HOOFDSTUK II

Een dag Vacantie.

'T was een prachtige Octoberdag van het jaar onzes Heeren 1606. Wij

hadden dien dag ter school verlof, en reeds driemaal had ik mijne

goede moeder bij haar huiswerk in den weg geloopen. Ik stond, geheel

onschuldig, gereed dit voor den vierden keer te doen, toen mijne

moeder zei: "Hoor eens jongen, ik wenschte wel dat de schoolmeester

je vandaag geen verlof gegeven hadde; want gij loopt mij telkens in

den weg. Is er niets te doen voor je?"

"Ik en weet het niet, moeder!"--

"Ik en weet het niet! Fij, dat een jongen van negen jaar met zijnen

ledigen tijd geenen weg weet. 'T is meer dan erg!"--

"Maar, moeder, laat mij dan maar boodschappen doen!"--

"Ik en heb geen boodschappen voor je! Maar ja, toch. Weet-je den

Hoogendijk?"

"Ja, moeder!"

"Kostelijk. En weet-je daar net op den hoek van het Lage Woudt en de

Drie Stucken, dat kleine boerenhuisje staan?"--

"Ja, moeder, ja, daar woont het "Kregelige Mennonietje!"--

"Wie zegt je, daar, jongen? Het "Kregelige Mennonietje?"--

"Ja, moeder, dat is een jongentje van zeven jaar, die o, zoo kwarrig

en kregel is. Wij plagen hem wat dikwijls en dan moest ge zijne facie

eens zien. Vooral als wij hem "Kregel Mennonietje" noemen dan stampt

hij van kwaadheid en krabbelt zichzelven in 't aangezicht. Want weet

u, moeder, Witte's vader, de oude Cornelis Wittensz. De With en zijne

Moeder Neeltjen Andries, zijn beiden Mennonieten en deze mogen niet

slaan, niet vechten, niet zweren en wat weet ik daar nog al meer af!"--

"'T staat u waarlijk fraai, Huib, zoo'n armen knaap te bespotten omdat

zijn vader en moeder een soort van ongeloovigen zijn! En doet ge dat

spulletje alleen?"--

"Welneen, Moeder! Daar heb-je Marten, den zoon van Herbert

Martensz. Tromp, den zeekapitein, die is altijd haantje de voorste!"

"Dat wil ik wel gelooven! Wat er van dat jongsken worden moet, dat

en weet ik niet. Hij is heelemaal baas over zijne moeder, die veel

te goed voor zoo'n bengel is. Die Marten moest mijn jongen zijn,

ik zou wel raad met hem weten, ja, dat zou ik!"

"Gij zoudt hem slaan, Moeder?--Als Marten uw jongen was zoudt ge dat

niet doen; want hij is door en door goed, als een kalf, ja!"--

"Sla ik jou wel eens, Huib? En ben-je ook niet dikwijls heel

kwaadwillig en ondeugend? Neen, ik zou met Marten doen, zoo als ik

plan heb met jou te doen, als je vader uit de Oostzee terug is!"--

"Wat dan, Moeder, wat dan?"

"Dan ga-je naar zee, jongen! Aan boord gaan er die wilde haren wel

uit! Reken daarop!"--

Toen moeder dit zeî sprong ik wel twee voet hoog van den grond en

begon haar te omhelzen en te kussen van belang! Want naar zee te gaan,

dat beviel me vrij wat beter dan in het school op die harde banken

te zitten. Ik leerde bovendien heel weinig, omdat ik er geen lust in

had. Lacie, wat heb ik mij hierover later beklaagd!--Kan-je lezen en

schrijven, Jonge Kees?"--

"Jawel, ik heb dat te Schevelingen van onzen dominé geleerd. Die man

houdt veel van me!"--

"Zoo, dan is het goed, dan kan-je ook nog wat worden in de wereld. Maar

ik, oude stumperd, ik, die niet en wilde leeren, ik ben niets geworden,

niets dan matroos.--Voor matroos geboren zal ik ook wel voor matroos

sterven! Spiegel u aan mij, knaap, en zorg dat ge wat meer wordt dan

ik.--Doch laat ik nu met mijne vertelling voortgaan.

