HOOFDSTUK VIII

Bij Duins.

Na het sneuvelen van Piet Hein had ik den dienst ter zee voor

de West-Indische Compagnie verlaten, en maakte even als vroeger,

weer tochten met de Straatvaarders. Langzamerhand begon echter de

walvischvangst minder voordeelen af te werpen, en daarom besloot ik

andermaal weer in dienst van den Lande te gaan. Ik deed dit vooral

omdat ik in 's Lands dienst nu elf gulden per maand verdienen kon en

... omdat ik naar afwisseling verlangde. En afwisseling zou er komen,

dat stond zoo vast als eene belboei aan eenen hardsteen. Allerlei

geruchten deden de ronde in het land. Nu eens was het: "Spanje

rust eene sterke vloot uit om de Oostenrijkers en enkele Duitsche

staten tegen de Zweden te helpen!" Dan weer was het: "Mis mannetje,

misgeschoten, er wordt eene landing in ons land voorbereid!" Eindelijk

kwam een derde en die vertelde, dat geen van ons allen van toeten noch

blazen wist, want dat "de Landvoogd in de Spaansche Nederlanden,"--ik

meen dat het toen de kardinaal Infant Ferdinand was,--aan den koning

van Spanje om hulp had gevraagd en dat die vloot te Duinkerken zou

binnenloopen.

De vloot, die dan afgezonden was om in Duitschland, in ons Land,

of te Duinkerken de poppen aan het dansen te krijgen, was wel zeven

en zestig zeilen sterk. Zelfs waren er vier galjoenen bij, die van

vier en vijftig tot acht en zestig kanonnen aan boord hadden.--Ze had

bovendien tienduizend man landingstroepen aan boord en even zooveel

zeesoldaten. De Ammiraal van die vloot was Don Antonio D' Oquendo,

die in dien tijd voor een heelen bol doorging. Maar eer die vloot

in Het Kanaal kwam, had Tromp nog een ander appeltje te schillen met

de Duinkerkers. Die luî waren met den dag brutaler geworden. In zes

jaren tijds hadden ze van die van Maassluis alleen ruim tweehonderd

haringbuizen genomen, die te samen zoo ongeveer een millioen guldens

waarde hadden. Men zegt zelfs, dat een Duinkerker door zeeroof zoo

rijk geworden was, dat hij den Koning van Spanje twaalf oorlogsschepen

aanbood, als deze hem eene ridderorde wilde schenken.

Nu was Tromp van plan de haven in te sluiten, maar eer wij er waren

hadden reeds twintig schepen het ruime sop gekozen. Onze heele macht

bestond uit twaalf scheepjes, doch de Ammiraal was de man niet om

het nu op een loopen te zetten, en daarom pakte hij ze maar dadelijk

aan, en hij deed dit zoo knap, dat de vijand na twee schepen en

zestienhonderd man verloren te hebben, het hazepad koos. En, het mag

gezegd worden, zijn de Duinkerkers en Spanjolen knap in het stelen,

ze zijn ook knap in het aan den haal gaan.--

Toen we van dien vijand zoo netjes afgekomen waren, was er wat te

doen in ons Landje, en de Heeren Staten waren er zoo mede in hunnen

schik, dat ze Tromp eene prachtige gouden keten gaven. De Koning van

Frankrijk vereerde hem met de orde van Sint-Michiel.

Ondertusschen bleven wij in Het Kanaal kruisen, verlangend naar het

oogenblik, dat we de vloot, waarover al zooveel geschreven en gezegd

was, eens onder de oogen konden zien.

De vijandelijke schepen waren vast grooter van bouw dan de onze,

maar wat gaven wij daar om?

"Grooter," riep er een, "ei wat, grooter! 'T zit 'm in de grootte

niet! Als een olifant eene kat vervolgt, en poesje kruipt door de

tralies van 't keldergat, dan staat meneer de olifant op zijne lange

slurf te kijken, als Jut voor het landhek!"

De vijandelijke vloot telde ook meer schepen dan de onze! Maar wat

gaven wij daar om?

"Meer schepen," riep een tweede, "meer schepen, wat zou dat? 'T zit

'm niet in zoo 'n menigte schepen! Eén vliegje maakt het twintig

paarden op een' dag lastig!"--

De vijandelijke vloot telde meer kanonnen en meer manschappen! Maar

wat gaven wij daar om?

"Meer kanonnen en meer zeevolk," riep een derde, "wat zou dat? Twintig

haviken pikken naar ééne zwaluw en zij krijgen haar toch niet; want

het beestje is die luî te glad af!"--

De vijand had een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal! Maar

wat gaven wij daar om?

