Houw en Trouw.
Koning Karel I van Engeland had zijne stijfhoofdigheid en de woelingen
der burger-partijen met zijn leven moeten boeten. Den negenden van
Sprokkelmaand beklom Karel het schavot en ten aanzien van duizenden
toeschouwers sloeg een gemaskerde beul hem het hoofd af.
Zulks geschiedde op bevel van zijne tegenpartij aan wier hoofd een
zekere Olivier Cromwell stond.
Die Cromwell was ontegenzeggelijk een knap man--Engeland heeft veel
aan hem te danken--en Koning Karel had groote gebreken gehad en vele
verkeerdheden begaan; maar de haat, dien hij den Vorst toedroeg
was veel te verregaand.--Toen hij het doodvonnis van den Koning
onderteekend had, streek hij zijne met inkt gevulde pen over het
gelaat van zijnen vriend Martyn en zeide: "De beurt is aan u!"
Een mensch, die rechtschapen is, kan zóó al vast geene doodvonnissen
onderteekenen.
Intusschen was Karels oudste zoon, die hem later als Koning opvolgde,
na vele vergeefsche pogingen aangewend te hebben om de kroon te
heroveren, het land ontweken, en vertoefde nu eens hier en dan
daar. Zoo kwam hij ook in Den Haag en genoot daar van vele zijden
gastvrijheid.
Cromwell, die na het eindigen van den burgeroorlog Lord-protector van
Engeland geworden was, had al vroeger bij onze Staten aanzoek gedaan om
zich met Groot-Brittannië tot één gemeenebest te vereenigen. Maar hoe
genegen sommigen Cromwell nu ook waren, dáárin hadden ze volstrekt geen
lust, en het aanbod werd dan ook eenstemmig van de hand gewezen.--Dit
hinderde den Lord-Protector erg en bovendien was hij ontevreden op
ons, omdat de Prins van Wales, Koning Karels oudste zoon, hier te
lande zulk eene gastvrijheid genoot. Ieder oogenblik had de man wat
met ons uitstaande, nu over dit, dan over dat; maar het meest over
zeezaken. Het ging ons gemeenebest zeer voordeelig en nog hadden we
in Europa den naam, dat we de eerste mogendheid ter zee waren! Dat
hinderde de Engelsche natie vreeselijk en Cromwell was er steeds op uit
dat aanzien en die eer te fnuiken.--Stoutweg verklaarde de Engelsche
regeering, dat zij de eerste zeemogendheid was en beweerde, dat iedere
Natie verschuldigd was hare vlag te eeren en hulde te bewijzen. Wie
dat niet deed zou als vijand beschouwd en behandeld worden. Men
gaf brieven van kaapvaart aan ieder, die meende, dat hij door de
Nederlanders in een of ander opzicht benadeeld was geworden. Stoutweg
voeren die kapers dikwijls onder de Engelsche vlag, en dan was het
toch wel erg vernederend om de vlag voor eenen kaper te strijken.
Eindelijk begon men hier toch in te zien, dat het zoo niet langer
blijven kon en daarom werd er den derden van Lentemaand 1652 besloten
honderdvijftig schepen van oorlog uit te rusten.
Het duurde dan ook niet heel lang of Admiraal Tromp kon met vijftig
tamelijk goed uitgeruste schepen zee kiezen. De bestemming van die
vloot was, onze koopvaarders te beschermen en zorg te dragen, dat
maar niet iedereen, die daartoe lust gevoelde, ze onderzocht. Over
het strijken van de vlag werd niets gezegd. Zeker omdat men toch
wel begreep, dat dit den oorlog niet verhinderen kon. Toch kreeg
Tromp bevel zoo veel mogelijk van de Engelsche kust af te houden,
daar men zelf zoo lang dit maar kon den oorlog wilde uitstellen,
en althans dien niet beginnen.
