EEN NABESTAANDE VAN GRINGALET.—EEN GIDS OP VIER POOTEN.—DE
INSPECTIE.—DE CROCODIL-SCHILDPAD.—DE FAZANTEN.—DE MAGNOLIA.—DE
MUSKAATBOOM.—HET BLAUWE GRAS.—DE RUPS.
De zon ging onder; het was dus het raadzaamst, dat wij ons bivak van
den vorigen dag weer gingen opzoeken en het opsporen van den overgang,
dien wij dezen dag tevergeefs hadden gezocht, tot den volgenden dag
uitstelden. Trouwens het gezicht van den waterval had ons voldoende
schadeloos gesteld voor deze nuttelooze wandeling; toen dit besluit
genomen was, keerden wij weer terug onder het peuzelen van onze
goyava-vruchten.
De karavaan trok dus opnieuw en op goed geluk het bosch in, zonder zich
te ver van den stroom te verwijderen. Het scheen ons twee of driemalen
toe, alsof wij den plek bereikt hadden, waar wij den oever hadden
verlaten; maar wij kwamen weldra weer in onontwarbaar kreupelhout
terecht. De tijd ging voorbij en ik meende dat wij het doel reeds
voorbij waren. Zooals het in dergelijke vallen meestal gebeurt, waren de
gevoelens verdeeld. Een vos, die zich onder het bereik van het geweer
vertoonde, brak de woordenwisseling af; ik schoot op het dier, dat
neerviel. Het wilde, op het geblaf van Gringalet, opnieuw opstaan,
opende bij onze nadering zijn met witte tanden gewapenden bek, schoot
uit zijne gele en schitterende oogen een kwaadaardigen blik op ons en
viel levenloos neer. Het was een prachtig dier, in alle opzichten gelijk
aan zijne soortgenooten in Europa.
Door een zonderling toeval liet een raaf boven ons een vreeselijk
gekras hooren, op het oogenblik dat de vos stierf.
»Ziedaar een raaf, die ons bedankt, dat wij hem van meester vos bevrijd
hebben,” sprak Sumichrast tot Lucien.
De knaap lachte om de scherts. Niettegenstaande onze raadgevingen, wilde
de Encuerado het dier, waarvan hij de huid wilde bewaren, stroopen.
Gelukkig was hij in dat soort van werk zeer vlug; het duurde dan ook
niet lang of de schoone pels rustte op zijn arm, in afwachting dat zij
de buitenzijde van de mars zou versieren, om te drogen.
»Ik hoop dat gij de verwantschap van meester vos reeds zult herkend
hebben,” sprak Sumichrast tot Lucien.
—Ja, door de kleur en den vorm gelijkt hij op den coyoot.
—Gij hebt gelijk, maar de coyoot en hij zijn neefjes van Gringalet.
—Dat zou ik niet gezegd hebben; Gringalet heeft kort haar, hij is zwart
en wit gevlekt en heeft grijze oogen.
—Dat zijn bijkomende kenmerken; Gringalet is de type van de
vleeschetende dieren, welke de natuurkundigen teenloopers of
_digitigraden_ noemen.
—Is Gringalet een teenlooper? sprak Lucien lachend.
—Wel zeker, dat wil zeggen dat hij op de teenen en niet op de voetzolen
loopt, juist zooals meester vos, wiens tandstelsel volkomen gelijk is
aan dat van Gringalet. Het voornaamste verschil dat tusschen beiden
bestaat, is, dat de vos oogen heeft, welke ingericht zijn om des nachts
te kunnen zien, welke eigenschap Gringalet niet in denzelfden graad
bezit.
—Bestaan er wilde honden?
—'t Is waarschijnlijk, alhoewel het punt betwist wordt. Maar de hond,
die metgezel van den mensch, is in den staat van huisdier zoozeer
gewijzigd, dat wij moeite zouden hebben om hem in den wilden staat te
herkennen. In elk geval zijn de coyoot, de vos en de wolf slechts
soorten van wilde honden.
Wij kwamen andermaal in het kreupelhout terecht zonder een spoor van
onzen doortocht te kunnen vinden. Het werd hoog tijd dat wij ons
uitgangspunt terugvonden. Ik merkte op dat Gringalet, in plaats van om
ons heen te huppelen, zooals zijne gewoonte was, zonder ophouden achter
bleef, de ooren opstak en een klagend gehuil deed hooren.
