HET KONIJN.—DE WILDE AARDAPPELEN.—EEN MOEIELIJKE WEG.—EEN KRATER.—DE
IJZEL.—DE STROOM.—HET JONGE REE.—DE CICADEN.—DE WATERJUFFERS.
Toen ik den volgenden morgen de oogen opende, schitterde de zon aan
een azuren hemel. Ik wakkerde het vuur wat aan en verwijderde mij, het
geweer op den schouder, om een of ander stuk wild te schieten, ten
einde mijne makkers bij het ontwaken te verrassen. Ik marcheerde sedert
ongeveer een kwartier in de heidestruiken, die mij aan het geboorteland
herinnerden, toen een te veel vertrouwend konijn onder het bereik van
mijn geweer kwam huppelen.
Bij mijn terugkeer werd ik als een zegevierend veldheer begroet. Ik vond
allen op en om den haard vergaderd. Iedereen was vlug en wel te moede.
De verschrikkelijke beproevingen van den vorigen dag schenen vergeten te
zijn. Lucien had, niettegenstaande zijne gebarstene lippen, al zijne
opgeruimdheid teruggekregen. De Encuerado maakte zich van het konijn
meester, dat in een oogwenk gestroopt was en op de gloeiende kolen lag.
»Welnu, wat zegt ge wel van de orkanen?” vroeg Sumichrast aan Lucien,
die toezag hoe hij zijn geweer schoonmaakte.
—Ik had nooit gedacht dat de wind, die onzichtbaar is, zulke groote
boomen kon ontwortelen en meesleuren, als die, welke over ons heen
gesprongen is.
—Waart gij erg bang?
—Een weinig, maar gij ook; want gij waart bleek.
—Dat komt omdat het gevaar nog veel grooter was dan gij wel gedacht
hebt. De ontwortelde boom, die, zooals gij het uitdruktet, over ons
heen is gesprongen, had in zijn ongelijke sprongen op den voet van den
rots kunnen neervallen, die omverwerpen en ons verpletteren.
—Is de wind dan sterker in de bosschen dan in de steden?
—Neen, want de windvlagen van gisteren zullen zeker geheele dorpen
vernield hebben. 't Was een van die tropische orkanen die, gelukkig,
slechts met zeer groote tusschenpoozen losbarsten. Meer dan een Indiaan
is nu aan 't werk om zijne verwoeste hut weer op te richten. Lucien,
geheel nadenkend geworden, was aan den voet van een boom gaan zitten en
toen ik langs hem ging, zag ik dat hij tranen in de oogen had.
»Wat scheelt er toch aan?” riep ik uit.
—Ik denk aan Mama en mijne broertjes; mijnheer Sumichrast zegt dat de
storm geheele dorpen moet vernield hebben; wat zal er van hen geworden
zijn?
—Stel u gerust, mijn jongen. Steenen muren bieden, Goddank, weerstand
aan den wind. Overigens zal men dezen orkaan niet in Orizava gevoeld
hebben. In elk geval zou Mama eer over ons bezorgd moeten zijn; want zij
weet dat wij midden in het woud moeten zijn.”
Ik omhelsde mijn kleinen Lucien en stelde hem zoo goed mogelijk gerust,
daarin geholpen door den Encuerado, die hem meenam om op het gebraad te
passen.
De _tochtli_ of het Mexicaansche konijn, welks beeld in den kalender der
Asteken het eerste jaar van eene eeuw verbeeldde, verschilt, naar ik
meen, van onze Europeesche soorten, ofschoon het ten naastebij hetzelfde
haar en dezelfde gewoonten heeft.
»Herkent gij de familie van het dier, dat voor ons ontbijt zal dienen?”
vroeg Sumichrast zijn leerling.
—Ja, 't is een knaagdier.
—Bravo! maar waaraan herkent gij dat?
—Aan zijne kaak, die geen hoektanden heeft en aan zijne groote
snijtanden en aan zijne achterpooten, die grooter dan de voorpooten
zijn.