"Een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal," riep een vierde,

"wat zou dat? Wij hebben Tromp, De With en Banckers! Tellen die

drie niet voor honderd Spaansche Dons met namen van 'k weet niet hoe

lang wel?"---

Zoo kon men nu eens dit en dan eens dat hooren; maar niet een was er,

die den kop moedeloos hangen liet en voor Jan Bang speelde.

Eindelijk kregen we den vijftienden van Herfstmaand de vijandelijke

schepen in het gezicht. Het was een prachtig schouwspel, vooral daar

ze den wind vlak voor het lapje hadden.--

Tromp zond dadelijk een der kleinste vaartuigen uit om De With, die

op de hoogte van De Cingels kruiste en Banckers, die de haven van

Duinkerken ingesloten hield te gaan waarschuwen.--Om de zijnen te

laten weten waar ergens hij zich bevond, liet onze Ammiraal om het

half uur seinschoten doen, en vast moet Witte die gehoord hebben,

want hij was met zijne vijf schepen al op weg om Tromp op te zoeken

toen hij de tijding kreeg, dat de Spanjaard in het gezicht was. Toch

verliep er nog een geheele dag eer hij zich met ons vereenigen kon,

want hij had den wind vlak tegen.

Ik, die weer aan boord van Tromp diende, maar door hem niet herkend,

of mogelijk niet gezien was, stond onbewegelijk op de boot te kijken,

die van Witte's schip neergelaten werd. 'T spreekt van zelf, dat hij

bij Tromp moest komen, omdat hij als Vice-Ammiraal onder hem stond.--

De boot leî aan den valreep, doch door onvoorzichtigheid van één der

roeiers sloeg ze alweer terug, en daar had je het lieve leven gaande.

Razen, vloeken, schelden, tieren, anders hoorde men niet. De roeier

kreeg, zooals mijn neef uit Sommersdijk zeggen zou, een boterham

van belang.

Toen hoorde ik geschop, gestommel en getrap en eindelijk, daar

stond hij in levenden lijve! Wat was dat "Kregel Mennonietje"

veranderd! Zijne oogen draaiden onder zijne donkere wenkbrauwen

als kooltjes vuur in het rond, en dikke plooien liepen van zijnen

neus naar zijn hoog en breed voorhoofd. Alles was beweging aan hem;

hij stond geen oogenblik stil en hij keek naar de Spaansche vloot,

alsof hij die geheel alleen zoo maar op de vlucht kijken kon.

"Daer eî-je noe dat vloekbeest van 'n veint!" zeî een Zeeuwsch matroos

achter me tot zijn kameraad, die ook uit Zeeland was, en per ongeluk

op de Hollandsche schepen dienst deed.

"Wat eit ie alevel 'n zuur gezicht! Ie liekt veel op vaoders wacht'ond

Turk! Nee, mer oor is, ik zou ik ok liever z'n biebel weze as z'n

matroos, 'oore! En jie Uub?"--

Met dat "Uub" bedoelde hij mij, maar ik was te veel in gedachten om

met die twee Zeeuwsche mannen te gaan praten en daarom zei ik maar:

"'K en weet niet!"--

Ik kon mijne oogen niet van Tromp en Witte afhouden! Een goede dertig

jaren geleden waren die twee mijne speelkameraads! En hier waren we

weer alle drie. Een Luitenant-Ammiraal, een Vice-Ammiraal en ... een

matroos!--Als ik kapitein ben dan wordt ge mijn pluimgraaf, had ik tot

Witte gezegd, toen hij nog "Kregel Mennonietje" was. En nu ... Jonge

Kees, ik heb me toen een klap in mijn gezicht gegeven van nijd,

en 't was me, of 'k alweer dien Brielschen schoolmeester met zijn

"Kwikkwik" voor me zag staan!

Hoe lang ik daar had staan droomen, dat en weet ik niet; maar eensklaps

werd ik wakker en ik hoorde Tromp zeggen:

"Dus De With! je denkt dat...."

"Ik denk niet, ik zeg dat wij die luî daar aanpakken moeten. Zeventien

Hollandsche jongens kunnen het wel een paar dagen tegen die vijgeneters

uithouden, durf ik zeggen! Er zal wel versterking komen uit Holland en

Zeeland. Laat mij maar voorop gaan! Ik zal die Spaansche langslapers

een deuntje voortrommelen, dat ze een paar ooren opzetten zoo lang

als die van hunne ezels! Bang,--bah, wie bang is moet op

schildwacht!"--

"Goed," sprak Tromp, maar bleef heel bedaard, "goed, we zullen den

vijand te lijf gaan! Bottelier, breng wijn! We zullen op den goeden

uitslag klinken en drinken!"--

"En als de wijn op is, dan halen we wat bij den Spanjool," riep Witte

en dronk in eenen zijnen beker ledig.

