Een Winterdag op de Noordzee.
Het jaar 1650 had zich ruw en guur ingezet. Het vroor niet, het
sneeuwde niet, maar het regende gestadig aan. Dagen achtereen was
de wind noordwest en alleen tegen den avond gebeurde het, dat hij
even door het noorden naar het noordoosten ging.--Alsdan flonkerden
de sterren en werd het eenigszins glad op de straat en aan het
scheepsboord.--Op straat hebben we echter niets noodig; want we
bevinden ons op de Noordzee. Als de lucht niet zoo bewolkt was en
de regen niet den horizon verduisterde, zouden wij den toren van het
aardige visschersdorp Schevelingen kunnen zien.--
Op het voorschip van de Zuyerhuys, aan welks boord we zijn, liep een
stoere jongen van omstreeks veertien jaren heen en weer.
Hij had de pelsmuts diep over de oogen getrokken en zijne handen
zaten in de wijde zakken van den nog wijder broek van dik friesch
laken gemaakt.
Een lederen riem om zijn middel met een mes er aan, doen ons dadelijk
bemerken, dat we met een jong matroos te doen hebben.
'T was koud en guur, zeiden we zoo even, en dat kon men den jongen
wel aanzien ook. Zijne roode, volle wangen waren nat geregend,
doch het guitachtige, blauwe oog keek zoo vroolijk rond, dat men
wel kon zien, dat de knaap zich niet veel van het onaangename weder
aantrok. Integendeel, hij scheen er zelfs pret in te hebben; want,
gewapend met een eind touw, dat hij gebruikte om zoo wat terzijde te
slaan, even als een ruiter zijn karwats, als deze zijn paard niet
slaan wil, begon hij eerst een deuntje te fluiten en daarna zacht
te zingen. Het was een "Prince-liedt" van den Frieschen dichter
Jan Janszoon Starter, die in den dertigjarigen oorlog, als soldaat,
onder den Graaf Van Mansfelt, verdwenen was om nooit weer iets van
zich te laten hooren.
"Vive le Prince de Oranje!
Vive ons Bescherm-Heer teghen Spanje.
Vive ons vrijheyds vaste Borgh.
Vive de Baeck daer wij na zeylen.
Vive de Loots-man van ons peylen.
Vive ons alderhooghste Sorgh!
Vive den Oorsprong van ons blijheyd.
Vive de Handhaver van ons Vrijheyd.
Vive die Schrijft: "Je Maintiendray."
Vive die onse saeck houd staende.
Vive die onse weeld houd gaende.
Vive dat groene Pluijm-geway!
Vive de Vorsten van Nassouwen.
Vive den Held daer wij op bouwen.
Vive naest God ons toeverlaet.
Vive den geessel der vijanden.
Vive den Troost der Nederlanden.
Vive den Stuerman van ons Staet!
Vive ons Roem in Kloeke Daden
Vive ons Sorgh in wijse Raden.
Vive de Waker voor ons Rust.
Vive ons Hoop in bange tijden.
Vive de Leydsman van ons strijden.
Vive den Vinder van ons Lust.
Vive de Spieghel aller deughden.
Vive de Schild van onze Vreughden.
Vive daar elck voor sterven zou.
Vive de Velt-heer in de Velden,
Vive, o Roem van alle Helden,
Vive Maurice de Nassou!"
Onder het zingen van dit liedje had hij zijne schreden steeds versneld,
precies als één, die zich haast om gauw ergens onder dak te komen,
doch nauwelijks had hij het geëindigd, of hij stond stil, wiesch de
regendroppels van zijn gelaat, schudde zijne lange blonde haren naar
achter, keek naar den man aan het roer, vervolgens naar den wimpel,
maakte een luchtsprong als een speelsch jong katje, en begon aan
Brederoo's kluchtig Boeren Gezelschap.
"Arent Pieter Gijsen, met Mieuwes Jaap en Leen,
Klaasjen, en Kloentjen, trocken t' samen heen
Na 't dorp van Vinckeveen:
Wangt ouwe Franghs, die gaf sen Gangs,
Die worden off' creen.
