X.

HET KONIJN.—DE WILDE AARDAPPELEN.—EEN MOEIELIJKE WEG.—EEN KRATER.—DE

IJZEL.—DE STROOM.—HET JONGE REE.—DE CICADEN.—DE WATERJUFFERS.

Toen ik den volgenden morgen de oogen opende, schitterde de zon aan

een azuren hemel. Ik wakkerde het vuur wat aan en verwijderde mij, het

geweer op den schouder, om een of ander stuk wild te schieten, ten

einde mijne makkers bij het ontwaken te verrassen. Ik marcheerde sedert

ongeveer een kwartier in de heidestruiken, die mij aan het geboorteland

herinnerden, toen een te veel vertrouwend konijn onder het bereik van

mijn geweer kwam huppelen.

Bij mijn terugkeer werd ik als een zegevierend veldheer begroet. Ik vond

allen op en om den haard vergaderd. Iedereen was vlug en wel te moede.

De verschrikkelijke beproevingen van den vorigen dag schenen vergeten te

zijn. Lucien had, niettegenstaande zijne gebarstene lippen, al zijne

opgeruimdheid teruggekregen. De Encuerado maakte zich van het konijn

meester, dat in een oogwenk gestroopt was en op de gloeiende kolen lag.

»Welnu, wat zegt ge wel van de orkanen?” vroeg Sumichrast aan Lucien,

die toezag hoe hij zijn geweer schoonmaakte.

—Ik had nooit gedacht dat de wind, die onzichtbaar is, zulke groote

boomen kon ontwortelen en meesleuren, als die, welke over ons heen

gesprongen is.

—Waart gij erg bang?

—Een weinig, maar gij ook; want gij waart bleek.

—Dat komt omdat het gevaar nog veel grooter was dan gij wel gedacht

hebt. De ontwortelde boom, die, zooals gij het uitdruktet, over ons

heen is gesprongen, had in zijn ongelijke sprongen op den voet van den

rots kunnen neervallen, die omverwerpen en ons verpletteren.

—Is de wind dan sterker in de bosschen dan in de steden?

—Neen, want de windvlagen van gisteren zullen zeker geheele dorpen

vernield hebben. 't Was een van die tropische orkanen die, gelukkig,

slechts met zeer groote tusschenpoozen losbarsten. Meer dan een Indiaan

is nu aan 't werk om zijne verwoeste hut weer op te richten. Lucien,

geheel nadenkend geworden, was aan den voet van een boom gaan zitten en

toen ik langs hem ging, zag ik dat hij tranen in de oogen had.

»Wat scheelt er toch aan?” riep ik uit.

—Ik denk aan Mama en mijne broertjes; mijnheer Sumichrast zegt dat de

storm geheele dorpen moet vernield hebben; wat zal er van hen geworden

zijn?

—Stel u gerust, mijn jongen. Steenen muren bieden, Goddank, weerstand

aan den wind. Overigens zal men dezen orkaan niet in Orizava gevoeld

hebben. In elk geval zou Mama eer over ons bezorgd moeten zijn; want zij

weet dat wij midden in het woud moeten zijn.”

Ik omhelsde mijn kleinen Lucien en stelde hem zoo goed mogelijk gerust,

daarin geholpen door den Encuerado, die hem meenam om op het gebraad te

passen.

De _tochtli_ of het Mexicaansche konijn, welks beeld in den kalender der

Asteken het eerste jaar van eene eeuw verbeeldde, verschilt, naar ik

meen, van onze Europeesche soorten, ofschoon het ten naastebij hetzelfde

haar en dezelfde gewoonten heeft.

»Herkent gij de familie van het dier, dat voor ons ontbijt zal dienen?”

vroeg Sumichrast zijn leerling.

—Ja, 't is een knaagdier.

—Bravo! maar waaraan herkent gij dat?

—Aan zijne kaak, die geen hoektanden heeft en aan zijne groote

snijtanden en aan zijne achterpooten, die grooter dan de voorpooten

zijn.

