Het gezang houdt ineens op en een stoere varensgezel van ongeveer
zeventien jaar snelt op den eenzamen wandelaar toe en roept: "Huib,
Huib, waar jij heen?"
Huib kijkt op en ... "Bijlo, kwâjongen, je laat me schrikken. Waar
kom-je vandaan, Jonge Kees?"
"Wel, ik ben eens even naar Vlieland geweest en op zee ben ik
overgestapt op eene visschersschuit van Maassluis! En waar gaat
gij heen?"
"Ik ga naar Maassluis!"
"Naar Maassluis? En dan?"
"Naar Rotterdam!"
"En dan?"
"Aan boord!"
"Dan ga ik met je meê! Dat treft! Ik en had niet gedacht dat ik zulk
schoon gezelschap hebben zou!"
"Jawel, maar kan-je hier niet blijven wachten tot ik terug ben?"
"Zeker kan ik dat; maar dat en doe ik liever niet! Goed gezelschap
maakt korte mijlen, Huib!"
"Nou, ga dan maar meê! Je mag ook wel weten wat ik doe!"
"Je maakt me nieuwsgierig, Huib!"
"Dat kan wel zijn; maar ik en zeg toch nu nog niet wat ik daar ginds
ga uitvoeren!"
"Mij goed, ik kan wel zoo lang wachten!"
Gedurende een vijf minuten liepen onze twee bekenden langs den weg
zonder een woord te spreken. Dat begon Jonge Kees te vervelen en in
de hoop, dat hij zijn makker wat opvroolijken zou, zette hij Joost
Van den Vondels keurigen Wilt-zangh voort.
"Wy zaeien noch wy maeien niet:
Wy teeren op den boer.
Als 't koren in zijn airen schiet
Bestelt al 't land ons voêr.
Wy minnen zonder haet of nyt.
En danssen om de bruit:
Ons bruiloft bint zich aan geen tydt,
Zy duurt ons leven uit!"
"Ben-je al getrouwd, Jonge Kees?" vraagt Huib eensklaps.
Een luide schaterlach, die de vogels opjaagt en de kikvorschen van
schrik in de sloot doet springen, klinkt langs den weg.
"Nou, ik en zie niet in waarom jij daar zoo om lachen moet!"
"Ik wel," zeî Jonge Kees, "ik wel! Ik ben pas drie weken van boord
en nog geen zeventien jaar oud! Is dat niet om te lachen?"
"'T is waar ook, Jonge Kees, 't is waar ook.--Maar zeg, weet-je wat
ik van de Ammiraliteit van de Maze gekregen heb voor het neerhalen
van de Engelsche vlag?"
"Neen! Een toebacks-doos?"
"Ik en drink geen toeback! Neen, vijfhonderd gulden!"
"Vijfhonderd gulden? Maar, Huib, dan ben-je een rijk man! En wat zal
je er meê doen?"
"Die breng ik naar Maassluis bij eene goede vriendin van me om ze
voor me te bewaren!"
"Bij eene goede vriendin! Huib, Huib! Vroeg-je daarom of ik getrouwd
was? Zoo'n oude paai! Hij is bang dat ik hem zijne vriendin onder de
hand ontfutselen zal! Huib! Huib!"
Op deze wijze werd het gesprek voortgezet tot ze te Maassluis kwamen
en daar een eenvoudig huisje binnentraden.
"Goeden morgen, vrouw Lanoy! Is je dochter thuis?"
"Ik en weet niet, ik, mannen, mijne dochter.. maar.."
De dochter had evenwel de stem van Huib gehoord en kwam uit het
schuurtje, dat bij de achterdeur was, in haar werkpak te voorschijn.
"Dag Huib! dag Jonge Kees!" zeî ze.
"Dag Adriana!" sprak Huib en Jonge Kees bromde dien naam na, doch stond
heel vreemd op te kijken, dat een meisje, dat hij, zoover hij wist,
nooit gezien had, zijnen naam kende. Toch kwamen die gelaatstrekken
hem wel bekend voor, maar ...
"Komt binnen, komt binnen! je treft het, moeder heeft net de koffie
gezet!"
Die stem kwam Jonge Kees ook bekend voor. Maar waar kon hij die
Adriana gehoord of gezien hebben?
"Nou, even willen wij wel binnen komen; maar ik en heb niet veel tijd
en deze jonge borst ook niet. Wij moeten vanavond nog te Rotterdam
zijn, zie-je!"
"Kom, kom, één bakje troost nemen, daarvoor is er toch tijd genoeg
zou ik meenen! Maar ik en wist niet dat je me zoo gauw zou komen
opzoeken! Er is toch geene zwarigheid, wel?"
