XIII.

HET KRUIDJE-ROER-ME-NIET.—GRINGALET EN HET STEKELVARKEN.—DE

MEXICAANSCHE CAMELEON.—WOUW EN VALK.—EENE DUBBELKOPSLANG.—EENE

RAADSVERGADERING VAN KALKOENEN.

Gringalet was de eenige van ons, die den fazant versmaadde. Daar

wij onzen reismakker niet nuchter konden laten, gaf ik hem een stuk

maïskoek, waarvan de Encuerado eene lekkere brij maakte, want hij wilde

zijn woord, dat hij Gringalet had gegeven, toen deze de bron ontdekte,

houden.

Lucien, die op het gras zat, vermaakte zich met de planten, die onder

het bereik van zijn reisstok waren, aan te raken. Eensklaps zag hij

dat de bladeren en de takken van een kleinen struik, die hij maar even

aanraakte, zich sloten, zooals de baleinen van een zonnescherm, door

eene onzichtbare veer bewogen, het zouden kunnen doen:—het plantje was

een kruidje-roer-me-niet.

Hij riep ons, om ons de verklaring van dit verschijnsel te vragen; wij

plaatsten ons rondom den struik, die met doornen gewapend en ongeveer

een meter hoog was, en waarvan de fijn uitgesneden bladeren van een

zacht groen, tuiltjes rooskleurige bloemen ten halve verborgen. De

takjes, die door den stok waren aangeraakt, naderden tot den moederstam,

en de kleine, ovale, teere en op hunne stengels opgerichte blaadjes

drukten zich tegen elkander aan. Na verloop van vijf minuten openden de

aangeraakte blaadjes zich opnieuw, als waren zij van hun schrik bekomen.

Het duurde evenwel niet lang, want Lucien vond er vermaak in met zijne

vingers over de blaadjes te gaan, die onmiddellijk weer toevouwden,

alsof zij door die lichte aanraking beleedigd waren. De Indianen noemen

het kruidje-roer-mij-niet »de beschaamde.” De plant groeit zelden

alleen. Een enkele slag op den stam was voldoende om oogenblikkelijk

alle takken, die dan als door een gevoel van schaamte bezield schenen te

zijn, te doen buigen. Toen de zon onderging, vouwden de plantjes uit

eigen beweging hare teedere blaadjes toe, die slechts op den vollen dag

ontluiken.

Het eerste wat Lucien deed, zoodra hij wakker werd, was naar de struiken

te loopen, die den vorigen dag zijne aandacht zoozeer hadden getrokken.

Met dauw overladen, schenen zij als te slapen en ontplooiden zij hunne

bladeren slechts bij den eersten zonnestraal. Alvorens op weg te

gaan beproefde de jonge natuuronderzoeker nogmaals de buitengewone

gevoeligheid der plant, en Sumichrast vertelde hem, dat zij eene

verwante is van den boom, die de Arabische gom oplevert.

De wang van den Encuerado was minder opgezwollen en Sumichrast kon zich

weer van zijne hand bedienen, hoewel zij hem nog pijn deed. De berg voor

ons, die te steil was om beklommen te kunnen worden, bracht ons in eene

groote verlegenheid.

»Laat ons links afgaan, zeide Sumichrast, terwijl hij onder het

houtgewas op een vochtigen, met gras begroeiden bodem voortliep.

Tegen den middag en terwijl de Encuerado al brommende verklaarde

dat wij rechts hadden moeten houden, trad de kleine troep het bosch

binnen. Eene ongelijke helling voerde ons op een top, die hoogstens een

twintigtal schreden breed was en in minder dan een half uur bracht de

tegenovergestelde zijde ons midden in eene verrukkelijke vallei.

»Hela! meester Zonnestraal,” riep Sumichrast, die mij de hut hielp

bouwen, uit, »vergeet gij dan dat gij belast zijt met voor het vuur te

zorgen?”

—Neen, antwoordde Lucien, die verdiept scheen in de beschouwing van

een dooden tak, maar ik wilde een insect vangen, dat, evenals wij, eene

verzameling van voorwerpen der natuurlijke historie schijnt te willen

bijeenbrengen, want ik heb in zijn nest spinnen, vliegen en kleine

wormen gevonden.

—Dat is een doodgraver-kever, zeide Sumichrast, hij verzamelt om zijne

eieren heen het voedsel, dat de jongen, als zij zullen geboren worden,

moeten verslinden; die kleine dieren zijn vol voorzorgen; laten wij ze

navolgen en voor het oogenblik aan onszelven denken.

