Naar Zee! Naar Zee!
Na de schitterende overwinning bij Duins kon een groot gedeelte van
de oorlogsvloot, waaronder ook vele koopvaarders waren, naar de havens
terugkeeren, of hunne reizen naar Oost en West hervatten.
Rust kwam er evenwel niet; want de Duinkerkers waren er nog met
hunne roofschepen, en, al zeî ook heel de wereld, dat wij de eerste
mogendheid ter zee waren, daaraan stoorden deze luiden zich niet, ja,
't was of ze met den dag brutaler werden.
Onderwijl wij voor Duins lagen hadden zij hun kans waargenomen, en ze
waren aan het rooven getrokken, dat het een aard had. Op één enkelen
dag maakten ze eens elf schepen prijs. Ze kwamen zelfs tot voor Aland
in de Bothnische golf, namen daar een Nederlandsen oorlogsschip en
vier koopvaarders en sleepten uit de baai van Shetland nog vier onzer
oorlogsschepen mede.
Het gebeurde dat er wel zestig Duinkerker-kapers te gelijk in zee
waren.
Nu deed Tromp wel wat hij kon om dien luiden dat rooven, plunderen
en moorden af te leeren; maar hij kon toch met zijne vloot niet op
alle plaatsen te gelijk zijn. En toch, hoe akelig en naar het voor
onze kooplieden was zoo telkens bestolen te worden, toch houd ik
vol dat ze die Duinkerksche baasjes wel eens mochten gaan bedanken,
inplaats van ze te verwenschen.
Weet je waarom?
'T is anders zoo duidelijk en klaar als een lantaarn in het donker.
Door die slimme en dappere Duinkerkers telkens gefopt, moesten we op
het laatst ook wel slim en dapper worden, of we wilden of niet! We
werden, als ik het zoo eens zeggen mag, zoo glad als een aal, zoo
slim als een vos, zoo brutaal als een wolf en zoo dapper als een leeuw.
De geest van Tromp is in velen gevaren, en er is nooit een
schoolmeester geweest, die zijnen discipelen zoo goed zijne schrijfhand
leerde namaken, als Tromp zijnen kapiteins zijne manier van oorlog
ter zee voeren!
Laat Witte Cornelisz. De With maar eens toekijken als we aan het
vechten gaan, dan zal hij zien van wien de onderbevelhebbers meer
geleerd hebben, van hem of van Tromp.
Die eene Brielsche kwâjongen is méér dan de andere, de roem van zijne
stad en de eer van zijn Land geworden!
Onderwijl we zoo tegen de Duinkerkers kruisten kreeg De Haese, dit was
de naam van het schip waarop ik voer, bevel om met nog eenige andere
vaartuigen, die onder het oppergezag van Ammiraal Aertus Gijsels
stonden, naar Portugal te stevenen om daar den nieuwen Koning een
handje tegen de Spanjaarden te helpen.
In Oogstmaand van '41 liepen we uit, zoodat ik tot mijn spijt niet
behoorde tot de luî, die met Ammiraal Tromp, den zoon van Frederik
Hendrik naar Engeland gingen brengen.
Ik had dolgraag dat gezicht van dien Engelschen Koning Karel eens
gezien. Hij ontving Tromp heel beleefd en stelde hem zelfs aan de
koningin voor als den grootsten Ammiraal der wereld. Nu kunnen ze
me nooit wijsmaken dat die Koning dat meende; want bij Duins had
Tromp getoond dat Koning Karel bij hem niet erg in tel was. Maar
dat zijn dingen waaraan een zeeman niet denken moet en ik zou haast
gelooven, dat de wakkere stuurman Willem Adriaense Warmont gelijk
had toen hij zeî: "Ben-je mal, jongen, wat bekommer je jezelven over
dingen, daar je toch niet bij en kunt met je verstand? Weet je dan
nog niet dat er tweeërlei soort van menschen zijn en wel matrozen en
landkrabben? Als ik jou tegenkom en ik heb wat tegen je, dan zeg ik:
"Hier ben ik! en jij zegt dan: "En ik ben hier!"--En als we dan zoo
over en weer mekaêr gegroet hebben, dan pak ik jou bij je kraag en
jij mij, en dan gaat het links, rechts, neer, op, rechts, links, op,
neer! net zoo lang tot een van ons beiden zijn bekomst heeft en zegt:
"'K heb niemendal meer in te brengen, je bent, de baas!" Zie-je,
Huib, zoo zouden wij, matrozen en varensluî, doen, en daar we toch
wel nooit grutter of raadpensionaris zullen worden, zoo moesten we
er ons zelven ook maar geen oogenblik het hoofd mee vermoeien met te
denken wat de landkrabben doen!"--
Het was een rare sijs die stuurman, en daar hij veel geleerd had en
bijster knap was, zoo en heb ik me ook maar nooit meer bekommerd over
dingetjes, die geen stuurboord of bakboord gezien hebben.