Arent Pieter Gijsen die was so reyn in 't Bruyn,
Sen hoedt met bloem-fuwiel die zat hem vrij wat kuyn,
Wat scheefjes en wat schuyn.
Soo datse bloot, ter nauwer noot
Stongt hallif op sen kruyn.
Maer Mieuwes, en Leentjen, en Jaapje Claas, en Kloen
Die waren ekliedt noch op het ouwt fitsoen,
In 't root, in 't wit, in 't Groen,
In 't grijs, in 't graeuw, in 't paers, in 't blaeuw,
Gelijck de Huysluy doen."
De regen en de wind werden den zanger thans te machtig, en daarom
verschool hij zich achter de boot en weldra klonk vandaar opnieuw:
"As nou dat vollickje te Vinckeveen an quam,
Daer vongdese Keesjen, en Teunis en Jan Schram,
En Dirck van Diemerdam,
Met Sijmen Sloot, en Jan de Doodt,
Met Tijs, en Barend Bam."
Onder het zingen van het laatste versje kwam er een oud matroos naar
boven en, zich begevende naar de plaats vanwaar nog altijd het gezang
klonk, riep hij: "Ho, Jonge Kees, eeuwige dodelaar, waar zit-je?"--
"In mijn vel en als ik er uit kom dan ben ik niet wel, ouwentje,"
hoorde men spottend van achter de boot roepen.
"Bijlo, jij zult me daar ook veel zien, ja! ge staat me daar achter
die boot te koekeloeren, als een bakker in den oven of de maan niet
rijst!" zeide de oude matroos eenigszins ontevreden.
"Welja," antwoordde de knaap, dien we, "Jonge Kees" hoorden noemen,
"wel ja, mij dacht: Huib schaft ook liever dan naar de Koningsmoorders
[1] uit te zien, en mij laat hij gerust in den regen staan! Heeft de
kost je wel gesmaakt, ja ofte neen.
Want als de kost u niet en smaeckt,
Dan ben je in 't Sieckenhuys gheraeckt."--
"Kapitein Joost Verschuyr van de Zuyerhuys laat zijn manschap geen
gebrek lijden, bengel, dat weet je wel. Jij moest maar eens eene
maand lang je voeten zetten op het dek van de Blinkert dan zou je
wel minder zanglustig zijn en minder praats hebben!"-- [2]
"Heusch, ouwentje, de gort was aangebrand, anders zou je zoo brommig
niet zijn en mijne liedekens verwenschen!"--
"Mijne liedekens!--Als Starter en Brederoo nog leefden zonden ze je
wel wat anders zeggen! Van mijn part, zing zoo veel je wilt, al was
het van den noen tot middernacht!"--
"En 't spek was niet gaar of net smaakte naar het vat!" sarde Jonge
Kees.
"Kwâjongen, die je bent! Als je nu niet op en houdt met over onzen
scheepskost te kallen en te schreeuwen, dan smijt ik je over boord,
dan kan je de roôrokken opzoeken!"-- [3]
"Dankje hartelijk, Huib, dankje! Als je smijten wil, smijt dan je
kwaad humeur over boord, ga op wacht en in den regen staan, en laat
mij aan den bak gaan, anders eten mijne maats alles op!"--
"Nou, ga maar, dan ben ik je kwijt! Ik kan je missen als ... als ...
"Als aangebrande gort met rauw spek! Ha, ha, ha!" riep Jonge Kees en
spoedde zich tusschendeks om zich daar aan den bak wat te verwarmen
met het gewone scheepskostje: gort met spek.
Weldra was hij echter weer boven en bij den ouden zeerob, dien hij,
niettegenstaande zijne onvriendelijke uitvallen, toch gaarne lijden
mocht.
"Bar weer, hè?" zeide Jonge Kees om een gesprek aan te knoopen.
"Ja!" was het antwoord; maar de oude keerde zich om en zag in zee.
