XII.

EEN NABESTAANDE VAN GRINGALET.—EEN GIDS OP VIER POOTEN.—DE

INSPECTIE.—DE CROCODIL-SCHILDPAD.—DE FAZANTEN.—DE MAGNOLIA.—DE

MUSKAATBOOM.—HET BLAUWE GRAS.—DE RUPS.

De zon ging onder; het was dus het raadzaamst, dat wij ons bivak van

den vorigen dag weer gingen opzoeken en het opsporen van den overgang,

dien wij dezen dag tevergeefs hadden gezocht, tot den volgenden dag

uitstelden. Trouwens het gezicht van den waterval had ons voldoende

schadeloos gesteld voor deze nuttelooze wandeling; toen dit besluit

genomen was, keerden wij weer terug onder het peuzelen van onze

goyava-vruchten.

De karavaan trok dus opnieuw en op goed geluk het bosch in, zonder zich

te ver van den stroom te verwijderen. Het scheen ons twee of driemalen

toe, alsof wij den plek bereikt hadden, waar wij den oever hadden

verlaten; maar wij kwamen weldra weer in onontwarbaar kreupelhout

terecht. De tijd ging voorbij en ik meende dat wij het doel reeds

voorbij waren. Zooals het in dergelijke vallen meestal gebeurt, waren de

gevoelens verdeeld. Een vos, die zich onder het bereik van het geweer

vertoonde, brak de woordenwisseling af; ik schoot op het dier, dat

neerviel. Het wilde, op het geblaf van Gringalet, opnieuw opstaan,

opende bij onze nadering zijn met witte tanden gewapenden bek, schoot

uit zijne gele en schitterende oogen een kwaadaardigen blik op ons en

viel levenloos neer. Het was een prachtig dier, in alle opzichten gelijk

aan zijne soortgenooten in Europa.

Door een zonderling toeval liet een raaf boven ons een vreeselijk

gekras hooren, op het oogenblik dat de vos stierf.

»Ziedaar een raaf, die ons bedankt, dat wij hem van meester vos bevrijd

hebben,” sprak Sumichrast tot Lucien.

De knaap lachte om de scherts. Niettegenstaande onze raadgevingen, wilde

de Encuerado het dier, waarvan hij de huid wilde bewaren, stroopen.

Gelukkig was hij in dat soort van werk zeer vlug; het duurde dan ook

niet lang of de schoone pels rustte op zijn arm, in afwachting dat zij

de buitenzijde van de mars zou versieren, om te drogen.

»Ik hoop dat gij de verwantschap van meester vos reeds zult herkend

hebben,” sprak Sumichrast tot Lucien.

—Ja, door de kleur en den vorm gelijkt hij op den coyoot.

—Gij hebt gelijk, maar de coyoot en hij zijn neefjes van Gringalet.

—Dat zou ik niet gezegd hebben; Gringalet heeft kort haar, hij is zwart

en wit gevlekt en heeft grijze oogen.

—Dat zijn bijkomende kenmerken; Gringalet is de type van de

vleeschetende dieren, welke de natuurkundigen teenloopers of

_digitigraden_ noemen.

—Is Gringalet een teenlooper? sprak Lucien lachend.

—Wel zeker, dat wil zeggen dat hij op de teenen en niet op de voetzolen

loopt, juist zooals meester vos, wiens tandstelsel volkomen gelijk is

aan dat van Gringalet. Het voornaamste verschil dat tusschen beiden

bestaat, is, dat de vos oogen heeft, welke ingericht zijn om des nachts

te kunnen zien, welke eigenschap Gringalet niet in denzelfden graad

bezit.

—Bestaan er wilde honden?

—'t Is waarschijnlijk, alhoewel het punt betwist wordt. Maar de hond,

die metgezel van den mensch, is in den staat van huisdier zoozeer

gewijzigd, dat wij moeite zouden hebben om hem in den wilden staat te

herkennen. In elk geval zijn de coyoot, de vos en de wolf slechts

soorten van wilde honden.

Wij kwamen andermaal in het kreupelhout terecht zonder een spoor van

onzen doortocht te kunnen vinden. Het werd hoog tijd dat wij ons

uitgangspunt terugvonden. Ik merkte op dat Gringalet, in plaats van om

ons heen te huppelen, zooals zijne gewoonte was, zonder ophouden achter

bleef, de ooren opstak en een klagend gehuil deed hooren.