Toen de haard gereed was, trokken wij licht gewapend uit om de omgeving

van ons bivak te onderzoeken. De bergen beheerschten ons van alle

kanten; de vlakte, die de vallei uitmaakte, had nauwelijks een kwart

mijl uitgestrektheid. Eene aangename koelte en de nabijheid van een

groot aantal vogels gaven ons hoop, dat wij eene bron zouden ontmoeten,

wier aanwezigheid dit stukje aarde in een waar Paradijs zou herschapen

hebben. Onze opsporingen leidden tot niets meer, dan het vinden van een

groenachtigen poel, door een reusachtige rots overschut, dien het warme

saisoen spoedig zou doen uitdrogen.

Het geblaf van Gringalet trok onze aandacht op het woud, waar ik een

Mexicaansch stekelvarken op een heester zag zitten. Het dier, dat op

zijne achterste pooten zat, keek ons verbaasd aan. Na een oogenblik

gestoord te zijn geweest, scheen het ons geheel en al te vergeten, trok

met zijne nagels een stuk schors af en likte het ontbloote gedeelte,

dat zonder twijfel met insecten bedekt was, af. Na dezelfde handeling

herhaalde malen te hebben vernieuwd, naderde het dier tot op het

uiterste einde van den tak, greep dien met zijn grijpstaart en raakte,

door zijne zwaarte meegesleept, den grond. Zijn groot zwart oog, dat

buitengewoon zacht was, stond wijd open en zijn neus bewoog zich als

die van een konijn of een haas. Het was juist op 't punt zich te

verwijderen, toen de Encuerado tot ons leedwezen er een schot op loste.

Het arme dier rolde op den grond, drukte zijne pooten als eene hand

op de wonde en rolde zich aan den voet van den boom ineen. Gringalet

schoot er op toe om het te bijten, maar hij deinsde weldra onder een

pijnlijk gehuil terug; hij kwam bij ons met den neus vol pennen van

het stekelvarken, die niet veel langer dan twee duim, maar zeer scherp

waren. De arme hond wreef zijn neus over den grond om zijn pijn te

verlichten, maar verergerde daardoor zijn lijden des te meer. Lucien

liep op hem toe en slaagde er in een vijftiental stekels, die diep

ingedrongen waren, uit zijn neus te halen.

»Waar is toch je verstand gebleven? vroeg de Encuerado aan Gringalet,

terwijl hij hem neus en snuit afwiesch. Zoo maar in een stekelvarken te

willen bijten! Waarlijk, ik had gedacht dat je slimmer waart. 't Is wel

goed moedig te zijn, maar ik raad je toch aan om je in de bosschen van

het Warme Land wat minder onbezonnen te gedragen, als je ten minste niet

door een tijger verscheurd of door een miereneter gewurgd wilt worden.

Na de redevoering van den Encuerado aangehoord te hebben, beknorde

Lucien hem, omdat hij op het arme dier geschoten had en kwam toen bij

ons bij het doode stekelvarken. Dit had de grootte van een jongen vos,

en voorpooten, die vier lange, met klauwen gewapende teenen droegen.

Dit knaagdier is zeer langzaam in zijne bewegingen, geheel en al

onschadelijk en verspreidt een walgelijken muskusreuk rondom zich. Het

leeft van vruchten, wortels en insecten, klimt met behendigheid op de

boomen, waarbij het zich van zijn grijpstaart bedient en vlucht zelden

bij de nadering van den jager, die trouwens dit nutteloos wild

versmaadt.

De Encuerado herinnerde ons dat wij reeds twaalf dagen op marsch waren

en dat het de eerste zondag van de Meimaand was. Wij zouden dien dag

rustdag hebben gehouden, als onze ochtendjacht wat voordeeliger was

geweest; maar als wij ons niet met enkele rijst wilden vergenoegen,

moesten wij wel zorgen voor een vogel of een zoogdier in den pot.

Daar begonnen _chibicoyos_ (kalkoenen) te schreeuwen; de Encuerado

vertrok alleen in de aangewezen richting, want deze hoendervogels zijn

moeielijk nabij te komen. In weerwil van ons roepen, volgde Gringalet

den Indiaan op de hielen.

Lucien klom op de rots, die over den poel hing, gaf mij een teeken om

bij hem te komen en zeide toen zachtjes:

»Zie eens, vader, wat daar een zonderling dier zit.”

