XI.

EENE BLAUWE HAGEDIS.—DE INDIAANSCHE PEREBOOMEN.—DE BOOZE

VROUW.—NEST GELE SLANGEN.—EEN PLANTAARDIGE HELM.—DE IJSVOGEL.—DE

TROEPIALEN.—JACHT OP DRAAIKEVERS.—DE KIKVORSCHENLARVE.—EENE

VERZAMELING WANTSEN.

Op de onveranderlijke rijstsoep der groote dagen volgden de op den

vuurgloed gebraden reebouten, omgeven door aardappelen. De kostelijke

knolvrucht, in den wilden staat verzameld, herinnert slechts in de verte

aan den smaak van den gekweekten aardappel. In plaats van meelachtig

is zij week, doorschijnend en bijna zonder smaak. Dit nam evenwel niet

weg, dat wij er in smulden en alle eer bewezen aan het wildbraad, dat

de Encuerado goed met piment had ingewreven om den geur er van te

vermeerderen.

Terwijl wij eene sigaar rookten, die Sumichrast, naar gelang de

omstandigheden, de rust-, raad-, of spijsverteringspijp noemde, keerde

Lucien naar den struik terug, waarop hij de cicaden had gevonden, deed

er een grooten voorraad van op en vond nog eene derde soort, die de

gedaante van een triangel had met twee aan de basis zittende hoorns. Hij

liep naar ons toe om ons deze miniatuurstieren te laten zien en poogde

daarop, met een langen stok als hefboom gewapend, een grooten met mos

overdekten boomstronk op te heffen. Hij slaagde er niet zonder veel

moeite in, en zag toen tusschen den wortel verborgen, een fraaie

hagedis met groenachtigen rug en azuurblauwe keel en zijden, welke

verscheidenheid ons nog onbekend was. Het diertje, waarschijnlijk door

het licht verblind, liet zich pakken, boog daarop den kop omlaag en

beet den knaap in den vinger, die haar toen liet vallen. De Encuerado

pakte de vluchteling evenwel weer beet.

»Weet gij niet, dat de hagedissen geen kwaad doen? vroeg Sumichrast aan

Lucien.

—Daarom bijten ze dan zeker, hernam de knaap, zijne hand schuddende.

—Ja, antwoordde de natuurkundige, maar stel u gerust, hare beet is

nooit vergiftig.

De nacht kwam. Eene menigte insecten begonnen om het vuur te dwarrelen

en verbrandden zich de vleugels alsof het niets ware. Sumichrast

verzamelde op deze wijze verschillende nachtvlinders. Lucien wilde de

oorzaak kennen, die zooveel arme beestjes tot de vlam aantrok. Twee of

drie groote kevers kwamen, in plaats van zooals de andere insecten om

het vuur heen te vliegen, met groot geraas aansnorren en wierpen zich op

de gloeiende kolen.

—Zie eens waartoe de onbezonnenheid voert, sprak Sumichrast. Als wij

van af ons vertrek maar voort waren geloopen, zonder voor onze voeten te

zien, zouden wij lang op den bodem van een afgrond liggen.

—Maar de kevers en vlinders vliegen uit vrije verkiezing in de vlam,

antwoordde de Encuerado op zijn onverstoorbaren redeneertrant.

—Maar zij weten niet dat zij brandt, hernam ik.

—Dat is waar, mompelde de Indiaan op een medelijdenden toon, de arme

drommels kunnen geen vuur maken.

De vermoeidheid deed ons onze gemakkelijke jacht opgeven en wij sliepen

onder eene zoele lucht in, die ons te aangenamer was, als wij aan het

lijden van den vorigen nacht dachten.

