HET KRUIDJE-ROER-ME-NIET.—GRINGALET EN HET STEKELVARKEN.—DE
MEXICAANSCHE CAMELEON.—WOUW EN VALK.—EENE DUBBELKOPSLANG.—EENE
RAADSVERGADERING VAN KALKOENEN.
Gringalet was de eenige van ons, die den fazant versmaadde. Daar
wij onzen reismakker niet nuchter konden laten, gaf ik hem een stuk
maïskoek, waarvan de Encuerado eene lekkere brij maakte, want hij wilde
zijn woord, dat hij Gringalet had gegeven, toen deze de bron ontdekte,
houden.
Lucien, die op het gras zat, vermaakte zich met de planten, die onder
het bereik van zijn reisstok waren, aan te raken. Eensklaps zag hij
dat de bladeren en de takken van een kleinen struik, die hij maar even
aanraakte, zich sloten, zooals de baleinen van een zonnescherm, door
eene onzichtbare veer bewogen, het zouden kunnen doen:—het plantje was
een kruidje-roer-me-niet.
Hij riep ons, om ons de verklaring van dit verschijnsel te vragen; wij
plaatsten ons rondom den struik, die met doornen gewapend en ongeveer
een meter hoog was, en waarvan de fijn uitgesneden bladeren van een
zacht groen, tuiltjes rooskleurige bloemen ten halve verborgen. De
takjes, die door den stok waren aangeraakt, naderden tot den moederstam,
en de kleine, ovale, teere en op hunne stengels opgerichte blaadjes
drukten zich tegen elkander aan. Na verloop van vijf minuten openden de
aangeraakte blaadjes zich opnieuw, als waren zij van hun schrik bekomen.
Het duurde evenwel niet lang, want Lucien vond er vermaak in met zijne
vingers over de blaadjes te gaan, die onmiddellijk weer toevouwden,
alsof zij door die lichte aanraking beleedigd waren. De Indianen noemen
het kruidje-roer-mij-niet »de beschaamde.” De plant groeit zelden
alleen. Een enkele slag op den stam was voldoende om oogenblikkelijk
alle takken, die dan als door een gevoel van schaamte bezield schenen te
zijn, te doen buigen. Toen de zon onderging, vouwden de plantjes uit
eigen beweging hare teedere blaadjes toe, die slechts op den vollen dag
ontluiken.
Het eerste wat Lucien deed, zoodra hij wakker werd, was naar de struiken
te loopen, die den vorigen dag zijne aandacht zoozeer hadden getrokken.
Met dauw overladen, schenen zij als te slapen en ontplooiden zij hunne
bladeren slechts bij den eersten zonnestraal. Alvorens op weg te
gaan beproefde de jonge natuuronderzoeker nogmaals de buitengewone
gevoeligheid der plant, en Sumichrast vertelde hem, dat zij eene
verwante is van den boom, die de Arabische gom oplevert.
De wang van den Encuerado was minder opgezwollen en Sumichrast kon zich
weer van zijne hand bedienen, hoewel zij hem nog pijn deed. De berg voor
ons, die te steil was om beklommen te kunnen worden, bracht ons in eene
groote verlegenheid.
»Laat ons links afgaan, zeide Sumichrast, terwijl hij onder het
houtgewas op een vochtigen, met gras begroeiden bodem voortliep.
Tegen den middag en terwijl de Encuerado al brommende verklaarde
dat wij rechts hadden moeten houden, trad de kleine troep het bosch
binnen. Eene ongelijke helling voerde ons op een top, die hoogstens een
twintigtal schreden breed was en in minder dan een half uur bracht de
tegenovergestelde zijde ons midden in eene verrukkelijke vallei.
»Hela! meester Zonnestraal,” riep Sumichrast, die mij de hut hielp
bouwen, uit, »vergeet gij dan dat gij belast zijt met voor het vuur te
zorgen?”
—Neen, antwoordde Lucien, die verdiept scheen in de beschouwing van
een dooden tak, maar ik wilde een insect vangen, dat, evenals wij, eene
verzameling van voorwerpen der natuurlijke historie schijnt te willen
bijeenbrengen, want ik heb in zijn nest spinnen, vliegen en kleine
wormen gevonden.
—Dat is een doodgraver-kever, zeide Sumichrast, hij verzamelt om zijne
eieren heen het voedsel, dat de jongen, als zij zullen geboren worden,
moeten verslinden; die kleine dieren zijn vol voorzorgen; laten wij ze
navolgen en voor het oogenblik aan onszelven denken.
