Daar werd gestreden.
Als bevelhebber van 78 oorlogschepen ging Tromp den eersten van
Wintermaand onder zeil. Tweehonderd koopvaarders hadden zich onder
zijne bescherming gesteld en na verloop van eenige dagen werd het
aantal schepen van oorlog zelfs tot over de honderd gebracht.
Deze vloot had gerust de "Onoverwinlijke" mogen heeten, als
ze maar niet zoo gebrekkig samengesteld ware geweest, en die
gebrekkige samenstelling weer was een gevolg van het bestaan van vijf
Admiraliteits-collegiën, die elkander in vele opzichten dikwijls zeer
vijandig waren. Naijver was er altijd, en inplaats dat die naijver
de leden dier Collegiën aansporen zou om door daden met de andere te
wedijveren, bleven ze dikwijls met hunne daden achter, omdat ze zich
in deze of die opzichten verongelijkt gevoelden. Zelfs vreemdelingen
viel dit in het oog.
Tromp verdeelde zijne vloot in vier smaldeelen. Hij zelf nam het
eerste; het tweede gaf hij aan zijnen stadgenoot Witte Cornelisz. De
With, doch daar deze door ziekte verhinderd was aan den tocht deel te
nemen, liet hij het bevel er van aan Michiel Adriaensz. De Ruyter. Het
derde stelde hij onder de bevelen van den Zeeuwschen Vice-Ammiraal
Jan Evertsen en het vierde vertrouwde hij aan den Schout-bij-Nacht
Pieter Floriszoon toe.
De geheele vloot bestond thans, daar er nog vele koopvaarders
bijgekomen waren, uit bijna vijfhonderd zeilen.
Aanvankelijk beloofde deze tocht alweer niet veel goeds; want wind en
regen en nog eens regen en wind noodzaakten Tromp naar de vaderlandsche
kusten weder te keeren.
Eerst den 9den van de maand kwam de vloot te Dover aan en den 10den
kwam het tot eene ontmoeting met de Engelschen onder Blake.
Al aanstonds bij den aanvang van het gevecht werd Tromp door twee
groote schepen De Bonaventura en De Rozenkrans aangevallen. Hevig was
het gevecht en het vermoeden is niet zoo heel onwaarschijnlijk, dat
de twee Engelsche kapiteins gezworen hadden, dat ze den Hollandschen
Admiraal levend of dood hunnen bevelhebber zouden aanbieden. Maar,
kon onze Marten de kogels, die, uit een vreeselijk schrootvuur op hem
gericht werden, niet van zich weren, dan zou de vijand toch ervaren,
dat een man als Tromp wel sneuvelen, maar zich niet overgeven kon.
"Marten, berg-je!" riep eensklaps Huib toen hij zag dat een achttal
musketten op hem gericht waren.
Tromp boog zich en zes kogels doorboorden den wand van de hut waartegen
hij geleund had.
"Kinderen, nu moet het ons gelden! Elk doe zijn best!" sprak hij tot
de matrozen en zich even tot Huib wendende, vroeg hij: "Zijt gij niet
mijn oude speelmakker Huib Maerland?"
"Jawel, Ammiraal!" was Huibs verlegen antwoord; want hij schaamde
zich dat hij van een onbewaakt oogenblik gebruik had gemaakt en Marten
bij zijnen naam had genoemd.
"Zoo gaat het goed, Huib!" zeide Tromp lachend, doch verwijderde zich
terstond om elders nieuwe bevelen te brengen.
"Hij kent me nog, die ouwe, trouwe, goeië Marten!" fluisterde Huib
en pinkte een traan van blijdschap weg.
Daar lag De Rozenkrans tegen het Admiraalschip aan. Het want liep
in elkander.
"Huib, Huib, dat gaat er van langs!" riep Jonge Kees. "Als er nu
niet spoedig een einde aan komt dan zullen de haaien gauw met mijn
eerepenning zich opschikken! Maar wat ga-je doen? Huib, ben-je
dol? Huib, Huib dan!"
'T was te laat; Huib hoorde niet meer!
Met eene vlugheid, die men niet bij den ouden zeerob zou gezocht
hebben, slingert hij zich in het want, klimt in den grooten mast van
De Rozenkrans en....