Toen mijne Moeder zich uit mijne woeste omhelzing losgemaakt had,

zeî ze: "Welnu, Marten moet ook naar zee. Vader Herbert zal hem de

ooren wel wasschen, als hij het verdient! Doch wat ik zeggen wil,

ga nu naar den ouden Cornelis Wittensz. De With en haal me daar een

paar maten kippenvoer. Ik heb gehoord, dat hij het goedkooper geeft

dan Meeuwisz. hier in de buurt!"--

Onderwijl ik in ons schuurtje ging om eenen zak te halen, hoorde ik

een geweldig gejoel op straat. De bovendeur werd open gedaan en de

stem van mijn vriend Marten riep: "Moeder Maerlant, mag Huib zich

wat met ons buiten de poort gaan vermeien?"--

"Huib moet eene boodschap gaan doen op den Hoogendijk, Marten!"

"Top, dan gaan wij met hem mede! Eene frissche wandeling op zulk

eenen schoonen dag!"--

"Nu, mijnentwegen kunt gij medegaan! Maar pas op, hoor, dat ik geene

klachten over u krijg en dat ge mijn Huib tot geene dolle streken

verleidt!--

Zoo'n oorlof, zoo'n oorlof! Ik zou wel eens willen weten waarom die

schoolmeester hun dat gegeven heeft. Zes dagen zult gij arbeiden en

al uw werk doen, zegt de Schrift en zoo'n schoolmeester arbeidt van

de week maar vier en een halven dag! 'T is erg, meer dan erg!"--

'T gejoel op de straat nam steeds toe. Wel twintig jongens, die

stokken droegen waaraan ze doeken geknoopt hadden, stonden voor de

deur en ontvingen mij, toen ik buiten kwam, met luid gejuich.--

"Je moet naar den vader van 't "Kregelige Mennonietje," Huib,--riep

Marten en stopte mij een stok met een doek er aan in de hand.--

"Ja," gaf ik ten antwoord. "'K moet kippenvoer gaan halen!"

Moeder kwam aan de deur en riep ons toe: "Voor den noen terug,

hoor! Heb-je't verstaan, Huib? Als ge er niet en zijt, dan vindt ge

den hond in den pot!"--

Ik zeide "ja!" doch mijn antwoord ging onder al het gejoel verloren.

Zingende, springende, lachende en snappende ging het langs de

Voorstraat naar de Zuidpoort. Bij het Gasthuis gekomen hieven wij een

gejuich aan, dat al de oude en zieke luiden vast van schrik moeten

opgesprongen zijn, en draafden in eenen stevigen draf de Zuidpoort uit.

"Hei, jongens, een liedje ter eere van onzen Reinier Claessensz!" riep

nu op eens Simon, de jongste zoon van onzen Baljuw Dirk Van

Duvenvoorde.

"Ja, ja, een Wilhelmusje, een Wilhelmusje!" antwoordde Joost Van de

Werve, dien we wel eens uitscholden voor "Spanjool" omdat zijn

grootvader, die ook Joost heette, Baljuw onzer stad en het land van

Voorne was, toen de dappere Watergeuzen haar innamen. Hij bleef den

Spaanschen Koning getrouw, totdat hij in 1574 in den Waterslag bij

Hoorn gevangen genomen werd, en daar in de gevangenis van verdriet en

ergenis stierf. Zijn zoon was in Den Briel gebleven en was een zoo

heftig vijand van den Spanjool als zijn vader een groot vriend.

"Maar wat is er toch met dien Reinier Claessensz. voorgevallen?" vroeg

ik.

"Jongens, hoort ge 't? Hoort ge 't?" riep Marten. "Hier is een sul,

die nog niet en weet wat er gebeurd is. Die Huib vraagt wat er met

dien Reinier Claessenz is voorgevallen!"--

"Lacht hem uit! lacht hem uit!" klonk het thans van alle kanten.