Toen de haard gereed was, trokken wij licht gewapend uit om de omgeving
van ons bivak te onderzoeken. De bergen beheerschten ons van alle
kanten; de vlakte, die de vallei uitmaakte, had nauwelijks een kwart
mijl uitgestrektheid. Eene aangename koelte en de nabijheid van een
groot aantal vogels gaven ons hoop, dat wij eene bron zouden ontmoeten,
wier aanwezigheid dit stukje aarde in een waar Paradijs zou herschapen
hebben. Onze opsporingen leidden tot niets meer, dan het vinden van een
groenachtigen poel, door een reusachtige rots overschut, dien het warme
saisoen spoedig zou doen uitdrogen.
Het geblaf van Gringalet trok onze aandacht op het woud, waar ik een
Mexicaansch stekelvarken op een heester zag zitten. Het dier, dat op
zijne achterste pooten zat, keek ons verbaasd aan. Na een oogenblik
gestoord te zijn geweest, scheen het ons geheel en al te vergeten, trok
met zijne nagels een stuk schors af en likte het ontbloote gedeelte,
dat zonder twijfel met insecten bedekt was, af. Na dezelfde handeling
herhaalde malen te hebben vernieuwd, naderde het dier tot op het
uiterste einde van den tak, greep dien met zijn grijpstaart en raakte,
door zijne zwaarte meegesleept, den grond. Zijn groot zwart oog, dat
buitengewoon zacht was, stond wijd open en zijn neus bewoog zich als
die van een konijn of een haas. Het was juist op 't punt zich te
verwijderen, toen de Encuerado tot ons leedwezen er een schot op loste.
Het arme dier rolde op den grond, drukte zijne pooten als eene hand
op de wonde en rolde zich aan den voet van den boom ineen. Gringalet
schoot er op toe om het te bijten, maar hij deinsde weldra onder een
pijnlijk gehuil terug; hij kwam bij ons met den neus vol pennen van
het stekelvarken, die niet veel langer dan twee duim, maar zeer scherp
waren. De arme hond wreef zijn neus over den grond om zijn pijn te
verlichten, maar verergerde daardoor zijn lijden des te meer. Lucien
liep op hem toe en slaagde er in een vijftiental stekels, die diep
ingedrongen waren, uit zijn neus te halen.
»Waar is toch je verstand gebleven? vroeg de Encuerado aan Gringalet,
terwijl hij hem neus en snuit afwiesch. Zoo maar in een stekelvarken te
willen bijten! Waarlijk, ik had gedacht dat je slimmer waart. 't Is wel
goed moedig te zijn, maar ik raad je toch aan om je in de bosschen van
het Warme Land wat minder onbezonnen te gedragen, als je ten minste niet
door een tijger verscheurd of door een miereneter gewurgd wilt worden.
Na de redevoering van den Encuerado aangehoord te hebben, beknorde
Lucien hem, omdat hij op het arme dier geschoten had en kwam toen bij
ons bij het doode stekelvarken. Dit had de grootte van een jongen vos,
en voorpooten, die vier lange, met klauwen gewapende teenen droegen.
Dit knaagdier is zeer langzaam in zijne bewegingen, geheel en al
onschadelijk en verspreidt een walgelijken muskusreuk rondom zich. Het
leeft van vruchten, wortels en insecten, klimt met behendigheid op de
boomen, waarbij het zich van zijn grijpstaart bedient en vlucht zelden
bij de nadering van den jager, die trouwens dit nutteloos wild
versmaadt.
De Encuerado herinnerde ons dat wij reeds twaalf dagen op marsch waren
en dat het de eerste zondag van de Meimaand was. Wij zouden dien dag
rustdag hebben gehouden, als onze ochtendjacht wat voordeeliger was
geweest; maar als wij ons niet met enkele rijst wilden vergenoegen,
moesten wij wel zorgen voor een vogel of een zoogdier in den pot.
Daar begonnen _chibicoyos_ (kalkoenen) te schreeuwen; de Encuerado
vertrok alleen in de aangewezen richting, want deze hoendervogels zijn
moeielijk nabij te komen. In weerwil van ons roepen, volgde Gringalet
den Indiaan op de hielen.
Lucien klom op de rots, die over den poel hing, gaf mij een teeken om
bij hem te komen en zeide toen zachtjes:
»Zie eens, vader, wat daar een zonderling dier zit.”