Het was of de Spanjaard geroken had wat er bij ons aan boord besloten

was; want de vloot stelde zich in beweging en kwam recht op ons

af. Don D'Oquendo was voorop!

Eer de vijand nog één schot gedaan had, was Witte al aan den gang. Hij

liet zijne kogels vliegen als een bakker, die op Sint Silvester

pepernoten te grabbelen gooit. Maar wij deden voor hem niet onder,

dat verzeker ik je. 'T ging er aardig langs en het duurde niet lang

of de vijand bedankte er voor den strijd langer voort te zetten,

en liep met klein zeil om de noord naar den hoek van De Cingels. Den

volgenden dag werden we door stilte en mist genoodzaakt stilletjes

te blijven liggen, doch tegen elf uren in den nacht, toen de mist

optrok, gaf Tromp bevel om het spelletje van den vorigen dag nog eens

te beginnen. Om één uur begonnen we en eerst des morgens te tien uren

hielden we op. Zoo vechtende waren we met den vijand naar De Hoofden

afgedreven en hadden we al eens een enkel oogenblik eene harde noot

te kraken gehad, niemand dacht er aan, dat we het wel eens konden

verliezen, en vooral dachten we dat niet meer, toen de Commandeur

Banckers onze kleine vloot met twaalf schepen kwam versterken.--De

Spanjaard had ondertusschen de wijk genomen naar Duins en meende

zeker, dat we 't wel niet in het hoofd zouden krijgen hem daar aan

te pakken. En jawel, net waren we van plan den vijand al weer aan te

vallen, toen meneer John Pennington bij ons aan boord kwam en in zijn

Koeterwaalsch zeî: "Tromp, je hebt de groetenissen van Koning Karel

van Engeland, en hij laat je weten, dat je, als je met den Spanjaard

aan het bakkeleien en plukharen wilt gaan, dat dan maar op een ander

plaatsje doen moet; want de Koning wil geen vreemde pottekijkers in

zijn keuken hebben! Begrepen?"--

Hier werd Huib door een der matrozen in de rede gevallen, die zeî:

"Zeg, Huibje, je verstaat geen Engelsch, hoe weet je dat die Pennington

dat gezegd heeft?"--

"Och, loop," hernam Huib, "dat kon ik wel raden; want van vechten

kwam er dien dag niemendal. Dat speet ons wat, dat kunt ge begrijpen;

want we hadden er pret in gekregen. We hadden ons hart opgehaald

"als Keuningen"!-- Ondertusschen begon het bij ons een mooi gezicht te

worden; want met iederen dag werd onze vloot versterkt. Daar was leven

in ons Land gekomen, en een leven, daar je geen begrip van hebt!"--

"Tuit, tuit, niet zoo haastig, kompeer," sprak thans dezelfde

matroos. "Ik kan me dat best voorstellen, want ik heb Witsen's

Scheepsbouw en Bestier, gelezen en daarin stond: De kaden, havens en

scheepstimmerwerven van Holland en Zeeland woelden en grimmelden van

nieuwe toerustingen te water en te land. Het scheen niet dat men van

alle kanten schepen timmerde, maar of ze van zelve groeiden. Men zag

geen opbod van Matrozen, maar hen van zelven in de schepen vallen!"--

"Ja," hervatte Huib, "gelezen is niemendal, je moet het gezien hebben,

zooals ik het gezien heb. Met De With werd ik naar 't Vaderland

gezonden om de gekwetsten en den behaalden buil over te brengen

en om versterking te vragen. Toen heb ik het met mijne eigen oogen

gezien, dat er te Rotterdam op één dag meer dan honderd matrozen zich

aanmeldden. Het scheen wel, dat daar bij Duins suiker met potlepels

en goud met emmers te scheppen was. Waar je kwam, ging of stond, daar

hoorde je niets dan van Tromp, De With, Banckers, Evertsen, Duins,

Engeland en Spanje praten. Jongens, ik ben blij, dat ik dien tijd

beleefd heb! Wat gaf ik er toen om, dat ik maar matroos was! "Alles

voor mijn Land en voor onzen Ammiraal!" dacht ik en duizenden dachten

als ik.

Ondertusschen lagen we reeds eene maand voor Duins. Onze vloot

was reeds tot negentig schepen aangegroeid en iedereen brandde van

verlangen, om toch weer eens van leer te trekken; maar hierin werden we

iederen dag teleurgesteld. De Engelschen wilden niet hebben, dat we op

hunne reede aan het vechten zouden gaan, en reeds was men begonnen ons

te dreigen, dat ze den Spanjaard helpen zouden, en uit Holland, waar

men ook bevreesd was, aan te tasten, omdat men vreesde met Engeland

in onmin te komen, kwamen ook iederen dag allerlei boodschappen.

