Dat en weet ik niet! Ik ga er onzen kapitein kondschap af geven!"--

Huib verwijderde zich en kwam weldra terug met den bevelhebber van

de Zuyerhuys, kapitein Joost Verschuyr.

"Waar zag-je ze, Huib?" vroeg de kapitein.

"Op de hoogte van Ter Heyden, kapitein!"--

Verschuyr vestigde zijnen scheepskijker naar de plaats en riep weldra:

"nu nog schooner! Een Duinkerker kaper, die jacht maakt op een onzer

straatvaarders! Dacht-je dat? Mis man, mis. 'T is een Engelschman,

'k zie het aan zijne geheele tuigage; hij kan me niet bedotten al

voert hij de Duinkerker vlag. In alle gevallen we zullen trachten

den straatvaarder te verlossen. [4]

In een oogenblik was alle man in de weer! Er woei een stevige bries

uit het noordwesten; de Zuyerhuys telde vijftig kanonstukken en

had ruim twee honderd man aan boord; maar, al wilden kapitein en

bemanning ook nog zoo gaarne aan den dans, hunne handen waren te veel

gebonden door het bevel van Hunne Hoogmogenden om alleen in de grootste

noodzakelijkheid tegenover den Engelschman tot vijandelijkheden over

te gaan. Men wilde zoo lang mogelijk den vrede bewaren.

Vroolijk danste het welbemande oorlogschip op de baren; en scheen beter

bezeild te zijn dan de kaper en de straatvaarder, althans na verloop

van drie uren was men den kaper voorbij en het koopvaardijschip was

onder bescherming van de Zuyerhuys.

"Dat valt den Roôrok vast niet meê!" zeide Jonge Kees tot Huib.

"Meevallen of tegenvallen, 't is me om 't even," bromde deze en

mompelde tusschen de tanden, "en dat moeten wij zoo maar toezien!"--

Zoo stonden ze nog een poosje te kijken. De zon, die op het punt van

ondergaan was, kwam nog even door de wildjagende wolken kijken, en....

"'T weerlicht!" riep Jonge Kees.

Nauwelijks echter had hij dit gezegd of er vloog iets door het want dat

de groote ra aan stukken sloeg, en een donderslag klonk langs de baren.

"Kapitein, kapitein, nòg niet?" vroeg Huib aan Verschuyr, die dicht

bij hem stond.

In plaats van antwoord stampte Verschuyr met zijn langen degen op

het dek en knarste op de tanden.--

"Ze schieten weer!" schreeuwde Jonge Kees, die 't nu niet langer voor

weerlicht aanzag. Geen tien tellen later hoorden ze een oorverdovend

geruisch, alsof er wel honderd ketels water over eene rood gloeiende

ijzeren plaat gegoten werden.-- 'T was de kogel van den vijand,

die op eenige vademen afstands van het schip door het water vloog.

"In vrede, hij voert een Duinkerker-kapers vlag," zeî Verschuyr. "Niet

gesammeld, jongens! Houdt je goed en geeft dien Koningsmoorder een

paar ijzeren pillen te slikken!"--

Dat was geen dooven gezegd.-- Alles beijverde zich om aan dat bevel

gehoor te geven, en net toen de zon onderging en alles in duisternis

verkeerde, flikkerde er een licht uit een der geschutspoorten van de

Zuyerhuys, een hevige slag volgde en door de felle beweging van het

schip werd Jonge Kees, die nog nooit een zeegevecht had bijgewoond,

het onderste boven gesmeten.

"Fij, wiegekindeke, gaode ge liggen rollen? Blaif maor liggen zulle,

daor kommen er nog meer. We zullen portaon dien Roôrok 'nen kier zainen

zin geven! Blaif maor liggen, manneken; gai ligt daor goed!" zeî een

Vlaamsch matroos.

"Ik kan wel opstaan, hoor," antwoordde Jonge Kees, maar juist toen hij

hiertoe pogingen aanwendde, gaf de Zuyerhuys het tweede schot en de

knaap kwam nu met het hoofd tusschen de voeten van den Antwerpenaar

terecht.

"Kaik, ie staot; jaowel, ie staot!" hernam deze lachende, doch rolde

toen het derde schot gelost werd, daar hij door het woelen van Jonge

Kees zelf al niet vast meer op zijne beenen stond, ook op het dek,

tot groot genoegen van Huib, die den Antwerpenaar napraatte en zeî:

"Kaik, ie staot; jawel, ie staot! Blaif maor liggen, kompeer, daor

kommen er nog meer! Ikkik verrassereer het doe!"

Huib had echter onwaarheid gesproken; want de Engelschman hield af en

aan vervolgen was in den donkeren nacht niet te denken. Daarenboven

was de Hollandsche straatvaarder de Vrije Konsten zwaar geladen en

een slecht zeiler.--

Men wendde derhalve den steven en zette koers naar Brielle, doch de

felle tegenwind, die bijna tot een storm aangegroeid was, dreef de

beide schepen af en den breeden mond van de Honte of Westerschelde in.

Bij het aanbreken van den dag lagen ze voor Vlissingen. De Zuyerkuys

liep de haven binnen en de Vrije Konsten zette koers naar Rotterdam,

waar het twee dagen later behouden aankwam.

Zoodra het schip aan de kade gelegd was, kwamen vele nieuwsgierige

Vlissingers aan boord om een en ander van de laatste gebeurtenissen

ter zee te vernemen.

Jonge Kees echter troonde Huib mee naar het voorschip en zeî: "Vertel

me nu de geschiedenis van onzen "Goeden Vaêr!" We hebben nu volop

den tijd!"

Huib voldeed hieraan met graagte; want al had hij het aan dezen of

genen al zoo vaak verteld, 't was hem nooit te veel om het nog eens

en nog eens te doen.--Hij zette zich daarom op een hoop zeilen en

uit den wind en begon zijn verhaal.

Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden · 第 10 / 43 题