Ik klom ook op de rots en vond op het rotsvlak een Mexicaanschen
Cameleon, eene soort hagedis van ronden vorm, de bruine huid bezaaid
met gele vlekken, die in het licht telkens veranderen. Lucien wilde het
sierlijke kruipdier vangen, maar het gleed tusschen zijne beenen door en
verdween, de lucht met zijn staart zweepende, onder de rots.
De Mexicaansche Cameleon leeft alleen in de bosschen en te midden der
rotsen. Hij houdt zich vooral gaarne op in eikenbosschen, waar de
donkere kleur van zijn lichaam versmelt met die der doode bladeren,
zoodat hij met goeden uitslag hinderlagen kan leggen aan de insecten,
waarmede hij zich voedt. Sumichrast, wien het gelukt was een Cameleon
tam te maken, vertelde ons, dat de keel van dit kruipdier op den dag wit
was, maar des nachts eene donkere kleur aannam, dat het zich gaarne liet
streelen en dat het zoo vertrouwelijk was geworden, dat het de vliegen,
welke men het voorhield, uit de vingers aannam. De Indianen, die voor
het levende dier bang zijn, dragen het gedroogde lichaam als een
behoedmiddel tegen het kwade oog.
Boven van onzen waarnemingspost zagen wij naar de fraaie vogels, die
van tijd tot tijd de vlakte overtrokken, toen Sumichrast onverwacht
een schot loste. Hij had een fraaien ekster gezien met een aschblauw
lichaam, eene kuif op den kop en om wiens witte keel een band van
zwart fluweel scheen te loopen, weshalve hij van de Indianen den naam
van _Commandeur-vogel_ heeft gekregen. Lucien klom de rots af om den
vogel op te rapen, toen een groote wouw op den ekster stortte, hem in
zijne sterke klauwen pakte en er mee wegvloog. De schutter wilde den
onbeschaamden strooper straffen, maar een valk, ter grootte eener vuist,
vertoonde zich op zijne beurt, beschreef snel twee of drie kringen en
liet zich toen op den wouw vallen. Deze ontweek den aanval en steeg
hooger op, terwijl zijn tegenpartij een schreeuw van woede deed hooren
en bijna op den grond terecht kwam. Maar zich opnieuw in schuine
richting en met eene ongeloofelijke snelheid verheffende, kwam hij een
tweede maal boven zijn vijand, wiens vlucht door den angst verflauwd
werd, en stortte andermaal als een weerlicht op hem neer. Vleugels
klapwiekten, eenige veeren vlogen in 't rond en de prooi viel in den val
door den valk gevolgd. De wouw, overwonnen door een tegenstander, die
vijfmaal kleiner was, beschreef groote kringen in de lucht en verdween.
De overwinnaar, die op twintig passen van ons zat, met vurige oogen, den
klauw op zijne prooi, prachtig in zijn toorn en zijne stoutmoedigheid,
dreigde ons met zijn blikken. Sumichrast liet hem, als belooning voor
zijn moed, zijne prooi over. De valk, over onze aanwezigheid niet zeer
gerust, sloeg de klauwen, die voor zijne gestalte zeer groot waren, in
zijne prooi, sloeg met de vleugels, verhief zich eerst met moeite, doch
weldra met zekerder vlucht naar gelang hij hooger steeg, en bracht toen
zijne buit achter de boomen in veiligheid.
Lucien, die in de vlakte al de wisselingen van dit gevecht had
aanschouwd, kwam weer bij ons.
»Waarom heeft die groote vogel zich laten overwinnen door zulk een
kleinen tegenstander?” vroeg hij Sumichrast.
—Omdat hij lafhartig is.
—Maar alle twee hadden hetzelfde gevederte en dezelfde vormen; ik dacht
dat de laatst gekomene een jong van den anderen was.
—De laatst aangekomene is een valk en de andere een wouw. Zij behooren
inderdaad tot dezelfde familie; maar de valk is de edelste en de
moedigste, terwijl de wouw misschien de lafhartigste van alle roofvogels
is. Men bediende zich vroeger van valken voor de jacht; want, zooals gij
gezien hebt, vreest hij volstrekt niet om veel grootere tegenstanders
aan te vallen.
Bovendien leert hij gehoorzamen.
—Maar de arenden zijn toch sterker dan de valken?