"Hoezee! Hoezee!" klinkt het uit de hoogte.
Huib scheurt de Engelsche vlag in flarden en laat de stukken met
den opkomenden wind wegwaaien. De Hollandsche vlag wordt er opgezet,
en na nog twee keer "Hoezee! Hoezee!" geroepen te hebben, daalt hij
zoo vlug als eene kat naar beneden en komt ongedeerd aan boord van
zijn schip terug.
"Huib Maerland, je bent een held!" roept Tromp. Maar Jonge Kees pakt
den ouden matroos beet en omhelst hem, zeggende: "Huib, wat ben ik
blij dat jij mijn vrind bent!"
"Stil, Jonge Kees, stil! Kijk eens, wie wordt daar weggedragen?"
"'T is Adriaan, ik zie het! 'T is Adriaan! Ik ga hem even
troosten!" roept Jonge Kees, maar wordt in zijn wensch teleurgesteld,
want niemand mag naar beneden als hij tot de dekmaats behoort.
Al vinniger en vinniger werd de strijd en ware Jan Evertsen niet juist
van pas te hulp gesneld, dan had Tromp met heel de bemanning zich
moeten doodvechten of... zich gevangen geven!--Neen, niet gevangen
geven, dat deed een man als Tromp niet, dat wilden mannen als Huib
Maerlant en Gerrit Leinsz. niet.
De laatste had immers nog eene brandende lont en beneden was nog
buskruit!
"Jae, jae, Jan Evertsen komt Goede Vaer 'elpen! toe mer joengers,
saobelt ze neer, slaet ze dood! Ik eb ik ok nog wat!" roept Gerrit,
maar het geluid van zijn schot gaat onder het gedonder van honderden
vuurmonden geheel verloren.
Maar al hoort men het schot niet, de kogel treft toch zijn doel. De
groote mast van De Bonaventura stort krakend over boord en in de
blijdschap zijns harten maakt Gerrit eenen luchtsprong en schreeuwt
weer: "Aoist! aoist!"--
De vijandelijke schepen wijken en nu Tromp vrijer gezicht over zee
heeft, ziet hij dat Blake weldra den strijd zal opgeven.
"Houd moed, kinderkens, houd moed! 'T is nog om een kwaad half uur
te doen!" klinkt de stem van Tromp.
En alsof ze zooeven bij het gevecht zijn gekomen, zoo trekt iedereen
aan het werk. Het voorbeeld van den wakkeren bevelhebber werkt
ongelooflijk; maar dat hartelijke woord: "Kinderkens!" doet nog
veel meer! Het is een tooverwoord, dat den vermoeide zijne krachten
teruggeeft, den lafhartige moed inboezemt, den half stervende nog
het wapen doet hanteeren.
'T werd avond en het gevecht van dezen dag was beslist, --de Hollanders
hadden overwonnen.
Toen men geschaft had en weer ijverig aan den gang ging om den
volgenden morgen het gevecht te hervatten, naderde de scheepsbarbier
den Admiraal en fluisterde hem wat in het oor.
Een oogenblik later liet Tromp zijnen ouden kameraad roepen.
"Zoo Huib," dus begon hij en stak hem de hand toe, "wat ben ik blij,
dat ik je al weer eens zie! Een heete dag geweest, nietwaar?"
"Ja, Ammiraal!"
"Maar je bent er nog niet veel op veranderd, Huib! Ik zou 't je niet
graag nadoen! Je hebt een verdienstelijk werk gedaan en ik zal zorgen,
dat Hunne Hoogmogenden uw heldenfeit te weten komen! Maar zeg eens,
heeft Jonge Kees nog eene zuster?"--
"Ik en weet niet, Ammiraal!"--
"Zoo; maar ken-je dien Adriaan ook al lang?"
"Sinds eene maand of zes, Ammiraal! Toen is hij aan boord gekomen en
bracht een hart mede daar staal en vuur in zat!"
"Je sprak wel eens met hem, is 't niet?"
"Jawel, Ammiraal!"
"En nooit iets opgemerkt?"
"Nee, Ammiraal, en--ja, toch wel wat!"
"Nu, wat dan?"
"Dat hij zulk eene fijne stem heeft en geen baard kan krijgen!"
"Ei-ei!"