—Komaan, gij hebt een goed geheugen. Gij dient nog te weten dat het

konijn, die naaste verwante van de haas, in Europa beschouwd wordt als

uit Afrika afkomstig te zijn. De Asteken offerden eertijds groote

hoeveelheden van deze dieren aan de godin Centeutl, de Céres der

Mexicaansche godenleer, en de edelen droegen mantels uit konijnenhaar,

met katoen vermengd, geweven. Hazenvleesch willen de Indianen over het

algemeen niet eten, voorgevende dat de haas zich met lijken voedt, van

welke dwaling men nog niet geslaagd is hen te genezen.

Wij deden eer aan ons wild als gasten, die zich weten schadeloos

te stellen voor een gedwongen vasten; daarna zette de karavaan

zich zonder dralen weer in beweging. Op de overvloedige en dichte

Salsaparillestruiken volgden gedrongene heesters. Hoe meer wij evenwel

den berg naderden, des te krachtiger vertoonde zich ook de plantengroei;

de punten der rotsen staken niet meer van alle kanten boven de teelaarde

uit. Hier en daar vlogen tangaras met zwarten rug, gelen buik en

violetblauwe keel, en een aantal andere veelkleurige vogels, allen tot

de talrijke familie der vinkvogels behoorende, rond. Wij waren op 't

punt de helling op te gaan, toen de Encuerado, aan wiens scherp oog

niets ontsnapte, uitriep:

»Aardappelen!”

Lucien liep op den Indiaan toe, wiens machete reeds den grond om eene

kleine, kruidachtige plant met ovale bladeren, die overdekt waren

met groene, weeke bessen, omwoelde. Weldra kwamen kleine, gerimpelde

knollen, welke onze vingers zonder veel moeite fijn drukten, te

voorschijn. Er vertoonden zich verscheidene struiken van de kostbare

vrucht, die Europa aan Amerika te danken heeft, en de Encuerado beloofde

aan Gringalet de weelde van een schotel gebraden aardappelen.

Onze afdaling voerde ons weldra te midden van rotsen, die aan den

chaos herinnerden. Onophoudelijk dwong eene hindernis ons te springen,

te glijden, een langen omweg te maken, ten einde verder te kunnen

gaan. Overigens werd de temperatuur frisscher waardoor de marsch minder

moeielijk werd gemaakt. Geen boomen, geen struiken, geen heesters meer;

hier en daar een weinig gras of eene zwakke plant, die, van uit de holte

van eene rots gele bloemen naar de zon uitstrekte en waarvan de wind de

bladeren meevoerde.

De wisselvalligheid van onzen weg voerde ons nogmaals op het bergvlak.

Alle kammen, die wij bespeurden, waren kaal; eene diepe stilte heerschte

om ons. Ik bleef staan om adem te halen.

Het tooneel, dat wij voor ons hadden, trof door zijne strenge grootheid.

Sumichrast dacht aan de bergen van Zwitserland, die hij zoo dikwijls

doorkruist had, plukte bloemen af, die hem vreemd schenen aan de

keerkringen en zocht zich hare namen te herinneren. Twee vlinders vlogen

spelende over ons heen.

»Dat is eene soort van de Alpen!” riep mijn vriend uit. Het terrein

liet hem niet toe de wispelturige insecten lang te vervolgen; hij bleef

een oogenblik over den met scherpe punten bezaaiden afgrond gebukt, en

volgde met het oog de gevleugelde bloemen, die hem een vluchtig beeld

van het vaderland hadden gebracht. Een doolhof van rotsen voerde ons

voor een bijna loodrechten muur, van meer dan tweehonderd voet hoogte.

Deze onverwachte hinderpaal sloeg ons uit het veld. Langs welken kant

nu een doortocht te zoeken? Het onderzoek van het terrein deed ons

besluiten links af te slaan; deze richting scheen ons de meest zekere.