"Jaagt hem door de braamstruiken daar aan den weg! schreeuwde Gerrit

Claesz. Van Valkesteijn. "Wat doet hij dan met eene vlag te loopen,

als hij niet en weet waarom hij er eene draagt!"

"Ja, ja, door de braamstruiken! Gerrit heeft gelijk!" riepen thans

eenige jongens.

Thans vatte echter Marten mijne partij op, en zich voor mij plaatsende,

zei hij: "Jongens, is Huib niet net zoo oud als ik? Is hij geen negen

jaar oud en ben ik het ook niet?"--

"Ja, ja," joelde het troepje. "Gijlieden zijt even oud!"

"En is Huib mijn vriend niet?" hernam Marten.

"Ja, dat is hij!" antwoordde Simon Van Duvenvoorde. "Hij krijgt op

de school al de klappen, die gij verdient!"--

"Dat is niet waar!"' zeide Marten. "Gisteren nog heeft de meester

mij een striem gegeven, dien ik nog voel! Maar wie heeft jelui het

geval van onzen Claessensz. verteld?"--

"Dat hebt gij gedaan!" sprak Gerrit.

"En als ik dat eens niet gedaan hadde, wat zoudt gij-lieden dan weten,

zegt?"--

"Dan wisten wij niemendal, Marten!" sprak Simon.

"Welnu," hervatte Marten, "ik en heb het onzen Huib nog niet gezegd

wat er gebeurd is, en daarom kan hij 't niet weten ook! Luister, Huib,

ik zal het u vertellen. Mijne moeder kreeg van morgen eenen brief van

vader, die thans met zijn schip te Enkhuizen ligt. In dien brief nu

stond ook dit:--

In den loop van dezen zomer is de Ammiraal Hautain met vierentwintig

schepen uitgeloopen om de Spaansche en Portugeesche vaartuigen,

die uit de Oost- en Westindiën kwamen, te onderscheppen en als prijs

naar onze havens te brengen. Door eenen fellen storm werden echter

zes schepen van de vloot afgescheiden; de "Vice-Ammiraal Reinier

Claessensz. was aan boord van een der zes. Bij kaap Sint Vincent

gekomen ontmoetten ze acht zwaar gewapende Spaansche galjoenen, onder

bevel van den laffen zoutdief Fiasciardo. [5] Deze zond onverwijld

het grootste galjoen op onzen Vice-Ammiraal af, en terstond gingen de

vijf Hollandsche schepen op de vlucht.--Claessensz. wilde van geene

overgave weten. Veel liever stierf hij den heldendood, dan als gevangen

man wreed om hals gebracht te worden. Twee geheele dagen vocht hij

met onbezweken moed tegen de overmacht. Zijn groote mast was al over

boord geslagen en zijn schip van alle kanten lek geschoten; vele van

zijne matrozen waren reeds gesneuveld en aan ontzet viel er niet te

denken. Hierop liet hij de overgeblevenen bij elkander komen en vroeg

hun wat ze liever wilden, door den Spanjool gevangen genomen worden,

of de lont in het buskruit steken.--Ze kozen allen het laatste en na

een kort gebed tot onzen Lieven Heer stak Claessensz, zelf den brand

in 't kruit en ... vloog toen met de zijnen in de lucht. Twee er van

zijn half dood in de handen van den vijand gevallen. Die moeten dat

zeker verteld hebben! Hoe vind-je 't, Huib, mooi, hé?"

"Ja, mooi, mooi!" riep ik en schreeuwde: "Leve Reinier Claessensz!"

"Leve Reinier Claessensz!" klonk het uit den mond der anderen. "En

weet ge wat we nu gaan doen, Huib?" vroeg Marten.

"Neen," antwoordde ik.