Onze slaap werd onderbroken door het herhaalde geroep van eene schaar

sierlijke vinkvogels, door de Mexicanen »wekkers” (_despertadores_)

geheeten. De dag vertoonde zich ternauwernood en in spijt van de

voorspelling van den Encuerado had het niet geregend. De glans van het

opnieuw aangewakkerde haardvuur verdreef onze gevederde buren, maar dank

zij hun geschreeuw vond de eerste zonnestraal ons geheel voor de reis

gereed. Op het punt zijnde van te vertrekken, ontstond er eene nieuwe

woordenwisseling. Wij moesten over het ravijn en door den stroom.

De Encuerado zeide, dat wij de rivier op, een waadbare plek moesten

zoeken en dat was ook mijne meening. Sumichrast hield daarentegen

staande, dat wij veel meer kans hadden de oevers lager te zien worden,

als wij de tegenovergestelde richting volgden; zijne meening hield de

overhand en hij wees ons den weg, terwijl hij met zijn machete een pad

door het struikgewas baande.

Daar wij hardnekkig den rand van het ravijn volgden, kwamen wij slechts

met buitengewoon veel moeite vooruit. Het geraas van den stroom, die

grooter scheen te worden, trok ons naar het woud, waar de afwezigheid

van gras en kreupelhout ons toeliet vlugger te loopen.

De boomen begonnen dunner te staan en wij kwamen weer in het struikgewas

terecht, om eindelijk op eene vlakte uit te komen, die vol met

Indiaansche pereboomen stond. Deze struiken leverden ons eene menigte

nog groene vruchten op, waarop wij allen zeer verlekkerd waren. De

Encuerado maakte van dezen onverwachten oogst gebruik, om de ledige

plaatsen in zijne mars aan te vullen. De wilde goyavaboom of Indiaansche

pereboom is eene soort van myrth, die in het Gematigde Land overal in 't

wild groeit en eene hoogte van verscheidene meters bereikt. De vruchten,

die zelden rijp worden zonder door de vogels en insecten aangevreten te

zijn, hebben een smeltend, suikerachtig en zeer geurig vleesch, vol

pitten; men beschouwt ze als koortsverdrijvend en samentrekkend. De

gekweekte struik verandert van uiterlijk; de takken worden lang en komen

vol met bladeren, die aan den onderkant zilverachtig zijn en de vruchten

bereiken de grootte van een citroen, waarvan zij ook den vorm en de

kleur hebben.

Lucien, die van struik tot struik ging om de mooiste vruchten te

plukken, bewees ons, dat de lessen van zijn leermeester niet tevergeefs

waren geweest en dat hij goed in de boomen wist te klimmen.

Iedereen nam zijne vracht, waarvan hij zich een oogenblik ontdaan had,

weder op; maar toen de Encuerado zijne mars weer op den rug wilde nemen,

kon hij haar onmogelijk opheffen. Ik hielp hem en raadde hem aan ten

minste de helft van zijn oogst achter te laten, doch hij wilde mijn raad

niet opvolgen. Maar bij de eerste schreden, die hij deed, waggelde hij

als iemand, die dronken is en viel hij onder zijne last neer, terwijl de

goyavavruchten over den grond rolden.

Ons gelach kwetste de eigenliefde van den goeden Indiaan.

»Arme Jose-Marie!” riep hij uit, met ten hemel geheven handen. »Je wordt

oud. Wat een schande! niet eens meer een handje vol goyava's te kunnen

dragen. In je jonge jaren zouden drie zulke manden vol nog niet zwaar

genoeg zijn geweest om je knieën te doen buigen als een oud paard. Arme

Jose-Marie.”

De Encuerado overdreef wel een weinig zijne vroegere kracht, in elk

geval viel het hem zwaar om een groot gedeelte van de vruchten, die hij

verzameld had, achter te laten en ons aandringen vermeerderde nog zijne

teleurstelling. Om hem te troosten moest ik hem in herinnering brengen,

dat de goyavavruchten in vierentwintig uren bedorven zijn en dat zijne

mars er meer bevatte, dan wij konden opeten.