—De arenden zijn roofvogels, die den goeden naam niet verdienen, welken
de dichters getracht hebben hun te geven; alhoewel zij veel sterker
zijn, betoonen zij veel minder moed dan de valken en vallen zij slechts
dieren van geringe grootte aan.
—Maar de arend is toch wel de koning der vogels; hij kan de zon toch
in 't gelaat zien.
—Ja, dank zij een vlies, dat over den oogappel kan getrokken worden.
Bij alle volkeren vertegenwoordigt de arend het zinnebeeld van kracht en
moed; dat neemt evenwel niet weg, dat de valk in veel hooger mate dan
hij de laatste dezer eigenschappen bezit; voor de vogelkundigen is hij
de koning der vogels. Zooals gij weet, verbeelden de Mexicanen op hunne
vlag een arend, die op een cactus zittende, eene slang verslindt.
—Is dat ook als zinnebeeld van kracht en moed?
—Neen; toen de Asteken, die men meent, dat uit het Noorden van Amerika
hun oorsprong hebben, in Mexico (dat toen den naam van Anahuac droeg)
aankwamen, zwierven zij langen tijd rond, alvorens zich te vestigen.
Eens ontdekten zij bij een meer eene cactus, die op een rots groeide,
en op de cactus een arend. Door een orakel geleid, bouwden zij op die
plaats eene stad, welke eerst den naam van Tenochtitlan[26] en later
dien van Mexico droeg.
[26] Steen en cactus.
Mijne geschiedkundige les werd onderbroken door eene verwijderde
losbranding. Sedert lang reeds zwegen de Chibicoyos, en wij verwachtten
dat wij eenigen aan onzen reisgezel, die in zijne vervolging eenen
grooten omweg had moeten maken, althans te oordeelen naar de richting
waaruit zijn schot klonk, zouden zien verschijnen. Gelukkig maakte de
gesteldheid van het terrein, dat hij onmogelijk kon verdwalen; maar al
hadden wij ook vertrouwen in zijne kennis, toch vreesden wij voor zijn
jachtijver.
Wij bleven op de loer staan, hopende dat het toeval ons een of ander
stuk wild zou toevoeren. Eensklaps bewoog het gras aan onze rechterhand
en de golvingen verrieden de aanwezigheid van een kruipdier. Weldra
zagen wij dan ook eene slang, die de Indianen, evenals weleer de
Grieken, slang met twee koppen noemen, zich naar den poel begeven. De
amphisbena[27], die anderhalf voet lang was, had een, aan het uiteinde
opgezwollen staart, wat haar een vreemd uiterlijk en een zonderlinge
beweging gaf. De met breede schubben bedekte huid had een blauwen
weerschijn. Zij kroop langzaam voort en hield telkens stil, als om in
den grond te pikken, maar in werkelijkheid om er de mieren en insecten
op te slikken. Deze zonderlinge slang trok zeer de aandacht van Lucien
en Sumichrast ried hem aan zijn geweer er op te lossen, ten einde haar
van naderbij te kunnen beschouwen. Hij behoefde zijn raad geen twee maal
te herhalen; de jeugdige jager, die reeds goed met zijn wapen begon
om te gaan, legde aan; het schot viel en de slang verdween, omhoog
springende, in het gras. Zij was geraakt en een ieder haastte zich de
rots af te dalen, in de hoop haar dood te vinden. Ons zoeken leidde tot
niets; het kruipdier had zich in een of ander gat verscholen, waaruit
wij tevergeefs zouden getracht hebben het te verwijderen.
[27] Amphisbena is de naam der wroetslangen, waartoe ook de
dubbelkopslang behoort. Zij vormen den overgang tusschen de
hagedissen enz. en de slangen; bij sommige soorten treft men nog
zeer korte pooten aan. (N. v. d. V.)
Daar vertoonde zich Gringalet, die weldra door den Encuerado gevolgd
werd. Toen de Indiaan ons bemerkte, liet hij een verschrikkelijk hioe!
hioe! hooren; zijn hoed vloog in de lucht en hij wierp een zwaar
voorwerp dreunend op den grond neer en begon toen te dansen. Zijne
zonderlinge bewegingen deden ons schateren van 't lachen en Lucien liep
op den Indiaan toe, die nu zijn dansen veranderde in buitelingen, op het
gras den kunstenmaker vertoonende.
»Een kalkoen!” riep hij ons toe.