"Ja, en daarom noemden wij hem wel eens uit gekheid: "Jaantje" of
"Adriana"!"
"Maar als het nu eens werkelijk een meisje was, wat zou je dan zeggen?"
"Dan zou ik zeggen, dat ik het altijd gedacht heb. Mar,
... Ammiraal! Maar voor een meisje is ze toch heel wat mans en menig
matroos, ja, menig kapitein heeft ze 't in moed, dapperheid en trouw
aan den Lande afgewonnen!"--
"Je weet wel, Huib, wat Joost Van den Vondel van Huig De Groots vrouw,
de edele Maria Van Reijgersbergen gezegd heeft:
"Een vrou is duizent mannen t' ergh.
"o Eeuwighe Eer van Reygersbergh!"
Zoo even is de barbier bij me geweest en deze zei: "De matroos
Adriaan is een meisje! Ze heeft een schrampschot in het rechterbeen
gekregen! Jij als goede vrind van die arme meid moest nu haar
oppasser worden en zorgen, dat er geen mensch van de bemanning achter
komt. Het kind zou zich dan zeker schamen en dat heeft ze aan ons
niet verdiend!"--
Huib beloofde dat hij haar oppassen en haar geheim aan niemand
verklappen zou, en het moet tot zijne eer gezegd worden, dat hij het
zelfs voor Jonge Kees verzweeg.-- [28]
Den volgenden morgen was de vloot weer in slagorde geschaard doch
Blake was naar Duins geweken en bracht zich in veiligheid op de Theems.
Terstond liet Tromp de onderbevelhebbers en de voornaamste kapiteins
aan boord seinen.
De eerste, die aan de oproeping gevolg gaf was Michiel Adriaensz. De
Ruyter.
"Kijk eens, Huib, wat een patertje Goedleven!" zeî Jonge Kees.
"Een echte zeerob! Maar heb ik je 't niet gezegd, dat die De Ruyter
nog eens een man worden zou, die de lust van ons kleine Landje zal
zijn? Hij is al mooi op weg!" sprak Huib.
"En dat is noe een lans van mien!" zei Gerrit. "Wat 'n patente kerel,
é? 'T is een veint as'n beer!" [29]
Vriendelijk naar alle kanten groetende trad De Ruyter op Tromp toe. De
kloeke, zwaargebouwde zeeman met de kleur der gezondheid op de bolle
wangen, en met opgeruimdheid, kracht en moed in de donkere oogen,
was op dit oogenbilk vijfenveertig jaar oud.
"Dag, De Ruyter, hoe maak-je 't?" zeî Tromp en stak de hand uit.
De hand van "Vlissinger Michiel" scheen intusschen wel een soort van
bankschroef te zijn; want Tromp zette een eenigszins pijnlijk gezicht
toen De Ruyter de aangeboden hand met echte zeemansrondheid schudde.
"Best, best, Ammiraal! Jongen, dat heeft gisteren een warm daagje
gegeven, hé? '--
"Ja, ik had niet gedacht dat Blake zoo gauw krimp zou geven!"
"Nou, hij zou misschien zelf wel niet aan 't wandelen gegaan zijn;
maar als een mensch gekwetst is dan....
"Zoo, is Blake gekwetst?"--
"Hoezee! Hoezee! Hoezee!" klonk het thans daverend uit den mond van
een paar honderd matrozen.
Het was een lange, magere man, die thans aan boord kwam.
"Leve de Vice-Ammiraal Jan Evertsen!" riep het volk.
Met een vriendelijken hoofdknik beantwoordde Evertsen het gejuich.
"Het volk dankt je voor je kostelijk gedrag, Evertsen! Het dankt u
omdat ge ons leven gered hebt, en ik voeg mijn dank bij den hunnen!"
"Geen dank, Ammiraal! Ik deed mijne verschuldigde plicht. Gij
zoudt hetzelfde gedaan hebben zoo ik in nood had gezeten! Dag, De
Ruyter! Kerel, je zult nog zoo dik worden, dat je niet meer door de
Rammekenspoort kunt! Sinds lang niet in Vlissingen geweest?"--
"Neen, Evertsen, neen, ik heb nu te Amsterdam mijne huisgoden:
"Zeven kind'ren en een wijf
Zijn een aardig tijdverdrijf!"
