachtige bestanddeelen in opgelosten

toestand bevat; zoodra het water verdampt is, vormt de steen zich weer.

—»Als men het zoo neemt,” sprak de Encuerado op zijne beurt, »zouden de

keisteenen in de rivieren smelten.”

—Dat gebeurt ook; maar ze smelten, wel te verstaan, niet zoo

gemakkelijk als suiker. Herinnert gij u niet dat de Rio Blanco, (witte

rivier) bijna melkwitte golven voortstuwt, die eene witachtige laag

afzetten, op de met haar in aanraking blijvende takken en bladeren?

—Dat is waar,” antwoordde de Indiaan, die dikwijls de versteeningen had

bewonderd, waarmede de twee oevers van de Witte Rivier bedekt zijn.

—»Maar het water, dat hier valt, is helder,” bracht Lucien er tegen in,

terwijl hij met zijn fakkel een natuurlijk waterbekken naderde.

—Het bevat niettemin opgeloste kalkzouten, zooals trouwens alle

wateren en vooral het bronwater. Daarom maken de huisvrouwen er geen

gebruik van, omdat het de zeep niet kan oplossen en de groenten, die men

er in kookt, hard maakt.

—Begrijpt gij dat? vroeg de Encuerado aan Lucien.

—Ja, een weinig.

—Gij zijt wel te benijden. Gister vielen de steenen van de zon of de

maan, en dwaalden, geheel in vuur, rond; nu worden zij door het water

gemaakt. Morgen zal Tata Sumichrast ons vertellen, dat zij van den wind

komen.”

De Indiaan ging boos weg; wij volgden hem lachende, hoe langer zoo

meer verrukt over het schouwspel, dat zich aan onze blikken vertoonde.

Ongelukkig verlichtten onze fakkels slechts op zeer gebrekkige wijze, en

de zware rook, dien zij afwierpen, maakten de bogen en gewelven zwart.

Een groote gladde steen versperde ons eensklaps den weg, en noodzaakte

ons te kruipen. Ik ging voorop, en in een nauwen gang voortloopende,

bereikte ik eene soort van klein kamertje. Ik uitte een kreet van

verbazing; vijf of zes regelmatig geplaatste doodshoofden schenen hunne

ledige oogholten op mij te vestigen.

»O! vader,” sprak Lucien, mij bij mijne kleeren vasthoudende, »zijn wij

dan op een kerkhof?”

—Ja, mijn vriend; ik meen een kerkhof te herkennen van de Chichimeken.

Dit volk, dat vóór de Tolteken en Asteken in Mexico woonde, had de

gewoonte zijne dooden in spelonken te begraven.

Sumichrast onderzocht nieuwsgierig een doodshoofd, dat hij had

opgeraapt, en waarvan de witte en voltallige tanden aantoonden, dat het

had toebehoord aan een, op jeugdigen leeftijd gestorven man. Eenige

schreden verder lagen vijf of zes andere schedels op den grond, omgeven

door fijne stalactieten; zij schenen ons door de staven van eene

gevangenis aan te staren.

Deze schedels lagen daar misschien meer dan duizend jaren in hunne

nissen, die klaarblijkelijk uitgegraven waren om ze te bewaren. De bodem

van de grot had zich naderhand opgehoogd. Hoeveel licht kon hij over de

oude geschiedenis van Mexico doen opgaan! De Encuerado verbrak zonder

moeite eene eerste laag kalkgrond en legde eene soort leemaarde bloot,

waaruit hij een klein potje van gebakken aarde haalde. Ik ging op mijne

beurt aan 't graven; mijne vingers ontmoetten een hard voorwerp;—het

was een steenen beeldje. Ik had nauwelijks mijne vondst losgemaakt, of

de arm van Lucien verving den mijnen, en bracht, tot groote vreugde van

den knaap, eene fantastische schildpad naar boven, waarvan de staart

tot fluitje diende. Door deze vondsten aangemoedigd, waren wij gaan

knielen, om de kalkkorst over eene groote uitgestrektheid los te breken;

maar onze fakkels begonnen te verbleeken, en het was in de nauwe, met

rook gevulde ruimte niet meer uit te houden. Sumichrast klaagde over

suizingen in de ooren; ik gevoelde mij zelven onwel en met weerzin gaf

ik het teeken tot het vertrek.