»Drommels,” riep ik uit, »als wij Gringalet eens voor gids namen?”

Zoodra het dier zijn naam hoorde, kwam het naar mij toe. Ik streelde

het.

»Komaan, zeg eens tegen uw hond, dat hij ons naar het bivak brengt,”

sprak ik tot Lucien.

—Naar het bivak! naar het bivak! riep de knaap uit, terwijl hij het

dier aanhaalde.

Gringalet snoof, alsof hij het werkelijk begrepen had, de lucht op

en ging vooraan. Mij dacht, dat hij ons langs een langen omweg

achteruit voerde. Niettegenstaande de Encuerado onophoudelijk van de

goyava-vruchten at, boog hij toch onder zijne vracht, Sumichrast, wiens

hand al meer en meer opzwol, schertste nog maar bij tusschenpoozen.

Lucien, hoewel vermoeid, liep steeds door, telkens zijn hond

toeroepende:

»Naar 't bivak! naar 't bivak!”

Allengs werd het geraas van den stroom duidelijker; onze gids begaf

zich onder het kreupelhout. Terwijl wij de takken, die ons den weg

versperden, afhakten, bleef Gringalet, met opstaande ooren en een

opgeheven poot wachten. Eindelijk vertoonde zich de hut, door onze

vreugdekreten en het geblaf van den hond begroet, dien iedereen als om

strijd liefkoosde.

Een vreemd iets; ik zag met aandoening de plaats van het kampement

terug, waaraan ik een eeuwig vaarwel dacht gezegd te hebben. Die half

uitgedoofde stukken hout, dat afdak, door ons opgericht, maakten op mij

de uitwerking als van eene vondst. Sumichrast verklaarde denzelfden

indruk te hebben ontvangen. Lucien, op zijne beurt ondervraagd zijnde,

verklaarde dat zijne eerste beweging was geweest een Indiaan in de hut

te zoeken.

Maar Gringalet? Had hij ons dan begrepen? Zij, die de slimheid van de

honden op de proef hebben gesteld, zullen er niet aan twijfelen. Het

woord _bivak_, sedert ons vertrek ontelbare malen herhaald, heeft het

oor en het geheugen van het dier zoodanig moeten treffen, dat het voor

hem dezelfde beteekenis verkreeg als rust en maaltijd.

Den volgenden morgen waren wij bij het aanbreken van den dag reeds

op weg, en volgden wij langzaam den loop der rivier opwaarts. De nog

altijd pijnlijke hand van Sumichrast liet hem nog niet toe, zich van

zijn geweer te bedienen; de Encuerado, alhoewel voor vier-en-twintig

uuren misvormd, behield evenwel het volle gebruik zijner ledematen.

De pasbeginnende reiziger is zonder ophouden aan zulke ongevallen

blootgesteld. Te midden eener onbekende natuur verplaatst, geeft hij toe

aan de behoefte om een blad af te trekken, een tak te schudden, eene

bloem te plukken; maar de straf volgt spoedig en soms verschrikkelijk;

uren van angst doen soms voor de onschuldige afgetrokkenheid van eene

seconde boeten. De gevaren zijn in het midden der wilde wereld zoo

talrijk, dat er meer moed toe behoort dan men gewoonlijk meent, om ze

te durven onderstaan. Iedere ontdekker moet zich op zware beproevingen

voorbereiden. Allengs komt de ondervinding te hulp aan hem, die

geestkracht genoeg bezit om vol te houden. Hij leert met een oogopslag

den boom herkennen, dien men moet vermijden, het gras, waarop men niet

treden moet, de slingerplant, waarvan men de aanraking moet ontwijken,

de vrucht, die men niet moet proeven. Daarna wordt het beheerschte

lichaam gehard en gaat, zonder te klagen, daarheen, waar de ziel

het voert. Men staat elk oogenblik verbaasd over de sterkte van dat

armzalig omhulsel van vleesch, dat door een val gekneusd, door de

takken gezweept, door de doorns verscheurd, door de insecten verslonden

wordt en dat toch elken dag voortgaat met den dood, onder zijne

afschrikwekkendste gedaanten—vergif, venijn, duizelingen,

slapeloosheid, honger en dorst—te trotseeren.