Van tijd tot tijd werd de muur wat lager; wij beproefden evenwel

tevergeefs hem over te klimmen, door ons aan de uitstekende punten

vast te klemmen. Eene gelukkiger poging bracht ons bijna, maar niet

zonder moeite, aan het doel, soms hing de rots over, dan klom ik op

de schouders van Sumichrast en als ik er in slaagde een platform te

bereiken, heesch ik Lucien aan den riem op, daarna Gringalet, die zich

gaarne tot deze handeling leende en vervolgens Sumichrast en den

Encuerado.

Eindelijk was men de verschrikkelijke hinderpaal te boven; aan den

anderen kant was de grond bezaaid met vulkanische steenen.

Wij liepen, ofschoon het reeds vier uur was, maar altijd door, in de

hoop een boom of struik te ontmoeten, aan welks voet wij ons bivak

zouden kunnen opslaan. De Encuerado zette een oogenblik zijne mars neer,

om eene rots, in den vorm van eene naald te beklimmen, en waarvan de

zonderlinge stand aan den beroemden scheeven toren van Pisa herinnerde.

Op den top gekomen, riep de Indiaan ons toe dat hij een groep boomen

bespeurde. De koude begon ons lastig te vallen; wij moesten hout hebben

om een haard te kunnen oprichten en vonden dus den moed om nog verder te

marcheeren. De afgelegde afstand was niet zeer groot; maar de hellingen,

de omwegen, de klimming hadden ons vermoeid. Allengs werden de rotsen

zeldzamer en minder opeengedrongen; eene uitgestrekte vlakte, een weinig

in den vorm van trechter uitgehold, hier en daar met kleine heesters

begroeid, vertoonde zich onverwacht aan onze blikken. Op den achtergrond

zagen wij een dichte groep pijnboomen en eene glinsterende oppervlakte,

die een meer bleek te zijn; eene heerlijke oase, in dit sombere

landschap verborgen.

Het werd hoog tijd dat wij onder dak kwamen, want wij klappertandden

van de koude. Op een boom geklommen hakte de Encuerado de noodige

bouwstoffen voor het oprichten der hut af, terwijl Lucien van de

heesters alle doode takken brak, in welken arbeid ik hem spoedig hielp.

De ondergaande zon verraste ons, toen wij juist met ons werk gereed

waren. Het water van het meer nam eene zwarte kleur aan, de bergkammen

naar den kant van het Westen, teekenden op de lucht zonderlinge

uitsnijdingen af en de wind deed uit de denneboomen een plechtigen

en ernstigen lofzang opstijgen, aan welke bijzonderheid deze soort

ongetwijfeld den naam van _pinus religiosus_ (heilige denneboom) te

danken heeft. Naarmate de zonnestralen verdwenen en de duisternis

den hemel bedekte, werd ook de stilte dieper. Eensklaps verdwenen de

laatste lichtschemeringen; de duisternis liet ons ter prooi aan eene

dier aandoeningen, welke alleen zij kunnen begrijpen, die zich in de

tegenwoordigheid van de groote natuurtooneelen hebben bevonden.

Lucien ondervond, zonder het te weten, de dubbele majesteit van de

duisternis en de eenzaamheid; hij bleef stilzwijgen, en liet zijn

blik van den hemel tot de aarde dwalen. De sterren kwamen schitterend

en in ontelbare menigte op, en weerkaatsten zich op de onbeweeglijke

vlakte van het meer. Eensklaps scheen een lichtstraal over het water

te zweven, barstte toen als een vuurpijl uiteen en verbreedde zich tot

lichtbundels; het was de glans van onzen haard, dien de Encuerado had

aangestoken.

Eene levendige en bijtende koude had zich van ons meester gemaakt; onze

dekens waren niet meer voldoende om ons tegen den wind te beschutten.

Gelukkig hadden wij eene voldoende hoeveelheid brandstof verzameld, om

het bivakvuur den ganschen nacht te kunnen onderhouden. Onze maaltijd

was zuinig, maar vroolijk. Gringalet, Lucien en de Encuerado kropen de

een na den ander onder de dennenbladeren; Sumichrast volgde weldra hun

voorbeeld; ik bleef alleen op, daar ik geen de minste neiging gevoelde

om te slapen.