De Admiraal besloot, was het ook met heel veel moeite, dit bevel ten
uitvoer te brengen en ankerde met zijne vloot tusschen Duinkerken
en Nieuwpoort; maar door een Noord-oosten storm beloopen was hij
genoodzaakt de ankers te lichten en zich om den hoek van Dover in
veiligheid te stellen. Nauwelijks was hij daar aangekomen, of hij
zond twee fregatten uit om den Engelschen Kommandeur Bourne, die bij
Duins lag, uit zijnen naam te begroeten en tevens te zeggen, dat hij
van Dover vertrekken zou, als hij het doel van zijnen tocht bereikt
had.--Bourne liet hem heel beleefd terug groeten en het scheen wel, dat
het haast eene onmogelijkheid was, dat er van oorlog sprake kon zijn.
Maar, 't was de stilte, die de uitbarsting van een vulkaan
voorafgaat.--
'T was nacht!
Eenzaam en stil lag daar een schip op de baren der Noordzee te
wiegelen. Als men evenwel wat scherper toekeek dan zag men hier en
daar, donkere plekken zich tegen de bewolkte lucht afteekenen, en
zoo nu en dan een licht.
Aan boord van het schip, dat we thans betreden, vinden we drie mannen,
die de wacht houden.
De oudste is Huib, die, op een hellebaard geleund, zijne oogen in
het rond laat gaan als eene kat, die eene prooi zoekt.
De andere is wat jonger, maar veel langer dan Huib. Het is de lange
Smeerdiekenaar, dien we zich als een kind zagen aanstellen toen hij
voor het eerst in het vuur moest.
De derde is een heel jong en kort matroosje met eene flauwe stem. Hij
heet Adriaan.
"Wel, 'Uib, zie je nog niks niemendalle?" vraagt de lange. [22]
"Jawel, 'k zie onze vloot, maar anders niet!"
"En jie, zie jie niks?" klinkt de vraag aan den jongen Adriaan.
"Een vraagal en wat schepen!" is het zachte antwoord.
"Hoor eens, Adriaan, je kunt dan vreeselijk kortaf zijn! Komt dat
omdat men geen baard bij jou kan zien van al dat vel? Je lijkt, bij
m'n ziel, meer op een vroolijk zusterken dan op een matroos. Hoe oud
ben-je al?" vraagt Huib.
"Zoo oud als mijn handen en niet als mijn tanden!" klinkt het even
bits.
"Brrrr, wat 'n antwoord! Heusch, Adriaan, dat komt omdat je geen
baard hebt, dat je zoo kort van stof bent!"
"Wel, geef jij me dan maar wat pootjes! Je gezicht lijkt veel op een
stoppelveld van zaadstroo! Maar weet je wel waar jij veel op gelijkt?"
"Neen, weet jij dat?"
"Jawel, je gelijkt precies op een, die altijd ontevreden is! Schort
er wat aan?"
"Ja, Adriaan, er schort wat aan en dat ik ontevreden ben, dat is waar!"
"Zoo," zegt de Smeerdieker met een langgerekten uithaal, "zoo, ik
docht ik dat er bie joe niks kon besannen!" [23]
"Zoo, Gerrit, dacht je dat? Nou, maar dan heb je 't mis, hoor!"
"Maar wat schort er dan aan?" vroeg Adriaan.
"Wel, dat zal ik je eens zeggen. Ik heb een kameraad gehad, een
jongen daar wel wat in zat. Hij kwam van Schevelingen en heette "Jonge
Kees." Oud was hij nog niet; ik denk dat hij tusschen de veertien en
zestien jaar geweest is! Dat was er net een daar ik mee doen kon wat ik
wilde. Ik kon op hem grommen, knorren, razen en tieren; ik kon hem zoo
nu en dan eens door malkander schudden; maar ik kon hem ook dikwijls
vertellen wat mij naar op het hart lag. We waren beste vrinden en
sedert hij van boord is, ben 'k als iemand, die iets verloren heeft!"