De lamp, die uitgegaan was, vervulde de eerste zaal met een stinkenden

walm, die onze onpasselijkheid nog deed toenemen. De Encuerado en Lucien

verlieten het eerst de spelonk, waaruit ik bijna op hetzelfde oogenblik

als Sumichrast te voorschijn trad, en toen ik bij den ingang der grot

kwam, werd ik bijna verblind door de stralen der zon.

Een algemeen gelach weerklonk; wij zagen er allen uit als negers of

schoorsteenvegers. Er viel niet aan te denken om ons te wasschen, de

inhoud van onze veldflesschen was te kostbaar, en zou ook niet voldoende

geweest zijn. Daar de grot water bevatte, bood de Encuerado aan, zich op

te offeren, maar de rook, die uit de put opsteeg, maakte mij ongerust,

en ik verzette mij, voor het oogenblik, tegen het afdalen van den

Indiaan.

Wij stonden verbaasd over den langen duur van onzen onderzoekingstocht,

die niet minder dan vier uren had beloopen. 't Is waar, de gesteldheid

van den bodem had ons gedwongen dien bij elke schrede te peilen.

Ofschoon wij besloten hadden onzen weg te vervolgen, zoodra wij uit de

grot zouden zijn, deden de vermoeidheid en de begeerte om nog eenmaal de

wonderbare gewelven, die ons zoo bekoord hadden, te bezoeken, ons onze

verdere reis tot den volgenden morgen uit stellen.

Na een uur rustens gingen wij uit, om iets voor het middagmaal op te

sporen.

Ik onderzocht vol nieuwsgierigheid den omtrek van ons kampement. De

aanwezigheid der doodshoofden in de grot bewees, dat een stam Indianen

de omstreken bewoond had; maar de Chichimeken bouwden slechts hutten, en

de tijd had alle sporen van hun verblijf aldaar vernietigd.

Ik kan niet zeggen, met welk eene voldoening ik de bosschen, het groen,

de insecten, de bloemen en de zon terugzag. Het inwendige van grotten

stemt den mensch tot zwaarmoedigheid, ongetwijfeld door de stilte en de

duisternis; want de fraaie zaal der stalactieten had op zich zelve niets

droevigs.

Zij maakte een diepen indruk op den geest van Lucien; hij werd niet

moede ons te ondervragen.

»Deze natuurlijke holten,” zeide Sumichrast hem, »komen veelvuldig

in gipsbergen, maar veelvuldiger nog in vulkanische en kalkachtige

massa's voor. Eenige, die zoo oud zijn als de wereld, dagteekenen van de

eerste opheffingen van de oppervlakte van den aardbol, toen de vloeibare

stof, die den kern der aarde uitmaakt, de nauwelijks vast geworden korst

ophief, om zich naar buiten te kunnen uitstorten en de bergketenen te

vormen.

—Is het binnenste der aarde dan vloeibaar geweest?

—Zij is het nog, zooals de vulkanen dat aantoonen; maar de tijd

der groote verschijnselen is voorbij. De vloeibare massa is op de

oppervlakte steviger geworden, naarmate zij meer afkoelde; daarna is het

water deze korst, waarvan de dikte zeer gering is in verhouding tot de

massa onzer aarde, komen veranderen en bewoonbaar maken.

—Maar waaruit bestaat die gesmolten stof, die onder onze voeten brandt?

—Uit de grondstoffen, die gij om u ziet; graniet, porfier, bazalt,

die men daarom vulkanische of vuurrotsen noemt, in tegenstelling met

de _neptunische_, zooals het gips, het pleister, de leem, waarvan de

opeenhooping aan het water wordt toegeschreven.

Die wetenschap wordt de _geologie_ of kennis der aarde genoemd, waarvan

de studie u wellicht later zal aanlokken.

—Kunnen alle vulkanische steenen dan smelten?

—Ja, maar op voorwaarde, dat zij aan eene hitte worden blootgesteld,

zoo groot, als die van den kern der aarde, en die eene hevigheid

bereikt, waarvoor onze verbeelding terugdeinst. Om nu op de grotten

terug te komen, zijn er eenige, die haar ontstaan te danken hebben aan

de oplossende kracht van het water. Zoo kan de bron, die wij uit den

ingestorten berg hebben zien ontspringen, op een gegeven tijdstip

uitdrogen of van richting veranderen, en aan de nieuwsgierigheid van

toekomstige reizigers zalen te zien geven, die allengs door stalactieten

gevuld zullen worden.