»Drommels,” riep ik uit, »als wij Gringalet eens voor gids namen?”
Zoodra het dier zijn naam hoorde, kwam het naar mij toe. Ik streelde
het.
»Komaan, zeg eens tegen uw hond, dat hij ons naar het bivak brengt,”
sprak ik tot Lucien.
—Naar het bivak! naar het bivak! riep de knaap uit, terwijl hij het
dier aanhaalde.
Gringalet snoof, alsof hij het werkelijk begrepen had, de lucht op
en ging vooraan. Mij dacht, dat hij ons langs een langen omweg
achteruit voerde. Niettegenstaande de Encuerado onophoudelijk van de
goyava-vruchten at, boog hij toch onder zijne vracht, Sumichrast, wiens
hand al meer en meer opzwol, schertste nog maar bij tusschenpoozen.
Lucien, hoewel vermoeid, liep steeds door, telkens zijn hond
toeroepende:
»Naar 't bivak! naar 't bivak!”
Allengs werd het geraas van den stroom duidelijker; onze gids begaf
zich onder het kreupelhout. Terwijl wij de takken, die ons den weg
versperden, afhakten, bleef Gringalet, met opstaande ooren en een
opgeheven poot wachten. Eindelijk vertoonde zich de hut, door onze
vreugdekreten en het geblaf van den hond begroet, dien iedereen als om
strijd liefkoosde.
Een vreemd iets; ik zag met aandoening de plaats van het kampement
terug, waaraan ik een eeuwig vaarwel dacht gezegd te hebben. Die half
uitgedoofde stukken hout, dat afdak, door ons opgericht, maakten op mij
de uitwerking als van eene vondst. Sumichrast verklaarde denzelfden
indruk te hebben ontvangen. Lucien, op zijne beurt ondervraagd zijnde,
verklaarde dat zijne eerste beweging was geweest een Indiaan in de hut
te zoeken.
Maar Gringalet? Had hij ons dan begrepen? Zij, die de slimheid van de
honden op de proef hebben gesteld, zullen er niet aan twijfelen. Het
woord _bivak_, sedert ons vertrek ontelbare malen herhaald, heeft het
oor en het geheugen van het dier zoodanig moeten treffen, dat het voor
hem dezelfde beteekenis verkreeg als rust en maaltijd.
Den volgenden morgen waren wij bij het aanbreken van den dag reeds
op weg, en volgden wij langzaam den loop der rivier opwaarts. De nog
altijd pijnlijke hand van Sumichrast liet hem nog niet toe, zich van
zijn geweer te bedienen; de Encuerado, alhoewel voor vier-en-twintig
uuren misvormd, behield evenwel het volle gebruik zijner ledematen.
De pasbeginnende reiziger is zonder ophouden aan zulke ongevallen
blootgesteld. Te midden eener onbekende natuur verplaatst, geeft hij toe
aan de behoefte om een blad af te trekken, een tak te schudden, eene
bloem te plukken; maar de straf volgt spoedig en soms verschrikkelijk;
uren van angst doen soms voor de onschuldige afgetrokkenheid van eene
seconde boeten. De gevaren zijn in het midden der wilde wereld zoo
talrijk, dat er meer moed toe behoort dan men gewoonlijk meent, om ze
te durven onderstaan. Iedere ontdekker moet zich op zware beproevingen
voorbereiden. Allengs komt de ondervinding te hulp aan hem, die
geestkracht genoeg bezit om vol te houden. Hij leert met een oogopslag
den boom herkennen, dien men moet vermijden, het gras, waarop men niet
treden moet, de slingerplant, waarvan men de aanraking moet ontwijken,
de vrucht, die men niet moet proeven. Daarna wordt het beheerschte
lichaam gehard en gaat, zonder te klagen, daarheen, waar de ziel
het voert. Men staat elk oogenblik verbaasd over de sterkte van dat
armzalig omhulsel van vleesch, dat door een val gekneusd, door de
takken gezweept, door de doorns verscheurd, door de insecten verslonden
wordt en dat toch elken dag voortgaat met den dood, onder zijne
afschrikwekkendste gedaanten—vergif, venijn, duizelingen,
slapeloosheid, honger en dorst—te trotseeren.