De zware vogel met goudgroen gevederte ging van hand tot hand.
»Oh, Chanito! riep de Indiaan uit, als gij met mij meê waart gegaan,
zoudt gij er een ganschen troep van gezien hebben! Ik had die leelijke
chibicoyos vervolgd zonder ze zelfs te zien en ik was aan den voet
van een boom gaan rusten, toen Gringalet de ooren opstak, naar den
anderen kant van den berg liep en begon te blaffen, alsof hij een
tweede stekelvarken zag. Ik ging op mijne beurt naar omlaag en daar
weerklonken van alle kanten _gloe-gloes_; baas Gringalet was midden in
eene raadsvergadering van kalkoenen gevallen.”
—Eene raadsvergadering van kalkoenen? herhaalde Lucien.
—Ja, Chanito, de kalkoenen houden ook raad; zij reizen gewoonlijk bij
troepen en te voet, ofschoon zij zeer goed kunnen vliegen om eene rivier
over te trekken of te vluchten. Als nu een hunner aan de anderen een
bericht wil mededeelen, laat hij een schreeuw hooren en zijne makkers
vormen een kring om hem.
—En dan?
—De predikant, hervatte de Encuerado zonder de minste oneerbiedige
bedoeling, buigt den hals, richt dien weder op, steekt de veeren van
zijn bef op en spreidt de pennen van zijn staart als een waaier uit;
daarna begint hij tot de vergadering te spreken, die de vleugels opent,
een rad slaat en met goedkeurende _gloe-gloes_ antwoordt.
De Indiaan, door het vuur van zijn verhaal medegesleept, voegde de
gebaren bij de woorden, draaide in de rondte, boog zijn armen rond en
bracht zijn kin op de borst om de beweging van de vogels, die hij
beschreef, na te bootsen.
»Maar wat zeggen zij dan?” vroeg Lucien slim.
—Dat hangt er van af, hernam de Indiaan, aan zijn voorhoofd
krabbelende. De troep, door Gringalet verrast, heeft zeker gezegd:
Wat is dat voor een dier?—Een hond, zal de geleerdste geantwoord
hebben.—Vrienden, laat ons de vlucht nemen. De honden zijn altijd
vergezeld van menschen, en de menschen van geweren.—Een geweer! Wat is
dat voor een ding?—Een ding, dat _poem_ doet! en de kalkoenen doodt.
Daarop kwam Gringalet; dat was een dringen en een vluchten en een
wegbergen; maar de Encuerado heeft den tijd gehad om _poem!_ te doen
en dien mooien _totole_ te dooden.
Men behoeft niet te vragen of dit verhaal onze vroolijkheid gaande
maakte. Terwijl wij naar het bivak terugkeerden, vertelde Sumichrast
aan Lucien, dat de kalkoen uit Amerika voortkomt, dat de Jezuïeten
hem naar Europa overbrachten, waar hij goed gedijde. In den tammen
staat is het gevederte van den kalkoen veel van kleur veranderd; het
is rood, wit, grijs en zwart geworden. Maar wat hij niet verloren
heeft, is zijne gewoonte om in troepen te gaan en zijn vormloos nest
in de struiken te maken, dat de jongen den tweeden dag nadat zij
uitgekomen zijn, verlaten. Eindelijk wordt de Asteeksche naam van den
kalkoen—totole—door de Indianen toegepast op domme en laffe menschen.
Lucien vertelde op zijne beurt aan den Encuerado de geschiedenis van den
ekster en van de slang.
»Hebt gij een maquizcoatl, een slang met twee koppen, gedood!” riep de
Indiaan uit.
—Ik heb haar hoogstens gewond, daar zij ontsnapt is; maar zij had
slechts één kop.
—Dan hebt gij haar niet goed aangezien; ik ben er zeker van, dat zij
zich niet heeft behoeven om te keeren om te vluchten.
—Ik heb haar omhoog zien springen, dat is al.
—Hebt gij wel onder de steenen gezocht? Laat ons terugkeeren; de huid
van de maquizcoatl geeft den blinden het gezicht weer. Waarom hebt gij
haar laten ontsnappen?
—Wij zullen er wel eene andere vinden.
—Men vindt ze niet als men wil,—zij zijn zeldzaam, hernam de Indiaan,
het hoofd schuddende.
En terwijl de kalkoen voor het vuur braadde, ging de Encuerado door
Lucien vergezeld, het gat van de tweekopslang opzoeken.