Ons geologisch gesprek werd door een uitroep van den Encuerado

onderbroken, die een Indischen notenboom ontdekt had, welken de

Mexicanen »boom van St. Ignatius” noemen en waarvan de bruine vruchten

met eene houtachtige schors, die den vorm van kleine meloenen hebben,

heen en weer slingerden en met een droog gedruisch tegen elkander

aansloegen. De Encuerado vertelde aan Lucien, dat die vruchten eensklaps

met een sterken knal openspringen, en dat de platte boonen, die zij

bevatten, een in zijne provincie veel gebruikt purgeermiddel zijn.

De Indiaan had er bij kunnen voegen, dat de zaden van den Indischen

notenboom—de _hura crepitans_ der geleerden—purgeeren op de manier

der vergiften, en dat meer dan een van zijne landgenooten gestorven is,

omdat hij het drankje had ingenomen, door de oude misteeksche vrouwen er

uit bereid.

Sumichrast voerde ons naar het woud, waar de hooge boomen ons

beschutten. Na een vrij langen marsch, waarop wij slechts eksters

ontmoetten, zeide ik tot den Encuerado, dat hij ons naar het molsveld

moest terugvoeren. Eensklaps beval onze reismakker stil te zijn; aan

onze linkerhand vertoonde zich eene buidelrat met vijf jongen. Het dier

naderde onverschillig een boom van middelmatige dikte, waar het, met

behulp van zijn grijpstaart, opklom. De beangstigde jongen verdrongen

zich onder een klagend gepiep aan den voet van den boom. De buidelrat

daalde daarop weer naar beneden; nauwelijks was zij aan den voet van den

boom gekomen of hare familie stortte zich hals over kop in den buidel

der moeder. Aldus beladen, klom het diertje weer langzaam tegen den boom

op, en ging bedaard op een der eerste takken zitten. De jongen, die

rosachtig haar hadden, en van welken wij niets dan den spitsen neus en

de zwarte oogjes konden zien, schenen ons boven van een balkon aan te

zien. Een hunner waagde zich naar buiten en ging op de takken wandelen,

en weldra had de kleine bende zich naar alle kanten verspreid. Even als

in de fabel, beval Sumichrast Lucien om in de handen te klappen, terwijl

ik den Encuerado verbood op het arme dier te schieten. Door het geklap

verschrikt, vluchtten de kleinen naar hunne moeder, die hare lange

ooren oprichtte en ons eene dubbele rij witte tanden liet zien. Een

onvoorzichtige viel, door zijne overhaasting om den beschermenden buidel

te bereiken, naar beneden. In een oogwenk was de buidelrat bij hem,

terwijl zij ons met haar bek dreigde; zoodra haar schat voltallig was,

verdween zij er mede in het kreupelhout.

»Waarom hebt gij mij verboden om op de _tlacuache_ te schieten?” vroeg

de Encuerado mij.

»Waartoe dient het een arm dier te dooden, dat ons van geen nut kan

zijn?

—Gij weet wel, dat dat arme dier op de zolders komt, de kippen en

levensmiddelen opeet, zonder nog te spreken van het geraas, dat de

jongen maken.

—Ja; maar deze is geheel onschuldig aan al die misdaden, zij leeft te

ver van de steden.”

Dit tooneel had Lucien zeer vermaakt. Ik vertelde hem, dat de

buidelratten, de Kangaroes en verschillende andere zoogdieren, waarvan

de wijfjes een zak of buidel bezitten, om de jongen in te verbergen, om

die reden buideldieren of _marsupialen_ genoemd worden.

De buidelrat is in Mexico zeer algemeen. Haar lange, spitse en zeer

sterk gespleten snuit, is met twee en vijftig vervaarlijke tanden

gewapend, ofschoon het dier zich slechts met eieren, insecten en vogels

voedt. Bij de soorten, welke geen buikzak hebben, klimmen de jongen,

zoodra zij loopen kunnen, op den rug hunner moeder, en klampen zich

met hunne grijpstaartjes aan den staart der moeder vast, die te

dien einde naar voren wordt gebogen. Dit instinct is misschien nog

opmerkenswaardiger dan dat, hetwelk hen aandrijft, om in den buidel der

moeder eene schuilplaats te zoeken.

De tijd ging voorbij; wij moesten noodzakelijk naar het mollenveld

terug, en de Encuerado beloofde, dat hij eene goede jacht zou maken,

zonder een schot te lossen.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 32 / 54 题