HOOFDSTUK XIV

Wie niet hooren wil moet voelen.

"Zoo, zoo, gaan we weer maar dadelijk naar zee?" vroeg Huib den

volgenden morgen aan Leinsz., die, al was hij luitenant geworden,

toch niet te trotsch was om met zijne makkers van eenigen tijd geleden

vertrouwelijk om te gaan.-- "Zoo, zoo, gaan we weer maar dadelijk

naar zee!"

"Ja, man, daar en is niemendal aan te doen. De Heeren willen het zoo!"

"Maar willen ze dan niet meer zien? Hoe kan onze vloot nu zee

bouwen? Ziedaar ons schip! Hoe ziet het er uit! Eene modderschouw is er

een paleis bij, en dat is nu het Ammiraalschip! 'T is schande! Het en

is geen wonder, dat wij zeevolk te kort komen! Wie wil er ook dienen op

eene vloot, die uit doornagelde turfschuiten en verteerde vischsloepen

bestaat! Dat onze Tromp er niets-van zegt, dat en begrijp ik niet!"

"Tromp er niets van zeggen!" sprak luitenant Leinsz. "Man, man,

heb-je dan ook je ooren in je wambuis en je oogen in je hozen zitten

even als Hunne Hoogmogenden?"

"Sst, sst, de wanden hebben soms ooren en je verrader slaapt niet!"

"Mijnenthalve mogen ze mijne woorden overbrengen waar ze willen. Ik

zeg, dat het schande is zooals de belangen van den Lande verwaarloosd

worden. Geld verzamelen, goud op hoopen brengen, een leven leiden als

een Spaansche Don in zijn suikerveld, dat kunnen ze! Geld uitgeven

voor allerlei snorrepijperijen om hunne huizen en woonvertrekken te

versieren en op te schikken, dat kunnen ze; maar als er eenige weinige

penningen van dien goudhoop gevraagd worden om hiermede het welzijn

der Vereenigde Provinciën te bevorderen, dan blijven de koorden der

beurs gesloten en moeten ze er eerst eens ampel en breedvoerig over

spreken. Maar inmiddels verloopt de tijd met babbelen en beraadslagen

en de toestand der vloot blijft dezelfde!"

"Er is veel van aan, geloof ik!" mompelde Huib.

"Veel van aan? Veel van aan? Neen, alles is er van aan! Zoodra onze

Ammiraal den laatsten keer in het land terug kwam, heeft hij om betere

en grootere schepen gevraagd!"

"Zoo, heeft hij dat?"

"Ja, dat heeft hij. Hij heeft hen alles uiteen gedaan hoe het op de

Engelsche vloot was, kortom, hij heeft gesproken zooals we van onzen

Ammiraal verwachten kunnen! En wat was het antwoord?"

"Ik en weet het niet!"

"We zullen eens zien!" zeide een en met dat: "Wij zullen eens

zien!" werd Tromp afgescheept, alsof het een Poolsche jood of Polak

was, die wat stond te zwetsen van pillen voor den dood!"

"En is de Ammiraal al aan boord?"

"Ja, hij is in de kajuit! Maar stil, daar komt jou Kregel Mennonietje

aan. 'T is toch een vent, die Witte!

Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden · 第 37 / 43 题