Sumichrast ging ons een twintigtal passen vooruit; eensklaps bleef hij

staan en deinsde achteruit. Toen ik bij hem was, peilden mijne blikken

een ontzaglijken afgrond, op welks bodem de rivier zich met groot geraas

uitstortte. Het water hoopte zich eerst zwijgend en als slapende in een

groot bekken op, wierp zich vervolgens tegen eene onmetelijke rots, om

dan weer loeiende en schuimende in twee takken te voorschijn te komen,

die, na zich vereenigd te hebben, duizenden watervallen vormden. De lust

bekroop ons om in den afgrond af te dalen, ten einde dit wonderschoon

tafereel van alle kanten te kunnen beschouwen.

Alvorens in het struikgewas te dringen, legden wij de doozen en

weitasschen af, want de onderneming vereischte al onze vlugheid.

Zoolang men zich aan de planten en heesters kon vastklampen, scheen het

neerdalen slechts een kinderspel; maar weldra betraden onze voeten een

rooden ijzerhoudenden grond, die door eene afstorting geheel kaal was

geworden. Sumichrast waagde zich het eerst op dit gevaarlijk terrein,

dat bij den derden pas onder hem instortte. Hij rolde de helling af,

klampte zich instinctmatig aan de eerste takken de beste, die hij

grijpen kon vast, welke hij onmiddellijk, onder het uiten van een kreet

weer los liet. Gelukkig hield een heester hem boven den afgrond tegen.

Ik sloeg mijn hakken diep in den lossen bodem, om mijn vriend hulp te

bieden, die, het gelaat door pijn samengetrokken, zijne rechter hand,

welke reeds geheel rood, opgezwollen en met witte blaren bedekt was,

naar mij ophief. De tak, dien hij in zijn val had vastgegrepen, behoorde

aan eene reusachtige brandnetel, die de Indianen _mala mujer_, booze

vrouw, noemen. Deze plant groeit slechts op vochtige oevers,—uit

boosaardigheid, zeide de Encuerado, ten einde eene kwade poets te

spelen aan den reiziger, naar wien hare verraderlijke groene stengels

en behaarde bladeren zich uitstrekken.

Het lijden van Sumichrast bedroefde ons, want wij kenden bij eigen

ondervinding de ondragelijke branding, welke de steken van de »booze

vrouw” veroorzaken.

[Illustratie: Een struik hield hem boven den afgrond tegen. (blz. 96).]

De Encuerado nam Lucien onder zijne hoede, terwijl ik den gewonde hielp

vooruitkomen. Wij wonnen, zonder te veel hindernissen, een weinig

terrein; maar weldra verhief zich een bosch van brandnetels voor ons.

Sumichrast en Lucien gingen zitten, terwijl ik, door den Encuerado

geholpen, met behulp van de machete een nauw en bochtig pad baande op

een bodem, waarvan de grillige slingeringen meer dan eens onzen arbeid

nutteloos maakten; eindelijk bereikte ik _ahuéhuétés_ met een somber

gebladerte,—wij waren bijna de moeielijkheid te boven.

Ik keerde naar mijne gezellen terug; de stengels van de brandnetels op

eenige duimen boven den grond afgesneden, dienden ons tot steunpunten.

De altijd te goed vertrouwende Encuerado struikelde, zoodat zijn wang

met een blad in aanraking kwam. Dit was genoeg om hem bijna onherkenbaar

te maken. Alhoewel ik hem beklaagde, kon ik mij toch niet inhouden om te

lachen over de gezichten, die het branden, door de vreeselijke stekels

veroorzaakt, hem deed trekken. Het was een optrekken van den neus en een

bewegen van de kaken, die Sumichrast zijn eigen lijden deden vergeten.

Gringalet, den staart omhoog geheven, scheen het gevaar te trotseeren;

ik merkte evenwel op dat hij, door zijn instinct gedreven, vermeed op de

bladeren te trappen, waarmede het pad bezaaid was.