"En waarom ging hij van boord?" vroeg Adriaan verder.
"Wel, zijne ouders gingen op Vlieland wonen en daar zijne dienstjaren
om waren ging hij weg en werd haringvisscher. Een aardige jongen was
het, en ik heb veel aan hem verloren! Als je er niet zoo meisjesachtig
uitzaagt, Adriaan, dan zoudt gij zijne plaats kunnen vervangen!"--
"Zoo? Geef me dan van uwe stoppels, Huib," zeide Adriaan, "dan heb
ik binnen veertien dagen een baard en ... maar stil, zie je daar
niemendal, daar om de zuidwest?"--
"Verbeeldienge is erger as de derdendaegsche koose!" viel Gerrit
in. [24] "Ik zien ik niks as...."
"'N schip, Huib, ik zeg je dat het een schip is!" riep Adriaan.
Gedurende eenigen tijd stonden de drie wachten uit te zien, maar
ontdekten niets. Tegen het aanbreken van den dag echter zagen ze het
schip alweer en toen het nader kwam, bleek het dat het De Crèvecoeur,
kapitein Joris Van der Zaen, was.
De Admiraal werd gewekt en nu bracht Van der Zaen hem de tijding dat
zeven straatvaarders, die te zamen wel vijftig tonnen gouds waarde
hadden, groot gevaar liepen door de Engelschen genomen te worden.
"Dan is het mijn plicht deze te gaan beschermen," zeide Tromp en
beval dat de vloot zich in beweging zou stellen.
Nauwelijks waren zij onder zeil of ze ontdekten eene Engelsche vloot,
die uit vijftien kloeke oorlogsschepen bestond. Een van deze schepen
voerde de Admiraalsvlag en later bleek het, dat het die van den
dapperen Robert Blake was.
Kan men van Marten Harpertsz. Tromp zeggen dat hij de Nederlandsche
vloot tot eene geduchte sterkte wist te brengen, kan men van hem
getuigen, dat hij het verwarde zeewezen van de Vereenigde Provinciën
voor een groot gedeelte in het reine bracht, dat hij leerlingen had,
die naderhand hem na- of voorbij streefden en dat hij onder het zeevolk
eenen geest wist te brengen, die één man zooveel waard deed zijn als
twee,--hetzelfde mag men ook gerust zeggen van Robert Blake, in wien
Tromp een hem waardig tegenstander vond. Boven onze scheepsbevelhebbers
had Blake nog dit voor, dat hij een zeer geletterd man was. [25]
Zoodra Tromp deze zeemacht ontdekte, meende hij dat de straatvaarders
reeds genomen waren en, om nog den schijn van alle vijandelijkheid
te mijden, liet hij bijna alle zeilen innemen en stelde eenen man
bij de vlag om dezen te strijken.
Nu was Blake echter zoo dom niet om te denken, dat de Nederlandsche
vloot daar zoo maar voor eene aardigheid kruiste. Hij begreep zeer goed
waarom men hem als een hond nazat. Dat kon de voortvarende man niet
dulden, en daarom liet hij ook, als een hond, een hol gegrom hooren,
dat wil zeggen, hij joeg een kanonskogel over Tromps schip. Dit schot
werd weldra door een tweede en nog door een derde gevolgd. De laatste
kogel nam den arm van een onzer matrozen weg.
Tromp zag bij dat alles bedaard rond, maar toch schitterden zijne
oogen als vuurkolen.
Aan boord van alle schepen was ieder man op zijn post. Ook Gerrit
Leinsz. de konstabel, stond gereed.
Tromp ging naar dezen toe en zeî: "Geen bloed, Leinsz! De eerste
kogel zij voor de kabeljauwen!"
De konstabel volbracht het bevel, doch Blake beschouwde het nog immer
als geene gekheid en gaf Tromp de volle laag.
