HOOFDSTUK XI

Miskend en Erkend.

Met eene vloot van 96 schepen en eenige branders, te zamen elf duizend

man aan boord hebbende, zette Tromp koers naar Duins in de hoop daar

Blake te vinden.

"Zeg, Huib, denk-je dat die Blake nog te Duins is?" vroeg Jonge Kees.

"Ik en-weet het niet! Maar waarom? Zou-je denken, dat onze Ammiraal

hem ook niet kan opzoeken als hij daar niet meer en is?"--

"Dat weet ik wel; maar ik wilde zoo geern mijn eerepenning wat beter

verdienen. 'K heb met die Roôrokken meer dan één appeltje te schillen,

hoor!"

"Daar ligt Duins," zeide Adriaan, "en ik zie de masten van groote

schepen. Je zal dus je zin hebben, Jonge Kees!"

Maar Jonge Kees kreeg zijnen zin niet en Tromp natuurlijk ook niet;

want weldra vernamen ze, dat de hoofdvloot onder Blake uitgeloopen

was. Slechts een smaldeel van 31 schepen, onder bevel van den

Vice-Admiraal Ayscue lag er nog.--Tromp besloot al vast te kunnen

beginnen met deze schepen aan te vallen en te vernielen; maar door

stilte en daarna door eenen fellen wind werd hij in zijn voornemen

verhinderd.

Na zoo verscheidene dagen verloren te hebben laten gaan, gaf Tromp

bevel Blake op te zoeken. Eilacie, 't was te laat om een groot verlies

te voorkomen; want Blake had de heele Hollandsche haringvloot genomen,

niettegenstaande de oorlogsschepen, die deze vloot moesten beschermen

zich dapper geweerd hadden. Maar, hij kon ze Blake weer afnemen! Ja,

dat kon hij ook, maar dan moest hij dien Blake toch vinden, en ziet,

dat gelukte hem eerst na lang heen en weer varen.

Het was aan den avond van den vijfden van Oogstmaand toen hij de

Engelsche vloot in het gezicht kreeg; maar in den nacht, die daarop

volgde werd hij door eene vreeselijken storm overvallen. Den anderen

morgen was zijne geheele vloot naar alle kanten verstrooid; ze had

ook ontzettend geleden en, Blake was er niet meer.

Er zat nu voor het oogenblik niets anders op dan met de ontredderde

schepen, wier aantal tot op de helft verminderd was, naar het vaderland

terug te keeren.

Nu was Leiden in nood en Holland in last.

Van zulk eene schoone vloot had men de grootste verwachting gehad,

en waarop kwam het uit? Op groote verliezen.

"'T is me een schoone vlootvoogd, die ons eenen oorlog op den hals

haalt en niets dan verliezen weet te bezorgen," zeî de een.

"De man is over het paard getild en meent nu dat zijn uil al een

wonder mooie valk is!" sprak een tweede.

"Daar heb-je nu den moed van dien Tromp! Veel geschreeuw en weinig

wol! Omdat het geluk hem bij Duins gediend heeft, dachten alle

luiden, dat hij een onovertreffelijk, moedig en beleidvol Ammiraal

was!" schreeuwde een derde.

"Ze moesten dien kalen Briellenaar van zijn ambt ontzetten!" meende

een vierde.

"Ja, en hem alleen al de schade, die hij ons berokkend heeft en door

zijn onverstand nog berokkenen zal, doen vergoeden. Die kerel zal wel

al lang zijne schaapjes op het droge hebben!" liet een handelaar in

koloniale waren zich hooren.

De geest van het volk, dat gewoonlijk al heel gauw oordeelt, was

sterk tegen hem. En niet alleen het volk, neen, ook velen uit de

Staten-Generaal en uit de Admiraliteits-Collegiën verhieven hunne

stem tegen hem, en brachten het zelfs zoo ver, dat de Admiraal ter

verantwoording geroepen werd.

Nu bleek het wel, dat hij onschuldig was, maar ... men kon het voor

een keer toch wel eens met een ander beproeven.

Maar wien zou men nemen?

De Ruyter? Ja, als dát kon! Maar De Ruyter was aan het hoofd van

een smaldeel op zee en had meer dan zijne handen vol tegen den

Engelschen Vice-Admiraal George Ayscue, dien hij reeds eenmaal

verslagen had! Anders, De Ruyter, ja ... maar wat nu niet kon, dat

kon niet, en men moest een ander zoeken.

Douwe Aukes dan?

Douwe Aukes? Wie was dat?