"Nou, zwarigheid neen en ja! Mijne zakken zitten tot berstens toe vol
met guldens, die ik gekregen heb voor het afhalen van de Engelsche
vlag. En daar ik zonder maagschap ben en niet en weet waar ik dat
geld veilig zal laten, zoo kom ik vragen of ik het jou geven mag. Ik
en heb het niet noodig!"
"Welzeker, we willen het dolgeern voor je bewaren, nietwaar moeder?"
"Ja, ja, kind, dat willen we! Daar boven in dat kastje in eene kous
of in die oude pulle daar op het kabinet!"
"Bewaren?" roept Huib, "neen, dat meen ik niet! Ik geef het jeluî om
het te gebruiken!"
"Jaantje, is dat die Huib Maerlant, die je aan boord zoo goed opgepast
heeft, toen je dat schampschot aan je been gekregen hadt?"
Jonge Kees sprong op! Thans wist hij wie dat meisje was en naar het
blozende Jaantje, die haar geheim door hare moeder zoo eensklaps
verraden zag, gaande, sprak de flinke knaap: "Oude makker, nou ken ik
je! Nou weet ik wie je ben! Moeder Lanoy, je dochter is eene heldin!"
"Ja, jongen, daaraf heeft ze ook mooie brieven! Jaantje, kind, haal
die pampieren ereis!"
"Welke brieven zijn dat?" vroeg Huib.
"Och, het zijn maar brieven vanwege de Ammiraliteit van de Maze!"
"Ja mannen, en ze wordt daarin wat geprezen! o, Ze zijn zoo mooi! Als
ik de leeskonst machtig was, dan las ik die brieven driemaal per
dag! Toe dan, kind, haal ze eens!"
Jaantje voldeed aan het verlangen harer moeder en reikte ze Huib en
Jonge Kees over, die beide hun best deden om dat geschreven schrift
met slingertjes, slangetjes en krulletters te lezen.
Een paar uren brachten Huib en Jonge Kees in de woning van de weduwe
en dochter door, en verlieten haar na eenen stevigen maaltijd, en na
de belofte gedaan te hebben gauw terug te komen.
De vijfhonderd gulden bleven bij haar in bewaring. De moeder had ze
in eene kous en in de ledige pulle geborgen.
"En nou vraag ik je nog eens, Jonge Kees, of je getrouwd bent, ja
ofte neen!" zeî Huib toen Maassluis achter hem lag.
"Ik heb immers straks al gezegd van neen, wat maal je toch?"
"Nou, als je dan eens trek krijgt om aan den wal een vrouwtje te
vinden bij je thuiskomst, dan weet ik er een voor je, hoor! En laat
me nou eens samen met je zingen. Als je wil dat liedeken van zoo even.
"Wat zongh het vrolyck voghelkyn,
Dat in den boomgaert zat?"
Hun vroolijk gezang klonk in den lieven Meiavond wijd in het rond en
ze waren te Vlaardingen eer ze er aan dachten.
"We willen hier eens even ankeren en een glaasje drinken op Jaantje
Lanoy, het matroosje! Vind-je 't goed, Jonge Kees?"
Deze maakte geene tegenwerpingen en weldra traden ze eene herberg
bij het hoofd binnen.
Er was zooeven eene sloep met zeevolk aangekomen, dat hier ook binnen
gegaan was. Bovendien waren er nog al enkele burgers ook, zoodat er
heel wat drokte en beweging heerschten.
"Stilte!" klonk op eens eene stem als eene klok en iedereen zweeg.
"Wat er onlangs in de Noordzee gebeurd is, dat weet gij allen! Wij
waren er trotsch op toen we dit vernamen! Maar niet alleen hier in
de buurt hebben we 't met de Engelschen te kwaad!. Wij komen uit de
Middellandsche zee en brengen nieuws mede!"
"Vertel, vertel!" klonk het van alle kanten.
"Het is er een van de vloot van Jan Van Galen!" fluisterde Huib. "Ik
ken hem wel!"
"Heb-je wel eens gehoord van Jan Van Galen, mannen?" dus begon de
verteller.
"Van Van Galen gehoord, wie zou dat niet? Maar weet je dat hij
gestorven is aan eene wonde, die hij in een gevecht tegen de Roôrokken
ontving? Dat en weet gij niet! Maar luistert wat er gebeurd is.
Nadat de moedige Kommandeur reeds verscheidene malen met roem
en voordeel tegen de Duinkerker kapers en de Turksche zeeroovers
gestreden had, vielen de oogen van Hunne Hoogmogenden op hem, als op
een geschikt man om onze koopvaardijvloot in de Middellandsche zee
tegen de Engelschen en Turken te verdedigen. Nu, dat bevel was hem wel
toevertrouwd; hij was een leerling van onzen roemruchten Tromp. Reeds
vóór het uitbreken van den oorlog hadden de onzen eene vloot in
de Middellandsche zee. Ze stond onder het bevel van den Kommandeur
Joris Catz, doch toen de Engelschen hunne macht daar versterkten,
werd het noodzakelijk dat wij het ook deden.