Maar ik dwaal heelemaal van mijne geschiedenis af.
Onderwijl Ammiraal Tromp dan de Duinkerkers vervolgde en heel deftige
bezoeken in Engeland bracht gingen wij naar Portugal om dat land
een handje te helpen tegen de Spanjaarden. [10] Behalve Gijsels,
die onze vlootvoogd was, hadden we onder hem nog als Vice-Ammiraal
Jacob Pieterse Tolck, en als Schout bij Nacht den Vlissinger, Michiel
Adriaensz. De Ruijter. Onder dezen laatsten diende ik.--Dat Gijsels
een dapper en ervaren zeeman was is vast, maar of die Tolck dat ook
was, dat en weet ik niet. Maar dat onze Schout bij Nacht een flinke
kerel was, daar af zou ik jelui heel wat kunnen vertellen. Hij was
toen nog maar vier en dertig jaren oud; maar zelden heb ik iemand
van dien ouderdom gezien, die zóó moedig, zóó verstandig, zóó slim,
zóó beleidvol, zóó goed, zóó rechtvaardig en zóó vriendelijk was
als hij. Kijkt, jongens, ik en ben geen profeet, maar ik zie er in,
dat diezelfde Michiel De Ruijter, die een kwâjongen moet geweest zijn
zoo groot als er ooit een geleefd heeft, een Ammiraal zal worden zoo
groot, dat hij den roem van onzen Marten in de schaduw zal zetten. Die
man heeft alles wat een jong man hebben moet om eens een groot man
te kunnen worden.--Van iedereen wil hij leeren van den Ammiraal af
tot den kajuitswachter toe. Hij is niet zoo trotsch en eigenwijs om
te gelooven, dat hij alleen alles weet! En dat behoort zoo! Zoo deden
Piet Hein en Tromp ook. Zoo doet Witte Cornelisz. De With niet altijd
en dat is zijn ongeluk.--
Onze vloot was slechts twintig schepen sterk en, daar ze meest allen
nieuw waren en nog geen proeftocht gedaan hadden, zoo hadden we met
veel moeielijkheden te kampen. En dan was de uitrusting ook alles
behalve in orde. Het Ammiraalschip telde slechts 118 man, en bestond
dan nog voor een groot deel uit luî, die nooit zeewater geproefd
hadden. Reeds in Het Kanaal werden onze bevelhebbers het met elkander
oneens, en toen er zoo'n klein stormpje opstak, liepen er zes van
de tien te grienen en te huilebalken, te lamenteeren en te klagen,
alsof hun leste uurtje al geslagen was.
En met zulke baliekluivers moesten we uit bakkeleien gaan. 'T stond
bijster mooi aan.
Na verscheidene weken gekruist te hebben, ontdekten we in den vroegen
morgen van den derden van Slachtmaand eene sterke vloot. Wij dachten
eerst dat het de Portugeezen zouden zijn. Wij kwamen die luî helpen en
het was dus niet meer dan een staaltje van hunnen plicht om ook mede
te doen. Maar, jawel, ze lieten zich fluiten als een kikker in het
riet, en al heel gauw werden we gewaar, dat het vlootje, dat we zagen
aankomen maar eens even bestond uit negen groote Spaansche galjoenen,
tien Duinkerksche koningsschepen, vier fregatten en één jacht. [11]
"Goeien morgen, Huib," zeî ik tot mij zelven, "goeien morgen, Huib,
dat katje moet jelui vandaag de bel aanbinden! Dat zal er spannen!"--
Onderwijl ik dat zoo zeî, hoorde ik iemand achter me snikken. Ik
keerde mij om, en, 't was om de oogen uit het hoofd te schamen,
een reus van een kerel stond achter me te schreien als een kind,
dat zijne koekskens in den modder heeft laten vallen.
"Wat hapert er aan jou, kameraad?" vroeg ik.