Onder de ahuéhuétés, eene soort van cypres, vertoonden zich vijf of

zes slangen, die bijna onmiddellijk verdwenen. Eene enkele, ongeveer

anderhalven meter lang, hield aan den voet van een boom in en wierp een

vertoornden blik op ons. Gringalet liep woedend en blaffend om het

kruipdier rond, dat, op zijn staart opgericht, zijn kop als eene pijl

naar voren wierp. Zijne huid, van eene fraaie, goudgele kleur, met

groenachtige punten bezaaid en met twee, bijna onzichtbare overlangsche

zwarte strepen geteekend, wekte onze bewondering op. De Encuerado

riep den hond terug, de slang rolde zich op, draaide den kop in alle

richtingen rond en bewoog hare zwarte en gevorkte tong snel heen en

weer. Eensklaps strekte zij zich op den bodem uit en schoof een vogel,

dien wij eerst niet hadden opgemerkt en welke nog stuiptrekte, voor zich

uit; daarna opende zij den bek en sloot dien herhaalde malen;—men zou

gezegd hebben, dat zij geeuwde. Plotseling slikte de afschuwelijke en

buitenmate opgesperde muil den kop van den vogel in en de slang bleef

onbeweeglijk liggen, alsof deze eerste inspanning haar had uitgeput. De

prooi was klein, in verhouding tot de grootte van de slang en twee of

drie slikkingen zouden haar hebben doen verdwijnen; maar de Encuerado

had voor beginsel, dat de kruipdieren in 't algemeen kwaaddoende dieren

zijn; hij trok derhalve zijne machete, liep op de slang toe, die, den

vogel wegwerpende, met een ruw geschuifel de vlucht nam.

»Is dat dan een ratelslang?” vroeg Lucien verwonderd.

—Neen, 't is eene gladde slang, dat wil zeggen een niet giftig

kruipdier. De Indianen noemen deze de _gele slang_ en vreezen haar ten

onrechte. Zij klimt met eene buitengewone behendigheid tegen de boomen

op om er de vogels tot in hunne nesten op te zoeken. De beelden van den

oorlogsgod der Asteken, den verschrikkelijken Huitzilipochtli, aan wien

men duizenden menschen offerde, hadden het hoofd met eene gele slang

omgeven en alles doet ons gelooven, dat het dier, hetwelk wij zoo even

zagen, hetzelfde is, wat de Indianen hebben willen verbeelden.”

Een weinig verder meende Lucien eene lange witte slang op het gras te

zien liggen. Gringalet, stoutmoediger dan gewoonlijk, greep het dier en

bracht het in zijn bek aan. Het was slechts de huid eener slang. Lucien

vernam toen, dat alle leden dezer familie eens per jaar verhuiden, en

dat zij reeds uit hun omhulsels uit eene scheede kruipen, waarop men tot

zelfs de schubben der oogen terugvindt.

Wij zetten onze afdaling voort en de Encuerado, die voorop was gegaan,

kwam eensklaps terug met een grooten plantaardigen helm op het hoofd. Ik

herkende de reusachtige bloem eener plant, die ik reeds op de bergen van

Songolica had aangetroffen. Niets is prachtiger dan deze bloem, die vóór

hare ontluiking den vorm heeft van een eend op het water. In één ochtend

gaat de groote bloemkelk open en verandert in een met een helmkam

versierden helm, waarvan het binnenste als met paars fluweel bekleed, de

oogen verblindt. Het zaad van deze slingerplant, waarvan de Indiaansche

naam mij ontgaan is, is plat en als een hart uitgesneden en draagt op

een der kanten een volkomen zuiver geteekend Maltheser kruis.

Sumichrast vergat een oogenblik zijn lijden, om dit wonder te

beschouwen, en Lucien, die een tweede uitgekomene bloem had gevonden,

wist niets vluggers te doen, dan er zich het hoofd mede te bedekken.

