"Moeten we ons dan maar dood laten gooien?" vraagt er een.
"Wel neen," zegt Jonge Kees, "maar als je niet bang zijt, dan weet
ik wel wat!"
"Bang? ' Ik en weet niet wat bang is!"
"Mooi, dan gaan we dien Roorok enteren, en als we 't gedaan kunnen
krijgen, dan zullen we die luÎ aan hun eigen boord een pak rammel
geven!"--
"Dat 's goed! Dat doen we!" roepen ze allen en in een oogenblik ligt
De vrouw Neeltje tegen The Seal.
Vlug als katten springen de Hollanders met een talhout in de hand en
het kaakmes in den mond aan boord van den Engelschman, die, na bont
en blauw, geslagen te zijn, in zijn ruim vlucht.
"Spijkert het dicht, spijkert het dicht!" roept Jonge Kees en houdt,
onderwijl er een man naar boord terugkeert om hamer en spijkers te
halen, met vier man bij het luik de wacht.
De ander is spoedig terug, en daar gaat het,-- klop-klop-klop, de
eene spijker na den anderen wordt er flink ingedreven.--'T is of het
nooit meer open moet.
"En nu naar huis," zegt Jonge Kees.
Daar heerschte pret op Vlieland toen De vrouw Neeltje met zoo'n flinken
prijs aankwam, en er werd dadelijk besloten, dat Jonge Kees en zijne
matrozen het vaartuig naar Amsterdam mochten opbrengen.
De Admiraliteit van Amsterdam hoorde met wonder veel genoegen het
verslag van het gebeurde aan en gaf Jonge Kees en de zijnen de
Engelsche vischschuit met alles wat er op en in was. De visschers
werden gevangen gehouden.--
Vroolijk begaf Jonge Kees zich thans aan boord van The Seal, maar eer
hij nog van den wal gestoken was, kwam Dr. Andries Bicker, lid van
de Admiraliteit, aan de loopplank, en verzocht den jongen stuurman
te spreken.
Jonge Kees verscheen.
"Het Collegie der Admiraliteit zendt mij tot u af, om je te vragen of
je niet aan boord van Tromp zou willen dienen. Hij moet een stuurman
hebben!" zeide Bicker.
De flinke knaap, die ook wel wist, dat het Vaderland bedreigd werd,
had wel lust, doch wilde eerst zijnen vader daartoe verlof vragen. Het
zou in alle gevallen maar voor zoolang zijn als de oorlog duurde.
Toen Jonge Kees den heer Bicker gezegd had wat hij wilde doen, vond
deze het goed mits hij dan maar spoedig bericht zond; want Tromp was
erg verlegen.
Niet dan met veel moeite gelukte het hem zijn vader over te halen;
maar toen deze daartoe verlof gaf, was er niemand blijder dan hij. In
plaats van een bericht aan de heeren te sturen ging hij zelf, zoodat
we hem een paar dagen later alweer voor Dr. Bicker zien staan.
"Het doet ons veel genoegen, Jonge Kees," zeide deze, "dat ge uw
Vaderland dienen wilt ook daar, waar er meer eer dan voordeel te
behalen is. Maar eer zult ge behalen; wij beginnen er nu al mede!"--en
dit zeggende hing hij den blozenden knaap een eerepenning aan een
rood-wit-blauw lint om den hals.
"Hoezee!" juichte Jonge Kees zonder op de tegenwoordigheid van zoovele
aanzienlijke personages te letten. "Hoezee! Als Huib en de Ammiraal
me zoo terugzien, dan zullen ze net zoo blij zijn als ik ben! Ja,
dat zullen ze! Hoezee!"
En 't was zooals Jonge Kees gedacht had. De heer Bicker gaf hem eenen
brief voor den Admiraal mede en toen Tromp dien gelezen had, gaf hij
den knaap de hand en zeî: "Jonge Kees, het Vaderland verwacht groote
dingen van u! Blijf altijd zoo trouw, eerlijk en moedig, dan zal het
u wèlgaan!"
Jonge Kees bloosde van blijdschap en had de handen van Goede vaêr
Tromp wel willen kussen.
Een groot deel der bemanning stond van verre toe te zien wat er toch
gebeurde. De kampanje naderen om te luisteren durfde men evenwel
niet; want de Admiraal was wel goed, maar ook gestreng en dikwijls
had de een of ander, die al te vrijmoedig was, al eens moeten hooren:
"Hoor eens, jongen, al te goed is buurmans gek, hoor!"
Maar Tromp liet hem los en in een oogenblik was Jonge Kees onder de
matrozen, die hem met allerlei vragen bestormden.