Ik klom ook op de rots en vond op het rotsvlak een Mexicaanschen

Cameleon, eene soort hagedis van ronden vorm, de bruine huid bezaaid

met gele vlekken, die in het licht telkens veranderen. Lucien wilde het

sierlijke kruipdier vangen, maar het gleed tusschen zijne beenen door en

verdween, de lucht met zijn staart zweepende, onder de rots.

De Mexicaansche Cameleon leeft alleen in de bosschen en te midden der

rotsen. Hij houdt zich vooral gaarne op in eikenbosschen, waar de

donkere kleur van zijn lichaam versmelt met die der doode bladeren,

zoodat hij met goeden uitslag hinderlagen kan leggen aan de insecten,

waarmede hij zich voedt. Sumichrast, wien het gelukt was een Cameleon

tam te maken, vertelde ons, dat de keel van dit kruipdier op den dag wit

was, maar des nachts eene donkere kleur aannam, dat het zich gaarne liet

streelen en dat het zoo vertrouwelijk was geworden, dat het de vliegen,

welke men het voorhield, uit de vingers aannam. De Indianen, die voor

het levende dier bang zijn, dragen het gedroogde lichaam als een

behoedmiddel tegen het kwade oog.

Boven van onzen waarnemingspost zagen wij naar de fraaie vogels, die

van tijd tot tijd de vlakte overtrokken, toen Sumichrast onverwacht

een schot loste. Hij had een fraaien ekster gezien met een aschblauw

lichaam, eene kuif op den kop en om wiens witte keel een band van

zwart fluweel scheen te loopen, weshalve hij van de Indianen den naam

van _Commandeur-vogel_ heeft gekregen. Lucien klom de rots af om den

vogel op te rapen, toen een groote wouw op den ekster stortte, hem in

zijne sterke klauwen pakte en er mee wegvloog. De schutter wilde den

onbeschaamden strooper straffen, maar een valk, ter grootte eener vuist,

vertoonde zich op zijne beurt, beschreef snel twee of drie kringen en

liet zich toen op den wouw vallen. Deze ontweek den aanval en steeg

hooger op, terwijl zijn tegenpartij een schreeuw van woede deed hooren

en bijna op den grond terecht kwam. Maar zich opnieuw in schuine

richting en met eene ongeloofelijke snelheid verheffende, kwam hij een

tweede maal boven zijn vijand, wiens vlucht door den angst verflauwd

werd, en stortte andermaal als een weerlicht op hem neer. Vleugels

klapwiekten, eenige veeren vlogen in 't rond en de prooi viel in den val

door den valk gevolgd. De wouw, overwonnen door een tegenstander, die

vijfmaal kleiner was, beschreef groote kringen in de lucht en verdween.

De overwinnaar, die op twintig passen van ons zat, met vurige oogen, den

klauw op zijne prooi, prachtig in zijn toorn en zijne stoutmoedigheid,

dreigde ons met zijn blikken. Sumichrast liet hem, als belooning voor

zijn moed, zijne prooi over. De valk, over onze aanwezigheid niet zeer

gerust, sloeg de klauwen, die voor zijne gestalte zeer groot waren, in

zijne prooi, sloeg met de vleugels, verhief zich eerst met moeite, doch

weldra met zekerder vlucht naar gelang hij hooger steeg, en bracht toen

zijne buit achter de boomen in veiligheid.

Lucien, die in de vlakte al de wisselingen van dit gevecht had

aanschouwd, kwam weer bij ons.

»Waarom heeft die groote vogel zich laten overwinnen door zulk een

kleinen tegenstander?” vroeg hij Sumichrast.

—Omdat hij lafhartig is.

—Maar alle twee hadden hetzelfde gevederte en dezelfde vormen; ik dacht

dat de laatst gekomene een jong van den anderen was.

—De laatst aangekomene is een valk en de andere een wouw. Zij behooren

inderdaad tot dezelfde familie; maar de valk is de edelste en de

moedigste, terwijl de wouw misschien de lafhartigste van alle roofvogels

is. Men bediende zich vroeger van valken voor de jacht; want, zooals gij

gezien hebt, vreest hij volstrekt niet om veel grootere tegenstanders

aan te vallen.

Bovendien leert hij gehoorzamen.

—Maar de arenden zijn toch sterker dan de valken?