—Komaan, gij hebt een goed geheugen. Gij dient nog te weten dat het
konijn, die naaste verwante van de haas, in Europa beschouwd wordt als
uit Afrika afkomstig te zijn. De Asteken offerden eertijds groote
hoeveelheden van deze dieren aan de godin Centeutl, de Céres der
Mexicaansche godenleer, en de edelen droegen mantels uit konijnenhaar,
met katoen vermengd, geweven. Hazenvleesch willen de Indianen over het
algemeen niet eten, voorgevende dat de haas zich met lijken voedt, van
welke dwaling men nog niet geslaagd is hen te genezen.
Wij deden eer aan ons wild als gasten, die zich weten schadeloos
te stellen voor een gedwongen vasten; daarna zette de karavaan
zich zonder dralen weer in beweging. Op de overvloedige en dichte
Salsaparillestruiken volgden gedrongene heesters. Hoe meer wij evenwel
den berg naderden, des te krachtiger vertoonde zich ook de plantengroei;
de punten der rotsen staken niet meer van alle kanten boven de teelaarde
uit. Hier en daar vlogen tangaras met zwarten rug, gelen buik en
violetblauwe keel, en een aantal andere veelkleurige vogels, allen tot
de talrijke familie der vinkvogels behoorende, rond. Wij waren op 't
punt de helling op te gaan, toen de Encuerado, aan wiens scherp oog
niets ontsnapte, uitriep:
»Aardappelen!”
Lucien liep op den Indiaan toe, wiens machete reeds den grond om eene
kleine, kruidachtige plant met ovale bladeren, die overdekt waren
met groene, weeke bessen, omwoelde. Weldra kwamen kleine, gerimpelde
knollen, welke onze vingers zonder veel moeite fijn drukten, te
voorschijn. Er vertoonden zich verscheidene struiken van de kostbare
vrucht, die Europa aan Amerika te danken heeft, en de Encuerado beloofde
aan Gringalet de weelde van een schotel gebraden aardappelen.
Onze afdaling voerde ons weldra te midden van rotsen, die aan den
chaos herinnerden. Onophoudelijk dwong eene hindernis ons te springen,
te glijden, een langen omweg te maken, ten einde verder te kunnen
gaan. Overigens werd de temperatuur frisscher waardoor de marsch minder
moeielijk werd gemaakt. Geen boomen, geen struiken, geen heesters meer;
hier en daar een weinig gras of eene zwakke plant, die, van uit de holte
van eene rots gele bloemen naar de zon uitstrekte en waarvan de wind de
bladeren meevoerde.
De wisselvalligheid van onzen weg voerde ons nogmaals op het bergvlak.
Alle kammen, die wij bespeurden, waren kaal; eene diepe stilte heerschte
om ons. Ik bleef staan om adem te halen.
Het tooneel, dat wij voor ons hadden, trof door zijne strenge grootheid.
Sumichrast dacht aan de bergen van Zwitserland, die hij zoo dikwijls
doorkruist had, plukte bloemen af, die hem vreemd schenen aan de
keerkringen en zocht zich hare namen te herinneren. Twee vlinders vlogen
spelende over ons heen.
»Dat is eene soort van de Alpen!” riep mijn vriend uit. Het terrein
liet hem niet toe de wispelturige insecten lang te vervolgen; hij bleef
een oogenblik over den met scherpe punten bezaaiden afgrond gebukt, en
volgde met het oog de gevleugelde bloemen, die hem een vluchtig beeld
van het vaderland hadden gebracht. Een doolhof van rotsen voerde ons
voor een bijna loodrechten muur, van meer dan tweehonderd voet hoogte.
Deze onverwachte hinderpaal sloeg ons uit het veld. Langs welken kant
nu een doortocht te zoeken? Het onderzoek van het terrein deed ons
besluiten links af te slaan; deze richting scheen ons de meest zekere.
