Miskend en Erkend.
Met eene vloot van 96 schepen en eenige branders, te zamen elf duizend
man aan boord hebbende, zette Tromp koers naar Duins in de hoop daar
Blake te vinden.
"Zeg, Huib, denk-je dat die Blake nog te Duins is?" vroeg Jonge Kees.
"Ik en-weet het niet! Maar waarom? Zou-je denken, dat onze Ammiraal
hem ook niet kan opzoeken als hij daar niet meer en is?"--
"Dat weet ik wel; maar ik wilde zoo geern mijn eerepenning wat beter
verdienen. 'K heb met die Roôrokken meer dan één appeltje te schillen,
hoor!"
"Daar ligt Duins," zeide Adriaan, "en ik zie de masten van groote
schepen. Je zal dus je zin hebben, Jonge Kees!"
Maar Jonge Kees kreeg zijnen zin niet en Tromp natuurlijk ook niet;
want weldra vernamen ze, dat de hoofdvloot onder Blake uitgeloopen
was. Slechts een smaldeel van 31 schepen, onder bevel van den
Vice-Admiraal Ayscue lag er nog.--Tromp besloot al vast te kunnen
beginnen met deze schepen aan te vallen en te vernielen; maar door
stilte en daarna door eenen fellen wind werd hij in zijn voornemen
verhinderd.
Na zoo verscheidene dagen verloren te hebben laten gaan, gaf Tromp
bevel Blake op te zoeken. Eilacie, 't was te laat om een groot verlies
te voorkomen; want Blake had de heele Hollandsche haringvloot genomen,
niettegenstaande de oorlogsschepen, die deze vloot moesten beschermen
zich dapper geweerd hadden. Maar, hij kon ze Blake weer afnemen! Ja,
dat kon hij ook, maar dan moest hij dien Blake toch vinden, en ziet,
dat gelukte hem eerst na lang heen en weer varen.
Het was aan den avond van den vijfden van Oogstmaand toen hij de
Engelsche vloot in het gezicht kreeg; maar in den nacht, die daarop
volgde werd hij door eene vreeselijken storm overvallen. Den anderen
morgen was zijne geheele vloot naar alle kanten verstrooid; ze had
ook ontzettend geleden en, Blake was er niet meer.
Er zat nu voor het oogenblik niets anders op dan met de ontredderde
schepen, wier aantal tot op de helft verminderd was, naar het vaderland
terug te keeren.
Nu was Leiden in nood en Holland in last.
Van zulk eene schoone vloot had men de grootste verwachting gehad,
en waarop kwam het uit? Op groote verliezen.
"'T is me een schoone vlootvoogd, die ons eenen oorlog op den hals
haalt en niets dan verliezen weet te bezorgen," zeî de een.
"De man is over het paard getild en meent nu dat zijn uil al een
wonder mooie valk is!" sprak een tweede.
"Daar heb-je nu den moed van dien Tromp! Veel geschreeuw en weinig
wol! Omdat het geluk hem bij Duins gediend heeft, dachten alle
luiden, dat hij een onovertreffelijk, moedig en beleidvol Ammiraal
was!" schreeuwde een derde.
"Ze moesten dien kalen Briellenaar van zijn ambt ontzetten!" meende
een vierde.
"Ja, en hem alleen al de schade, die hij ons berokkend heeft en door
zijn onverstand nog berokkenen zal, doen vergoeden. Die kerel zal wel
al lang zijne schaapjes op het droge hebben!" liet een handelaar in
koloniale waren zich hooren.
De geest van het volk, dat gewoonlijk al heel gauw oordeelt, was
sterk tegen hem. En niet alleen het volk, neen, ook velen uit de
Staten-Generaal en uit de Admiraliteits-Collegiën verhieven hunne
stem tegen hem, en brachten het zelfs zoo ver, dat de Admiraal ter
verantwoording geroepen werd.
Nu bleek het wel, dat hij onschuldig was, maar ... men kon het voor
een keer toch wel eens met een ander beproeven.
Maar wien zou men nemen?
De Ruyter? Ja, als dát kon! Maar De Ruyter was aan het hoofd van
een smaldeel op zee en had meer dan zijne handen vol tegen den
Engelschen Vice-Admiraal George Ayscue, dien hij reeds eenmaal
verslagen had! Anders, De Ruyter, ja ... maar wat nu niet kon, dat
kon niet, en men moest een ander zoeken.
Douwe Aukes dan?
Douwe Aukes? Wie was dat?