Welk eene tegenstelling! Den vorigen dag, op hetzelfde uur, werden

wij verdoofd door den ontketenden wind; het woud zond aan de echo's

vreeselijke geluiden toe; wij, arme atomen, onder een waggelenden

steen beschut, ademden hijgende eene brandende lucht in. Nauwelijks

waren vierentwintig uren verloopen of onze schreden hadden ons op een

granietgrond gevoerd, waar de koude ons hinderde; nu was het niet meer

het geraas, maar de stilte, die in mijne ziel de droomerijen der

eenzaamheid opwekte.

De morgenstond vond ons op, verstijfd van koude en nauwelijks in staat

om de lippen te bewegen. De Encuerado wakkerde het vuur van den haard

wat op, ten einde ons spoedig de koffie gereed te maken. Eene eerste

lichtschemering werd zichtbaar; de grond, met een lijkkleed van ijzel

bedekt, glinsterde. Lucien, die dit verschijnsel voor de eerste maal

zag, kon het niet genoeg bewonderen. Sumichrast verklaarde hem dat

de dauwdroppelen, die in de warme streken elken morgen op het gras

schitteren, op deze hoogte bevriezen en die doorschijnende naalden

vormden, welke de lichtbreking wit doet schijnen.

De stralen der zon verwarmden ons niet, ik bespoedigde dan ook de

toebereidselen tot het vertrek. Na den oever van het meer langs te

zijn gegaan, begaf de kleine karavaan zich opnieuw tusschen de rotsen.

De top, dien zij overtrok was, daar viel niet aan te twijfelen, de

krater van een uitgebranden vulkaan. Ik wierp een laatsten blik op

de onmetelijke, door bergkammen omgeven baai, alvorens tusschen de

reusachtige steenen, die eertijds door den vulkaan waren uitgebraakt

een nieuwen tocht te beginnen, die even moeilijk zou zijn als die van

den vorigen dag. Meer dan eens gebeurde het, dat wij blind liepen en

ontmoedigd gingen zitten.

Ik onderzocht een laatste maal den horizon; onze voeten betraden den

hoogsten top van de Cordilleras; voor ons, en zoover het oog reikte,

verhieven zich met hout begroeide bergpieken, waarvan de hoogte

trapsgewijze verminderde. Eindelijk zouden wij dan weer de tropische

natuur terugvinden en langzamerhand de vlakken en bosschen van het warme

Land bereiken. De weg scheen recht en gemakkelijk te zijn; maar hoeveel

valleien moesten doorgetrokken, hoeveel hinderpalen nog niet overwonnen

worden eer wij de verwachte grens bereikten!

De afdaling geschiedde langs een reuzentrap, waarvan elke trede zeven

tot acht voet hoogte kan gehad hebben. Lucien en Gringalet maakten

meermalen aan den riem hangende, de reis; maar wij kwamen zonder ongeval

alle hinderpalen te boven. Ik kan niet zeggen met hoeveel genoegen ik de

pijnboomen terugzag. Wij zochten tevergeefs om ons naar de sporen van

den orkaan, deze zijde van den berg was van den geesel bevrijd gebleven.

De helling werd zacht, onze marsch sneller en weldra vertoonden zich

enkele eiken. Een onbestemd geluid deed ons luisteren, en de Encuerado,

die meer gewoon was dan wij, om op een afstand over de geluiden te

oordeelen, kondigde ons een bergstroom aan. Eekhoorns brachten de takken

langs onzen weg in beweging, de pepereters schenen ons uit te dagen,

maar wij wilden het water bereiken. Weldra omringden ons eike- en

berkeboomen, daarna wolboomen en _ahuehuetes_. Het terrein werd vlakker

en na minder dan een half uur bracht de Encuerado ons op den rand van

eene onmetelijke bergkloof, waarin een woelig water bruischte. De steile

oever werd spoedig zachter en het bivak opgeslagen. Terwijl wij takken

afkapten legde Sumichrast een vinger op zijn mond en greep zijn geweer.

