EENE BLAUWE HAGEDIS.—DE INDIAANSCHE PEREBOOMEN.—DE BOOZE
VROUW.—NEST GELE SLANGEN.—EEN PLANTAARDIGE HELM.—DE IJSVOGEL.—DE
TROEPIALEN.—JACHT OP DRAAIKEVERS.—DE KIKVORSCHENLARVE.—EENE
VERZAMELING WANTSEN.
Op de onveranderlijke rijstsoep der groote dagen volgden de op den
vuurgloed gebraden reebouten, omgeven door aardappelen. De kostelijke
knolvrucht, in den wilden staat verzameld, herinnert slechts in de verte
aan den smaak van den gekweekten aardappel. In plaats van meelachtig
is zij week, doorschijnend en bijna zonder smaak. Dit nam evenwel niet
weg, dat wij er in smulden en alle eer bewezen aan het wildbraad, dat
de Encuerado goed met piment had ingewreven om den geur er van te
vermeerderen.
Terwijl wij eene sigaar rookten, die Sumichrast, naar gelang de
omstandigheden, de rust-, raad-, of spijsverteringspijp noemde, keerde
Lucien naar den struik terug, waarop hij de cicaden had gevonden, deed
er een grooten voorraad van op en vond nog eene derde soort, die de
gedaante van een triangel had met twee aan de basis zittende hoorns. Hij
liep naar ons toe om ons deze miniatuurstieren te laten zien en poogde
daarop, met een langen stok als hefboom gewapend, een grooten met mos
overdekten boomstronk op te heffen. Hij slaagde er niet zonder veel
moeite in, en zag toen tusschen den wortel verborgen, een fraaie
hagedis met groenachtigen rug en azuurblauwe keel en zijden, welke
verscheidenheid ons nog onbekend was. Het diertje, waarschijnlijk door
het licht verblind, liet zich pakken, boog daarop den kop omlaag en
beet den knaap in den vinger, die haar toen liet vallen. De Encuerado
pakte de vluchteling evenwel weer beet.
»Weet gij niet, dat de hagedissen geen kwaad doen? vroeg Sumichrast aan
Lucien.
—Daarom bijten ze dan zeker, hernam de knaap, zijne hand schuddende.
—Ja, antwoordde de natuurkundige, maar stel u gerust, hare beet is
nooit vergiftig.
De nacht kwam. Eene menigte insecten begonnen om het vuur te dwarrelen
en verbrandden zich de vleugels alsof het niets ware. Sumichrast
verzamelde op deze wijze verschillende nachtvlinders. Lucien wilde de
oorzaak kennen, die zooveel arme beestjes tot de vlam aantrok. Twee of
drie groote kevers kwamen, in plaats van zooals de andere insecten om
het vuur heen te vliegen, met groot geraas aansnorren en wierpen zich op
de gloeiende kolen.
—Zie eens waartoe de onbezonnenheid voert, sprak Sumichrast. Als wij
van af ons vertrek maar voort waren geloopen, zonder voor onze voeten te
zien, zouden wij lang op den bodem van een afgrond liggen.
—Maar de kevers en vlinders vliegen uit vrije verkiezing in de vlam,
antwoordde de Encuerado op zijn onverstoorbaren redeneertrant.
—Maar zij weten niet dat zij brandt, hernam ik.
—Dat is waar, mompelde de Indiaan op een medelijdenden toon, de arme
drommels kunnen geen vuur maken.
De vermoeidheid deed ons onze gemakkelijke jacht opgeven en wij sliepen
onder eene zoele lucht in, die ons te aangenamer was, als wij aan het
lijden van den vorigen nacht dachten.