Wel, hij was op het oogenblik in 't Vaderland om zijn schip, dat
zwaar geleden had, te laten herstellen. Dat was anders een man! Had
hij De Struisvogel in het gevecht onder De Ruyter tegen Ayscue,
niet door zijn moedig gedrag behouden? Wat zou er van het schip en
de bemanning geworden zijn, als hij,--toen hij van alle zijden door
den vijand werd aangetast en het volk den moed verloor,--niet met
eene brandende lont naar de kruitkamer gesneld was en gezegd had:
"Houdt moed jongens, houdt moed! Als we 't niet meer houden kunnen,
dan zal ik met deze lont u den weg wijzen, dien we bewandelen moeten
om niet schandelijk gevangen genomen te worden!"--
Ja, die Douwe Aukes was een flinke kerel, maar ... zoo jong, zoo
onervaren!
De wakkere Jan Van Galen dan? Had deze in den gedurigen krijg tegen de
Turksche zeeroovers niet getoond dat men op hem vertrouwen kon? Hij
was niet jong meer; zijn beleid was zoo groot als zijn moed! Waarom
hem niet?
Ja, Jan Van Galen zou een uitmuntend opperbevelhebber zijn; maar er
was op staanden voet iemand noodig en hij kruiste met eene vloot in de
Middellandsche zee om de Hollandsche koopvaarders tegen de Engelschen
en de Turken te beschermen.
Witte Cornelisz. De With dan? Die was met een smaldeel in de
Noordzee. Hem hadden ze dadelijk bij de hand! En zeg eens dat deze
geen moed had! Was er één op de vloot, die durfde wat hij waagde
te doen? Had hij zijn Vaderland niet boven alles lief? En zoo hij
vroeger ook al blijken had gegeven, dat hij meer moed dan beleid
bezat, hij was een jaartje of wat ouder geworden en zou nu wel een
weinig bedaarder zijn!
Ja, dat alles was wel waar, zeker, zeker, maar....
Nu maar?
De matrozen, ja, zelfs de kapiteins haten hem!
Tut, tut, dat zal zoo erg niet wezen, als ze wel roepen, Die zeeluî
zetten er altijd een stukje aan. Me dunkt, we konden het met hem wel
eens beproeven!--
Het werd beproefd en 't Kregelige Mennonietje, de man, die geene
vrees kende, die goed en bloed voor 't Vaderland veil had, die, al
had hij tien levens, ook tien levens zou willen opofferen om zijn
Land groot te maken, zag de stoute wensch van zijne jeugd vervuld:
hij was bevelhebber eener vloot!
"Waar onze Ammiraal toch zoo lang blijft?" zeide op zekeren dag
Adriaan tegen Huib.
"Dat weet de Hemel! Als die landkrabben hem maar geene kool gestoofd
hebben!"
"Hoe bedoel-je dat?"
"Wel, dat ze hem de schuld geven van alles wat er in den laatsten
tijd gebeurd is! Als er overwonnen wordt dan is hij, die overwonnen
heeft, de beste; maar als er verliezen geleden worden, dan en is
er geen slechter dan hij. Maar stil, daar komt Jonge Kees van den
Vice-Ammiraal Jan Evertsen terug. Misschien weet hij wel wat!"
Eenige oogenblikken later kwam de kapitein aan boord. Jan Evertsen
had de verschillende kapiteins bij elkander geseind om hun eene
mededeeling te doen.
"Laat alle man op het dek komen!" beval de kapitein met een gelaat,
dat op eene noordsche bui geleek. "Ik heb u allen wat te zeggen!"--
In een oogenblik was de gansche bemanning bij elkander en thans zeide
de kapitein: "Mannen, de Vereenigde Provinciën worden thans door oude
vrouwen geregeerd, of een booze geest is in 's Lands Raadzaal gevaren!"
Doodsche stilte.
"Onze Goede Vaêr Tromp, de lieveling van al wat zeeman, heet, de
held van Duins, de man, dien we op de handen zouden kunnen dragen
en aan wien het Gemeenebest meer dank schuldig is dan zelfs aan
den onvergetelijken Piet Hein, die milioenen thuis bracht,--die
man is in ongenade gevallen. Men heeft alles op zijne rekening
geschoven, en,--als het ons geen leed deed, dan zouden we er om kunnen
lachen,--men geeft hem zelfs de schuld van den storm, die onze vloot
uit elkander joeg, toen we gereed stonden den vuigen Koningsmoorder
aan te vallen! Maar, al is Goede Vaêr in ongenade bij de regeering,
toch niet bij ons! Leve Goede Vaêr Tromp!"--
Ze schreeuwden hunne kelen heesch die ronde, trouwe en dappere zonen
der zee: "Leve Goede Vaer Tromp!"--
Weer was er een oogenblik van stilte.