"Och, nou en zal ik nooit meer mijn lief Smeerdiek terugzien!" gaf
hij mij ten antwoord. [12]
Zoo'n lummel!
"Denk-je dan dat je vandaag blind zal worden?" vroeg ik.
"Nee, jae, en toch nee! Mer ze zulle me herstikke dood schieten! En
as ik dood bin, dan kom ik nooit niet meer weromme, en ik zien ik
nooit niet meer m'n Smeerdiekje mee z'n klokkespilletje!"--
"Och, och, hoe erg!"--
"Jae, en dicht bie dat mooie torentje mee z'n klokkespilletje, daer
weunt m'n meutje en daer 'oud ik zoovee van!"--
"Wel, wel, dat 's verschrikkelijk!"--
"En as ze me noe is doodschiete, wat zal m'n meutje dan jule!" [13]
'T was of de kerel gek werd zoo stelde hij zich aan; hij zette een
mond open als een bakkersoven en huilde als een wervelwind.
Eindelijk kwam onze Schout bij Nacht ook aan en toen hij mij zoo zag
gieren van het lachen, zeî hij: "Dat moet je niet doen, Huib! En jij,
goeie vrind, moest niet huilen; want dat helpt toch niemendal. Maar
weet je wat je doen moet?"--
"Nee, nee, lieve Schout bie Nachtje, dat en weet ik nie!" snikte
de man.
"Nu, luister dan, vrind! Vooreerst moet je een weinigje op den
goeden God vertrouwen; want die heeft voor 'n armen zeeman ook
wel wat over. En dan, je heb knuisteu als voorhamers en armen als
kluifhouten! Denk je dat je die gekregen hebt om er je tranen meê af
te vegen? Mis, man, mis! Jij hebt die nou is om er vandaag klappen mee
uit te deelen, links en rechts! En als je niet weet, hoe je dat doen
moet, kijk dan maar eens naar onzen Huib, en als je wil, naar mij,
dan wed ik dat je er vanavond schik in hebben zult, dat je vandaag
zooveel geleerd hebt!"
Zoo sprak De Ruyter en begon terstond zich tot den slag gereed te
maken. Het gebed werd gedaan, daarna kreeg ieder gelegenheid om eens
goed te schaften, de vlag werd aan de vlaggespil vast gespijkerd en
... daar ging het er van door!
Gijsels trachtte zich met den Vice-Ammiraal Tolck te vereenigen. De
vijand hield het er voor, dat hij aan den haal ging on zette hem
na. Maar Gijsels dacht: "Neen, dat bedoel ik niet!" en terstond liet
hij wenden en gaf den Spanjaard de volle laag. De vijand meende echter
dat hij zoo 'n hoopje garnaalschuitjes best aan kon en gaf Gijsels
dubbel en dwars terug wat hij gegeven had,
"Mannen," riep De Ruyter, "onze Ammiraal krijgt het met die Spaansche
Dons te kwaad; we gaan hem helpen!"
Zoo gezegd zoo gedaan.
Van 's morgens half tien tot laat in den achternoen vochten we als
leeuwen.
"Aoist, aoist, aoist!" klonk het op eens naast me. [14]
Het was de Smeerdieksche reus, die een kanon afgeschoten had en
ontdekte dat hij met zijnen kogel de vijandelijke Ammiraals-vlag aan
narden schoot.
"Dat heb je 'm eens secuur gelapt, kompeer!" zeî ik.
"Jae, jae, dat 'eb ik net! Aoist, aoist, aoist!" juichte hij.
"Aan de pompen, aan de pompen!" kommandeerde De Ruyter, en 't was
noodig ook; want de romp van De Haese moet veel op eene spons geleken
hebben, zóó hadden ze ons beschoten.
Eindelijk ging Tolck, die een beetje minder dan niemendal gedaan had
aan den haal, en of Gijsels ook al op hem schoot om hem te noodzaken
terug te keeren, Tolck deed alsof hij het niet hoorde, en zette zijne
wandeling voort. Misschien dat de man door zijn volk gedwongen werd
om zoo te doen, ik en weet het niet, maar daar ben ik zeker af,
dat hij ons leelijk in de pekel liet zitten.