Een licht geraas deed zich onder de struiken hooren en onze reismakker

verdween.

Wij luisterden met ingehouden adem, toen de schreeuw van den uil

weerklonk: dat was een roepkreet en de Encuerado gleed op zijne beurt

onder de struiken.

»Waarom heeft mijnheer Sumichrast den Encuerado geroepen?” vroeg Lucien

mij zachtjes.

—Zonder twijfel omdat hij een wildspoor ontdekt heeft.

Nauwelijks had ik mijn volzin geëindigd, of een geritsel van droge

bladeren trok mijne aandacht. Een blauwe vos ging met hangenden staart

en vurigen blik langs mij heen. Ik schoot, doch zonder het dier te

raken, dat zich onder de boomen verloor, door Gringalet vervolgd. Bijna

op hetzelfde oogenblik kondigde eene losbranding mij aan, dat de

Encuerado geschoten had.

Lucien was zeer ontstemd, dat ik den vos gemist had; ik, voor mij,

betreurde het, dat ik een lading kruit had vermorst en misschien op

onhandige wijze het wild op de vlucht had gedreven, dat mijne makkers

vervolgden. Ik zette daarop mijn arbeid van houtkappen voort, en beval

Lucien vuur te slaan en den haard aan te steken. Dank zij de lessen van

den Encuerado, kweet hij er zich behendiger van dan ik verwacht had.

Een roepkreet van Sumichrast, waarop Lucien antwoordde, bracht den

teleurgestelden jager weer bij ons.

»Op welk dier hebt gij geschoten?” riep hij mij toe.

—Op een vos, dien ik gemist heb; waart gij soms bezig hem te vervolgen?

—Neen; ik had eene ree en haar jong gezien, maar ik kon er niet

bijkomen.

—En de Encuerado?

—Die zal wel een vogel geschoten hebben, om niet met leege handen terug

te komen.

—Chanito, hioe! hioe! Chanito!

—Ohe, ohe! antwoordde de knaap.

Weldra kwam de Encuerado terug, een jonge ree op zijne schouders

dragende.

»Wat een lief diertje!” riep Lucien uit, »waarom hebt gij het niet

levend gevangen?”

—Omdat alleen een kogel even hard kan loopen, Chanito.

—En de moeder? vroeg Sumichrast.

—Daar heb ik niet bij kunnen komen; wij hebben daar trouwens ook meer

vleesch dan wij voor vandaag en morgen noodig hebben.

Lucien was het jonge hert genaderd; het was altijd een zijner wenschen

geweest om een dezer dieren levend te bezitten. Hij bezag de fijne

beenen en den spitsen snuit van het arme dier, welks met gelijkmatige

witte vlekken bezaaide bruingele rug met den leeftijd van kleur

verandert.

»Laat eens hooren, meester Zonnestraal, waaronder zoudt gij dat zoogdier

rangschikken?” vroeg Sumichrast aan Lucien.

—Het gelijkt op geen van al die soorten, welke ik ken.

—Kom, kom! En de geiten, de koeien en de schapen dan. 't Is een

herkauwer, een dier dat drie of vier magen heeft. De onderkaak bezit

acht snijtanden, terwijl de bovenkaak alleen voorzien is van een soort

kussentjes of eeltplaten.

—Dat is waar, zeide Lucien, na den bek van het jonge ree geopend te

hebben.

—Alle herkauwers slikken eerst hun voedsel door, dat in een eerste maag

komt; daarna brengen zij het weer in den mond terug om het opnieuw te

kauwen; dat noemt men _herkauwen_. Gij hebt zeker meer dan eens eene

koe of een schaap onbeweeglijk en voortdurend kauwende in de zon zien

liggen.

—Ja wel, antwoordde Lucien, en de Encuerado heeft mij altijd verzekerd,

dat zij dan bitter gras hadden gegeten.

—Zijne verklaring heeft evenveel waarde als die van de Mexicanen, die

zeggen dat een dier, dat herkauwt, de krant leest. Wat deze orde van

dieren nog kenmerkt, zijn hun gespleten hoeven.

