HOOFDSTUK XIII

Van Maassluis naar Livorno.

De Bloeimaand was in 't land en strooide geur en kleur langs veld en

wegen. Zelfs de stad droeg de kleuren van den Mei waar hier en daar

een potje met voorjaarsbloemen voor de ramen stond.

Maar blind voor al dat heerlijke en schoone der natuur en doof voor

het gezang der vogelen, die op den boomtak en in de lucht hunne

voorjaarsliedjes deden weergalmen, was de man die daar langs den toen

nog weinig bewoonden weg van Schiedam naar Maassluis liep.

Nu en dan rammelde hij met gerande zilverstukken of stond stil om er

enkelen, die hij uit den zak haalde, te bekijken.

"Was ik nu nog een twintig jaren jonger, dan wist ik wel wat

ik deed. Maar nu, oud en ongeleerd, nergens goed voor dan voor

matroos! Ver gebracht, Huib Maerlant, ver gebracht. Ze draven

je allemaal voorbij. Warmont wordt kapitein en Leinsz. luitenant;

Jonge Kees krijgt een eerepenning en ik... ik... ik krijg vijfhonderd

guldens. Eene mooie som als ik maar wist wat ik er mee doen moest!--

Maar, halt, wat ik er mee doen moet, dat weet ik toch!

Waarom ga ik naar Maassluis?"--

"Wat zongh het vrolyck vogheleyn

Dat in den boomgaert zat?

Hoe heerlyck blinckt de zonneschyn

Van ryckdom en van schat!"

klonk het op een flinken toon een heel eind voor hem uit.

Huib Maerlant hoorde het niet en liep mijmerend voort.

"Hoe ruischt de koelte in 't eickenhout,

En versch gesproten lof!

Hoe straelt de boterbloem als gout!

Wat heeft de wiltzangh stof!

Huib hoorde wat van "eickenhout, boterbloem en gout," en begon het

een met het ander in verband te brengen; maar het gezang hoorde hij

echter nog niet goed, hoewel het steeds nader kwam.

"Wat is een dier zyn vryheid waert!

Wat mist het aan zyn wensch;

Terwyl de vreck zyn potgelt spaert!

O slaef! O, arme mensch!"

"Nu nog mooier! Nu ik "potgelt" heb, zou ik een "vreck" zijn. Neen,

ik en ben geen "vreck", ik en wil geen "vreck" zijn ook!"

Het gezang klonk nu heel dichtbij.

"Waar groeien eicken 't Amsterdam?

O kommerziecke Beurs,

Daar noit genoeghen binnen quam!

Wat mist die plaets al geurs!

Wy voghels vlieghen warm gedost

Gerust van tack tot tack.

De hemel schaft ons dranck en kost,

De hemel is ons dack.

Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden · 第 35 / 43 题