De jongen was een weinig uit het veld geslagen en wist niet, wat hij
nu zeggen moest. Ten slotte bedacht hij wat. "Ligt de Brederode nog
te Vlissingen, Huib? "Of is ze al uitgezeild?"--
"Weet ik het?" bromde Huib. "Van mijn part blijft hij voor goed
aan wal!"--
"Voor goed aan wal? Wel, dan zou het er mooi voor ons uitzien! Dan
konden de Vereenigde Provinciën ook wel zeggen: "Nacht, Nies, ik ga
de nachtschuit in!"--
"Alsof ze alevel de nachtschuit niet ingingen! Kijk, zoo waar als
ik Huib Maerlant heet en vijf en twintig jaren ter zee gevaren heb,
zoo waar is het, dat de Vereenigde Provinciën zich er onder zullen
werken!"--
"Alsof we niemendal meer waren! Daar zou onze Ammiraal Tromp een
ander boekje van opendoen, Huib! Ben-je dan dat kostelijk zeegevecht
bij Duins vergeten?"--
"Ho, dat is al elf jaren geleden, en toen liep je aan moeders hand
naar het strand om schelpkens te zoeken! Zoo'n jongske moest daar
niet van willen meêpraten. Toen was toen, en nu is nu!"--
"Denk-je' dan, Huib, dat wij te Scheveling nooit ergens anders over
kallen dan over scholletjes en tongetjes? Vader heeft me dikwijls
verteld...."
"Dat je een wijsneus waart, zeker! Maar ik geef onzen Vice-Ammiraal
Witte Corneliszoon De With gelijk. Die klaagt ook over den slechten
toestand der vloot, en zal er bij gelegenheid wel eens een woordje
over spreken ook. Als 't moet dan durft hij 't onzen Hoog-Mogenden
wel vlak in het aangezicht te zeggen!"--
"Een lieve jongen, die De With! Een....
"Wel ja, 't staat je fraai zoo over je meerderen te spreken! Heb ik
geen gelijk gehad toen ik zeî, dat je een wijsneus was?"--
"Een wijsneus? Je scheldt me altijd uit ook! Heb je dan zelf niet
verteld, dat hij eens voor een krijgsraad, waarvan Tromp voorzitter
was, heeft moeten verschijnen, en dat hij op den raad, hem gegeven,
om den Stadhouder vergiffenis te vragen, geantwoord heeft: "Dat en
doe ik nooit ofte nimmer! Ik ben een eerlijk man, en geen kwajongen!"--
"Dat's waar!" zeide Huib.
"Zoo, dàt jok ik dus niet! En is het ook niet waar, dat hij met Tromp,
Evertsen, De Ruyter, ja, met de heele wereld overhoop ligt?"--
"Dat 's ook waar!" was het antwoord.
"En vloekt hij onze matrozen niet doof, en zien wij hem niet liever
gaan dan komen, zeg?"--
"'t Is waar, 't is altemaal waar, Jonge Kees!" luidde het eenigszins
ontevreden. "Maar, jongen, je moest hem van zijne jeugd afaan
gekend hebben, zooals ik hem ken! Je moest net, als ik, met hem,
al vechtende, van den Burgheuvel te Oostvoorne gerold zijn, dan zou
je anders praten. Een ruw man, dat is hij, door en door! Vloeken,
razen, kijven en schelden, dat kan hij als de beste Schevelingster,
die er naar Den Haag loopt. Maar vechten kan hij ook, en bang-zijn is
een woord, dat hij niet en kent. Eerlijk is hij als goud en ... het
Vaderlandt ghetrouwe!"--
"Dat's waar!" zeide Jonge Kees op zijne beurt.