—De arenden zijn roofvogels, die den goeden naam niet verdienen, welken

de dichters getracht hebben hun te geven; alhoewel zij veel sterker

zijn, betoonen zij veel minder moed dan de valken en vallen zij slechts

dieren van geringe grootte aan.

—Maar de arend is toch wel de koning der vogels; hij kan de zon toch

in 't gelaat zien.

—Ja, dank zij een vlies, dat over den oogappel kan getrokken worden.

Bij alle volkeren vertegenwoordigt de arend het zinnebeeld van kracht en

moed; dat neemt evenwel niet weg, dat de valk in veel hooger mate dan

hij de laatste dezer eigenschappen bezit; voor de vogelkundigen is hij

de koning der vogels. Zooals gij weet, verbeelden de Mexicanen op hunne

vlag een arend, die op een cactus zittende, eene slang verslindt.

—Is dat ook als zinnebeeld van kracht en moed?

—Neen; toen de Asteken, die men meent, dat uit het Noorden van Amerika

hun oorsprong hebben, in Mexico (dat toen den naam van Anahuac droeg)

aankwamen, zwierven zij langen tijd rond, alvorens zich te vestigen.

Eens ontdekten zij bij een meer eene cactus, die op een rots groeide,

en op de cactus een arend. Door een orakel geleid, bouwden zij op die

plaats eene stad, welke eerst den naam van Tenochtitlan[26] en later

dien van Mexico droeg.

[26] Steen en cactus.

Mijne geschiedkundige les werd onderbroken door eene verwijderde

losbranding. Sedert lang reeds zwegen de Chibicoyos, en wij verwachtten

dat wij eenigen aan onzen reisgezel, die in zijne vervolging eenen

grooten omweg had moeten maken, althans te oordeelen naar de richting

waaruit zijn schot klonk, zouden zien verschijnen. Gelukkig maakte de

gesteldheid van het terrein, dat hij onmogelijk kon verdwalen; maar al

hadden wij ook vertrouwen in zijne kennis, toch vreesden wij voor zijn

jachtijver.

Wij bleven op de loer staan, hopende dat het toeval ons een of ander

stuk wild zou toevoeren. Eensklaps bewoog het gras aan onze rechterhand

en de golvingen verrieden de aanwezigheid van een kruipdier. Weldra

zagen wij dan ook eene slang, die de Indianen, evenals weleer de

Grieken, slang met twee koppen noemen, zich naar den poel begeven. De

amphisbena[27], die anderhalf voet lang was, had een, aan het uiteinde

opgezwollen staart, wat haar een vreemd uiterlijk en een zonderlinge

beweging gaf. De met breede schubben bedekte huid had een blauwen

weerschijn. Zij kroop langzaam voort en hield telkens stil, als om in

den grond te pikken, maar in werkelijkheid om er de mieren en insecten

op te slikken. Deze zonderlinge slang trok zeer de aandacht van Lucien

en Sumichrast ried hem aan zijn geweer er op te lossen, ten einde haar

van naderbij te kunnen beschouwen. Hij behoefde zijn raad geen twee maal

te herhalen; de jeugdige jager, die reeds goed met zijn wapen begon

om te gaan, legde aan; het schot viel en de slang verdween, omhoog

springende, in het gras. Zij was geraakt en een ieder haastte zich de

rots af te dalen, in de hoop haar dood te vinden. Ons zoeken leidde tot

niets; het kruipdier had zich in een of ander gat verscholen, waaruit

wij tevergeefs zouden getracht hebben het te verwijderen.

[27] Amphisbena is de naam der wroetslangen, waartoe ook de

dubbelkopslang behoort. Zij vormen den overgang tusschen de

hagedissen enz. en de slangen; bij sommige soorten treft men nog

zeer korte pooten aan. (N. v. d. V.)

Daar vertoonde zich Gringalet, die weldra door den Encuerado gevolgd

werd. Toen de Indiaan ons bemerkte, liet hij een verschrikkelijk hioe!

hioe! hooren; zijn hoed vloog in de lucht en hij wierp een zwaar

voorwerp dreunend op den grond neer en begon toen te dansen. Zijne

zonderlinge bewegingen deden ons schateren van 't lachen en Lucien liep

op den Indiaan toe, die nu zijn dansen veranderde in buitelingen, op het

gras den kunstenmaker vertoonende.

»Een kalkoen!” riep hij ons toe.

De zware vogel met goudgroen gevederte ging van hand tot hand.