"Nu, gaan wij naar den Burgheuvel te Oostvoorne om daar zeegevechtje

te spelen! Ga-je meê?"--

"Ik en kan niet! Ik moet om kippenvoêr bij Cornelis Wittensz. De With

en vóór den noen thuis zijn!"--antwoordde ik.

"Bijlo, alsof dat niet en kon! 'T is nu acht uur. We gaan eerst naar

den Hoogendijk om kippenvoêr te koopen. Daar heb-je geen vijf minuten

voor noodig. Dan gaan wij voorbij De Tinte en langs den Ruyghendijk

naar den molen. Als we daar zijn dan kunnen we in een omzien langs

den Voorweg op den Burgheuvel zijn!" sprak Marten.

"Neen, langs den Rick, den Konnewegh en Langenwegh is het

nader!" meende Willem Hugensz.

"Dat zal geen vijf minuten verschillen," zeide Marten.

"'T is de vraag maar of Huib mede gaat, ja ofte neen!"---

"Zullen we voor den noen thuis zijn?" vroeg ik; want mijne moeder

was niet gemakkelijk als ik niet en deed wat zij beval--

"Een uur vóór den noen zelfs!" sprak Jan Roete. "'T gevecht is in

een uur afgeloopen!"--

"Dan doe ik het!" riep ik en snelde toen met de anderen naar het

huisken van het "Kregelige Mennonietje."--

Toen wij daar aankwamen stond de kleine Witte aan het hekje waardoor

men op het erf van zijnen vader kwam.

"Is je vader thuis? vroeg ik.

"Nee," antwoordde hij kortaf.

"Je moeder dan?" vroeg Marten.

"Ook al niet," zeide Witte.

"Komen ze niet gauw thuis ook?" vroeg Simon.

"Dat en weet ik niet. Ik moet op het huis passen, zie-je, dat moet

ik! En als je me plaagt dan ga ik schreeuwen!"--

"Wat moet jeluî hier doen, bengels?" vroeg eensklaps eene vrouw,

die van achter het huis kwam, "Komt gijlieden mijn arm jongske weer

plagen?"--

"Neen moeder De With, ik kwam twee maten kippenvoer halen," zeide ik

en liet haar mijne penningen en den ledigen zak zien.

"Zoo, dat is wat anders," zeî ze en mijn zak nemende kwam ze er weldra

mede terug.

"Gebruik je het oorlof om buiten wat te gaan jagen en tieren?" vroeg

ze mij onderwijl ik den krop van den zak stevig dichtknoopte.

"Neen, moeder De With," zeide Marten, "er is heel wat anders

gebeurd." Hier begon hij haar de geschiedenis van Reinier

Claessensz. te vertellen en toen hij geëindigd had, sloeg Witte's

moeder de handen in elkander en riep: "Fij, fij, en hierover maken

de jongskens zulk een getier? 'T ware beter dat gijlieden deedt als

mijn Witte, die keert u de rechterwang toe, als ge-hem op de linker-

eenen slag geeft!"--

Daar zag Witte op het oogenblik anders niet naar uit; want onderwijl

Marten vertelde, was de kleine jongen,--die echter nog al kloek

en stevig voor zijn leeftijd was, daar hij een paar dagen geleden

eerst zeven jaar oud was geworden,--naar buiten gekomen en stond met

glinsterende oogen en gloeiende wangen te luisteren.

"En waarheen gaat het nu?" vervolgde moeder De With.

"Naar den Burgheuvel te Oostvoorne om zeegevechtje te spelen!" zeide

Jan Boete en voegde er terstond bij: "komt, jongens, anders wordt

het te laat!"--

"Gijlieden moet zeker allen wel van die vechtersbazen ter zee worden,

hé? Nu, mijn Witte zal daar gelukkig voor bespaard blijven. Hij zal

het vreedzame handwerk van lijndraaien leeren, nietwaar, vent?"--

"Ik zou ook wel willen varen, moeder!" antwoordde Witte.