Maar de vuile en doordringende geur, door de prachtige bloemkelk

uitgewasemd, maakte ons onpasselijk, en ik beval Lucien zijn gevaarlijk

hoofddeksel weg te werpen.

Nog eenige stappen en wij kwamen op den bodem van het ravijn, waar de

eerste zorg van Sumichrast en van den Encuerado was om hun blaren af te

wasschen. Ik ging met Lucien op eene rots zitten, die aan eenen kant

door den stroom bespoeld werd, ten einde het prachtige tooneel voor mij,

te aanschouwen.

Men stelle zich een onmetelijken berg voor, als door de hand van

een reus geopend, en op de geweldig vaneengeweken wanden, een mantel

van groen met duizend tinten. Omlaag, als om de groote kloof te

ondersteunen, een wonderlijke ophooping van rotsen met grijze en

zwarte kleuren, waartusschen zich de kruin van een boom verhief, welks

bladeren met bloemen waren opgeluisterd. Midden uit den geopenden

berg kwam, als uit eene onzichtbare spelonk, een breede stroom met

doorschijnend, stil en oogenschijnlijk onbeweeglijk water, dat op eene

rots neerstortte, waarvan het midden als de steven van een schip

vooruitstak. Alsof hij door den schok woedend en door het geraas dol was

geworden, sprong de in schuim veranderde stroom vol toorn op en viel,

door de zwarte punt der rots in twee kolommen gescheiden, weer neer, en

wierp zich dan vol snelheid langs eene reusachtige trap, die hij scheen

te willen verwoesten, naar omlaag. Dan nam een nieuw bekken, als eene

schelp uitgehold, het vermoeide water weer op en stortte het zachtjes in

een met groen omzoomden kom uit. De bedaarde stroom hernam zijn loop,

stiet opnieuw tegen de steenen, die hij had meegesleept en bereikte

zoo, van val tot val en van vlakte tot vlakte gaande, de valleien, die

zich meer dan drie duizend voet onder ons bevonden. Deze Niagara, in

verkleinde afmeting, bracht mij in herinnering, dat toen ik een jaar te

voren, in het Warme Land de omstreken van Tuxtla onderzocht, mijn paard

mij bij den waterval van den Ingenio had gevoerd—welke waterval onder

de meest beroemde zou gerekend worden, zoo niet een woestijn den toegang

zoo moeielijk maakte.

Onze beide makkers, wier lijden door de aanraking met het water wat

bedaard was, kwamen naast ons zitten. Ik kon niet zeggen, welk trotsch

genot wij ondervonden toen wij ons, in die wilde omgeving, voor

dien onbekenden waterval bevonden, waarvan wij misschien de eerste

aanschouwers waren. Achter ons schenen de zijden der bergen zich te

vereenigen en het stroombed nauwer te maken. De zon baadde dit gedeelte,

met groote hoornen omzoomd, waarop ijsvogels vlogen, in eene zee van

licht. Een dezer vogels kwam dicht bij ons zitten; hij had eene witte

keel, de bovenzijden der vleugels waren zwart en de veeren van den kop

donkergroen. Dik, ineengedrongen en met een korten staart, geleek hij,

zooals Lucien opmerkte, op een slecht geteekenden vogel; weldra hernam

hij zijne hortende vlucht, schoor over de oppervlakte van het water,

dook er met eene ongehoorde snelheid in en verdween, terwijl hij de

kronkelingen van het ravijn volgde.

Lucien wees mij op een reusachtigen wilg, waarvan de over den stroom

hangende takken aan hunne punten groote vruchten, in den vorm van

kalebassen schenen te dragen. Ik herkende eene kolonie van die fraaie

gele, met zwart gevlekte vogels[21], waaraan de Mexicanen den naam van

_colandres_ geven. Ten einde Lucien van zijne vergissing te overtuigen,

wierp de Encuerado een grooten steen in den boom. De steen viel van tak

tot tak, en deed een honderdtal vogels uit hunne nesten komen. Het was

in den beginne een vreeselijk geweld van kleine kreten; maar toen het

geraas over was, schoven de vogels als 't ware over het water, om in

hunne onbereikbare woningen terug te keeren. Eenige bleven op den boom

zitten en kweelden een lied, den nachtegaal waardig.