Onze slaap werd onderbroken door het herhaalde geroep van eene schaar
sierlijke vinkvogels, door de Mexicanen »wekkers” (_despertadores_)
geheeten. De dag vertoonde zich ternauwernood en in spijt van de
voorspelling van den Encuerado had het niet geregend. De glans van het
opnieuw aangewakkerde haardvuur verdreef onze gevederde buren, maar dank
zij hun geschreeuw vond de eerste zonnestraal ons geheel voor de reis
gereed. Op het punt zijnde van te vertrekken, ontstond er eene nieuwe
woordenwisseling. Wij moesten over het ravijn en door den stroom.
De Encuerado zeide, dat wij de rivier op, een waadbare plek moesten
zoeken en dat was ook mijne meening. Sumichrast hield daarentegen
staande, dat wij veel meer kans hadden de oevers lager te zien worden,
als wij de tegenovergestelde richting volgden; zijne meening hield de
overhand en hij wees ons den weg, terwijl hij met zijn machete een pad
door het struikgewas baande.
Daar wij hardnekkig den rand van het ravijn volgden, kwamen wij slechts
met buitengewoon veel moeite vooruit. Het geraas van den stroom, die
grooter scheen te worden, trok ons naar het woud, waar de afwezigheid
van gras en kreupelhout ons toeliet vlugger te loopen.
De boomen begonnen dunner te staan en wij kwamen weer in het struikgewas
terecht, om eindelijk op eene vlakte uit te komen, die vol met
Indiaansche pereboomen stond. Deze struiken leverden ons eene menigte
nog groene vruchten op, waarop wij allen zeer verlekkerd waren. De
Encuerado maakte van dezen onverwachten oogst gebruik, om de ledige
plaatsen in zijne mars aan te vullen. De wilde goyavaboom of Indiaansche
pereboom is eene soort van myrth, die in het Gematigde Land overal in 't
wild groeit en eene hoogte van verscheidene meters bereikt. De vruchten,
die zelden rijp worden zonder door de vogels en insecten aangevreten te
zijn, hebben een smeltend, suikerachtig en zeer geurig vleesch, vol
pitten; men beschouwt ze als koortsverdrijvend en samentrekkend. De
gekweekte struik verandert van uiterlijk; de takken worden lang en komen
vol met bladeren, die aan den onderkant zilverachtig zijn en de vruchten
bereiken de grootte van een citroen, waarvan zij ook den vorm en de
kleur hebben.
Lucien, die van struik tot struik ging om de mooiste vruchten te
plukken, bewees ons, dat de lessen van zijn leermeester niet tevergeefs
waren geweest en dat hij goed in de boomen wist te klimmen.
Iedereen nam zijne vracht, waarvan hij zich een oogenblik ontdaan had,
weder op; maar toen de Encuerado zijne mars weer op den rug wilde nemen,
kon hij haar onmogelijk opheffen. Ik hielp hem en raadde hem aan ten
minste de helft van zijn oogst achter te laten, doch hij wilde mijn raad
niet opvolgen. Maar bij de eerste schreden, die hij deed, waggelde hij
als iemand, die dronken is en viel hij onder zijne last neer, terwijl de
goyavavruchten over den grond rolden.
Ons gelach kwetste de eigenliefde van den goeden Indiaan.
»Arme Jose-Marie!” riep hij uit, met ten hemel geheven handen. »Je wordt
oud. Wat een schande! niet eens meer een handje vol goyava's te kunnen
dragen. In je jonge jaren zouden drie zulke manden vol nog niet zwaar
genoeg zijn geweest om je knieën te doen buigen als een oud paard. Arme
Jose-Marie.”
De Encuerado overdreef wel een weinig zijne vroegere kracht, in elk
geval viel het hem zwaar om een groot gedeelte van de vruchten, die hij
verzameld had, achter te laten en ons aandringen vermeerderde nog zijne
teleurstelling. Om hem te troosten moest ik hem in herinnering brengen,
dat de goyavavruchten in vierentwintig uren bedorven zijn en dat zijne
mars er meer bevatte, dan wij konden opeten.
