Toegejuicht en beweend.
Reeds twee jaren lang had ik op een der oorlogsschepen van de
West-Indische Compagnie gevaren en er was geene sprake geweest van
verhooging in rang. Vermoedelijk had Tromp het zoo bewerkt dat ik op
een ander schip dan het zijne geplaatst werd, maar ik weet het niet
recht. Men zeide dat er aan boord van de Witte Leeuw kapitein Jan
Jansz. van Hoorn gebrek aan bevaren matrozen was, en daar men mij toch
in alle gevallen de eer gunde tot de bevaren matrozen te behooren,
zoo werd ik overgeplaatst. Ik had er geen spijt af. Kapitein Jan
Jansz. was een abel en dapper man en bij het volk zeer gezien.--
"Mannen," zeî hij op zekeren mooien Meidag van het jaar 1628,
"mannen, de West-Indische Compagnie heeft geld noodig en daar wij,
lacie, bij ons te lande geen zilver of goud kunnen vinden, zoo is
er besloten geworden den Spanjool eens aan den pols te voelen. Dat
Amerika levert ieder jaar onzen vijand goud en zilver in overvloed en
dat wordt overgebracht met eene vloot, die door de Spanjaarden zelven
de Zilvervloot genoemd wordt!--Dat vosje gaan we vangen, maar ik zegge
u, dat geen uwer het hart in zijn lijf moet hebben aan het plunderen
te slaan; want zoo waar ik kapitein Jan Jansz. ben, ik zal ieder, die
dat durft te doen als deugniet ergens aan wal laten zetten.--De kat
komt een graatje toe, zegt het spreekwoord en ik en zeg niet dat dit
logen is; maar zij die dat zeggen nemen gewoonlijk de visch voor zich
en gunnen de graat een ander! En nu, handen aan het werk! Vooruit!"
Wij voegden ons bij de vloot, die een en dertig schepen telde en onder
bevel van Piet Hein stond. Aanvankelijk hadden we geen tegenspoed,
doch toen we dicht bij Amerika kwamen hadden we zooveel met tegenwind
te kampen, dat iedereen dacht: "Nu zal de buit ons toch ontgaan!"
Wij waren al in de nabijheid van liet eiland Cuba en wel in de baai
van Matanza bij Havana gekomen, toen we eensklaps de ontdekking deden,
dat de prachtige vogeltjes daar in de kevie zaten. Zoo handig als de
gouverneur van Havana dit doen kon, zond hij een schip uit om den
bevelhebber der Zilvervloot te zeggen: "Den g'ndag van mijn baas,
en hij laat je weten, dat je de vogeltjes niet moet laten vliegen;
want de kat loopt te tafelschuimen!"
Maar wij waren dat meneertje te vlug af en spoedig was het: "Kip,
ik heb-je! We zullen zelf de boodschap wel doen!"
De bevelhebber der Zilvervloot nu, denkende dat er geen vuiltje aan
de lucht was, zeilde uit en kwam midden in den nacht tusschen onze
schepen in. Hij meende echter dat wij ook Spanjolen waren en toen het
dag was geworden, en hij zijne leelijke vergissing zag, was het te
laat om zich nog voor eene flinke kloppartij gereed te maken, zoodat er
niets anders op zat, dan zich als een weerlooze te laten doodschieten,
of zich over te geven. De man lustte echter te graag zijn fleschken
Malaga om zich zoo maar te laten vermoorden, en daarom besloot hij,
op voorwaarde van lijfsbehoud, zich met het geheele boeltje, zooals
het reilde en zeilde, aan de Hollanders over te geven.
Dat was eene schoone vangst en dat zonder slag of stoot! 'T was
haast niet om te gelooven. Geen wonder dat het volk, toen wij in het
Vaderland weergekeerd waren, Hein als het ware, op de handen droeg. Elf
millioen guldens was ook geene kleinigheid! En wij? Nu, we deelden
meê in den lof, die onzen Ammiraal toegezwaaid werd, maar voor het
overige viel er niet veel te verdienen. Als wij niet ietewat voor ons
zelven gezorgd hadden, dan zouden we van het vischje nog minder dan
het graatje gekregen hebben. Piet Hein werd tot Luitenant-Ammiraal van
Holland benoemd en de heeren van de West-Indische Compagnie deelden
vijftig percent winst uit.
Zoo er echter één naar verdienste beloond werd, dan was het onze
Ammiraal, en meer dan jammer was het, dat hij van zijne hooge
waardigheid zoo weinig pleizier zou hebben. Weet-je waarom? Luister
maar!
Die van Duinkerken hebben altijd vele noten op hunnen zang gehad
en toch zingen ze leelijk; maar in dien tijd hadden ze nog veel te
vertellen. Ze zaten maar op den loer of er ook rijkgeladen koopvaarders
door Het Kanaal kwamen en, wee het schip, dat geene mooie dubbele rij
holle ijzeren tanden kon laten zien; want om een paar kiezen en eenige
melktandjes gaven ze net zooveel, als een boer om eene rotte kool.
Om deze luidjes nu eens wat tot rede en plicht te brengen, werd Piet
Hein het volgende jaar met eenige schepen uitgezonden. Zijn eerste
werk was de haven der stad zoo netjes in te sluiten, dat er geen schip
in of uit kon. Drie der roofschepen waren echter bijna nog ontsnapt,
maar de wakkere Ammiraal liet zich nu maar niet zoo bedotten. Hij
zette hen achterna en begon een scherp gevecht. Marten was er ook
weer bij en op het oogenblik, dat deze een bevel ontving, zag hij
den bevelhebber aan zijne zijde wankelen en neervallen.
Geen woord kwam er meer over zijne lippen; de man was ineens dood. Een
stuk schroot uit grof geschut had een einde gemaakt aan het leven
van eenen man, dien de Vereenigde Provinciën zoo zeer noodig hadden.
Met groote droefheid werd de tijding van zijnen dood in Holland
ontvangen, en veertien dagen later werd het overschot van den moedigen
man, onder eenen grooten toeloop van nieuwsgierigen, te Delft in de
Oude kerk begraven.
Met Piet Hein verloor Marten ook zijnen grootsten beschermer en
machtigsten voorspraak. Hij bleef nog eenigen tijd, als kapitein,
aan boord van de Groene Draak, doch werd toen van zijne betrekking
ontslagen. Waarom dit geschiedde weet ik niet recht.
Geen wonder dat Marten zich thans geheel aan den zeedienst onttrok
en rustig aan den wal ging leven.--
De oorlogszaken ter zee gingen echter weldra verkeerd en eindelijk
werd er besloten, dat men een wakker zeeman, een moedig en beleidvol
kapitein zoeken moest, om dezen aan het hoofd der vloot te plaatsen
en aan den slechten toestand, waarin zij verkeerde, een einde te
maken. Lang zocht men nu eens hier en dan eens daar, doch men kon maar
tot geene keus komen, totdat de oogen van Stadhouder Frederik Hendrik,
zaliger, op onzen Tromp vielen.
Dit geschiedde in 't jaar '37.