[21] Waarschijnlijk eene soort troepiaal of misschien de Baltimorevogel.

(N. v. d. V.)

Wij volgden het ravijn, in de hoop een minder steilen oever te vinden

dan die, welken wij gevolgd waren en een lange omweg bracht ons bij een

rustig water, dat over een bed van zand stroomde. De zon scheen met

vollen glans op de doorschijnende oppervlakte en dicht bij den oever

wemelde het van honderden draaikevers. Lucien, die slechts terloops hun

vorm kon zien, zoo snel waren hunne ronddraaiende bewegingen, hield ze

voor vliegen, die op het water liepen.

—Het zijn kevers, zeide Sumichrast.

—Waarom draaien zij dan zoo?

—Om hun voedsel te zoeken, want het zijn roofkevers en zij hebben veel

voedsel noodig. In Frankrijk noemt men ze gewoonlijk _draaiers_ of

_watervlooien_[22].

[22] Ook in ons land worden ze veelvuldig aldus genoemd.

Lucien wilde een draaikever vangen, maar het gelukte hem niet; de

Encuerado en Sumichrast, voor wie dit zeer goed was, hielpen hem weldra.

Ik had eerst veel schik in de nuttelooze pogingen van mijne gezellen,

en daar ik dacht behendiger dan zij te zijn, lag ik weldra bij hen.

Daar lagen we dan alle vier met de hand in 't water, onbeweeglijk, met

ingehouden adem, ten einde des te beter onze aandacht op de draaikevers

te kunnen vestigen. De draaikevers kwamen in opeengedrongen massa,

draaiden als een levend mozaïek, gingen van rechts naar links, van voor

naar achter, maar hoe vlug wij ook de ondergedompelde hand naar boven

brachten, het mocht ons niet gelukken er een enkelen te vangen.

Een uur ging met dat spelletje voorbij en ik geloof niet dat wij het

zouden opgegeven hebben, als niet de zon had opgehouden den oever te

verlichten en de draaikevers uit onze nabijheid had verdreven. Lucien

zag niet zonder spijt, dat zij naar het midden trokken en de Encuerado,

woedend dat hij door zulk een vluggen troep was beetgenomen, zwoer dat

hij den eersten den besten, dien hij zou tegenkomen, zou vangen. Wij

waren reeds ver weg, als de Indiaan nog bezig was hen met steenen te

werpen en voor gekken uit te schelden, wat in zijn mond eene groote

beleediging beteekende.

Een twintigtal kikvorschlarven, die in een waterplas zwommen, werden

door Lucien voor visschen aangezien.

—Dat zijn kikvorschen, zeide ik hem.

—Waar zijn dan hunne pooten? vroeg hij.

—Onder die bruine huid, die hun het uiterlijk van visschen geeft,

en die, als het uur der gedaanteverwisseling zal aangebroken zijn,

op den rug zal opensplijten, om doortocht aan den jongen kikvorsch te

verleenen. Ziehier eens de larve, die ik gevangen heb; men kan de pooten

door de doorschijnende huid zien. Vandaag nog visch, dat wil zeggen

door kieuwen—die kleine kwabjes die gij aan weerszijden van den kop

ziet—ademende, zal hij morgen batrachier[23], en een tweeslachtig dier

zijn en loopen en springen, en dat stomme wezen zal zijne buren door

zijn nachtelijk gekwaak vervelen. De Tolteken, dat groote volk, hetwelk

voor de Asteken in Mexico leefde, telden een kikvorsch onder hunne

goden. Terwijl ik de kikvorschlarve weer in de waterplas zette, die

zonder twijfel door een wassen van den stroom ontstaan was, bemerkte

ik eenige witte insecten, die, onophoudelijk in beweging, zich door

hortende sprongen boven het water verhieven, om er aanstonds weer in te

vallen. Lucien, over hunne zonderlinge beweging verwonderd, riep uit:

[23] Orde waartoe de kikvorschen, padden enz. behooren.