"Nu, dat en zult gij niet! Jongskens van zeven jaar en weten niet

wat ze willen, die moeten doen wat vader en moeder begeeren!"--

"Maar waarom mag ik dan niet gaan varen, moeder? Een matroos moet

toch niet altijd vechten, wel?"--

"Zwijg, Witte, zwijg! Je heb je door die bengels daar, den kleinen

kop warm laten praten, dat hebt ge! En, wat ik zeggen wil, moet er nog

iemand kippenvoêr? Niet? Nu, gaat dan maar heen en bedrijft uw zondig

spel tot de Baljuw je voor je straf achter slot en grendel zet!"--Zeide

moeder De With en haar zoontje in huis trekkende, deed ze de deur toe.

"Leve Reinier Claessensz. en het "Kregelige Mennonietje!" schreeuwde

een der jongens, en zijn uitroep werd door allen krachtig herhaald.--

En thans zou het naar den Burgheuvel gaan; maar niettegenstaande

Marten en Willem Hugensz. over den kortsten weg getwist hadden, weldra

bleek het dat zij dien kortsten weg alleen van hooren zeggen hadden;

want in plaats van den Ruyghendijck op te gaan, sloegen we te gauw

links af en kwamen langs den Rietdijck en den Pannewegh voorbij de

huizinge Kranenhout, wel een half uur later bij den molen, dan we

gedacht hadden.

Het zweet droop mij langs het voorhoofd; want in het eerst droeg

nu de een dan de ander mijn pakje; doch toen we bemerkten, dat wij

verdwaald waren, lieten ze het mij alleen dragen.

De torenklok van Oostvoorne sloeg tien uren toen we op het dorp

kwamen. De meeste menschen waren aan den arbeid en de kinderen in de

school, zoodat we ongestoord naar den Heuvel konden gaan.

"Kijk, daar staat al een jongen op!" riep Simon.

"'t Is ons Kregel Mennonietje!" zeî Marten.

Het was zoo. Nauwelijks waren wij op de plaats waar we prachtig

zeegevechtje konden spelen, of Willem Roete ging naar hem toe en zeî:

"Hoe komt gij hier?"--

"Op mijne beenen!" antwoordde Witte. "Denk-je dat ik vliegen kan?"--

"En wat kom-je doen? Kom-je meevechten?" vroeg ik.

"Neen, ik en mag niet vechten; ik kom maar kijken!" sprak Witte.

"Nu, als je ons dan maar niet in den weg loopt, dan is het minder,"

zeide ik. "Hier, ga daar maar staan en pas dan op mijnen zak met

kippenvoer!"--

"Kogels maken, jongens, kogels maken! We nemen de doeken

van onze stokken af en vullen die dan met zand! Wie zal er

Claessensz. zijn?" riep Marten.

"We zullen er om trekken!" antwoordde Simon Van Duvenvoorde. "Hier,

Witte, onderwijl wij kogels maken, moet gij twintig stokskens snijden,

maar een moet er bij zijn, dat langer is dan al de andere. Wie het

langste trekt, die is Reinier Claessensz. en mag vijf andere jongens

voor zijne matrozen kiezen!"--

Eerlijker kon het niet! Wij gingen kogels maken en Witte liet zich

van de hoogte glijden om stokskens te halen. Weldra kwam hij terug

en daar ging het op een trekken. De "Spanjool" had het langste en

koos mij en Marten met nog drie andere jongens tot zijne matrozen.

"Onze wapenkreet is "Holland!" sprak de "Spanjool."

"En de onze is "Spanje," antwoordde Simon, die voor Fiasciardo speelde.

Plof! daar viel de eerste kogel en vier jongens klauterden de

hoogte op.

"Wacht," riep ik, "'k zal je leeren mij aan boord te

klampen! Holland! Holland! Kom hier, als je durft!"--

"Spanje! Spanje!" klonk het van beneden.

Plof! Alweer een kogel net tegen mijne beenen. Ik tuimelde en

zou van den Heuvel af te midden mijner vijanden gerold zijn, had

niet de "Spanjool" het gevaar ziende, mij bij den arm gegrepen en

tegengehouden.