Sumichrast ging ons een twintigtal passen vooruit; eensklaps bleef hij
staan en deinsde achteruit. Toen ik bij hem was, peilden mijne blikken
een ontzaglijken afgrond, op welks bodem de rivier zich met groot geraas
uitstortte. Het water hoopte zich eerst zwijgend en als slapende in een
groot bekken op, wierp zich vervolgens tegen eene onmetelijke rots, om
dan weer loeiende en schuimende in twee takken te voorschijn te komen,
die, na zich vereenigd te hebben, duizenden watervallen vormden. De lust
bekroop ons om in den afgrond af te dalen, ten einde dit wonderschoon
tafereel van alle kanten te kunnen beschouwen.
Alvorens in het struikgewas te dringen, legden wij de doozen en
weitasschen af, want de onderneming vereischte al onze vlugheid.
Zoolang men zich aan de planten en heesters kon vastklampen, scheen het
neerdalen slechts een kinderspel; maar weldra betraden onze voeten een
rooden ijzerhoudenden grond, die door eene afstorting geheel kaal was
geworden. Sumichrast waagde zich het eerst op dit gevaarlijk terrein,
dat bij den derden pas onder hem instortte. Hij rolde de helling af,
klampte zich instinctmatig aan de eerste takken de beste, die hij
grijpen kon vast, welke hij onmiddellijk, onder het uiten van een kreet
weer los liet. Gelukkig hield een heester hem boven den afgrond tegen.
Ik sloeg mijn hakken diep in den lossen bodem, om mijn vriend hulp te
bieden, die, het gelaat door pijn samengetrokken, zijne rechter hand,
welke reeds geheel rood, opgezwollen en met witte blaren bedekt was,
naar mij ophief. De tak, dien hij in zijn val had vastgegrepen, behoorde
aan eene reusachtige brandnetel, die de Indianen _mala mujer_, booze
vrouw, noemen. Deze plant groeit slechts op vochtige oevers,—uit
boosaardigheid, zeide de Encuerado, ten einde eene kwade poets te
spelen aan den reiziger, naar wien hare verraderlijke groene stengels
en behaarde bladeren zich uitstrekken.
Het lijden van Sumichrast bedroefde ons, want wij kenden bij eigen
ondervinding de ondragelijke branding, welke de steken van de »booze
vrouw” veroorzaken.
[Illustratie: Een struik hield hem boven den afgrond tegen. (blz. 96).]
De Encuerado nam Lucien onder zijne hoede, terwijl ik den gewonde hielp
vooruitkomen. Wij wonnen, zonder te veel hindernissen, een weinig
terrein; maar weldra verhief zich een bosch van brandnetels voor ons.
Sumichrast en Lucien gingen zitten, terwijl ik, door den Encuerado
geholpen, met behulp van de machete een nauw en bochtig pad baande op
een bodem, waarvan de grillige slingeringen meer dan eens onzen arbeid
nutteloos maakten; eindelijk bereikte ik _ahuéhuétés_ met een somber
gebladerte,—wij waren bijna de moeielijkheid te boven.
Ik keerde naar mijne gezellen terug; de stengels van de brandnetels op
eenige duimen boven den grond afgesneden, dienden ons tot steunpunten.
De altijd te goed vertrouwende Encuerado struikelde, zoodat zijn wang
met een blad in aanraking kwam. Dit was genoeg om hem bijna onherkenbaar
te maken. Alhoewel ik hem beklaagde, kon ik mij toch niet inhouden om te
lachen over de gezichten, die het branden, door de vreeselijke stekels
veroorzaakt, hem deed trekken. Het was een optrekken van den neus en een
bewegen van de kaken, die Sumichrast zijn eigen lijden deden vergeten.
Gringalet, den staart omhoog geheven, scheen het gevaar te trotseeren;
ik merkte evenwel op dat hij, door zijn instinct gedreven, vermeed op de
bladeren te trappen, waarmede het pad bezaaid was.