"En," vervolgde Huib, "als je je plicht doet en toont dat je nog wat
meer kan dan een schaftbak leeg maken, dan mag hij je eens uitschelden
voor al wat leelijk is, als hij een uur later bij je komt, dan is
hij alles weer vergeten!"--
"Ei, Huib, dat zou 'k maar zachtkens zeggen! Is hij dan van onzen
"Goeden Vaêr Tromp" zulk een excellent vriend? En van den Zeeuwschen
Ammiraal Jan Evertsen?"--
"Hoor eens, Kees, je slaat daar als een blinde vink door! Onze De
With vind het niet pleizierig, dat hij gelijk gesteld wordt mèt, ja,
soms onder de bevelen moet staan van een Ammiraal uit een kleiner
gewest dan Holland. En wat Tromp betreft, goed is hij, en die durft
te zeggen, dat hij dat niet en is, die moet dat maar eens onder vier
oogen durven vertellen, dan zal ik toonen, dat de oude Huib Maerlant
nog knuisten aan zijn lijf heeft! Ik zal hem...."
Onderwijl Huib dit zeî, raakte hij meer en meer in vuur. Eensklaps
pakte hij Jonge Kees bij de schouders en schudde hem gevoelig heen
en weer.
"Wat, Satan, Huib, ben-je behekst? Ik en heb dat niet
gezegd!" schreeuwde Jonge Kees.
"Ja, ik zal hem ringelooren, dat zal ik!" riep Huib en ging voort
met schudden.
"Laat me los, laat me los, laat me los!" klonk het thans nog luider
uit den mond van den knaap.
Huib scheen echter tot bedaren te komen en Jonge Kees, loslatende,
zeî hij: Zie-je, zóó, zóó zal ik doen!"--
"Ik wou met dat al, dat je twintig zeemijlen van mij af waart, leelijk
vernageld kanon!" antwoordde Jonge Kees en wreef met de linkerhand
over het bijna ontwrichte rechter schouderblad.
"Wat, ik een vernageld kanon?" riep Huib verwonderd en toornig uit,
"waarom zeg-je dat, kwajongen?"--
"Jawel, hij speelt de Leuke Piet nog! Heb-je me daar pas niet door
elkander geschud dat mij alles groen en geel voor de oogen werd?"--
"Heb ik dat gedaan? Ik?"--
"Welja, zeker heb-je dat gedaan! De sterrekens dansten me voor de
oogen alsof het klaar nacht was. De scheepsbarbier mag straks mijn
armen en schouders wel verbinden!"--
"Hoor, Kees, 't is waar, ik herinner me nu ook, dat ik je zoo even
heen en weer geschud heb! Maar, jongen, dat moet-je me niet euvel
duiden! Als ze van mijn "Goeden Vaêr," van mijnen ouden speelkameraad,
kwaad beginnen te spreken, dan ben ik mij zelven niet meer meester!"--
"Ei, maar heb ik dan wat kwaads van hem gezegd?"--
"Neen, maar...."
"Nu, wat dan?"--
"Nù zal je nooit kwaad van hem spreken, dat 's vast!"--
"'n Lieve jongen!"--
"Ben-je boos, Kees?"--
"Wou-je me dan altemet ook vriendelijk hebben? Zeker ben ik boos,
en ik zeg nog eens, ik wou dat je twintig zeemijlen van me af waart!"--
"'t Was een ongelukje, Kees, 't was een ongelukje! Jij bent een veel
te flinke "jooi" om jou te mishandelen.-- Beloof me, dat je 't me
vergeven zult, dan vertel ik u morgen, als we in Vlissingen liggen
om gekalefaat te worden, de historie van onzen "Goeden Vaêr!"--
"Top, dat doe ik! Maar woord houden, hoor!"--
"Een man, een man; een woord, een woord! Maar nu naar de Engelschen
en de Duinkerkers uitgekeken!"--
"Ik meende daar straks een zeil te zien!"--
"Toen ik je zoo heen en weer schudde?"--
"Neen, vernageld kanon, toen niet; maar zoo even! Kijk, daar is
het weer!"--
Thans keek Huib in de door Jonge Kees aangeduide richting en riep:
"Eén zeil! Bij mijne ziel, er zijn er twee! Het voorste is een
Duinkerker. Brutaal als de cipier van het rasp-en spinhuis, zijn
ze. Dat durft zich bijna op onze kusten vertoonen!"--
"En 't andere schip, Huib?"--