Ik had mijne reisgezellen in oogenschouw genomen en deze overwegingen
waren door mijne kortstondige inspectie bij mij opgekomen. Sumichrast,
groot van gestalte, met breede schouders, tegelijkertijd zachte maar
geestkrachtige trekken, een arm in een draagband, de kleeren aan
flarden, had zes of zeven schrammen in 't gelaat. Met de linkerhand
op een stok steunende, liep hij een weinig gebogen, met opgezwollen
hals, het hemd op de borst open, zwart en door de zon gebrand onder
zijn blonde haren. Achter hem, het geweer aan den draagriem over den
schouder, ook een weinig gebogen, met stevigen en vastberaden stap, het
voorhoofd met schrammen doorploegd, de handen gekwetst, vertoonde Lucien
zijne door insectensteken doorploegde borst. Toen hij mij voorbijging,
glimlachte hij, nam zijn hoed af, waaruit zijne goudblonde lokken
ontsnapten, en liet een vroolijk vivat hooren. Gringalet, nu verzoend
met de eekhoornvellen, liep naast zijn jongen meester. Eindelijk sloot
de Encuerado, met bloote armen en voeten en met goyava-vruchten beladen,
den marsch. De brave Indiaan trachtte, toen hij mij voorbijging, zijn
strooien hoed op te lichten, zijn gelaat helderde op en zijn glimlach
toonde mij een rij tanden, die waardiglijk met die van Gringalet konden
wedijveren. Voldaan over mijne inspectie, nam ik mijn geweer opnieuw op
den schouder, om de voorhoede weer in te nemen en mijne rol van
wegwijzer te vervullen.
Langzamerhand werden de oevers van het ravijn met hout bedekt en de
afdaling liep zonder ongeval ten einde.
Ik liep vervolgens den oever langs om eene doorwaadbare plek te
vinden. Eindelijk veroorloofde eene bocht, waar het water kalm en stil
voortvloeide, ons om zonder ongeval de rivier over te steken. Ik stelde
toen voor halt te houden. In onze nabijheid verhieven zich hooge rotsen,
met mos bedekt, die het water, bij zijn was, moest bespoelen; voor ons
was een zacht hellende dam, met gras begroeid,—eene weide aan den oever
van een meer.
Wij bestegen den dam, toen een voorwerp, dat wij niet goed konden
onderscheiden, zich aan den zoom van het woud vertoonde, als 't ware
over het gras rolde en naar ons toe kwam. Het was een reusachtige
schildpad, maar een schildpad, die in snelheid met eene haas had kunnen
wedijveren. De Encuerado wilde haar den weg versperren, maar werd
omvergeworpen. Sumichrast, zijne pijnlijke hand vergetende, gaf het dier
een slag met zijn geweerkolf, zonder andere uitkomst evenwel, dan dat
hij den gang van het dier wat vertraagde. De Indiaan, woedend over zijn
ongeval, ontdeed zich van zijne last en kwam met de looppas aanstormen;
door onze vereenigde pogingen slaagden wij er in het dier, op twintig
voet van de rivier, op den rug te krijgen.
Lucien, die door deze worsteling en door de grootte van de schildpad
een weinig verschrikt was, naderde nu om haar te bezichtigen. Ik hield
hem op een afstand van het dier, dat zijne groote pooten, die met
verschrikkelijke klauwen gewapend waren, woedend heen en weer sloeg,
terwijl het zijn bek, een soort van hoornachtigen snavel, dreigend
opensperde.
»Het is een _galapago_, zeide de Encuerado, en slechts goed om gedood te
worden.
De chelonier,[24] dien de geleerden alligator- of crocodil-schildpad
noemen, mat minstens een meter van den kop tot aan den staart. Deze
laatste, alleen bijna zoo lang als het overige lichaam, droeg eene
driedubbele rij van schubachtige stekels, die als tanden er in waren
geplant. De grijze, ruwe en geschubde huid van het kruipdier vormde
in den hals kussens van een afstootend uiterlijk, men zou ze voor
ziekelijke uitwassen hebben gehouden. Het afzichtelijke dier keerde ons
zijn gapenden bek toe. De schildpadvisschers zijn zeer bevreesd voor de
_galapagos_, die, vlugger dan de gewone schildpadden, met hunne scherpe
nagels of hoornachtige kaken vreeselijke wonden toebrengen. Men zegt,
dat het vleesch ongezond en taai is, maar ik geloof dat dit alleen
vooroordeel is.