Onder de ahuéhuétés, eene soort van cypres, vertoonden zich vijf of
zes slangen, die bijna onmiddellijk verdwenen. Eene enkele, ongeveer
anderhalven meter lang, hield aan den voet van een boom in en wierp een
vertoornden blik op ons. Gringalet liep woedend en blaffend om het
kruipdier rond, dat, op zijn staart opgericht, zijn kop als eene pijl
naar voren wierp. Zijne huid, van eene fraaie, goudgele kleur, met
groenachtige punten bezaaid en met twee, bijna onzichtbare overlangsche
zwarte strepen geteekend, wekte onze bewondering op. De Encuerado
riep den hond terug, de slang rolde zich op, draaide den kop in alle
richtingen rond en bewoog hare zwarte en gevorkte tong snel heen en
weer. Eensklaps strekte zij zich op den bodem uit en schoof een vogel,
dien wij eerst niet hadden opgemerkt en welke nog stuiptrekte, voor zich
uit; daarna opende zij den bek en sloot dien herhaalde malen;—men zou
gezegd hebben, dat zij geeuwde. Plotseling slikte de afschuwelijke en
buitenmate opgesperde muil den kop van den vogel in en de slang bleef
onbeweeglijk liggen, alsof deze eerste inspanning haar had uitgeput. De
prooi was klein, in verhouding tot de grootte van de slang en twee of
drie slikkingen zouden haar hebben doen verdwijnen; maar de Encuerado
had voor beginsel, dat de kruipdieren in 't algemeen kwaaddoende dieren
zijn; hij trok derhalve zijne machete, liep op de slang toe, die, den
vogel wegwerpende, met een ruw geschuifel de vlucht nam.
»Is dat dan een ratelslang?” vroeg Lucien verwonderd.
—Neen, 't is eene gladde slang, dat wil zeggen een niet giftig
kruipdier. De Indianen noemen deze de _gele slang_ en vreezen haar ten
onrechte. Zij klimt met eene buitengewone behendigheid tegen de boomen
op om er de vogels tot in hunne nesten op te zoeken. De beelden van den
oorlogsgod der Asteken, den verschrikkelijken Huitzilipochtli, aan wien
men duizenden menschen offerde, hadden het hoofd met eene gele slang
omgeven en alles doet ons gelooven, dat het dier, hetwelk wij zoo even
zagen, hetzelfde is, wat de Indianen hebben willen verbeelden.”
Een weinig verder meende Lucien eene lange witte slang op het gras te
zien liggen. Gringalet, stoutmoediger dan gewoonlijk, greep het dier en
bracht het in zijn bek aan. Het was slechts de huid eener slang. Lucien
vernam toen, dat alle leden dezer familie eens per jaar verhuiden, en
dat zij reeds uit hun omhulsels uit eene scheede kruipen, waarop men tot
zelfs de schubben der oogen terugvindt.
Wij zetten onze afdaling voort en de Encuerado, die voorop was gegaan,
kwam eensklaps terug met een grooten plantaardigen helm op het hoofd. Ik
herkende de reusachtige bloem eener plant, die ik reeds op de bergen van
Songolica had aangetroffen. Niets is prachtiger dan deze bloem, die vóór
hare ontluiking den vorm heeft van een eend op het water. In één ochtend
gaat de groote bloemkelk open en verandert in een met een helmkam
versierden helm, waarvan het binnenste als met paars fluweel bekleed, de
oogen verblindt. Het zaad van deze slingerplant, waarvan de Indiaansche
naam mij ontgaan is, is plat en als een hart uitgesneden en draagt op
een der kanten een volkomen zuiver geteekend Maltheser kruis.
Sumichrast vergat een oogenblik zijn lijden, om dit wonder te
beschouwen, en Lucien, die een tweede uitgekomene bloem had gevonden,
wist niets vluggers te doen, dan er zich het hoofd mede te bedekken.