Thans werd het gevecht algemeen en ofschoon Tromp over eene veel
sterkere macht beschikken kon dan de Engelschman, zoo maakte hij er
toch geen gebruik van, omdat hij letterlijk wilde handelen naar het
bevel, dat hij mede gekregen had, om namelijk slechts te zorgen,
dat onze vlag geen schande werd aangedaan.
Het gevecht duurde vijf uren; men moest toen wel eindigen omdat de
nacht inviel.
In Nederland vernam men de tijding van het zeegevecht met een
verdeeld gevoelen. Aan de eene zijde juichte men er over, dat
de Engelschen eens flink onder de oogen waren gezien; maar aan de
andere zijde schrikte men er van terug, als men aan eenen oorlog met
Engeland dacht. Intusschen was de noodlottige Eerste Engelsche oorlog
begonnen.--Van weerszijden trachtte men zich te verontschuldigen. Tromp
zeî: "Blake heeft het eerst geschoten," en Blake zeî: "Tromp heeft
zijne vlag niet gestreken!"
Nog deden de Nederlanders bijna het onmogelijke om den vrede te
behouden en zond men gezantschap op gezantschap naar Engeland,
maar niets mocht baten. De gezanten werden soms met minachting
ontvangen en wat ze ook vertelden, niemand geloofde hen. De oorlog
was onvermijdelijk, men moest veehten of men wilde of niet, en vele
leden der Regeering gaven thans Tromp van alles de schuld en zouden
hem gaarne door een ander hebben doen vervangen, als ze maar iemand
hadden kunnen vinden.
Maar De Ruyters zon was nog lang niet ter middaghoogte en voor die
van den wakkeren Briellenaar was het nog geen tijd om onder te gaan.--
Gedurende dien tijd was Jonge Kees ook op zee. Maar niet bij Duins,
Dover of Duinkerken; niet op een oorlogsschip, dat ieder oogenblik
gereed is een ander schip aan te vallen, en dat sterk bemand en
gewapend is.
Het vaartuig waarop onze Jonge Kees thans vertoeft is eene kloeke,
stevige vischschuit, van 't voorjaar eerst nieuw. De schuit draagt
op den achtersteven den naam van: De vrouw Neeltje.--Neeltje, zoo
heet zijne moeder.
De vorige reis heeft de vader van Jonge Kees een tros tegen zijne
beenen gekregen, en deze zoo erg bezeerd, dat hij ditmaal niet met
zijne schuit meê kon. [26]
Maar Jonge Kees is een wakkere borst, een stoere jongen, een knaap
daar staal in zit, dat wist moeder Neeltje ook wel, en daarom zeî
ze, toen haar man, hoe zwaar het hem ook viel, toch mee wilde gaan:
"Laat je beenen nou rust houden, vader! Blijf deze reis maar eens thuis
en laat onze Jonge Kees je plaats vervangen! De zee is tegenwoordig
rustig, de jongen is bij de hand en het Schagerrif of Doggerzand is
niet zoo heel ver af!"
"Ja, maar, moeder, de jongen is toch nog wel wat jong! Pas,--was
't niet met Drie Koningen?--zestien jaar! Wel wat jong, moeder,
wel wat jong!"
Maar moeder Neeltje wist zoo te praten dat de vader eindelijk toegaf en
zijn' zoon, voor ééne reis, tot stuurman op de mooie schuit aanstelde.
Op dit oogenblik is hij in de nabijheid van het Doggerzand. Hij en
zijne manschappen zijn recht tevreden, want de vangst was uitmuntend.
"Nog één uurtje, mannen, dan gaan we eens kijken of er aan het
Schagerrif ook wat te halen is!" zegt de jonge stuurman.
"Daar ginder komt een Roôrok, Jonge Kees!" zegt een der matrozen.
"Wel, dan gaan we niet weg! Die Koningsmoorder zou wel denken, dat
we aan den haal gingen!"--