Nu riep de Ammiraal de bevelhebbers der schepen, die hem trouw
bijgestaan hadden, aan boord om te overleggen wat er gedaan moest
worden. Ze besloten bijna eenparig het gevecht te staken, omdat
de schepen te veel geleden hadden en het onmogelijk nog langer vol
konden honden.--
De Spanjool scheen ook niet veel lust te hebben om de partij nog eens
op te nemen en verwijderde zich van ons. In den nacht, die op dit
gevecht volgde, kregen we nog eenen vreeselijken storm op ons dak en
met heel veel moeite en zware averij waren we wel genoodzaakt om te
Lissabon binnen te loopen.
De koning van Portugal gaf aan onze bevelhebbers mooie gouden ketenen
met penningen, misschien wel in de hoop, dat we onze kunsten nog eens
zouden toonen; maar Gijsels had daar geen lust toe, als de Portugeezen
ons niet hielpen. Die luî waren echter liever koud dan moê, en daarom
zeî onze Ammiraal op een' mooien morgen den Koning goeien dag en wij
keerden naar het Vaderland terug.
Ik wil je wel zeggen, dat ik hard verlangde om weer eens een poosje
aan den wal te leven; maar daar kwam niet veel van! Nauwelijks toch
was ik aangekomen of 't was alweer maar: "Vooruit, Huibje! Help de
Duinkerkers eens achter den broek zitten!"--Was dàt afgeloopen,
dan was het weêr: "Ga nou met Witte Cornelisz. De With eens naar
de Sont, Huibje! Die koning van Denemarken is een levende schrok,
eene haai van de grootste soort! Omdat wij goede vrienden zijn met
Christientje, die voor Koninginnetje van Zweden speelt, en omdat
die Kris, die koning van Denemarken, uit meenens met haar ravot en
stoeit, zoodat de splinters er afvliegen, zoo laat hij onze schepen,
die de Sont passeeren schandelijk veel losgeld betalen! Toe, Huibje,
help jij met je Brielschen kameraad, 't "Kregel Mennonietje," dien
Kris eens op zijn nummer zetten! En jawel, hoor, daar ging het!
In Hooimaand van het jaar '44 staken twee en veertig oorlogsschepen
onder bevel van onzen Witte, als Vice-Ammiraal, in zee. Wij hadden
te zorgen voor negenhonderd koopvaardijschepen, maar Witte kreeg de
boodschap mee alleen maar te waken, dat onze schepen den gewonen tol
moesten betalen en geen geweld aangedaan werden. Ik diende bij hem
aan boord, en dikwijls dacht ik zoo, in mijn eentje, aan dien morgen
toen ik voor het eerst naar zee zou gaan en afscheid ging nemen. Toen
had ik al heel leelijk gekeken, als Witte zeî: "Als ik ga varen,
wil ik Ammiraal worden!"--En ik, dwaaskop, die ik was, ik had hem
uitgescholden en gezegd, dat hij pluimgraaf zou worden op het schip
waarop ik kapitein was!--
En nu! 'T is me gegaan zooals de Ridder Cats zegt:
"Veel roemen met een dommen geest,
Een ijdel vat bomt aldermeest." [15]
Onze tocht liep goed af en beter dan ik gedacht had. Wel zag ik Witte
nu en dan met zijnen degen op het dek stampen, wel hoorde ik hem
enkele malen van kwaadaardigheid op de tanden knarsen, maar hij hield
zich goed en geen pond kruit heeft hij laten verschieten. Nauwelijks
was de goede man echter thuis, of de Denen begonnen het spelletje
van voren af aan, en thans besloten de Staten-Generaal om in '45 nog
eens eene vloot uit te zenden om de koopvaarders te besehermen. Nu was
zijn lastbrief eenigszins anders. De koopvaardijschepen mochten in het
geheel geen tol betalen, en hij zelf zou ze met zijne oorlogsvloot door
de Sont brengen. Bij de minste beleediging kon hij van leer trekken,
zoo hard hij wilde. Dat was een kolfje naar Witte's hand. Met vijftig
wél uitgeruste schepen zeilde hij uit om eene vloot van weer maar
zoo eventjes negenhonderd koopvaarders door de Sont te voeren.
Toen we dicht bij het kasteel Kroonenburg gekomen waren ging de
eerste konstabel naar den Ammiraal en vroeg beleefd hoeveel schoten
hij doen moest om den koning van Denemarken, die op het kasteel was,
te begroeten.
Witte gaf geen antwoord.
"Hoeveel schoten zullen er ter eere van de Koning gelost worden,
Ammiraal?" klonk andermaal de vraag.