Maar de vuile en doordringende geur, door de prachtige bloemkelk
uitgewasemd, maakte ons onpasselijk, en ik beval Lucien zijn gevaarlijk
hoofddeksel weg te werpen.
Nog eenige stappen en wij kwamen op den bodem van het ravijn, waar de
eerste zorg van Sumichrast en van den Encuerado was om hun blaren af te
wasschen. Ik ging met Lucien op eene rots zitten, die aan eenen kant
door den stroom bespoeld werd, ten einde het prachtige tooneel voor mij,
te aanschouwen.
Men stelle zich een onmetelijken berg voor, als door de hand van
een reus geopend, en op de geweldig vaneengeweken wanden, een mantel
van groen met duizend tinten. Omlaag, als om de groote kloof te
ondersteunen, een wonderlijke ophooping van rotsen met grijze en
zwarte kleuren, waartusschen zich de kruin van een boom verhief, welks
bladeren met bloemen waren opgeluisterd. Midden uit den geopenden
berg kwam, als uit eene onzichtbare spelonk, een breede stroom met
doorschijnend, stil en oogenschijnlijk onbeweeglijk water, dat op eene
rots neerstortte, waarvan het midden als de steven van een schip
vooruitstak. Alsof hij door den schok woedend en door het geraas dol was
geworden, sprong de in schuim veranderde stroom vol toorn op en viel,
door de zwarte punt der rots in twee kolommen gescheiden, weer neer, en
wierp zich dan vol snelheid langs eene reusachtige trap, die hij scheen
te willen verwoesten, naar omlaag. Dan nam een nieuw bekken, als eene
schelp uitgehold, het vermoeide water weer op en stortte het zachtjes in
een met groen omzoomden kom uit. De bedaarde stroom hernam zijn loop,
stiet opnieuw tegen de steenen, die hij had meegesleept en bereikte
zoo, van val tot val en van vlakte tot vlakte gaande, de valleien, die
zich meer dan drie duizend voet onder ons bevonden. Deze Niagara, in
verkleinde afmeting, bracht mij in herinnering, dat toen ik een jaar te
voren, in het Warme Land de omstreken van Tuxtla onderzocht, mijn paard
mij bij den waterval van den Ingenio had gevoerd—welke waterval onder
de meest beroemde zou gerekend worden, zoo niet een woestijn den toegang
zoo moeielijk maakte.
Onze beide makkers, wier lijden door de aanraking met het water wat
bedaard was, kwamen naast ons zitten. Ik kon niet zeggen, welk trotsch
genot wij ondervonden toen wij ons, in die wilde omgeving, voor
dien onbekenden waterval bevonden, waarvan wij misschien de eerste
aanschouwers waren. Achter ons schenen de zijden der bergen zich te
vereenigen en het stroombed nauwer te maken. De zon baadde dit gedeelte,
met groote hoornen omzoomd, waarop ijsvogels vlogen, in eene zee van
licht. Een dezer vogels kwam dicht bij ons zitten; hij had eene witte
keel, de bovenzijden der vleugels waren zwart en de veeren van den kop
donkergroen. Dik, ineengedrongen en met een korten staart, geleek hij,
zooals Lucien opmerkte, op een slecht geteekenden vogel; weldra hernam
hij zijne hortende vlucht, schoor over de oppervlakte van het water,
dook er met eene ongehoorde snelheid in en verdween, terwijl hij de
kronkelingen van het ravijn volgde.
Lucien wees mij op een reusachtigen wilg, waarvan de over den stroom
hangende takken aan hunne punten groote vruchten, in den vorm van
kalebassen schenen te dragen. Ik herkende eene kolonie van die fraaie
gele, met zwart gevlekte vogels[21], waaraan de Mexicanen den naam van
_colandres_ geven. Ten einde Lucien van zijne vergissing te overtuigen,
wierp de Encuerado een grooten steen in den boom. De steen viel van tak
tot tak, en deed een honderdtal vogels uit hunne nesten komen. Het was
in den beginne een vreeselijk geweld van kleine kreten; maar toen het
geraas over was, schoven de vogels als 't ware over het water, om in
hunne onbereikbare woningen terug te keeren. Eenige bleven op den boom
zitten en kweelden een lied, den nachtegaal waardig.