[24] Cheloniers is de wetenschappelijke naam, dien men aan de familie
der schildpadden geeft. (N. v. d. V.)
Op het punt van te vertrekken, wilde de Encuerado het kruipdier den
kop afhouwen. Sumichrast verzette zich tegen dezen nutteloozen moord
en dacht er zelfs aan om de schildpad weer op haar pooten te zetten.
De Indiaan wilde voor dat goede werk zijne hulp niet verleenen; hij
beweerde, dat een ratelslang en een galapago in 't leven laten,
op hetzelfde neerkwam. Tot twee of driemalen toe had het dier ons
medelijden bijna met een beet beloond; want zoodra naderden wij niet, of
het draaide zich op zijn rugschild rond. Wij wilden het juist aan zijn
lot overlaten, toen het zich, door het terrein geholpen, weer op den
buik bevond, en nauwelijks was het omgekeerd of het kwam op Lucien los.
De groote kussens van den hals, die zich ontplooiden, brachten den
kop meer naar voren; door een enkelen houw met zijn machete sloeg de
Encuerado den aanvaller den kop af. Toen vertoonde zich een vreemd
verschijnsel, dat een sterken indruk op ons maakte. Terwijl Gringalet
woedend tegen den kop tekeer ging, gingen de pooten voort met zich te
bewegen en sleepten den romp mede, die weldra onder het water verdween.
Al hadden wij ook dikwijls schildpadden wonden zien overleven, die men
zou meenen dat doodelijk moesten zijn, zoo stonden wij nu toch verstomd
over de kracht van het zenuwstelsel, die zich bij dit dier voordeed.
»Komaan, beste vriend, tracht nu eens zonder kop te zwemmen en pas op
dat je je huis niet tegen de rotsen stuk slaat!” riep de Indiaan uit.
»Wat! de vader redt je het leven en je wilt zijn zoon verwonden! Gij
hadt mij niet gezien of ge dacht er niet aan dat ik ook bijten kon.
Goede reis en houd je goed.”
Men ziet het, de Indiaan was geen edelmoedige vijand; maar hij had reden
om zich over de galapagos te beklagen, die hem eens, toen hij aan 't
baden was, bijna eene hand hadden afgebeten.
De met gras begroeide oever bracht ons weldra in het diepe woud. Wij
marcheerden sedert een uur door een doolhof van reusachtige boomen, op
een kalen en vetten grond—want slechts bij het naderen der lichtingen
wordt de aarde met gras bedekt,—toen de Encuerado den schreeuw van een
fazant hoorde.
»Laat ons naar links afslaan, om dichter bij het wild te komen,” sprak
Sumichrast zachtjes, »en laat ons vooral de bladeren niet in beweging
brengen.”
»Wij zijn op den goeden weg,” mompelde de Encuerado, »luistert.... ik
sta er borg voor, dat gij hem voor uw maaltijd zult hebben.”
De Indiaan zette zijne vracht neer, waarvan Sumichrast en Lucien de
bewaking op zich namen, terwijl ik hem volgende achter de boomen
verdween. Weldra ging mijn makker mij vooruit en bootste den
roepschreeuw van de vogels, die wij vervolgden, na, ten einde hen aan
te sporen om zelven te schreeuwen en ons zoodoende hunne schuilplaats
te ontdekken. De nabootsing werd zoo volkomen, dat ik met den neus in
den wind, voortliep, om onverwacht op den Encuerado te vallen, die in
hinderlaag lag; zulk eene misrekening overkwam mij nogal dikwijls, zelfs
met Sumichrast, die bijna even goed als de Indiaan, de geluiden der
verschillende dieren wist na te bootsen. Een laatste schreeuw lokte op
honderd pas van ons een antwoord uit en in den top van een niet hoogen
eik zaten drie groote fazanten met een zwart gebronsd gevederte.
Ineengedoken en achter de boomen voortkruipende, kwam ik bij den
Encuerado, het oog steeds gevestigd op de vogels, die, op de dikke
takken gezeten, onrustig hun halzen uitrekten en schenen te luisteren.