"Hoeveel schoten? Eén, maar dan liefst met een zes-en-dertig ponder
en dan zoo netjes gemikt, dat die Kris op den grond tolt als een
dronken kadraaier!" [16]
"Dus maar dadelijk met scherp, Ammiraal?"
"Loop heen, kerel, je staat me daar net bij als eene geit voor het
Prinsenhof. Snor uit, ik zal wel groeten!"
De konstabel verwijderde zich en ieder, die hem verstaan had, keek
nieuwsgierig uit om te zien wat de wildeman doen zou.
Dáár lag het sterke Kroonenburg en dáár stond de Koning.
Zoodra Witte hem zag klom hij op de kampanje en lichtte dood bedaard
een paar keeren zijnen hoed af, en zeî: "Dag Kris! Je hebt de groeten
van de Heeren Staten, en wij betalen je nu eens geen duit! Als je ze
hebben wil, dan kom je ze maar halen! Wij zullen in looden bolletjes
uitbetaling houden."
De Denen stonden te kijken, alsof ze een klap van den molen gekregen
hadden, toen ze ons zoo deftig door de Sont zagen trekken en de Koning
kreeg zooveel eerbied voor onze macht, dat hij weldra vrede met Zweden
maakte en de verhooging van de tollen wijselijk achterwegen liet. Ja,
onze roem begon toen zóó te stijgen, dat zelfs vreemden bij ons de
zeevaart kwamen leeren. [17] Na deze tochten naar het Noorden had
ik nog al geen rust; want nauwelijks was ons schip voor den dienst
afgekeurd, of ik kwam op een ander en ging naar ... Duinkerken.--
Ja, alweer naar Duinkerken waar Tromp de haven hield ingesloten. De
Franschen sloegen het beleg aan de landzijde en langen tijd hielden de
belegerden, wien het aan geen moed ontbrak, het beleg vol. Eindelijk
moest Markies De Lede, die het bevel binnen de stad voerde, zich
overgeven en het befaamde en geduchte roofnest was in handen van den
Franschen Koning. Dit geschiedde den tienden van Wijnmaand van '46.
Ik kwam eindelijk weer in het Vaderland terug en daar mijne dienstjaren
om waren zoo besloot ik te Rotterdam kaaigast te worden.
Kaaigast, jawel, een goed baantje voor die landkrabben, maar niet
voor een zeeman, die al bijna veertig jaren op de zee had rondgezwalkt.
Als ik zoo bezig was een Oostindievaarder te helpen lossen, dan dacht
ik dikwijls: "Huib Maerlant, wat ben je toch een gek! Je gaat hier
aan den wal om een vrachtje vechten, je verdient soms net zooveel
als je noodig hebt om te kunnen leven en soms niemendal! Je kost
is dunnetjes, je slaapplaats niet te best en slaven en draven is de
boodschap als je niet van honger sterven wilt. Je doet nou net als
die lange slungels, die bang zijn om ter zee te varen, omdat ze op zee
kunnen verdrinken. Je bent een flauwerd, Huib, een rechte Jan Salie,
ja, dat ben-je!"
Bovendien was het aan den wal ook al niet pluis. De vrede met Spanje
is tegen den zin van onzen Stadhouder Willem gesloten en sedert,
is het tusschen hem en de voornaamste Heeren in Holland ook al
geen botertje tot den boôm. Dat is harrewarren hier en harrewarren
daar. Zelfs onder ons sjouwerluî kwam er al verdeeldheid, en dat gaf
maar oorzaak tot ruzie en vechtpartijen.
Jelui weet het allen zoo goed als ik, dat de Prins zes heeren
op Loevestein heeft gevangen laten zetten omdat hij deze voor de
hoofdpersonen hield, die alles wisten door te drijven wat hij niet
geern zag.
En wat was het gevolg?
Jan trok partij voor de mannen van Loevestein en hunne kornuiten, en
Piet zeî alweêr: "De Prins heeft wel groot gelijk, dat hij zoo doet!"
Zoo dat, wil ik maar zeggen, iedereen partij koos.
Nu ben ik op mijn manier niemendal. Ik kan niet zeggen dat ik zoo
bijzonder voor den Prins ben, en ik kan ook niet zeggen, dat ik
zooveel op heb met de Heeren Staten van Holland. Ik heb in die dagen
ondervonden, dat ik voor landkrab niemendal deug; maar het leelijkste
was, dat ik daar zelf nooit aan gedacht had, tot op zekeren mooien dag,
nu misschien een jaar geleden.