—En dat zij horens hebben!

—Niet allen; de kameel, het lama en de steenbok bijvoorbeeld, hebben er

geene.”

Nu moest men nog beslissen hoe onze ree gereedgemaakt zou worden. Na

eene kleine beraadslaging werd besloten vrij spel aan den Encuerado

te laten, waarna ik onder in de bergkloof afdaalde. Na de steenen

en schorsen te hebben opgelicht, ontdekte ik verschillende soorten

loopkevers. Lucien ving op een struik eenige insekten van zonderlinge

vormen; Sumichrast herkende daarin bij den eersten oogopslag

_tettigonna's_ of walsvormige cicaden.

—Dat zijn _hemipteren_ of halfvleugelige insecten, zeide hij, en

derhalve verwanten van de wantsen en krekels; deze insecten hebben

noch boven-, noch onderkaken; hun mond wordt gevormd door een geleden

zuigbek, die langs de borst wordt gelegd en dien gij duidelijk kunt

zien. Het geslacht der cicaden is vrij talrijk en de twee soorten, die

gij gevonden hebt, zijn aan Mexico eigen.

—Hier is er een, die op eene kip gelijkt en een andere, die den vorm

van een bootje heeft.

—Gij hebt gelijk en ge zult er nog wel met veel zonderlinger vormen

ontmoeten.

Terwijl hij de diertjes, welker uiterlijk hem zoo boeide, op de hand

liet loopen, zag Lucien ze eensklaps opspringen en verdwijnen; hij wilde

naar de heesters, waarop hij ze gevangen had, terugkeeren, toen zijne

aandacht afgetrokken werd door een zeer groote waterjuffer, die men in

Mexico gewoonlijk _Duivelspaarden_ en in Frankrijk _juffers_[20] noemt.

Na eenig rondvliegen ging het fraaie insect op eene plant zitten en viel

weldra onder het net van den jongen jager. De gevangene had groenachtige

oogen, een geel lichaam en zwart en rood geteekende vleugels. Het boog

zijn spitsen buik naar binnen, alsof het de hand, die het gevangen

hield, wilde steken en bewoog zijne vleugels met een metaalachtig

geluid. Uit den bek hing een half verslonden muskiet en ofschoon zelf

gehavend, vervolgde het zijn maaltijd, tot groote verbazing van mijn

zoon, die niet dacht, de gewoonten van den tijger terug te vinden bij

een insect van zulken sierlijken vorm en oogenschijnlijk zoo

onschadelijk.

»Dat is een huidvleugelige of adervleugelige of _neuroptere_, aldus

genoemd naar de netvormige aderen, die gij op de vleugels, ten getale

van vier, kunt zien. Dit insect leeft eerst, in de gedaante van larve,

in het water; in dien toestand—waarin het een jaar verblijft—gelijkt

het op wat gij in de hand hebt, alleen zijn de vleugels slechts door

knopjes aangeduid, die bij elke huidverwisseling groeien en langer

worden. Die knopjes dienen als 't ware tot koker voor de fraaie gazen

vleugels, die de neuropteren en vooral de waterjuffers kenmerken.

—Hoe, leven de waterjuffers eerst in 't water, evenals de visschen?

—Ja, en zij toonen zich daar niet minder vraatzuchtig dan het volkomen

insect. De larve wordt pop en verslindt met gulzigheid hagedissen en

kleine visschen; na korter of langer tijd, al naar de soorten, komt zij

uit het water, door langs een rietstengel op te klimmen en blijft daar

een tijdlang onbeweeglijk aan de zonnestralen blootgesteld; eensklaps

springt de huid, die den kop bedekt, open en de met zwart, blauw of

groen gekleurde waterjuffer neemt haar vlucht, en stort zich op de

eerste vlieg of den eersten vlinder, dien zij ontmoet.”

De kreet van den Encuerado onderbrak mijne les. Dat was de etensklok.

[20] In ons land noemt men ze glazenmakers en waterjuffers.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 27 / 54 题