"Witte Cornelisz. De With is zijn opvolger! Over een uur zal hij hier
aan boord zijn. Tromps Ammiraalsschip wordt het zijne!"
"Geen vloekbeest hier aan boord!" klonk het uit den hoop.
"Wij jagen hem een kogel door den kop!" riep een ander.
"Het bevel kwam onzen Jan Evertsen toe!" bromde Gerrit Leinsz. "Ik
en wil onder zoo'n ruw stuk vleesch niet dienen!"--
"Weg met het Kregelige Mennonietje!" schreeuwde Huib.
Daar klinken riemslagen.
De nieuwe opperbevelhebber nadert zijn schip.
"Jaagt hem een kogel door den kop! Weg, weg, met het vloekbeest! Haalt
den valreep op! Als hij aan boord komt dan is hij onze Jonas en
stuurt ons allen naar den kabeljauwskelder! Een musket! Geef hier
een handspaak! Leve Goede Vaêr Tromp! Weg met Witte!" zoo klonk het
van alle kanten.
Met tranen van spijt in de oogen verlaat Witte het oproerige
schip zonder een voet op het dek gezet te hebben. Het kost hem eene
ontzettende kracht zich niet aan zijnen bruisenden hartstocht over te
geven, en aan boord te springen om de oproerkraaiers geheel alleen
aan te vallen. Maar bij zijne aanstelling hadden Hunne Hoogmogenden
hem ernstig op het hart gedrukt om door beleid goed te maken, wat
Tromp verkorven had. En dát wilde, dát wenschte hij! Hij zou eerst
zichzelven overwinnen om daarna over den vijand te triomfeeren.
In den korten tijd van zijn bevelhebberschap heeft Witte door die
gestadige overwinningen op zichzelven getoond, dat hij sterker was
dan een held, die steden verovert.
Maar die onvergelijkelijke moed werd later met ondank beloond. Ook
Witte zou ondervinden, dat het volk slechts in hem een held ziet,
die vele overwinningen op den vijand behaalt en gelukkig in zijne
ondernemingen is.
Onderwijl De Ruyter nog met zijn smaldeel in zee kruiste, vernam hij
dat Blake met de geheele Engelsche vloot uitgeloopen was om hem te
bevechten, en daarom besloot De Ruyter in overleg met zijne kapiteins
zich met De With te vereenigen. Dit gelukte hem en hierdoor was De
With bijna even sterk in schepen als Blake; maar de vloot van den
Engelschman was veel beter ten strijde uitgerust dan de onze. Toch
zou dat niet zoo zwaar gewogen hebben bij Witte, maar door stormen
beloopen, leden zijne schepen zooveel schade, dat er verscheidene
naar het Vaderland terug moesten, wijl ze niet langer in zee konden
blijven. Dit was ook het geval met Tromps voormalig Admiraalsschip
waarvan de bemanning voor het grootste deel overging op De Gorcum,
kapitein Aert Jansse Van Nes, die onder het zeevolk den bijnaam van
"Boer Jaap" had.
Zoo kwam de achtste van Wijnmaand.
Witte had het plan gevormd de Engelsche vloot bij Duins aan te
tasten, doch Blake was hem voor en overviel hem zoo onverwacht, dat
de Admiraal geen tijd meer had de onderbevelhebers bij elkander te
roepen. Door middel van seinen gaf hij thans het bevel zich tot den
slag te vereenigen.
Tegen drie uren in den namiddag nam het gevecht een aanvang, en De
Ruyter, die de voorhoede onder zijn bevel had, zeilde den vijand
onverschrokken te gemoet. Met leeuwenmoed streed Witte tegen Blake,
wien hij zoo gaarne op de vlucht gejaagd of overwonnen zou hebben.
Had ieder kapitein het voorbeeld van Witte, De Ruyter, De Wilde
en Evertsen gevolgd, dan zou de uitslag van het gevecht heel
anders geweest zijn; maar velen volgden hun eigen zin en schoten
zelfs door onze schepen heen, terwijl anderen zich geheel aan het
gevecht onttrokken of op de vlucht gingen. Dat was nu juist geene
lafhartigheid, maar bijna alleen onwil om De With te gehoorzamen. De
haat tegen dien man ging zóó ver, dat ze de belangen van het Vaderland
er aan opofferden.
Midden in het gevecht bevindt zich De Gorcum. Haar grooten mast,
fokkemast, haar boegspriet en galjoen is ze al kwijt.
"We zijn verloren! Een ieder redde zich!" roept Boer Jaap en springt
met zijnen zoon en een paar matrozen in eene boot en vlucht.
De Engelschen naderen om het schip te nemen.