Van tijd tot tijd werd de muur wat lager; wij beproefden evenwel
tevergeefs hem over te klimmen, door ons aan de uitstekende punten
vast te klemmen. Eene gelukkiger poging bracht ons bijna, maar niet
zonder moeite, aan het doel, soms hing de rots over, dan klom ik op
de schouders van Sumichrast en als ik er in slaagde een platform te
bereiken, heesch ik Lucien aan den riem op, daarna Gringalet, die zich
gaarne tot deze handeling leende en vervolgens Sumichrast en den
Encuerado.
Eindelijk was men de verschrikkelijke hinderpaal te boven; aan den
anderen kant was de grond bezaaid met vulkanische steenen.
Wij liepen, ofschoon het reeds vier uur was, maar altijd door, in de
hoop een boom of struik te ontmoeten, aan welks voet wij ons bivak
zouden kunnen opslaan. De Encuerado zette een oogenblik zijne mars neer,
om eene rots, in den vorm van eene naald te beklimmen, en waarvan de
zonderlinge stand aan den beroemden scheeven toren van Pisa herinnerde.
Op den top gekomen, riep de Indiaan ons toe dat hij een groep boomen
bespeurde. De koude begon ons lastig te vallen; wij moesten hout hebben
om een haard te kunnen oprichten en vonden dus den moed om nog verder te
marcheeren. De afgelegde afstand was niet zeer groot; maar de hellingen,
de omwegen, de klimming hadden ons vermoeid. Allengs werden de rotsen
zeldzamer en minder opeengedrongen; eene uitgestrekte vlakte, een weinig
in den vorm van trechter uitgehold, hier en daar met kleine heesters
begroeid, vertoonde zich onverwacht aan onze blikken. Op den achtergrond
zagen wij een dichte groep pijnboomen en eene glinsterende oppervlakte,
die een meer bleek te zijn; eene heerlijke oase, in dit sombere
landschap verborgen.
Het werd hoog tijd dat wij onder dak kwamen, want wij klappertandden
van de koude. Op een boom geklommen hakte de Encuerado de noodige
bouwstoffen voor het oprichten der hut af, terwijl Lucien van de
heesters alle doode takken brak, in welken arbeid ik hem spoedig hielp.
De ondergaande zon verraste ons, toen wij juist met ons werk gereed
waren. Het water van het meer nam eene zwarte kleur aan, de bergkammen
naar den kant van het Westen, teekenden op de lucht zonderlinge
uitsnijdingen af en de wind deed uit de denneboomen een plechtigen
en ernstigen lofzang opstijgen, aan welke bijzonderheid deze soort
ongetwijfeld den naam van _pinus religiosus_ (heilige denneboom) te
danken heeft. Naarmate de zonnestralen verdwenen en de duisternis
den hemel bedekte, werd ook de stilte dieper. Eensklaps verdwenen de
laatste lichtschemeringen; de duisternis liet ons ter prooi aan eene
dier aandoeningen, welke alleen zij kunnen begrijpen, die zich in de
tegenwoordigheid van de groote natuurtooneelen hebben bevonden.
Lucien ondervond, zonder het te weten, de dubbele majesteit van de
duisternis en de eenzaamheid; hij bleef stilzwijgen, en liet zijn
blik van den hemel tot de aarde dwalen. De sterren kwamen schitterend
en in ontelbare menigte op, en weerkaatsten zich op de onbeweeglijke
vlakte van het meer. Eensklaps scheen een lichtstraal over het water
te zweven, barstte toen als een vuurpijl uiteen en verbreedde zich tot
lichtbundels; het was de glans van onzen haard, dien de Encuerado had
aangestoken.
Eene levendige en bijtende koude had zich van ons meester gemaakt; onze
dekens waren niet meer voldoende om ons tegen den wind te beschutten.
Gelukkig hadden wij eene voldoende hoeveelheid brandstof verzameld, om
het bivakvuur den ganschen nacht te kunnen onderhouden. Onze maaltijd
was zuinig, maar vroolijk. Gringalet, Lucien en de Encuerado kropen de
een na den ander onder de dennenbladeren; Sumichrast volgde weldra hun
voorbeeld; ik bleef alleen op, daar ik geen de minste neiging gevoelde
om te slapen.