Twee geweerschoten knalden tegelijkertijd; een der vogels viel voor
onze voeten neer, de twee anderen vlogen weg; maar terwijl de eene zich
boven de boomtoppen verhief, moest de andere, die gewond was, zijn
makker alleen laten wegvliegen. Ik vervolgde hem zoo snel mogelijk
en beschouwde hem reeds als eene zekere buit. De arme vogel kwam op
den grond terecht en trachtte tevergeefs te loopen. Een vijftig pas
scheidden mij er nauwelijks van, toen een tijgerkat met donker vel te
voorschijn sprong, den fazant beetpakte en er mede verdween, eer ik
den tijd had om van mijne verbazing te bekomen. De strooper werd door
den Encuerado, die van mijne misrekening getuige was, voor schelm en
afzetter uitgescholden.
Lucien beschouwde den fazant, die bijna zoo groot als een kalkoen was,
maar wiens donker gevederte volstrekt niet beantwoordde aan de fraaie
voorstelling, die hij er zich van gemaakt had. Hij vond den kop te klein
voor het lichaam van den vogel, wiens naakte en wratachtige wangen,
zooals hij zeide, er uitzagen alsof het dier twee pleisters van een
schildpadhuid droeg:—welke opmerking niet van juistheid ontbloot was.
Zoover mij bekend is, bezit Mexico geene enkele der fraaie, veelkleurige
soorten uit Azië en Afrika.[25]
[25] Eigenlijke fazanten bezit Mexico niet; de door Biart vermelde vogel
is waarschijnlijk een Hoko-hoen of een op de Penelope-hoenders
gelijkende vogel geweest (_N. v. d. V._)
Tegen twee uur in den middag maakte Lucien de opmerking, dat de boomen
dunner begonnen te staan, wat op eene lichting of op den voet van een
berg duidde. Sumichrast vroeg hem, als belooning voor zijne goede
opmerking, dat hij als wegverkenner zou vooruitgaan. Trots op deze
zending, waarnaar hij altijd hunkerde, bracht onze jeugdige gids ons op
eene opene plek, die op korten afstand een grooten, met hout begroeiden
wal liet zien.
»Halt!” riep ik uit.
De geweerkolven vielen op dit bevel op den grond; de hut werd opgebouwd
en de Encuerado maakte het wild klaar, dat, al waren de kleuren ook niet
schitterend, daarom geen minder geurig gebraad opleverde dan zijne
verwanten uit Europa.
Sumichrast, die door zijne pijnlijke hand nog altijd tot werkeloosheid
veroordeeld was, bleef bij den Indiaan, terwijl ik, in gezelschap van
Lucien en Gringalet, de omgeving van onze woning ging verkennen. Bij
de eerste schrede zagen wij reeds een _Yoloxochitl_, eene soort van
Magnolia. Ik riep den Encuerado, die dadelijk in den boom klom om
ons eenige van de fraaie, welriekende bloemen te plukken, welke van
buiten roodachtig wit en van binnen geel van kleur zijn, en waarvan de
bloembladen, eer zij uitkomen, den vorm van een hart hebben en bij het
opengaan eene prachtige ster vertoonen. De Indiaan bleef niet in gebreke
ons te herinneren, dat een aftreksel van de glinsterende bladeren van
de Yoloxochitl een middel tegen buikloop is; dat haar bloemen, zooals
de vorm aanduidt, dienen om hartkloppingen te doen bedaren en dat
de schors, wat hare koortsdrijvende eigenschappen aanbetreft, met
die van den Kinaboom kan wedijveren. Een weinig verder zagen wij
een muskaatboom, een heestergewas van ongeveer drie meter hoogte en
volgeladen met nauwelijks gezette vruchten. In Mexico oogst men geen
muskaatnoten, trouwens is de boom, die ze voortbrengt, vrij zeldzaam.
Evenwel verbruiken de Indianen eene ongeloofelijke hoeveelheid
muskaatnoten uit de Molukken, hetzij als geneesmiddel, hetzij om de
spijzen te kruiden; de muskaatnoot, de kamfer en de duivelsdrek zijn de
drie voornaamste geneesmiddelen der Indianen. Ik toonde vervolgens aan
mijn kleinen reisgezel eene plant, die men het _blauwe gras_ noemt, en
waarvan de bladeren het water, waarin men ze dompelt, met eene fraaie
blauwe kleur tinten. Men verbouwt in Mexico eene verscheidenheid van dit
gewas om er de kleurende zelfstandigheid, gewoonlijk _indigo_ genoemd,
uit te trekken.