Ten vorigen jare togen wij er heen en we behoeven er geen doekjes
om te winden, wij waren grootsch op onzen Kommandeur. Hij zelf trok,
om er gauw te zijn, over land naar Livorno en was er dus wel wat eer
dan wij, al waren wij ook vroeger vertrokken.
Onze vloot was, behalve de branders, veertien schepen sterk en toen
Van Galen te Livorno aankwam, zag hij dat zes kloeke Engelsche schepen
in de haven lagen. Deze stonden onder bevel van Appleton en nauwelijks
waren wij aangekomen, of Van Galen besloot dien Engelschman eens zoo
netjes op te sluiten als je 't ooit gezien hadt.
Als jeluî 't niet weet, dan wil ik je wel zeggen, dat Livorno eene
handelsstad is in het groothertogdom Toscane, en nu was de Groothertog
volstrekt niet in zijn schik, dat Appleton maar in, en Van Galen maar
vóór de haven bleef liggen; want daardoor stond de handel geheel en
al stil.
Toen dat een poosje geduurd had, vernam de Kommandant dat Bodley
met eenige oorlogsschepen en gewapende koopvaarders uit De Levant
kwam. Hierop gaf hij het bevel over eenige schepen, die voor de haven
lagen aan kapitein Van Salingen en zeilde zelf den Kommandeur Bodley
te gemoet. Hij ontmoette hem dicht bij Elba en viel hem zoo krachtig
aan, dat Bodley na een dapperen tegenstand de wijk nam naar Elba. Hier
hield Van Galen hem tot aan het begin van Sprokkelmaand ingesloten. Dat
verveelde hem en daarom zette hij koers naar Livorno in de hoop dat
de Engelschen hem zouden volgen. Dit gebeurde ook; want Bodley meende
zijn kans nu schoon te zien om ons tusschen twee vuren te brengen.
Dit had Appleton gezien en verliet de haven van Livorno, maar Van
Galen viel hem zoo onverwachts en hevig aan, dat die mooie oom met
verlies van twee schepen op de vlucht ging. Thans wendden wij den
steven en zeilden regelrecht op Bodley aan. Deze was echter op een
fellen tegenstand voorbereid en ontving ons met de volle laag.
"Vooruit ligt de weg der victorie!" riep Van Galen en sloeg zich
door twee schepen heen. Kapitein De Boer veroverde De Luipaard,
het grootste schip, dat Bodley onder zijn bevel had.
"Houdt je goed, mannen, houdt je goed!" klonk de stem van den
Kommandeur alweder, doch nauwelijks had hij dit geroepen of hij kreeg
eene wond aan den voet. Wij dachten, dat het erger was en schaarden
ons om hem heen, doch hij hinkte naar den grooten mast en riep:
"Wat sammelt gij om eene kleine wonde! Op, op! Het is schoon voor
het Vaderland te sterven te midden der overwinning!"
De wakkere man had gelijk; het werd eene overwinning, doch eer
het zoover was, moest hij in de kajuit gedragen worden waar hem
het been werd afgezet! En wat denkt gij, mannen van Vlaardingen,
dat Van Galen deed? Schreeuwen en gillen van pijn en smart? Neen,
geen enkele klaagtoon kwam over zijne lippen en toen de pijnlijke
bewerking geëindigd was eischte hij een glas wijn, dronk het uit en het
glas op den grond smijtende riep hij: "De Engelsche koningsmoorders
moeten toch alles betalen!" Eenige dagen later stierf hij aan eene
wondkoorts in de haven van Livorno waar de Groothertog hem met vele
bewijzen van hoogachting ontvangen had!--Hé, wat zeg-je? Heeft de
Kommandeur zich wél gekweten ja, ofte neen!"
Een onstuimig geschreeuw van bijval vervulde de kleine ruimte.
"Ja, nu schreeuwt gijlieden allen dat het zoo mooi is! Maar denkt er
eens aan wat Van Galen gezegd heeft: "De Engelsche koningsmoorders
moeten toch alles betalen!"-- En weet je wat wij hen nog niet betaald
gezet hebben? Zijn dood! Mannen van Vlaardingen, nog is de oorlog
met Engeland niet geëindigd, toont dan dat ge den heldendood van een
moedig man te wreken hebt!"
Hier zweeg de matroos, en daar het op een groot leven en geschreeuw
uitliep, zoo verlieten Huib en Jonge Kees de herberg en begaven zich
verder op weg. Eerst laat in den avond kwamen ze te Rotterdam aan.