"Zullen we ons om dien De With, dat vloekbeest, gevangen laten
nemen!" riepen anderen en snelden naar de overgeblevene booten.
"Staat, lafhartige kerels!" dondert thans de stem van den opperstuurman
Willem Adriaense Warmont. "Niet voor De With vechten wij, maar voor
de eer van 's Lands vlag! Zijt gij een hoop losgelaten boeven of
jongens van onzen Goeden Vaer? Op, op, slaat erdoorheen!"--
"Ik zal ik je 'n andje 'elpen," roept Gerrit Leinsz, en zich met
eene lont in de hand bij eenige kruitvaten plaatsende, roept hij:
"Ik vlieg ik liever mee schip en aol in de lucht as op den loop te
gaen! As je niet an boord bluuft, dan gaet ie, 'oor!"--
De lange Smeerdieker zag er niet naar uit om zoo maar wat te zeggen
wat hij niet meende.
Huib, Adriaan en Jonge Kees plaatsten zich naast Leinsz. en riepen:
"Dood aan de Roôrokken! Leve Goede Vaer Tromp!"
Die vijf kloeke mannen bedwongen in de ure des gevaars door hun moedig
gedrag eene gansche bent lafhartigen en wekten hunnen moed zóó op,
dat ze de handen aan het werk sloegen en in weinige oogenblikken den
vijand verdreven.
De Gorcum was behouden, en vreeselijk gehavend brengt Warmond haar
binnen op veilige reede. [27]
De avond viel en De With had zich met zijne getrouwen staande
gehouden. Vreeselijk was het verwijt dat hij richtte tot de kapiteins,
die zijne bevelen in den wind geslagen hadden, en eindelijk moesten
ze zich nog de woorden hooren toeduwen: "Voor lafaards is nog hout
genoeg in het Vaderland om er galgen van te maken!"
Zoodra echter het gevecht hervat werd, gingen er nog veel meer op de
vlucht dan bij de eerste ontmoeting, en thans zat er voor De With
niets anders op dan den raad van De Ruyter te volgen en strijdend
terug te trekken.
Het eerste werk van De With zoodra hij in het Vaderland was aangekomen,
bestond daarin, dat hij bij de Algemeene Staten eene aanklacht tegen
de weggeloopen kapiteins inzond.
Nu werden deze mannen wel tot onteerende straffen en boeten
veroordeeld; maar men begreep toch ook waar de schoen het meeste
wrong, en ze zagen te laat in, dat ze door het benoemen van De With
tot bevelhebber eene verkeerde daad verricht hadden.
Toch had onze dappere Briellenaar in dezen strijd bijna het onmogelijke
verricht door zich-zelven te beheerschen. Hij had zich geschikt naar
de inzichten van De Ruyter, Evertsen en De Wind. Het was waarlijk
zijne schuld niet, dat het eerste gevecht niet reeds eene overwinning
was geweest; maar ... "wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!--
De With werd op zijde gezet en de Algemeene Staten stelden andermaal
Goede Vaer Tromp tot Luitenant-Admiraal aan.
De miskende werd erkend; de erkende werd thans miskend!
Toch betoonde Tromp niet veel lust voor dat vernieuwde bewijs van
vertrouwen en toen men hem naar de oorzaak vroeg, schreef hij: "Want
met den vijand te slaan en mijn leven te wagen, verwekt bij mij geene
de minste bekommering; maar dat ik, alles doende ten dienste van het
Vaderland wat in mijn vermogen staat, te huis komende blootgesteld
ben aan de verdenkingen en de afgunst van kwaadwilligen, en, na alles
wat soldaat- en zeemanschap, naar het verstand, dat God mij gegeven
heeft, te hebben aangewend, genoodzaakt werd rekenschap te geven van
mijne verrichtingen en mijne beste daden misduid worden, dat is het
wat mij bekommert en dat mij den lust en ijver ontneemt!"
Goede Vaêr Tromp had gelijk en het strekt hem tot groote eer, dat
hij na zooveel onverdiende beschuldigingen, na zooveel laster tegen
hem ingebracht, het welzijn van den Lande hooger schatte dan zijn
eigenbelang.--
Daar heerschte vreugde op de vloot toen men vernam dat Tromp alweder
met het opperbevel belast was en de goede geest, die op dat bericht
zich van het scheepsvolk meester maakte, was eene halve zeemacht.
"Heb ik het niet gedacht?" riep Huib. "Ze kunnen Goede Vaer niet
missen! Nou ga ik weer met pleizier aan den dans, al was het
vandaag! Gaat ge mede, Jonge Kees? En jij ook, Adriaan?"
"Houw en trouw!" was beider antwoord.