"Welnu," zeî Tromp, "dat de Spanjaard dan in de open zee kome, daar

vecht ik ook liever!"--

Meneer Pennington bracht die boodschap naar zijnen vriend D'Oquendo,

doch kwam al heel gauw terug en zeî: "De groeten van Don Antonio en

hij laat je weten, dat hij niet kan uitzeilen, omdat hij gebrek heeft

aan masten en stengen, die hij te Dover heeft laten liggen!"--

"Als 't anders niet is, dan zullen we dat varkentje wel wasschen,"

sprak Tromp. "Ik zal ze laten halen!"--

Terstond werden eenige schepen naar Dover afgezonden, en de Spanjaard

had zijn wensch; maar toch kwam hij niet.

Daar kwam Pennington alweer en zeî: "Hoor eens, Tromp, onze goede

vriend zou wel eens even met je aan den slag willen gaan; maar de

man heeft geen buskruit!"

"Dat 's niemendal," luidde weer Tromps antwoord, "ik zal hem eenige

duizenden ponden verschaffen!"--

Ook hieraan werd terstond gevolg gegeven, maar.... de Spanjaard bleef

waar hij was.

Eindelijk kwam er bericht van Hunne Hoogmogenden, dat men nu terwille

van Engeland genoeg gesammeld had, en dat er een einde aan komen

moest. Tromp mocht gerust den Spanjaard aanvallen, onverschillig waar

hij hem vond.

In den nacht tusschen den twintigsten en eenentwintigsten van Wijnmaand

liep de wind naar het noordwesten en was dus bijzonder in ons voordeel

om den vijand van de reede te verjagen. Hoe lang D'Oqueudo ook al had

kunnen voorzien, dat hij eindelijk toch wel aangevallen zou worden,

toch kwam de aanval nog onverwacht en vele schepen waren genoodzaakt

hunne ankers te kappen. Hierdoor ontstond verwarring en deze werd

niet weinig vermeerderd toen ze elkander op de nauwe reede weldra in

den weg kwamen, en eindelijk aan den grond bleven zitten.

Hieraan stoorde Tromp zich niet en hij stoorde zich nog minder aan

de Roôrokken, die met het geschut uit hunne sterkten de Spaansche

schepen in bescherming namen. Oorverdoovend was het gedonder van het

geschut, en de Spanjaarden van de schepen, die omhoog zaten, kregen

het zoodanig te kwaad, dat ze hals over kop in het water sprongen en

zwemmende hun leven trachtten te redden. Onderwijl Tromp zich zoo

bezig hield met de schepen op de reede, had Ammiraal Jan Evertsen

het Portugeesche gedeelte der vloot aangetast. De Portugeezen vochten

dapper, en zeker zouden ze niet zoo geheel verslagen zijn geworden,

als het Ammiraalschip De Theresea, die wel duizend man aan boord had,

niet in de lucht gevlogen was. Onder al die bedrijven was het D'

Oquendo toch gelukt in zee te loopen, doch hier was hij evenmin

veilig als op de reede. Woedend werd hij aangevallen en woedend

verdedigde hij zich. Toch zou hij op het laatst zich hebben moeten

overgeven; maar eene mist en daarna een hevige wind stelden hem in

staat met een tiental schepen te Duinkerken binnen te loopen. Van de

zevenenzestig schepen bleven er achttien behouden; voor het overige

was die schoone vloot vernield, of in handen der onzen. Wij namen

ongeveer tweeduizend man gevangen en vijfduizend waren gesneuveld of

verdronken. Wij verloren slechts honderd man en één schip. De vreugde

te beschrijven, die er in ons land heerschte, kan ik niet! Dat moet men

bijgewoond hebben. Groot en klein, rijk en arm, oud, jong, aanzienlijk

en gering, iedereen was vol vreugde. Gedenkpenningen werden geslagen,

gouden ketenen werden uitgedeeld en de poëeten maakten liederen, die

klonken als klokken. En de luiden, die zoo juichten hadden het bij

het rechte end, want als de Spanjaarden eens overwonnen hadden, dan

had het er voor de Vereenigde Nederlanden niet te best uitgezien. Met

de vrijheid en onze macht ter zee was het al vast gedaan geweest en,

als we die moeten missen, dan is het met ons land mis. Op de zee

ligt onze welvaart; op de zee ligt ons bestaan;--op de zee ligt ons

alles! De Zee is de bruid van ons Gemeenebest, en wee ons, als die

bruid door eenen driesten vijand ons ontnomen wordt!

Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden · 第 24 / 43 题