Ik had mijne reisgezellen in oogenschouw genomen en deze overwegingen

waren door mijne kortstondige inspectie bij mij opgekomen. Sumichrast,

groot van gestalte, met breede schouders, tegelijkertijd zachte maar

geestkrachtige trekken, een arm in een draagband, de kleeren aan

flarden, had zes of zeven schrammen in 't gelaat. Met de linkerhand

op een stok steunende, liep hij een weinig gebogen, met opgezwollen

hals, het hemd op de borst open, zwart en door de zon gebrand onder

zijn blonde haren. Achter hem, het geweer aan den draagriem over den

schouder, ook een weinig gebogen, met stevigen en vastberaden stap, het

voorhoofd met schrammen doorploegd, de handen gekwetst, vertoonde Lucien

zijne door insectensteken doorploegde borst. Toen hij mij voorbijging,

glimlachte hij, nam zijn hoed af, waaruit zijne goudblonde lokken

ontsnapten, en liet een vroolijk vivat hooren. Gringalet, nu verzoend

met de eekhoornvellen, liep naast zijn jongen meester. Eindelijk sloot

de Encuerado, met bloote armen en voeten en met goyava-vruchten beladen,

den marsch. De brave Indiaan trachtte, toen hij mij voorbijging, zijn

strooien hoed op te lichten, zijn gelaat helderde op en zijn glimlach

toonde mij een rij tanden, die waardiglijk met die van Gringalet konden

wedijveren. Voldaan over mijne inspectie, nam ik mijn geweer opnieuw op

den schouder, om de voorhoede weer in te nemen en mijne rol van

wegwijzer te vervullen.

Langzamerhand werden de oevers van het ravijn met hout bedekt en de

afdaling liep zonder ongeval ten einde.

Ik liep vervolgens den oever langs om eene doorwaadbare plek te

vinden. Eindelijk veroorloofde eene bocht, waar het water kalm en stil

voortvloeide, ons om zonder ongeval de rivier over te steken. Ik stelde

toen voor halt te houden. In onze nabijheid verhieven zich hooge rotsen,

met mos bedekt, die het water, bij zijn was, moest bespoelen; voor ons

was een zacht hellende dam, met gras begroeid,—eene weide aan den oever

van een meer.

Wij bestegen den dam, toen een voorwerp, dat wij niet goed konden

onderscheiden, zich aan den zoom van het woud vertoonde, als 't ware

over het gras rolde en naar ons toe kwam. Het was een reusachtige

schildpad, maar een schildpad, die in snelheid met eene haas had kunnen

wedijveren. De Encuerado wilde haar den weg versperren, maar werd

omvergeworpen. Sumichrast, zijne pijnlijke hand vergetende, gaf het dier

een slag met zijn geweerkolf, zonder andere uitkomst evenwel, dan dat

hij den gang van het dier wat vertraagde. De Indiaan, woedend over zijn

ongeval, ontdeed zich van zijne last en kwam met de looppas aanstormen;

door onze vereenigde pogingen slaagden wij er in het dier, op twintig

voet van de rivier, op den rug te krijgen.

Lucien, die door deze worsteling en door de grootte van de schildpad

een weinig verschrikt was, naderde nu om haar te bezichtigen. Ik hield

hem op een afstand van het dier, dat zijne groote pooten, die met

verschrikkelijke klauwen gewapend waren, woedend heen en weer sloeg,

terwijl het zijn bek, een soort van hoornachtigen snavel, dreigend

opensperde.

»Het is een _galapago_, zeide de Encuerado, en slechts goed om gedood te

worden.

De chelonier,[24] dien de geleerden alligator- of crocodil-schildpad

noemen, mat minstens een meter van den kop tot aan den staart. Deze

laatste, alleen bijna zoo lang als het overige lichaam, droeg eene

driedubbele rij van schubachtige stekels, die als tanden er in waren

geplant. De grijze, ruwe en geschubde huid van het kruipdier vormde

in den hals kussens van een afstootend uiterlijk, men zou ze voor

ziekelijke uitwassen hebben gehouden. Het afzichtelijke dier keerde ons

zijn gapenden bek toe. De schildpadvisschers zijn zeer bevreesd voor de

_galapagos_, die, vlugger dan de gewone schildpadden, met hunne scherpe

nagels of hoornachtige kaken vreeselijke wonden toebrengen. Men zegt,

dat het vleesch ongezond en taai is, maar ik geloof dat dit alleen

vooroordeel is.