[21] Waarschijnlijk eene soort troepiaal of misschien de Baltimorevogel.
(N. v. d. V.)
Wij volgden het ravijn, in de hoop een minder steilen oever te vinden
dan die, welken wij gevolgd waren en een lange omweg bracht ons bij een
rustig water, dat over een bed van zand stroomde. De zon scheen met
vollen glans op de doorschijnende oppervlakte en dicht bij den oever
wemelde het van honderden draaikevers. Lucien, die slechts terloops hun
vorm kon zien, zoo snel waren hunne ronddraaiende bewegingen, hield ze
voor vliegen, die op het water liepen.
—Het zijn kevers, zeide Sumichrast.
—Waarom draaien zij dan zoo?
—Om hun voedsel te zoeken, want het zijn roofkevers en zij hebben veel
voedsel noodig. In Frankrijk noemt men ze gewoonlijk _draaiers_ of
_watervlooien_[22].
[22] Ook in ons land worden ze veelvuldig aldus genoemd.
Lucien wilde een draaikever vangen, maar het gelukte hem niet; de
Encuerado en Sumichrast, voor wie dit zeer goed was, hielpen hem weldra.
Ik had eerst veel schik in de nuttelooze pogingen van mijne gezellen,
en daar ik dacht behendiger dan zij te zijn, lag ik weldra bij hen.
Daar lagen we dan alle vier met de hand in 't water, onbeweeglijk, met
ingehouden adem, ten einde des te beter onze aandacht op de draaikevers
te kunnen vestigen. De draaikevers kwamen in opeengedrongen massa,
draaiden als een levend mozaïek, gingen van rechts naar links, van voor
naar achter, maar hoe vlug wij ook de ondergedompelde hand naar boven
brachten, het mocht ons niet gelukken er een enkelen te vangen.
Een uur ging met dat spelletje voorbij en ik geloof niet dat wij het
zouden opgegeven hebben, als niet de zon had opgehouden den oever te
verlichten en de draaikevers uit onze nabijheid had verdreven. Lucien
zag niet zonder spijt, dat zij naar het midden trokken en de Encuerado,
woedend dat hij door zulk een vluggen troep was beetgenomen, zwoer dat
hij den eersten den besten, dien hij zou tegenkomen, zou vangen. Wij
waren reeds ver weg, als de Indiaan nog bezig was hen met steenen te
werpen en voor gekken uit te schelden, wat in zijn mond eene groote
beleediging beteekende.
Een twintigtal kikvorschlarven, die in een waterplas zwommen, werden
door Lucien voor visschen aangezien.
—Dat zijn kikvorschen, zeide ik hem.
—Waar zijn dan hunne pooten? vroeg hij.
—Onder die bruine huid, die hun het uiterlijk van visschen geeft,
en die, als het uur der gedaanteverwisseling zal aangebroken zijn,
op den rug zal opensplijten, om doortocht aan den jongen kikvorsch te
verleenen. Ziehier eens de larve, die ik gevangen heb; men kan de pooten
door de doorschijnende huid zien. Vandaag nog visch, dat wil zeggen
door kieuwen—die kleine kwabjes die gij aan weerszijden van den kop
ziet—ademende, zal hij morgen batrachier[23], en een tweeslachtig dier
zijn en loopen en springen, en dat stomme wezen zal zijne buren door
zijn nachtelijk gekwaak vervelen. De Tolteken, dat groote volk, hetwelk
voor de Asteken in Mexico leefde, telden een kikvorsch onder hunne
goden. Terwijl ik de kikvorschlarve weer in de waterplas zette, die
zonder twijfel door een wassen van den stroom ontstaan was, bemerkte
ik eenige witte insecten, die, onophoudelijk in beweging, zich door
hortende sprongen boven het water verhieven, om er aanstonds weer in te
vallen. Lucien, over hunne zonderlinge beweging verwonderd, riep uit:
[23] Orde waartoe de kikvorschen, padden enz. behooren.