"Zoo, De Ruyter, heb-je zeven kinderen?" vroeg Tromp.
"Wel neen, Ammiraal, dat is zoo maar bij manier van spreken!"--
Thans kwam Pieter Florisz. aan boord.
"Nou maar, als er een schip met dikke luî vaart dan gaat onze goede
vriend Pieter Florisz. ook meê, hoor!"
"Vindt ge 't, De Ruyter?" zeî Florisz. tot den man wien hij die
opmerking lachende hoorde maken.--"Ik wil je anders wel zeggen, dat
een mensch niet zoo heel veel dagen, als gisteren, noodig heeft om
zoo mager te worden als een talhout! Jongens, jongens, wat ging dat er
van langs! 'K geloof dat ik de helft van mijn kruit verschoten heb!"--
"Ja, Florisz., wij hebben ons hart als keuningen opgehaald! Maar gaat
mede in de kajuit, daar komen de andere heeren!" sprak Tromp.
Het was een mooi gezicht zooveel kloeke mannen bij elkander te
zien. Daar had je vooreerst Jan De Liefde en De Haes, twee mannen,
die zich de kaas niet van hunne boterham lieten halen; vervolgens
Bastiaan Centen, Hendrik Jansze Camp, Jan Gideonsz. Verburgh, Jan
Van Hoesen en Lein Pijcke en eindelijk, toen deze kapiteins ook al
binnen gegaan waren, kwamen er nog een stuk of drie, die ook mochten
genoemd worden, namelijk Brandt, Gilles Boone en Michiel Foort.
De vergadering had plaats genomen en Tromp stond thans op.
"Mannen, ik heet u allen van harte welkom op dezen scheepsbodem! Gij
hebt gisteren allen getoond, dat het Vaderland op u vertrouwen
kan! En, voor 't heil van den Lande te leven is schoon. De vijand is
thans aan ons kanon ontweken en heeft zich in veiligheid gesteld op
de Theems. Wat zullen wij thans doen om Hunne Hoogmogenden zooveel
redenen tot tevredenheid te geven als ons mogelijk is?"
"Den vijand uit zijne laatste verschansing jagen!" riep De Ruyter.
"Dat is eene gevaarlijke onderneming!" sprak Evertsen.
"Ik dacht dat een echte Vlissinger geen gevaar kent!" merkte Jan Van
Hoesen aan.
Wij zijn de vloot niet, kapitein!" antwoordde Evertsen kalm. "Al wil
ik mijn leven wagen, daarom is het nog niet gezegd, dat ik er het
welzijn van den Lande mede bevorderen kan! Overigens als het algemeen
gevoelen is dat we de Theems zullen opzeilen, ik zal medegaan en mijn
plicht doen!"
"Ik houd het er voor dat het wel kan," zeide De Ruyter, "edoch,
daar komt een groote maar bij!"
"En dat is?"' vroeg Tromp.
"Wij en hebben geene geschikte loodsen!" was het antwoord.
"En aan een Rôorok zijn bodem te vertrouwen, dat gaat niet! De kerel
zou ons zoo kostelijk omhoog laten zeilen, als je 't ooit gezien
hebt!" meende Pieter Floriszoon.
Na veel over- en weerpraten werd het voorstel van Tromp in stemming
gebracht. Eene kleine meerderheid besliste om zijn plan ten uitvoer te
leggen, doch toen men in ernst begon te overleggen, hoe de zaak moest
aangelegd worden, kwam het er op uit, dat men eerst maar geschikte
loodsen moest zien te krijgen, en had men die, dan kon men verder zien.
Later bleek het dat De Ruyter goed geoordeeld had; want loodsen waren
nergens te krijgen. De zaak had dus geen voortgang.
Gedurende eenige weken bleef Tromp nu op de Engelsche kusten kruisen,
en bracht eindelijk eene vloot van meer dan honderd koopvaarders
door Het Kanaal heen in den Oceaan, waar ze tamelijk veilig hunne
reis konden voortzetten.
Hij zelf liet te Sint Martin, eene stad op het eiland Ré, de schade,
die zijne schepen in het gevecht bekomen hadden, herstellen en ging
niet eer in zee, voor alles weer zoo goed mogelijk in orde was.
