De man lachte even en zeî: "Als een visch op het droge, Huib!"

Nu herkende ik hem. Het was stuurman Willem Adriaense Warmont, die

mij vroeger gezegd had, dat er tweeërlei soort van menschen waren,

doch ik was het vergeten.

"Hoe maak-je 't, ouwe jongen?" vroeg ik en stak mijne hand uit.

"Goed, goed, Huib! Zeker tienmaal beter dan jij! Je ziet er uit als

een uitgeklopte wolbaal! Ben-je heelemaal vergeten wat ik je eens

gezegd heb?"

"Jij mij gezegd? Wàt heb je mij gezegd?"

"Ja, ja, ik! Weet je niet meer hoeveel soorten van menschen er zijn?"--

"o, Ja, dat 's waar ook: matrozen en landkrabben!"--

"Precies, Huib! Maar wat doe je nu hier? Kan een visch op het droge en

eene krabbe aan den wal leven? Neen, man, je bent buiten je element

en 't zal je gaan als de Wolf waarvan de Heer Raadpensionaris Jacob

Cats spreekt!"--

"Wat zegt die excellente puikpoëet dan?"--

"Ken je 't versje niet? Nou hoor dan: Er staat boven: Wann de Wolff

altet, soo reiten hem de Krehen.

"Eens was ick hoogh geducht; geen beyr en quam mij tergen,

Geen leeuw en hadder lust om mij een krijght te vergen,

Ick was in 't woudt gesien, en overal gevreest,

Maer nu ben ick een spot oock van het minste beest,

Oock van 'k en weet niet wat: nu rijen mij de kraeijen,

Omdat ick mijnen hals niet om en weet te draeijen,

Omdat ick niet en ben, omdat ick niet en mach,

Omdat ick niet en doe, gelijck ick eertijts plach.

Nu ben ick maer een romp; want oock mijn eijgen jonghen,

Die komen tegen mij, en over mij gesprongen:

Eijlaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaam beeft,

't Is uijt wanneer de wolf sijn tanden over-leeft."

"Nou, ja, maar ik en heb mijne tanden nog niet overleefd," zeide ik.

"Nee, Huib, nog niet; maar blijf nog eens een jaar aan den wal,

dan ben je net als dit botje!"

Hij wees op den visch, die niet meer spartelde, maar dood op den

grond lag.

"Ik wil het gelooven, je hebt er op getrapt!" gaf ik heel wijs ten

antwoord.

"Je bent gladder dan ik dacht, Huib," zeî de ander weer, en na nog

eene levende bot uit het netzakje gehaald te hebben, smeet hij het

beest in de Maas.

"Ben je nou heelemaal van lorretje gepikt?" vroeg ik.

"Ik geloof het niet; maar trap die bot eens dood als je kan!"--

"Welke bot?"

"Wel, die ik in de Maas smeet!"

"Dat kan niet, dat beest is vrij en jij en krijgt je vischje nooit

meer weerom!" antwoordde ik.

"Dat 's niemendal, Huib! Als ik jou maar overtuigen kan, dat een

matroos nooit eene goede landrot worden kan, dan heb ik er het heele

zootje voor over! Je moet alweer naar zee, Huib, anders, en 't is zoo

vast als een ringbout in het dek, heb je, eer we een jaar ouder zijn,

even als de wolf, je tanden overleefd!"--

"Maar ik en heb geen zin meer in het varen!" gaf ik eenigszins

schoorvoetend ten antwoord.

Rrrt, daar vloog de netzak met bot de Maas in en stampvoetende van

kwaadheid, riep hij: "Daar heb-je 't! Daar heb-je 't! Jawel, als de

luî bang beginnen te worden voor een mondvol zeewater, als ze liever

dunne landkrabbensoep eten dan matrozengort, zeg dan maar: "Adjuus,

Vereenigde Provinciën! Heel de wereld groeit je over den kop en je

bent in tel als eene rotte kool bij eene groenvrouw! Huib, Huib,

weet-je 't dan niet, ouwe jongen, dat de zee voor ons Gemeenebest

alles is? Ze geeft ons brood, drank, kleeding, woning, geld, macht,

kloekheid en stevigheid! Hoor naar mijne woorden, Huib, en let er

wel op! De dag waarop voor het eerst gebrek is aan zeevolk op onze

schepen, die dag zal de eerste zijn van den ondergang van ons Land!

Heb je je Land lief? Naar zee!

Wil je graag een eerlijk en goed stuk brood verdienen? Naar zee! Naar

zee!

Wil je weten hoe rijk de lieve God onze aarde geschapen heeft; wil

je knap, wijs en verstandig worden; wil je gezond blijven, oud worden

en een gerusten, onbezorgden ouden dag beleven? Naar zee! Naar zee!

Wil je graag rond en oprecht blijven; houd je niet van listen en

streken? Naar zee! Naar zee!"

Onderwijl de stuurman zoo in vuur geraakt was onder het spreken, waren

er van alle kanten mannen en vrouwen komen opdagen, die met open ooren

en monden stonden te luisteren. Dat zag de wakkere man en toen hij

even ophield met spreken om adem te halen, klonk het hier en daar:

"Ga voort, ga voort!"

En Warmont sprak: "Ik en weet niet of jeluî altemaal Rotterdammers

zijt; maar wat geeft dat? Ik ben een vrije, vrije Fries, die daar"--hij

wees op mij--is een Briellenaar! De Unie telt zeven gewesten en bijna

ieder van de zeven kibbelt om den voorrang! Hier aan den wal zijn we

niet één, niet twee, niet zeven, neen, wel honderden meer! Zooveel

vroedschappen, zooveel landjes,--zooveel gilden, zooveel baasjes! Maar

op zee, op zee zijn we één! Daar legt de Ommelander zijn knuist in die

van den Zeeuw, de Drentenaar maakt kameraadschap met den Hollander,

de Stichtenaar zweert den Fries houw en trouw, en als ze allemaal

bij elkaêr zijn, dan kijken ze naar het oranje, blanje, bleu, aan den

achtersteven en hebben maar één vijand en één vriend! De vijand is hij,

die ons voor den boeg komt;--de vriend is de Oceaan, die ons op zijne

golven de schatten van Oost en West van Zuid en Noord aanbrengt,

die ons kloek en krachtig maakt, en die ons den vedel speelt of

den trommel slaat, als we aan den dans willen gaan! Mannen van het

Gemeenebest der Vereenigde Nederlanden, meen je 't wel met je Land,

met je vrouw, met je kinderen, meen je 't wel met je zelven, smijt dan

den kiel van den baliekluiver, de ganzenveer van den armen klerk weg,

schiet het matrozenbuis aan en, naar zee, naar zee!" [21]

Het zweet gutste den stuurman van het voorhoofd en terwijl hij zich

het gelaat stond af te drogen, schreeuwde de menigte: "Hoezee! Hoezee!"

Dien dag werd ik met nog twintig anderen weer zeeman; ik ben het

nog en ik hoop het nog een poosje te blijven om "Goede vaer Tromp"

nog eens in al zijne kracht te zien; want dat is vast: vrede met

Engeland houden we niet! En, als de oorlog uitbreekt, dan zullen we

toonen, dat we, al zijn we oud, onze tanden en handen niet overleefd

hebben. "Goede vaer Tromp" zal voorgaan, dat is zeker, en wij zullen

volgen, dat is ook zeker!"--

* * * * *

Huib rees op en ging ter kooi; want de avond was gevallen, en ieder

der hoorders volgde zijn voorbeeld.

Thans wist men ook wie Tromp was.

Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden · 第 28 / 43 题