—Maar ze loopen op den rug!

—Gij hebt gelijk, het zijn waterwantsen en van de familie der

tettigonen of cicaden, derhalve hemipteren of halfvleugelige insecten.

Gelukkiger dan bij zijne jacht op de draaikevers, slaagde de jonge

natuuronderzoeker er in om twee of drie waterwantsen te vangen.

—Maar waartoe dienen hunne vleugels? vroeg hij.

—Wel, om te vliegen en van woonplaats te veranderen.

—Wat! Kunnen de waterwantsen dan vliegen, loopen en zwemmen?

—En ik ben er zeker van, dat ze 's nachts kunnen zien, voegde de

Encuerado er bij, die, men zal het zich herinneren, dit voorrecht aan de

dieren benijdde.

—Wij dienen het wel aan te nemen, antwoordde ik lachende, want zij

kiezen altijd den nacht uit om te reizen. Pas op dat gij u niet laat

steken, want de waterwants bijt even vinnig als haar zusters de hout- en

bedwantsen.

Een weinig verder bleef Lucien voor een grasachtig gewas staan, dat van

boven tot beneden met ronde, platte, zwart met rood gestippelde insecten

bedekt was, wat het op een ingelegd meubelstuk deed gelijken. Vol trots

over zijne ontdekking, vatte hij er twee of drie aan; maar toen hij

bemerkte, dat hun week lichaam tusschen zijne vingers meegaf, liet hij

ze vol afkeer vallen.

»Hé! Wat zijn dat voor beesten?”

—Dat zijn houtwantsen, antwoordde Sumichrast, maar nog in den staat van

larven; zij hebben nog geen vleugels.

»Van waar komt die reuk, die mijne vingers verpest?”

—Als men ze aanraakt, zweeten zij een geelachtig vocht, van eene zeer

doordringende reuk, uit.

Lucien ging spoedig zijne handen wasschen; maar hoe hij ze ook wreef, de

reuk bleef en scheen hem zeer te hinderen. Ik maakte daaruit de

gevolgtrekking, dat de houtwantsen slechts in geringe hoeveelheid deel

van zijne verzameling zullen uitmaken.

Na een vrij langen uitstap op den bodem van het ravijn, moesten wij

weer ons punt van uitgang opzoeken; de eenige kant, waar de oever

toegankelijk was. Wij vonden den waterval terug, badende in het licht.

De groote bovenste vlakte geleek op een blok azuur, terwijl de kleine

watervallen flonkerden, alsof zij diamanten meevoerden. Boven ons, in

een rooskleurigen nevel, teekende zich flauwtjes een regenboog af.

Ik ontrukte mijne gezellen aan dit wonderschoon schouwspel.

Er had zich geen wild vertoond; maar er bevond zich nog een groot stuk

van het jonge ree in de mars. Sumichrast had nog altijd pijn en de

Encuerado scheen verkouden te zijn. Nu moesten wij weer naar omhoog

stijgen en onder duizend voorzorgen trokken wij de plaats door, waar

wij de slangen hadden gezien. Ik weet niet hoe wij met onze opstijging

zouden klaargekomen zijn, als de Encuerado niet op de gedachte was

gekomen om takken af te snijden, die voor stokken dienden. Vooral wilde

ik Lucien de pijn besparen, die de aanraking met de »booze vrouw”

veroorzaakt en met eene zucht van verlichting zag ik hem gezond en wel

boven op den oever.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 28 / 54 题