—Maar hoe legt men het aan, vroeg Lucien, om uit een grasgewas die
donkerblauwe steenen te halen, welke ik op de markt heb zien verkoopen?
—Ongeveer half Maart, antwoordde ik, oogst men de nieuwe bladeren van
den indigostruik, een heester tot de familie der leguminosen, peul- of
hulsplanten behoorende, en men stampt ze in een boomstronk, die als een
mortier is uitgehold, fijn.
Het sap, dat deze bladeren, die aan eene sterke drukking onderworpen
worden, opleveren, is groenachtig, soms zelfs kleurloos, het wordt eerst
blauw tengevolge eener gisting in de open lucht. De Indianen laten het
dan in groote ketels kooken; het water verdampt en de indigo slaat in
den vorm van een week en lijmachtig deeg neer, dat men dan aan de zon
blootstelt, om het te doen drogen.”
Toen ik bij den voet van den berg gekomen was, zag ik, dat het ons
onmogelijk zou zijn dien den volgenden dag te beklimmen, zoo steil was
de helling. Ik ging op een omgevallen boomstam zitten, toen ik eensklaps
getroffen werd door een zeer sterke rozengeur. Lucien ontdekte onder
de schors van den boom vijf of zes fraaie kevers, van een azuurblauwe
kleur en met roode pooten, die in de zandachtige streken van Tehuacan
veelvuldig aangetroffen worden en waarvan de dames uit die omgeving zich
bedienen om het linnengoed welriekend te maken. Verrukt over zijne
vondst, vervolgde Lucien zijne opsporingen, in de hoop zich een grooter
aantal van deze fraaie insecten te kunnen verschaffen, die hij voor
zijne moeder wilde meenemen. Hij was gaan knielen en werkte met allen
ijver, toen hij mij met den vinger eene groote rups aanwees, welke over
het gras kroop en naar hem toekwam.
De rups, van eene smaragdgroene kleur, droeg op den rug eene rij kleine,
regelmatig geplaatste boompjes. De stam en de takken, van een levendig
rood, eindigden in vertwijgde punten, van dezelfde kleur als het lichaam
van het dier.
—Wat een zonderling dier! riep Lucien uit. Men zou zeggen, dat het een
tuin op zijn rug draagt; waartoe dienen het die struiken?
—Dat weet men niet, en de vlinder, die uit deze rups zal ontstaan, zal
geen enkel spoor behouden van die zonderling geplaatste haren.
—Zal er van die rups een vlinder komen?
—Wel zeker, alle schubvleugelige insecten, waartoe de vlinders
behooren, leggen eieren waaruit rupsen komen, die meestal den boom of de
plant opeten, waarop zij uitgekomen zijn. Zoodra zij de grootte, die zij
hebben moeten, bereikt hebben, spinnen zij een omhulsel of cocon van
meer of minder goede zijde, waarin zij zich opsluiten. Zij dragen dan
den naam van poppen. In dezen cocon vormt zich de vlinder, wit of zwart,
geel of groenachtig; hij blijft in zijn cocon ingebakerd als een kind in
de luiers. In de lente wordt de zijden gevangenis doorgeknaagd en weldra
ziet men er een prachtigen vlinder uitkomen, die met zijn slurf het sap
der bloemen zuigt. Kendet gij dan al die gedaanteverwisselingen niet?
—Ik dacht, dat zij alleen bij de zijdewormen plaats hadden.
—Dan weet ge nu beter; alle rupsen en alle vlinders ondergaan die, maar
er zijn veel rupsen, die niet zulke kostbare cocons weten te spinnen als
de zijdeworm; eenige graven zich in de aarde; andere verbergen zich in
een blad, waarvan zij de randen als een peperhuisje omkrullen, dat hen
voor den snavel der vogels beschermt, anderen graven eindelijk eene
woning in een boomstam en bekleeden die met eene meer of minder fraaie
zijde, waarin de pop het uur afwacht, waarop zij, van eene armzalige
rups, die met zuignappen gewapende pooten heeft, herleven zal met vier
in de heerlijkste kleuren schitterende vleugels.”
Het onderwerp was onuitputtelijk, maar ik stelde mijne verdere
uitleggingen tot een anderen dag uit. Bovendien riep de Encuerado ons
met luid geschreeuw.