"Je moet mij niet gooien, leelijke Spanjolen!" schreeuwde thans Witte

uit al zijn macht, "ik zit hier maar te kijken! Wat doe-je mij zoo'n

kogel tegen mijn hoofd te smijten?"--

"Het Kregel Mennonietje is ziekentrooster aan boord van Ammiraal

Claesensz.!" schreeuwde ik naar beneden.

Plof! Daar kwam al weer zoo'n doek met zand tegen mijn lijf aan. Ik

verloor het evenwicht, liep nog een eind vooruit om op de been te

blijven, doch kwam toen tegen Witte terecht, en rolde met hem van

boven neer.

Met daverend gejuich werden wij onder het geroep van

"Spanje! Spanje!" ontvangen. Onder het rollen voelde ik dat ik

vreeselijk gekrabbeld werd, doch ik had geen tijd om te zien of

Witte dat deed. Wij kwamen in de braamstruiken, die beneden aan

den heuvel en tegen de hoogte groeiden, aanrollen. Hoewel versufd

door den val stond ik dadelijk op en naar Witte gaande zeide ik:

"Je hebt mij gekrabbeld, Kregel Mennonietje!"--

"Ik en mag niet krabbelen!" zeî hij bedaard. Misschien zou hij nog

meer gezegd hebben, doch daar kwam Simon met drie andere jongens aan

die ons gevangen namen onder het schreeuwen van: "Spanje! Spanje! de

ziekentrooster en de konstabelsmaat van den vijand! Hangen! hangen!"

"Ik en wil niet hangen! Ik en heb niet gevochten ofte gekrabbeld! Ik

heb maar staan kijken! Blijft van mijn lijf of ik zal "moord"

roepen!"--

"Wel hoor me dien razenden ziekentrooster eens aan!" riepen onze

vijanden en zouden ons misschien zoogenaamd opgehangen hebben, als

niet van de andere zijde van den heuvel een vreeselijk geschreeuw

ons in de ooren geklonken had.--

Twee kampioenen, de beide bazen van het spel, Reinier Claessensz. en

Fiasciardo, rolden arm in arm van boven neer en vielen met hun

beiden op mijnen zak met kippenvoêr, die heelemaal berstte. Onder het

worstelen van die twee kreeg de zak een schop, dat hij een heel eind

verder in het water terecht kwam. Het regende kippenvoêr en dat,

wat nog in den zak gebleven was, kon niet meer gebruikt worden,

want het was doornat en vol modder en kroos.

"Dat is jou schuld, krabbelaar!" riep ik. "Jij hadt er op moeten

passen! 'T is jou schuld en jij zult me twee maten kippenvoêr en

eenen nieuwen zak teruggeven!"--

"'T is mijn schuld niet! Jij hebt me naar beneden gegooid en ik en

heb niet gekrabbeld!" antwoordde Witte terwijl hem de tranen van nijd

uit de oogen sprongen.

Ongelukkig genoeg gaf men den arme Witte van alles de schuld en

het kwam niemand in de gedachten hem te beschermen. Scheldnamen,

schoppen en duwen kreeg hij, van alle kanten, en wellicht hadden wij

den armen knaap nog wel erger mishandeld, als niet een paar arbeiders,

die van hun werk kwamen, Witte ontzet hadden en ons wegjoegen.

"Ik en heb niet meê gevochten! Ik en heb niet gekrabbeld ook; maar

ik zal me wel laten doopen, dan mag ik ook slaan!" schreeuwde Witte

terwijl zijne tranen zich vermengden met het stof dat op zijn gelaat

lag, en hem het voorkomen van een neger gaven.

"Nu is hij een Neger-Mennoniet!" riep Simon en de nieuwe scheldnaam

werd wel honderd malen door ons herhaald, doch hem op nieuw te lijf

te gaan, dat durfden wij toch niet! De arbeiders zouden ons dat wel

verleerd hebben.