Wel, hij was op het oogenblik in 't Vaderland om zijn schip, dat

zwaar geleden had, te laten herstellen. Dat was anders een man! Had

hij De Struisvogel in het gevecht onder De Ruyter tegen Ayscue,

niet door zijn moedig gedrag behouden? Wat zou er van het schip en

de bemanning geworden zijn, als hij,--toen hij van alle zijden door

den vijand werd aangetast en het volk den moed verloor,--niet met

eene brandende lont naar de kruitkamer gesneld was en gezegd had:

"Houdt moed jongens, houdt moed! Als we 't niet meer houden kunnen,

dan zal ik met deze lont u den weg wijzen, dien we bewandelen moeten

om niet schandelijk gevangen genomen te worden!"--

Ja, die Douwe Aukes was een flinke kerel, maar ... zoo jong, zoo

onervaren!

De wakkere Jan Van Galen dan? Had deze in den gedurigen krijg tegen de

Turksche zeeroovers niet getoond dat men op hem vertrouwen kon? Hij

was niet jong meer; zijn beleid was zoo groot als zijn moed! Waarom

hem niet?

Ja, Jan Van Galen zou een uitmuntend opperbevelhebber zijn; maar er

was op staanden voet iemand noodig en hij kruiste met eene vloot in de

Middellandsche zee om de Hollandsche koopvaarders tegen de Engelschen

en de Turken te beschermen.

Witte Cornelisz. De With dan? Die was met een smaldeel in de

Noordzee. Hem hadden ze dadelijk bij de hand! En zeg eens dat deze

geen moed had! Was er één op de vloot, die durfde wat hij waagde

te doen? Had hij zijn Vaderland niet boven alles lief? En zoo hij

vroeger ook al blijken had gegeven, dat hij meer moed dan beleid

bezat, hij was een jaartje of wat ouder geworden en zou nu wel een

weinig bedaarder zijn!

Ja, dat alles was wel waar, zeker, zeker, maar....

Nu maar?

De matrozen, ja, zelfs de kapiteins haten hem!

Tut, tut, dat zal zoo erg niet wezen, als ze wel roepen, Die zeeluî

zetten er altijd een stukje aan. Me dunkt, we konden het met hem wel

eens beproeven!--

Het werd beproefd en 't Kregelige Mennonietje, de man, die geene

vrees kende, die goed en bloed voor 't Vaderland veil had, die, al

had hij tien levens, ook tien levens zou willen opofferen om zijn

Land groot te maken, zag de stoute wensch van zijne jeugd vervuld:

hij was bevelhebber eener vloot!

"Waar onze Ammiraal toch zoo lang blijft?" zeide op zekeren dag

Adriaan tegen Huib.

"Dat weet de Hemel! Als die landkrabben hem maar geene kool gestoofd

hebben!"

"Hoe bedoel-je dat?"

"Wel, dat ze hem de schuld geven van alles wat er in den laatsten

tijd gebeurd is! Als er overwonnen wordt dan is hij, die overwonnen

heeft, de beste; maar als er verliezen geleden worden, dan en is

er geen slechter dan hij. Maar stil, daar komt Jonge Kees van den

Vice-Ammiraal Jan Evertsen terug. Misschien weet hij wel wat!"

Eenige oogenblikken later kwam de kapitein aan boord. Jan Evertsen

had de verschillende kapiteins bij elkander geseind om hun eene

mededeeling te doen.

"Laat alle man op het dek komen!" beval de kapitein met een gelaat,

dat op eene noordsche bui geleek. "Ik heb u allen wat te zeggen!"--

In een oogenblik was de gansche bemanning bij elkander en thans zeide

de kapitein: "Mannen, de Vereenigde Provinciën worden thans door oude

vrouwen geregeerd, of een booze geest is in 's Lands Raadzaal gevaren!"

Doodsche stilte.

"Onze Goede Vaêr Tromp, de lieveling van al wat zeeman, heet, de

held van Duins, de man, dien we op de handen zouden kunnen dragen

en aan wien het Gemeenebest meer dank schuldig is dan zelfs aan

den onvergetelijken Piet Hein, die milioenen thuis bracht,--die

man is in ongenade gevallen. Men heeft alles op zijne rekening

geschoven, en,--als het ons geen leed deed, dan zouden we er om kunnen

lachen,--men geeft hem zelfs de schuld van den storm, die onze vloot

uit elkander joeg, toen we gereed stonden den vuigen Koningsmoorder

aan te vallen! Maar, al is Goede Vaêr in ongenade bij de regeering,

toch niet bij ons! Leve Goede Vaêr Tromp!"--

Ze schreeuwden hunne kelen heesch die ronde, trouwe en dappere zonen

der zee: "Leve Goede Vaer Tromp!"--

Weer was er een oogenblik van stilte.