[24] Cheloniers is de wetenschappelijke naam, dien men aan de familie

der schildpadden geeft. (N. v. d. V.)

Op het punt van te vertrekken, wilde de Encuerado het kruipdier den

kop afhouwen. Sumichrast verzette zich tegen dezen nutteloozen moord

en dacht er zelfs aan om de schildpad weer op haar pooten te zetten.

De Indiaan wilde voor dat goede werk zijne hulp niet verleenen; hij

beweerde, dat een ratelslang en een galapago in 't leven laten,

op hetzelfde neerkwam. Tot twee of driemalen toe had het dier ons

medelijden bijna met een beet beloond; want zoodra naderden wij niet, of

het draaide zich op zijn rugschild rond. Wij wilden het juist aan zijn

lot overlaten, toen het zich, door het terrein geholpen, weer op den

buik bevond, en nauwelijks was het omgekeerd of het kwam op Lucien los.

De groote kussens van den hals, die zich ontplooiden, brachten den

kop meer naar voren; door een enkelen houw met zijn machete sloeg de

Encuerado den aanvaller den kop af. Toen vertoonde zich een vreemd

verschijnsel, dat een sterken indruk op ons maakte. Terwijl Gringalet

woedend tegen den kop tekeer ging, gingen de pooten voort met zich te

bewegen en sleepten den romp mede, die weldra onder het water verdween.

Al hadden wij ook dikwijls schildpadden wonden zien overleven, die men

zou meenen dat doodelijk moesten zijn, zoo stonden wij nu toch verstomd

over de kracht van het zenuwstelsel, die zich bij dit dier voordeed.

»Komaan, beste vriend, tracht nu eens zonder kop te zwemmen en pas op

dat je je huis niet tegen de rotsen stuk slaat!” riep de Indiaan uit.

»Wat! de vader redt je het leven en je wilt zijn zoon verwonden! Gij

hadt mij niet gezien of ge dacht er niet aan dat ik ook bijten kon.

Goede reis en houd je goed.”

Men ziet het, de Indiaan was geen edelmoedige vijand; maar hij had reden

om zich over de galapagos te beklagen, die hem eens, toen hij aan 't

baden was, bijna eene hand hadden afgebeten.

De met gras begroeide oever bracht ons weldra in het diepe woud. Wij

marcheerden sedert een uur door een doolhof van reusachtige boomen, op

een kalen en vetten grond—want slechts bij het naderen der lichtingen

wordt de aarde met gras bedekt,—toen de Encuerado den schreeuw van een

fazant hoorde.

»Laat ons naar links afslaan, om dichter bij het wild te komen,” sprak

Sumichrast zachtjes, »en laat ons vooral de bladeren niet in beweging

brengen.”

»Wij zijn op den goeden weg,” mompelde de Encuerado, »luistert.... ik

sta er borg voor, dat gij hem voor uw maaltijd zult hebben.”

De Indiaan zette zijne vracht neer, waarvan Sumichrast en Lucien de

bewaking op zich namen, terwijl ik hem volgende achter de boomen

verdween. Weldra ging mijn makker mij vooruit en bootste den

roepschreeuw van de vogels, die wij vervolgden, na, ten einde hen aan

te sporen om zelven te schreeuwen en ons zoodoende hunne schuilplaats

te ontdekken. De nabootsing werd zoo volkomen, dat ik met den neus in

den wind, voortliep, om onverwacht op den Encuerado te vallen, die in

hinderlaag lag; zulk eene misrekening overkwam mij nogal dikwijls, zelfs

met Sumichrast, die bijna even goed als de Indiaan, de geluiden der

verschillende dieren wist na te bootsen. Een laatste schreeuw lokte op

honderd pas van ons een antwoord uit en in den top van een niet hoogen

eik zaten drie groote fazanten met een zwart gebronsd gevederte.

Ineengedoken en achter de boomen voortkruipende, kwam ik bij den

Encuerado, het oog steeds gevestigd op de vogels, die, op de dikke

takken gezeten, onrustig hun halzen uitrekten en schenen te luisteren.