Onderwijl wij nu stonden te beraadslagen wat we doen zouden en hoe

ik mij tegenover mijne moeder verantwoorden zou, sloeg de torenklok

twaalf uren.

"o Wee, daar is 't al noen, en nu vind ik bovendien nog den hond

in den pot!" riep ik. "Mijn kippenvoêr weg,--geen eten, en morgen

misschien Wittes vader bij ons aan huis! Dat is allemaal jou schuld,

Marten! Jij hebt mij meê getroond!"--

"Ja, Martens schuld!" herhaalden de overigen, die graag zich wilden

voordoen, alsof ze aan het geheele geval part noch deel hadden!

"Ik weet wat, jongens, ik weet wat!" sprak Marten, die erg in den

knoei zat. "Wij zullen allen uit onze zakduiten wat bijpassen en nog

eens twee maten kippenvoêr halen!"--

"Maar ik en durf bij Wittes vader niet meer komen!" sprak Simon.

"En ik niet! en ik niet!" was het algemeen geroep.

"Dat behoeft ook niet!" hernam Marten. "Wij koopen het bij Meeuwisz. op

het Maerlant en halen eerst bij ons thuis eenen anderen zak!"--

"En als uwe moeder dien niet geven wil, wat dan?" vroeg Joost Van

de Werve.

"o, Als moeder hoort wat er gebeurd is, dan krijgen we niet

alleen eenen zak, maar nog geld voor twee maten kippenvoêr

bovendien!" antwoordde Marten.

Dat plan werd goedgevonden en langs den hobbeligen Schrijversdijck

liepen we, zoo snel als onze vermoeide beenen dit toelieten, naar

Den Briel, waar we een paar minuten voor één uur aankwamen.

Langzamerhand verminderde echter het aantal jongens, en op het lest

waren Marten en ik alleen toen we den klopper op de deur van de woning

zijner moeder lieten vallen.

Ik kwam daar wel meer in huis en nauw had Marten uitgesproken of zijne

Moeder zeî, dat zulke kwâjongens als wij waren maar zien moesten, dat

zij hunne eigen bedorven zaken goedmaakten. Ik liet de lip al hangen,

doch Marten vloog zijne Moeder om den hals en wist zóó te vleien,

dat zij mij niet alleen eenen zak liet geven met de noodige penningen

om ander kippenvoêr te koopen, maar ook uit puur medelijden, omdat

ik thuis den maaltijd zou afgeloopen vinden, mij met Marten liet mede

eten.--Toen ik hiermede klaar was nam Mie, de meid, een kleerschuier,

borstelde mijne kleederen schoon en wiesch mij zelfs het aangezicht. De

krabbels van Wittes nagels, of, zooals het Kregelige Mennonietje zeî,

de schrammen van de braamdoornen kon ze niet wegkrijgen. Met die

litteekenen op het gelaat kwam ik twee uren na den noen bij Moeder,

die al dadelijk zag, dat ik eenen anderen zak medebracht.

Ontkennen hielp niet; ik was wel verplicht de geheele geschiedenis te

vertellen en toen dat gebeurd was, gaf ze mij de penningen, die vrouw

Tromp mij gegeven had en zeî: "Breng dat geld terug, kwâjongen! Je

moeder heeft geene aalmoes noodig!"--

Schoorvoetende voldeed ik hieraan.

"Zeg aan uwe moeder, dat ik te avond eens met haar over een en ander

kom spreken," sprak vrouw Tromp onderwijl zij het geld in haren

fluweelen beugeltasch, dien zij onder haar voorschoot had hangen,

liet glijden.

Ik beloofde het te zullen doen en toen ik dit aan Moeder verteld had,

zei ze: "Best, en jij nou naar bed! Je zult wel moede zijn van dat

vechten, stoeien en ravotten!"

"Neen, Moeder, ik ben niet moede! Ik wou...."

"Dat je naar bed gingt!" sprak moeder gestreng.