"Witte Cornelisz. De With is zijn opvolger! Over een uur zal hij hier

aan boord zijn. Tromps Ammiraalsschip wordt het zijne!"

"Geen vloekbeest hier aan boord!" klonk het uit den hoop.

"Wij jagen hem een kogel door den kop!" riep een ander.

"Het bevel kwam onzen Jan Evertsen toe!" bromde Gerrit Leinsz. "Ik

en wil onder zoo'n ruw stuk vleesch niet dienen!"--

"Weg met het Kregelige Mennonietje!" schreeuwde Huib.

Daar klinken riemslagen.

De nieuwe opperbevelhebber nadert zijn schip.

"Jaagt hem een kogel door den kop! Weg, weg, met het vloekbeest! Haalt

den valreep op! Als hij aan boord komt dan is hij onze Jonas en

stuurt ons allen naar den kabeljauwskelder! Een musket! Geef hier

een handspaak! Leve Goede Vaêr Tromp! Weg met Witte!" zoo klonk het

van alle kanten.

Met tranen van spijt in de oogen verlaat Witte het oproerige

schip zonder een voet op het dek gezet te hebben. Het kost hem eene

ontzettende kracht zich niet aan zijnen bruisenden hartstocht over te

geven, en aan boord te springen om de oproerkraaiers geheel alleen

aan te vallen. Maar bij zijne aanstelling hadden Hunne Hoogmogenden

hem ernstig op het hart gedrukt om door beleid goed te maken, wat

Tromp verkorven had. En dát wilde, dát wenschte hij! Hij zou eerst

zichzelven overwinnen om daarna over den vijand te triomfeeren.

In den korten tijd van zijn bevelhebberschap heeft Witte door die

gestadige overwinningen op zichzelven getoond, dat hij sterker was

dan een held, die steden verovert.

Maar die onvergelijkelijke moed werd later met ondank beloond. Ook

Witte zou ondervinden, dat het volk slechts in hem een held ziet,

die vele overwinningen op den vijand behaalt en gelukkig in zijne

ondernemingen is.

Onderwijl De Ruyter nog met zijn smaldeel in zee kruiste, vernam hij

dat Blake met de geheele Engelsche vloot uitgeloopen was om hem te

bevechten, en daarom besloot De Ruyter in overleg met zijne kapiteins

zich met De With te vereenigen. Dit gelukte hem en hierdoor was De

With bijna even sterk in schepen als Blake; maar de vloot van den

Engelschman was veel beter ten strijde uitgerust dan de onze. Toch

zou dat niet zoo zwaar gewogen hebben bij Witte, maar door stormen

beloopen, leden zijne schepen zooveel schade, dat er verscheidene

naar het Vaderland terug moesten, wijl ze niet langer in zee konden

blijven. Dit was ook het geval met Tromps voormalig Admiraalsschip

waarvan de bemanning voor het grootste deel overging op De Gorcum,

kapitein Aert Jansse Van Nes, die onder het zeevolk den bijnaam van

"Boer Jaap" had.

Zoo kwam de achtste van Wijnmaand.

Witte had het plan gevormd de Engelsche vloot bij Duins aan te

tasten, doch Blake was hem voor en overviel hem zoo onverwacht, dat

de Admiraal geen tijd meer had de onderbevelhebers bij elkander te

roepen. Door middel van seinen gaf hij thans het bevel zich tot den

slag te vereenigen.

Tegen drie uren in den namiddag nam het gevecht een aanvang, en De

Ruyter, die de voorhoede onder zijn bevel had, zeilde den vijand

onverschrokken te gemoet. Met leeuwenmoed streed Witte tegen Blake,

wien hij zoo gaarne op de vlucht gejaagd of overwonnen zou hebben.

Had ieder kapitein het voorbeeld van Witte, De Ruyter, De Wilde

en Evertsen gevolgd, dan zou de uitslag van het gevecht heel

anders geweest zijn; maar velen volgden hun eigen zin en schoten

zelfs door onze schepen heen, terwijl anderen zich geheel aan het

gevecht onttrokken of op de vlucht gingen. Dat was nu juist geene

lafhartigheid, maar bijna alleen onwil om De With te gehoorzamen. De

haat tegen dien man ging zóó ver, dat ze de belangen van het Vaderland

er aan opofferden.

Midden in het gevecht bevindt zich De Gorcum. Haar grooten mast,

fokkemast, haar boegspriet en galjoen is ze al kwijt.

"We zijn verloren! Een ieder redde zich!" roept Boer Jaap en springt

met zijnen zoon en een paar matrozen in eene boot en vlucht.

De Engelschen naderen om het schip te nemen.