Het ging me nu altijd zoo wat als dien Voornschen boer in den tijd
van de Hoeken en Kabeljauwen!"
"Welke boer was dat, Huib?" vroeg Jonge Kees.
"En weet je dat niet? Luistert dan maar, ik zal je 't vertellen. In
den tijd toen de menschen hier te lande verdeeld waren in Hoekschen
en Kabeljauwschen, liep Krelisboer van Nieuwenhoorn, toen hij van zijn
werk kwam, met een dorschvlegel op zijne schouders naar huis. Pas had
hij een stap of wat gedaan, of daar kwam een troepje Kabeljauwsche
schobbejakken aan. [18]
"Hei, boer," riepen ze, "wat ben je, Kabeljauwsch of Hoeksch?"
Krelisboer, die geen onderscheid zien kon tusschen Hoeken of
Kabeljauwen, zeî op de bonnefooi [19]: "Wel Hoeksch, mannen!"--
"Wacht, we zullen je Hoekschen," riepen die luî en gaven Krelis een
hard pak slaag.
"Dat heb ik al vast beet," dacht onze maat en ging verder.
'T was of het werk sprak, daar kwam weer zoo'n troepje van die
vechtersbazen; maar dat waren Hoekschen, en die vroegen ook aan Krelis:
"Boer, wat ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?"
Krelis voelde nog de klappen, die hij had gehad en zeî: "Kabeljauwsch,
mannen! Rondom Kabeljauwsch!"
"We zullen je Kabeljauwschen!" was het antwoord en daar ging het weer,
van hetzelfde laken een pak.
"Die heb ik al weer beet," zeî Krelis, "maar nou zullen ze me niet
weer vangen!"--
Daar kwam het derde troepje en 't was al weer: "Boer, wat
ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?"
"Wel," zei Krelis, "dat zal ik jelui nou eens netjes vertellen! Eerst
ben ik Hoeksch geweest, toen Kabeljauwsch en nou ben ik duivelsch!" en
den dorschvlegel van zijn schouder nemende, sloeg hij net zoo lang
links en rechts, tot al de lui op den loop gingen.--
Maar hoort nu, hoe het verder met me afliep.
Daar was een rijk geladen Oostindie-vaarder thuis gekomen en lag
aan den wal te Rotterdam. Ik stond al sedert een paar dagen op werk
te loeren, en schoot nu als een pijl uit den boog op het schip toe,
dat nog niet eens aan de ringen gemeerd was. [20]
"Hei, jij, ouwe robbevanger, houd je maar mak!" riep een jonge
kaaigast, dien ik tegen het lijf liep. "Dat vrachtje is voor ons!"
"Heeft de kapitein jeluî dan al aangenomen?" vroeg ik.
"Neê, maar jij blijft er af, 't is voor ons!" zeide de ander en duwde
me met een flinken ribbestoot terzijde.
Nou ben ik wel geen vechtersbaas in mijn hart, althans niet op het
land, maar om me zoo maar een opstopper te laten geven door den eersten
den besten kwâjongen, dat en ging toch niet en daarom lichtte ik mijn'
arm even op om mijn vuist op zijn ruigen krullebol te laten vallen en
zeî: "Daar heb je al vast een teerpenning op het vrachtjen vooruit!"--
Maar, o wee, pas had ik dat gedaan of een stuk of tien van zijne
kameraads trokken zijne partij en begonnen me te kloppen, dat mij
alles groen en geel voor de oogen werd. Gelukkig hadden eenige van
mijne kameraads, die vroeger ook gevaren hadden, gezien hoe ik er
van langs kreeg en in een ommezien, waren ze bij me.
"We zullen je helpen, Huib! Houd je maar taai!" riepen ze en begonnen
onder het schreeuwen van: "Landkrabben!" ankersmidje te spelen. Hunne
vuisten waren de voorhamers en de koppen van de "Landkrabben" de
aanbeelden. Dat was een geklop en een getier van belang! Al vechtende
schoven we al verder en verder achteruit en hiervan maakten andere
kaaigasten, die niet van kloppen hielden, gebruik om aan boord van het
schip te gaan en ons de lading te ontfutselen.--Wij, oude zeerobben,
waren in de minderheid en weken meer en meer achteruit, totdat wij
onzen kans schoon zagen en aan den haal gingen.
Ik zag er vreeselijk uit, en juist was ik bezig met mezelven wat op
te knappen, toen een man mij op den schouder tikte.