"Ja, maar Moeder, 't is nog maar drie uren in den achternoen en nog

veel te vroeg om te gaan slapen!"--

"Maar niet te vroeg om eens bedaard te liggen nadenken welk een

verdriet gij uwe Moeder aandoet! Marsch, uit mijne oogen! Bij de

Trompen heb-je voor eenen geheelen dag genoeg gegeten! Scheer je weg!"

Ik pruttelde nog wel wat tegen, maar Moeder bracht mij naar mijne

slaapplaats op den zolder.--Ik ging dan ook werkelijk naar bed en of

het nu kwam, omdat ik dien dag zoo druk in beweging geweest was, ik

weet het niet; maar dat weet ik wel, dat ik weldra insliep en eerst

ontwaakte toen de groote torenklok het uur van middernacht sloeg.

"De dag van ons oorlof is om," dacht ik even en mij eens omkeerende

viel 'k alweer in eenen diepen slaap.--

"Goeden morgen, Moeder," zeî ik toen 'k den volgenden morgen, wel

wat vroeg, beneden kwam.

"Goeden morgen, Huib!" was haar antwoord.

"Is Vrouwe Tromp gisteren avond geweest, Moeder?"--

"Ja, jongen, zij is geweest!"--

"En?"--

"We hebben't over Marten en u gehad. Als Herbert Martensz. Tromp weer

naar zee gaat, kunt ge beide meêgaan!"--

"Hoezee! Hoezee!" juichte ik van blijdschap.

"Wat zijt gij blijde, jongen! Hebt ge 't dan waarlijk zoo kwaad bij

uwe Moeder! kind?" vroeg ze met tranen in de oogen.

"Neen, Moeder, maar het leven op zee moet zoo heerlijk zijn! En

'k zal goed oppassen ook, dat beloof ik u!"

"God geve 't, Huib! Ge zijt anders nog zoo jong, en als ge uit Vaders

en Moeders oog zijt, en zoo geheel alleen op eigen beenen door de

wereld moet gaan, dan kunt ge zoo licht verkeerde wegen inslaan!"--

"Maar kan ik dan niet aan boord bij vader?" vroeg ik.

"Neen, dat kan niet, jongen! Je vader is geen kapitein of schipper

zooals de oude Tromp is, je Vader is maar matroos!"

Moeder sprak nog veel met me eer 'k naar school ging, en als ik me nu

eens bedenk, wat die goede Moeder toen zeî, en hoe ze er slag van had,

mij te leiden, dan bejammer ik het, dat ik zoo vroeg naar zee ging en

niet langer thuis bleef! 'K zou het dan verder in de wereld gebracht

hebben, dan nu! Maar, lacie, 't is te laat! Hoor, Jonge Kees, je hebt

wel eens van onzen dichter, den wijdberoemden Cats gehoord, niet?"--

"'K heb met Moeder wel eens visch aan zijne vrouw verkocht! Hij woont

op Zorghvliet tusschen Schevelingen en Den Haag, weet-je!" antwoordde

Jonge Kees, die met gespannen aandacht had zitten luisteren.

"Zoo, maar 'k had nog liever, dat ge zijne kostelijke veerzen kendet,

dan hem zelf; want hij is de man, die spijkers met koppen slaat, en

'k denk dikwijls aan zijn veersken: Jonck rijs is te buijgen, maer

geen oude boomen!"

"Dat veersken ken ik," zeide Jonge Kees, "dat heb ik van stuurman

Pronk geleerd; hoor maar.

"Terwijl het rijs is jonck en zwack,

En heeft niet eenen harden tack,

Terwijl het spruytje buygen kan,

Zoo moet een geestig boogert-man

Het boomken leyden metter handt,

Het boomken houden in den handt;

Ten eynde dattet zonder bocht

Ter voller hooghte komen mocht.

Leyt vriend' en leert u weerde kint,

Zoo haest zijn eerste jeught begint,

Want kromt het dan, en recht gij 't niet;

Zoo ist een eeuwigh huysverdriet."

Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden · 第 11 / 43 题