Welk eene tegenstelling! Den vorigen dag, op hetzelfde uur, werden
wij verdoofd door den ontketenden wind; het woud zond aan de echo's
vreeselijke geluiden toe; wij, arme atomen, onder een waggelenden
steen beschut, ademden hijgende eene brandende lucht in. Nauwelijks
waren vierentwintig uren verloopen of onze schreden hadden ons op een
granietgrond gevoerd, waar de koude ons hinderde; nu was het niet meer
het geraas, maar de stilte, die in mijne ziel de droomerijen der
eenzaamheid opwekte.
De morgenstond vond ons op, verstijfd van koude en nauwelijks in staat
om de lippen te bewegen. De Encuerado wakkerde het vuur van den haard
wat op, ten einde ons spoedig de koffie gereed te maken. Eene eerste
lichtschemering werd zichtbaar; de grond, met een lijkkleed van ijzel
bedekt, glinsterde. Lucien, die dit verschijnsel voor de eerste maal
zag, kon het niet genoeg bewonderen. Sumichrast verklaarde hem dat
de dauwdroppelen, die in de warme streken elken morgen op het gras
schitteren, op deze hoogte bevriezen en die doorschijnende naalden
vormden, welke de lichtbreking wit doet schijnen.
De stralen der zon verwarmden ons niet, ik bespoedigde dan ook de
toebereidselen tot het vertrek. Na den oever van het meer langs te
zijn gegaan, begaf de kleine karavaan zich opnieuw tusschen de rotsen.
De top, dien zij overtrok was, daar viel niet aan te twijfelen, de
krater van een uitgebranden vulkaan. Ik wierp een laatsten blik op
de onmetelijke, door bergkammen omgeven baai, alvorens tusschen de
reusachtige steenen, die eertijds door den vulkaan waren uitgebraakt
een nieuwen tocht te beginnen, die even moeilijk zou zijn als die van
den vorigen dag. Meer dan eens gebeurde het, dat wij blind liepen en
ontmoedigd gingen zitten.
Ik onderzocht een laatste maal den horizon; onze voeten betraden den
hoogsten top van de Cordilleras; voor ons, en zoover het oog reikte,
verhieven zich met hout begroeide bergpieken, waarvan de hoogte
trapsgewijze verminderde. Eindelijk zouden wij dan weer de tropische
natuur terugvinden en langzamerhand de vlakken en bosschen van het warme
Land bereiken. De weg scheen recht en gemakkelijk te zijn; maar hoeveel
valleien moesten doorgetrokken, hoeveel hinderpalen nog niet overwonnen
worden eer wij de verwachte grens bereikten!
De afdaling geschiedde langs een reuzentrap, waarvan elke trede zeven
tot acht voet hoogte kan gehad hebben. Lucien en Gringalet maakten
meermalen aan den riem hangende, de reis; maar wij kwamen zonder ongeval
alle hinderpalen te boven. Ik kan niet zeggen met hoeveel genoegen ik de
pijnboomen terugzag. Wij zochten tevergeefs om ons naar de sporen van
den orkaan, deze zijde van den berg was van den geesel bevrijd gebleven.
De helling werd zacht, onze marsch sneller en weldra vertoonden zich
enkele eiken. Een onbestemd geluid deed ons luisteren, en de Encuerado,
die meer gewoon was dan wij, om op een afstand over de geluiden te
oordeelen, kondigde ons een bergstroom aan. Eekhoorns brachten de takken
langs onzen weg in beweging, de pepereters schenen ons uit te dagen,
maar wij wilden het water bereiken. Weldra omringden ons eike- en
berkeboomen, daarna wolboomen en _ahuehuetes_. Het terrein werd vlakker
en na minder dan een half uur bracht de Encuerado ons op den rand van
eene onmetelijke bergkloof, waarin een woelig water bruischte. De steile
oever werd spoedig zachter en het bivak opgeslagen. Terwijl wij takken
afkapten legde Sumichrast een vinger op zijn mond en greep zijn geweer.