»Oh, Chanito! riep de Indiaan uit, als gij met mij meê waart gegaan,

zoudt gij er een ganschen troep van gezien hebben! Ik had die leelijke

chibicoyos vervolgd zonder ze zelfs te zien en ik was aan den voet

van een boom gaan rusten, toen Gringalet de ooren opstak, naar den

anderen kant van den berg liep en begon te blaffen, alsof hij een

tweede stekelvarken zag. Ik ging op mijne beurt naar omlaag en daar

weerklonken van alle kanten _gloe-gloes_; baas Gringalet was midden in

eene raadsvergadering van kalkoenen gevallen.”

—Eene raadsvergadering van kalkoenen? herhaalde Lucien.

—Ja, Chanito, de kalkoenen houden ook raad; zij reizen gewoonlijk bij

troepen en te voet, ofschoon zij zeer goed kunnen vliegen om eene rivier

over te trekken of te vluchten. Als nu een hunner aan de anderen een

bericht wil mededeelen, laat hij een schreeuw hooren en zijne makkers

vormen een kring om hem.

—En dan?

—De predikant, hervatte de Encuerado zonder de minste oneerbiedige

bedoeling, buigt den hals, richt dien weder op, steekt de veeren van

zijn bef op en spreidt de pennen van zijn staart als een waaier uit;

daarna begint hij tot de vergadering te spreken, die de vleugels opent,

een rad slaat en met goedkeurende _gloe-gloes_ antwoordt.

De Indiaan, door het vuur van zijn verhaal medegesleept, voegde de

gebaren bij de woorden, draaide in de rondte, boog zijn armen rond en

bracht zijn kin op de borst om de beweging van de vogels, die hij

beschreef, na te bootsen.

»Maar wat zeggen zij dan?” vroeg Lucien slim.

—Dat hangt er van af, hernam de Indiaan, aan zijn voorhoofd

krabbelende. De troep, door Gringalet verrast, heeft zeker gezegd:

Wat is dat voor een dier?—Een hond, zal de geleerdste geantwoord

hebben.—Vrienden, laat ons de vlucht nemen. De honden zijn altijd

vergezeld van menschen, en de menschen van geweren.—Een geweer! Wat is

dat voor een ding?—Een ding, dat _poem_ doet! en de kalkoenen doodt.

Daarop kwam Gringalet; dat was een dringen en een vluchten en een

wegbergen; maar de Encuerado heeft den tijd gehad om _poem!_ te doen

en dien mooien _totole_ te dooden.

Men behoeft niet te vragen of dit verhaal onze vroolijkheid gaande

maakte. Terwijl wij naar het bivak terugkeerden, vertelde Sumichrast

aan Lucien, dat de kalkoen uit Amerika voortkomt, dat de Jezuïeten

hem naar Europa overbrachten, waar hij goed gedijde. In den tammen

staat is het gevederte van den kalkoen veel van kleur veranderd; het

is rood, wit, grijs en zwart geworden. Maar wat hij niet verloren

heeft, is zijne gewoonte om in troepen te gaan en zijn vormloos nest

in de struiken te maken, dat de jongen den tweeden dag nadat zij

uitgekomen zijn, verlaten. Eindelijk wordt de Asteeksche naam van den

kalkoen—totole—door de Indianen toegepast op domme en laffe menschen.

Lucien vertelde op zijne beurt aan den Encuerado de geschiedenis van den

ekster en van de slang.

»Hebt gij een maquizcoatl, een slang met twee koppen, gedood!” riep de

Indiaan uit.

—Ik heb haar hoogstens gewond, daar zij ontsnapt is; maar zij had

slechts één kop.

—Dan hebt gij haar niet goed aangezien; ik ben er zeker van, dat zij

zich niet heeft behoeven om te keeren om te vluchten.

—Ik heb haar omhoog zien springen, dat is al.

—Hebt gij wel onder de steenen gezocht? Laat ons terugkeeren; de huid

van de maquizcoatl geeft den blinden het gezicht weer. Waarom hebt gij

haar laten ontsnappen?

—Wij zullen er wel eene andere vinden.

—Men vindt ze niet als men wil,—zij zijn zeldzaam, hernam de Indiaan,

het hoofd schuddende.

En terwijl de kalkoen voor het vuur braadde, ging de Encuerado door

Lucien vergezeld, het gat van de tweekopslang opzoeken.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 30 / 54 题