Twee geweerschoten knalden tegelijkertijd; een der vogels viel voor

onze voeten neer, de twee anderen vlogen weg; maar terwijl de eene zich

boven de boomtoppen verhief, moest de andere, die gewond was, zijn

makker alleen laten wegvliegen. Ik vervolgde hem zoo snel mogelijk

en beschouwde hem reeds als eene zekere buit. De arme vogel kwam op

den grond terecht en trachtte tevergeefs te loopen. Een vijftig pas

scheidden mij er nauwelijks van, toen een tijgerkat met donker vel te

voorschijn sprong, den fazant beetpakte en er mede verdween, eer ik

den tijd had om van mijne verbazing te bekomen. De strooper werd door

den Encuerado, die van mijne misrekening getuige was, voor schelm en

afzetter uitgescholden.

Lucien beschouwde den fazant, die bijna zoo groot als een kalkoen was,

maar wiens donker gevederte volstrekt niet beantwoordde aan de fraaie

voorstelling, die hij er zich van gemaakt had. Hij vond den kop te klein

voor het lichaam van den vogel, wiens naakte en wratachtige wangen,

zooals hij zeide, er uitzagen alsof het dier twee pleisters van een

schildpadhuid droeg:—welke opmerking niet van juistheid ontbloot was.

Zoover mij bekend is, bezit Mexico geene enkele der fraaie, veelkleurige

soorten uit Azië en Afrika.[25]

[25] Eigenlijke fazanten bezit Mexico niet; de door Biart vermelde vogel

is waarschijnlijk een Hoko-hoen of een op de Penelope-hoenders

gelijkende vogel geweest (_N. v. d. V._)

Tegen twee uur in den middag maakte Lucien de opmerking, dat de boomen

dunner begonnen te staan, wat op eene lichting of op den voet van een

berg duidde. Sumichrast vroeg hem, als belooning voor zijne goede

opmerking, dat hij als wegverkenner zou vooruitgaan. Trots op deze

zending, waarnaar hij altijd hunkerde, bracht onze jeugdige gids ons op

eene opene plek, die op korten afstand een grooten, met hout begroeiden

wal liet zien.

»Halt!” riep ik uit.

De geweerkolven vielen op dit bevel op den grond; de hut werd opgebouwd

en de Encuerado maakte het wild klaar, dat, al waren de kleuren ook niet

schitterend, daarom geen minder geurig gebraad opleverde dan zijne

verwanten uit Europa.

Sumichrast, die door zijne pijnlijke hand nog altijd tot werkeloosheid

veroordeeld was, bleef bij den Indiaan, terwijl ik, in gezelschap van

Lucien en Gringalet, de omgeving van onze woning ging verkennen. Bij

de eerste schrede zagen wij reeds een _Yoloxochitl_, eene soort van

Magnolia. Ik riep den Encuerado, die dadelijk in den boom klom om

ons eenige van de fraaie, welriekende bloemen te plukken, welke van

buiten roodachtig wit en van binnen geel van kleur zijn, en waarvan de

bloembladen, eer zij uitkomen, den vorm van een hart hebben en bij het

opengaan eene prachtige ster vertoonen. De Indiaan bleef niet in gebreke

ons te herinneren, dat een aftreksel van de glinsterende bladeren van

de Yoloxochitl een middel tegen buikloop is; dat haar bloemen, zooals

de vorm aanduidt, dienen om hartkloppingen te doen bedaren en dat

de schors, wat hare koortsdrijvende eigenschappen aanbetreft, met

die van den Kinaboom kan wedijveren. Een weinig verder zagen wij

een muskaatboom, een heestergewas van ongeveer drie meter hoogte en

volgeladen met nauwelijks gezette vruchten. In Mexico oogst men geen

muskaatnoten, trouwens is de boom, die ze voortbrengt, vrij zeldzaam.

Evenwel verbruiken de Indianen eene ongeloofelijke hoeveelheid

muskaatnoten uit de Molukken, hetzij als geneesmiddel, hetzij om de

spijzen te kruiden; de muskaatnoot, de kamfer en de duivelsdrek zijn de

drie voornaamste geneesmiddelen der Indianen. Ik toonde vervolgens aan

mijn kleinen reisgezel eene plant, die men het _blauwe gras_ noemt, en

waarvan de bladeren het water, waarin men ze dompelt, met eene fraaie

blauwe kleur tinten. Men verbouwt in Mexico eene verscheidenheid van dit

gewas om er de kleurende zelfstandigheid, gewoonlijk _indigo_ genoemd,

uit te trekken.