Een licht geraas deed zich onder de struiken hooren en onze reismakker
verdween.
Wij luisterden met ingehouden adem, toen de schreeuw van den uil
weerklonk: dat was een roepkreet en de Encuerado gleed op zijne beurt
onder de struiken.
»Waarom heeft mijnheer Sumichrast den Encuerado geroepen?” vroeg Lucien
mij zachtjes.
—Zonder twijfel omdat hij een wildspoor ontdekt heeft.
Nauwelijks had ik mijn volzin geëindigd, of een geritsel van droge
bladeren trok mijne aandacht. Een blauwe vos ging met hangenden staart
en vurigen blik langs mij heen. Ik schoot, doch zonder het dier te
raken, dat zich onder de boomen verloor, door Gringalet vervolgd. Bijna
op hetzelfde oogenblik kondigde eene losbranding mij aan, dat de
Encuerado geschoten had.
Lucien was zeer ontstemd, dat ik den vos gemist had; ik, voor mij,
betreurde het, dat ik een lading kruit had vermorst en misschien op
onhandige wijze het wild op de vlucht had gedreven, dat mijne makkers
vervolgden. Ik zette daarop mijn arbeid van houtkappen voort, en beval
Lucien vuur te slaan en den haard aan te steken. Dank zij de lessen van
den Encuerado, kweet hij er zich behendiger van dan ik verwacht had.
Een roepkreet van Sumichrast, waarop Lucien antwoordde, bracht den
teleurgestelden jager weer bij ons.
»Op welk dier hebt gij geschoten?” riep hij mij toe.
—Op een vos, dien ik gemist heb; waart gij soms bezig hem te vervolgen?
—Neen; ik had eene ree en haar jong gezien, maar ik kon er niet
bijkomen.
—En de Encuerado?
—Die zal wel een vogel geschoten hebben, om niet met leege handen terug
te komen.
—Chanito, hioe! hioe! Chanito!
—Ohe, ohe! antwoordde de knaap.
Weldra kwam de Encuerado terug, een jonge ree op zijne schouders
dragende.
»Wat een lief diertje!” riep Lucien uit, »waarom hebt gij het niet
levend gevangen?”
—Omdat alleen een kogel even hard kan loopen, Chanito.
—En de moeder? vroeg Sumichrast.
—Daar heb ik niet bij kunnen komen; wij hebben daar trouwens ook meer
vleesch dan wij voor vandaag en morgen noodig hebben.
Lucien was het jonge hert genaderd; het was altijd een zijner wenschen
geweest om een dezer dieren levend te bezitten. Hij bezag de fijne
beenen en den spitsen snuit van het arme dier, welks met gelijkmatige
witte vlekken bezaaide bruingele rug met den leeftijd van kleur
verandert.
»Laat eens hooren, meester Zonnestraal, waaronder zoudt gij dat zoogdier
rangschikken?” vroeg Sumichrast aan Lucien.
—Het gelijkt op geen van al die soorten, welke ik ken.
—Kom, kom! En de geiten, de koeien en de schapen dan. 't Is een
herkauwer, een dier dat drie of vier magen heeft. De onderkaak bezit
acht snijtanden, terwijl de bovenkaak alleen voorzien is van een soort
kussentjes of eeltplaten.
—Dat is waar, zeide Lucien, na den bek van het jonge ree geopend te
hebben.
—Alle herkauwers slikken eerst hun voedsel door, dat in een eerste maag
komt; daarna brengen zij het weer in den mond terug om het opnieuw te
kauwen; dat noemt men _herkauwen_. Gij hebt zeker meer dan eens eene
koe of een schaap onbeweeglijk en voortdurend kauwende in de zon zien
liggen.
—Ja wel, antwoordde Lucien, en de Encuerado heeft mij altijd verzekerd,
dat zij dan bitter gras hadden gegeten.
—Zijne verklaring heeft evenveel waarde als die van de Mexicanen, die
zeggen dat een dier, dat herkauwt, de krant leest. Wat deze orde van
dieren nog kenmerkt, zijn hun gespleten hoeven.