—Maar ze loopen op den rug!
—Gij hebt gelijk, het zijn waterwantsen en van de familie der
tettigonen of cicaden, derhalve hemipteren of halfvleugelige insecten.
Gelukkiger dan bij zijne jacht op de draaikevers, slaagde de jonge
natuuronderzoeker er in om twee of drie waterwantsen te vangen.
—Maar waartoe dienen hunne vleugels? vroeg hij.
—Wel, om te vliegen en van woonplaats te veranderen.
—Wat! Kunnen de waterwantsen dan vliegen, loopen en zwemmen?
—En ik ben er zeker van, dat ze 's nachts kunnen zien, voegde de
Encuerado er bij, die, men zal het zich herinneren, dit voorrecht aan de
dieren benijdde.
—Wij dienen het wel aan te nemen, antwoordde ik lachende, want zij
kiezen altijd den nacht uit om te reizen. Pas op dat gij u niet laat
steken, want de waterwants bijt even vinnig als haar zusters de hout- en
bedwantsen.
Een weinig verder bleef Lucien voor een grasachtig gewas staan, dat van
boven tot beneden met ronde, platte, zwart met rood gestippelde insecten
bedekt was, wat het op een ingelegd meubelstuk deed gelijken. Vol trots
over zijne ontdekking, vatte hij er twee of drie aan; maar toen hij
bemerkte, dat hun week lichaam tusschen zijne vingers meegaf, liet hij
ze vol afkeer vallen.
»Hé! Wat zijn dat voor beesten?”
—Dat zijn houtwantsen, antwoordde Sumichrast, maar nog in den staat van
larven; zij hebben nog geen vleugels.
»Van waar komt die reuk, die mijne vingers verpest?”
—Als men ze aanraakt, zweeten zij een geelachtig vocht, van eene zeer
doordringende reuk, uit.
Lucien ging spoedig zijne handen wasschen; maar hoe hij ze ook wreef, de
reuk bleef en scheen hem zeer te hinderen. Ik maakte daaruit de
gevolgtrekking, dat de houtwantsen slechts in geringe hoeveelheid deel
van zijne verzameling zullen uitmaken.
Na een vrij langen uitstap op den bodem van het ravijn, moesten wij
weer ons punt van uitgang opzoeken; de eenige kant, waar de oever
toegankelijk was. Wij vonden den waterval terug, badende in het licht.
De groote bovenste vlakte geleek op een blok azuur, terwijl de kleine
watervallen flonkerden, alsof zij diamanten meevoerden. Boven ons, in
een rooskleurigen nevel, teekende zich flauwtjes een regenboog af.
Ik ontrukte mijne gezellen aan dit wonderschoon schouwspel.
Er had zich geen wild vertoond; maar er bevond zich nog een groot stuk
van het jonge ree in de mars. Sumichrast had nog altijd pijn en de
Encuerado scheen verkouden te zijn. Nu moesten wij weer naar omhoog
stijgen en onder duizend voorzorgen trokken wij de plaats door, waar
wij de slangen hadden gezien. Ik weet niet hoe wij met onze opstijging
zouden klaargekomen zijn, als de Encuerado niet op de gedachte was
gekomen om takken af te snijden, die voor stokken dienden. Vooral wilde
ik Lucien de pijn besparen, die de aanraking met de »booze vrouw”
veroorzaakt en met eene zucht van verlichting zag ik hem gezond en wel
boven op den oever.