Intusschen hadden zich weer een honderdvijftig rijkgeladen koopvaarders
onder zijne bescherming gesteld, en met deze zeilde Tromp uit met
het voornemen den schat van Oost en West in behouden haven te brengen.
Maar Olivier Cromwell was de man niet om na de geleden nederlaag met
de handen in den schoot te gaan zitten. Neen, met eene verbazende
snelheid werd er weder eene sterke vloot uitgerust, en daar Blake
nog niet geheel van zijne wonden hersteld was, zoo werd het bevel
voor een gedeelte opgedragen aan George Monk, hoewel Blake altijd
met het opperbevel belast bleef.
De Engelschen telden zeventig schepen waaronder er waren van de
grootste soort.
Op de hoogte van Portland stieten de vloten op elkander en dadelijk
besloot Tromp den vijand aan te tasten.
Onze Admiraal, die met Pieter Florisz. de voorhoede kommandeerde,
viel eerst Blake aan en deed dat door hem eerst van bakboord en daarna
van stuurboord de volle laag te geven.
"Dat zal er weer spannen, Jonge Kees!" zeide Adriaan, die van zijne
wonden hersteld was en weer dienst deed als gewoon matroos. De Ammiraal
had haar hiertoe de vergunning gegeven tot ze weer in het Vaderland
zouden aangekomen zijn.
"Ja, Adriaan, dat zal het net!" zeî Jonge Kees.
"Ben-je zoo nu en dan toch niet eens bang, dat je doodgeschoten zult
worden?" vroeg Adriaan weer.
"Nu, een enkele maal denk ik er wel eens aan en dan wordt het mij raar
om het hart. Maar als ik dan zie hoe Goede Vaer Tromp zich weert,
dan zeg ik tot mij zelven: "Flauwerd, denk-je weer om je moeders
pappot? Pak ân, anders gaan ze nog aan 't schijfschieten op je luie
lichaam!"
"Wat staat gij daar te parlesanzen als ge kloppen moet? Hei daar,
jij met je mooie eerepenning, steek je handen uit je mouw, of...."
"Ik ga al, stuurman, ik ga al!" antwoordde Jonge Kees. "Maar zeg,
zie-je wel, dat Blake zoo raar doet?"
"Hij zelf of zijn schip? Wien of wat meen-je?"
"Het schip, ik en ken hem niet!"
"Welnu, hij ontwijkt het plekje waar ze zulke pepernoten strooien;
ik denk voor 't naaste dat Gerrit Leinsz. hem weer een schot onder
water gegeven heeft!"
Andermaal gaf Tromp aan Blake de volle laag en bijna onmiddellijk
daarop klonk het geschreeuw van den konstabel Gerrit:
"Aoist! aoist! aoist! De baes eit piene in z'n buukje! Kiek 'm is
gek doen!"
Wend het roer!" kommandeerde thans Tromp.
De stuurman deed het en richtte den steven naar den Oost-Indievaarder
De Struis, kapitein Adriaen Cruick. Zulk een rijke buit zou den
Engelschman welkom zijn! Met woede wordt hij aangevallen, maar Cruick
geeft leer om leer.
"Wat henker! is er dan geen mensch, die dien armen vent bijstaat, dan
zullen wij het doen!" zeide Tromp. "Kan je geschut het halen, Gerrit?"
"Jawel, Ammiraal, 'eel best!"
"Mooi, geef jij dan die twee Engelschen, die daar dien Oostindievaarder
zoo fel bestoken, eens hun bekomst!"
"Ze zullen ze 'ebben, Ammiraal!" antwoordde Gerrit, en deed zooals
hij zeî.
Voor den moedigen Cruick was het echter te laat; want hij stierf met
den degen in de vuist en zwichtende voor al te groote overmacht.
Niet ver van de plaats waar Cruick sneuvelde, lag kapitein Jacob
Cleydyck, omringd door drie groote Engelsche schepen.
"Ze krijgen me niet levend!" roept hij en verdedigt zich aan alle
kanten. Toch zou hij het eindelijk hebben moeten opgeven, als niet
de Zeeuwsche kapitein Regemorter hem te hulp gesneld was.
"Daar komen ze, daar komen ze!" juicht hij en smijt zijnen hoed van
het hoofd. "Nou zullen die Koningsmoorders peper eten!"