—En dat zij horens hebben!
—Niet allen; de kameel, het lama en de steenbok bijvoorbeeld, hebben er
geene.”
Nu moest men nog beslissen hoe onze ree gereedgemaakt zou worden. Na
eene kleine beraadslaging werd besloten vrij spel aan den Encuerado
te laten, waarna ik onder in de bergkloof afdaalde. Na de steenen
en schorsen te hebben opgelicht, ontdekte ik verschillende soorten
loopkevers. Lucien ving op een struik eenige insekten van zonderlinge
vormen; Sumichrast herkende daarin bij den eersten oogopslag
_tettigonna's_ of walsvormige cicaden.
—Dat zijn _hemipteren_ of halfvleugelige insecten, zeide hij, en
derhalve verwanten van de wantsen en krekels; deze insecten hebben
noch boven-, noch onderkaken; hun mond wordt gevormd door een geleden
zuigbek, die langs de borst wordt gelegd en dien gij duidelijk kunt
zien. Het geslacht der cicaden is vrij talrijk en de twee soorten, die
gij gevonden hebt, zijn aan Mexico eigen.
—Hier is er een, die op eene kip gelijkt en een andere, die den vorm
van een bootje heeft.
—Gij hebt gelijk en ge zult er nog wel met veel zonderlinger vormen
ontmoeten.
Terwijl hij de diertjes, welker uiterlijk hem zoo boeide, op de hand
liet loopen, zag Lucien ze eensklaps opspringen en verdwijnen; hij wilde
naar de heesters, waarop hij ze gevangen had, terugkeeren, toen zijne
aandacht afgetrokken werd door een zeer groote waterjuffer, die men in
Mexico gewoonlijk _Duivelspaarden_ en in Frankrijk _juffers_[20] noemt.
Na eenig rondvliegen ging het fraaie insect op eene plant zitten en viel
weldra onder het net van den jongen jager. De gevangene had groenachtige
oogen, een geel lichaam en zwart en rood geteekende vleugels. Het boog
zijn spitsen buik naar binnen, alsof het de hand, die het gevangen
hield, wilde steken en bewoog zijne vleugels met een metaalachtig
geluid. Uit den bek hing een half verslonden muskiet en ofschoon zelf
gehavend, vervolgde het zijn maaltijd, tot groote verbazing van mijn
zoon, die niet dacht, de gewoonten van den tijger terug te vinden bij
een insect van zulken sierlijken vorm en oogenschijnlijk zoo
onschadelijk.
»Dat is een huidvleugelige of adervleugelige of _neuroptere_, aldus
genoemd naar de netvormige aderen, die gij op de vleugels, ten getale
van vier, kunt zien. Dit insect leeft eerst, in de gedaante van larve,
in het water; in dien toestand—waarin het een jaar verblijft—gelijkt
het op wat gij in de hand hebt, alleen zijn de vleugels slechts door
knopjes aangeduid, die bij elke huidverwisseling groeien en langer
worden. Die knopjes dienen als 't ware tot koker voor de fraaie gazen
vleugels, die de neuropteren en vooral de waterjuffers kenmerken.
—Hoe, leven de waterjuffers eerst in 't water, evenals de visschen?
—Ja, en zij toonen zich daar niet minder vraatzuchtig dan het volkomen
insect. De larve wordt pop en verslindt met gulzigheid hagedissen en
kleine visschen; na korter of langer tijd, al naar de soorten, komt zij
uit het water, door langs een rietstengel op te klimmen en blijft daar
een tijdlang onbeweeglijk aan de zonnestralen blootgesteld; eensklaps
springt de huid, die den kop bedekt, open en de met zwart, blauw of
groen gekleurde waterjuffer neemt haar vlucht, en stort zich op de
eerste vlieg of den eersten vlinder, dien zij ontmoet.”
De kreet van den Encuerado onderbrak mijne les. Dat was de etensklok.
[20] In ons land noemt men ze glazenmakers en waterjuffers.