—Maar hoe legt men het aan, vroeg Lucien, om uit een grasgewas die

donkerblauwe steenen te halen, welke ik op de markt heb zien verkoopen?

—Ongeveer half Maart, antwoordde ik, oogst men de nieuwe bladeren van

den indigostruik, een heester tot de familie der leguminosen, peul- of

hulsplanten behoorende, en men stampt ze in een boomstronk, die als een

mortier is uitgehold, fijn.

Het sap, dat deze bladeren, die aan eene sterke drukking onderworpen

worden, opleveren, is groenachtig, soms zelfs kleurloos, het wordt eerst

blauw tengevolge eener gisting in de open lucht. De Indianen laten het

dan in groote ketels kooken; het water verdampt en de indigo slaat in

den vorm van een week en lijmachtig deeg neer, dat men dan aan de zon

blootstelt, om het te doen drogen.”

Toen ik bij den voet van den berg gekomen was, zag ik, dat het ons

onmogelijk zou zijn dien den volgenden dag te beklimmen, zoo steil was

de helling. Ik ging op een omgevallen boomstam zitten, toen ik eensklaps

getroffen werd door een zeer sterke rozengeur. Lucien ontdekte onder

de schors van den boom vijf of zes fraaie kevers, van een azuurblauwe

kleur en met roode pooten, die in de zandachtige streken van Tehuacan

veelvuldig aangetroffen worden en waarvan de dames uit die omgeving zich

bedienen om het linnengoed welriekend te maken. Verrukt over zijne

vondst, vervolgde Lucien zijne opsporingen, in de hoop zich een grooter

aantal van deze fraaie insecten te kunnen verschaffen, die hij voor

zijne moeder wilde meenemen. Hij was gaan knielen en werkte met allen

ijver, toen hij mij met den vinger eene groote rups aanwees, welke over

het gras kroop en naar hem toekwam.

De rups, van eene smaragdgroene kleur, droeg op den rug eene rij kleine,

regelmatig geplaatste boompjes. De stam en de takken, van een levendig

rood, eindigden in vertwijgde punten, van dezelfde kleur als het lichaam

van het dier.

—Wat een zonderling dier! riep Lucien uit. Men zou zeggen, dat het een

tuin op zijn rug draagt; waartoe dienen het die struiken?

—Dat weet men niet, en de vlinder, die uit deze rups zal ontstaan, zal

geen enkel spoor behouden van die zonderling geplaatste haren.

—Zal er van die rups een vlinder komen?

—Wel zeker, alle schubvleugelige insecten, waartoe de vlinders

behooren, leggen eieren waaruit rupsen komen, die meestal den boom of de

plant opeten, waarop zij uitgekomen zijn. Zoodra zij de grootte, die zij

hebben moeten, bereikt hebben, spinnen zij een omhulsel of cocon van

meer of minder goede zijde, waarin zij zich opsluiten. Zij dragen dan

den naam van poppen. In dezen cocon vormt zich de vlinder, wit of zwart,

geel of groenachtig; hij blijft in zijn cocon ingebakerd als een kind in

de luiers. In de lente wordt de zijden gevangenis doorgeknaagd en weldra

ziet men er een prachtigen vlinder uitkomen, die met zijn slurf het sap

der bloemen zuigt. Kendet gij dan al die gedaanteverwisselingen niet?

—Ik dacht, dat zij alleen bij de zijdewormen plaats hadden.

—Dan weet ge nu beter; alle rupsen en alle vlinders ondergaan die, maar

er zijn veel rupsen, die niet zulke kostbare cocons weten te spinnen als

de zijdeworm; eenige graven zich in de aarde; andere verbergen zich in

een blad, waarvan zij de randen als een peperhuisje omkrullen, dat hen

voor den snavel der vogels beschermt, anderen graven eindelijk eene

woning in een boomstam en bekleeden die met eene meer of minder fraaie

zijde, waarin de pop het uur afwacht, waarop zij, van eene armzalige

rups, die met zuignappen gewapende pooten heeft, herleven zal met vier

in de heerlijkste kleuren schitterende vleugels.”

Het onderwerp was onuitputtelijk, maar ik stelde mijne verdere

uitleggingen tot een anderen dag uit. Bovendien riep de Encuerado ons

met luid geschreeuw.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 29 / 54 题