De knaap stond echter niemand te woord en zag maar naar alle kanten
rond.
"Wien zoek-je, maat?" vroeg Adriaan.
Jonge Kees zag den matroos met zijne fijne stem in het vriendelijke,
baardelooze gelaat en zeî: "Ik zoek Huib, Huib Maerlant!"--
"Die is ziek; maar zelfs de barbier weet niet wat hem deert! Wij
gelooven, dat hij het heimwee heeft," zeide Adriaan.
"Dan zal ik hem wel beter maken," was het snel gegeven antwoord en
in een omzien was hij beneden en stond voor de hangmat waarin de oude
Huib lusteloos, bleek en vermagerd terneder lag.
"Dag Huib, dag Huib! Hier ben ik alweer!" riep de knaap.
"Eylaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaem beeft,
't Is uyt wanneer de wolf syn tanden over-leeft!"
zeide Huib, zonder zich om te keeren.
"Ben-je wel dwaas, Huib! Jij je tanden al overleefd hebben? Kom,
vent, keer-je om! Kijk eens wie hier voor je staat en zie eens hoe
mooi ik ben!"--
Huib keerde zich om, doch nauwelijks had hij Jonge Kees gezien, of
hij riep, terwijl hij beide handen van den knaap tusschen de zijne
drukte: "Jij, Jonge Kees, jij hier? Ja, nou wordt de oude Huib weer
beter! Ik had het heimwee naar je, jongen, en ik en durfde het niemand
zeggen! Maar wat hangt daar op je borst te slingeren?"
"Nou, kijk maar eens! Je mag wel zien hoe mooi ik ben!"
"Een eerepenning? Hoe kom-je daaraan?"--
De knaap vertelde het, maar onderwijl hij dat deed werd Huib steeds
onrustiger. Hij keerde zich heen en weer en riep eindelijk: "Er uit,
ik moet er uit! Help me dan toch, ik moet er uit!"--
Daar stond hij van zwakte te waggelen als eene eend.
"Jonge Kees, je zal het verder brengen dan ik, dat zal je! De goede
God zegen je, jongen!" riep hij eindelijk en gaf den knaap op elke
wang een kus.
De zeelui waren de een na den ander naar beneden gekomen, doch Huib
zag het niet. Eindelijk sloeg hij de oogen op en riep: "Ja, Jaantje,
een meisken ben je vast, en jij daar, Gerrit Leinsz, dit is nou
mijn Jonge Kees, en nou de jonge den ouwen weer opzoekt, nou zal
het weer gaan als een lier op een' Zondag! Dit is nou Jonge Kees,
daar ik zooveel van verteld heb; maar alles weet jelui nog niet. Het
mooiste komt achteraan. Ziet jelui die eerepenning op zijn borst
slingeren? Nou die...."
"Neen, ik en wil niet dat je 't vertelt, Huib!" riep Jonge Kees.
"Ja, ja, vertellen, vertellen!" klonk het in koor.
Er was niets aan te doen; Huib zou zijn zin hebben en vertelde nu de
geschiedenis van De Vrouw Neeltje en The Seal in al zijne kleuren.
"'Ier ei-je m'n knuuste, joengen!" zeî de lange Gerrit Leinsz. "Pak
an, je bint mien kameraad ok!"
"En de mijne, en de mijne!" riepen de anderen.
Jonge Kees werd letterlijk verdrongen door die ruwe mannen, die met
tranen van geestdrift in de oogen om de vriendschap van den jeugdigen
held vroegen.
Alleen Adriaan hield zich van achteren en eerst toen Jonge Kees alleen
was, kwam hij naar hem toe en hem de hand biedende zeide hij blozende:
"Wil je mijn vriend ook zijn, zooals je van Huib bent? Ik wil je
voorbeeld volgen!"--
"Welja," zeî Huib, "dat kunnen we wel doen! De handen in
elkander! Zie zoo, dat is er zes. Zoo sterk als een ketting! Wie kan
die verbreken? Geen mensch; want ik zeg: Houw en trouw in nood en
dood!--En wat zeg jij, jonge Kees?"
"Houw en trouw in nood en dood!" klonk het ferm.
"En jij, Jaantje,--neen, ik en wil je niet meer voor den gek
houden; want je hebt verleden met die Rôorokken gevochten als een
leeuw;--Adriaan dus, wat zeg-je?"
"Houw en trouw in nood en dood!"
De stem was nauwelijks hoorbaar; maar toch was het: "Houw en trouw
in nood en dood!"--