"Zullen we ons om dien De With, dat vloekbeest, gevangen laten

nemen!" riepen anderen en snelden naar de overgeblevene booten.

"Staat, lafhartige kerels!" dondert thans de stem van den opperstuurman

Willem Adriaense Warmont. "Niet voor De With vechten wij, maar voor

de eer van 's Lands vlag! Zijt gij een hoop losgelaten boeven of

jongens van onzen Goeden Vaer? Op, op, slaat erdoorheen!"--

"Ik zal ik je 'n andje 'elpen," roept Gerrit Leinsz, en zich met

eene lont in de hand bij eenige kruitvaten plaatsende, roept hij:

"Ik vlieg ik liever mee schip en aol in de lucht as op den loop te

gaen! As je niet an boord bluuft, dan gaet ie, 'oor!"--

De lange Smeerdieker zag er niet naar uit om zoo maar wat te zeggen

wat hij niet meende.

Huib, Adriaan en Jonge Kees plaatsten zich naast Leinsz. en riepen:

"Dood aan de Roôrokken! Leve Goede Vaer Tromp!"

Die vijf kloeke mannen bedwongen in de ure des gevaars door hun moedig

gedrag eene gansche bent lafhartigen en wekten hunnen moed zóó op,

dat ze de handen aan het werk sloegen en in weinige oogenblikken den

vijand verdreven.

De Gorcum was behouden, en vreeselijk gehavend brengt Warmond haar

binnen op veilige reede. [27]

De avond viel en De With had zich met zijne getrouwen staande

gehouden. Vreeselijk was het verwijt dat hij richtte tot de kapiteins,

die zijne bevelen in den wind geslagen hadden, en eindelijk moesten

ze zich nog de woorden hooren toeduwen: "Voor lafaards is nog hout

genoeg in het Vaderland om er galgen van te maken!"

Zoodra echter het gevecht hervat werd, gingen er nog veel meer op de

vlucht dan bij de eerste ontmoeting, en thans zat er voor De With

niets anders op dan den raad van De Ruyter te volgen en strijdend

terug te trekken.

Het eerste werk van De With zoodra hij in het Vaderland was aangekomen,

bestond daarin, dat hij bij de Algemeene Staten eene aanklacht tegen

de weggeloopen kapiteins inzond.

Nu werden deze mannen wel tot onteerende straffen en boeten

veroordeeld; maar men begreep toch ook waar de schoen het meeste

wrong, en ze zagen te laat in, dat ze door het benoemen van De With

tot bevelhebber eene verkeerde daad verricht hadden.

Toch had onze dappere Briellenaar in dezen strijd bijna het onmogelijke

verricht door zich-zelven te beheerschen. Hij had zich geschikt naar

de inzichten van De Ruyter, Evertsen en De Wind. Het was waarlijk

zijne schuld niet, dat het eerste gevecht niet reeds eene overwinning

was geweest; maar ... "wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!--

De With werd op zijde gezet en de Algemeene Staten stelden andermaal

Goede Vaer Tromp tot Luitenant-Admiraal aan.

De miskende werd erkend; de erkende werd thans miskend!

Toch betoonde Tromp niet veel lust voor dat vernieuwde bewijs van

vertrouwen en toen men hem naar de oorzaak vroeg, schreef hij: "Want

met den vijand te slaan en mijn leven te wagen, verwekt bij mij geene

de minste bekommering; maar dat ik, alles doende ten dienste van het

Vaderland wat in mijn vermogen staat, te huis komende blootgesteld

ben aan de verdenkingen en de afgunst van kwaadwilligen, en, na alles

wat soldaat- en zeemanschap, naar het verstand, dat God mij gegeven

heeft, te hebben aangewend, genoodzaakt werd rekenschap te geven van

mijne verrichtingen en mijne beste daden misduid worden, dat is het

wat mij bekommert en dat mij den lust en ijver ontneemt!"

Goede Vaêr Tromp had gelijk en het strekt hem tot groote eer, dat

hij na zooveel onverdiende beschuldigingen, na zooveel laster tegen

hem ingebracht, het welzijn van den Lande hooger schatte dan zijn

eigenbelang.--

Daar heerschte vreugde op de vloot toen men vernam dat Tromp alweder

met het opperbevel belast was en de goede geest, die op dat bericht

zich van het scheepsvolk meester maakte, was eene halve zeemacht.

"Heb ik het niet gedacht?" riep Huib. "Ze kunnen Goede Vaer niet

missen! Nou ga ik weer met pleizier aan den dans, al was het

vandaag! Gaat ge mede, Jonge Kees? En jij ook, Adriaan?"

"Houw en trouw!" was beider antwoord.

Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden · 第 32 / 43 题