III.

Vervolg van het geschiedkundig overzicht.--Verval

van de republiek.--Komst der Franschen.--Opheffing der

staatsregeling.--Campo-Formio.--De presburger vrede.--Manin in 1830

en in 1848.--Wederoprichting der republiek.--Beleg.--Kapitulatie.--De

veldtocht van 1859.--Tegenwoordige toestand van Venetië.

Na het einde der kruistochten nam de ijverzucht tusschen de

zuster-republieken Venetië en Genua, wegens het behalen van bijzondere

handelsvoordeelen, zoozeer toe, dat het in de veertiende eeuw

herhaaldelijk tot oorlogen tusschen haar kwam, waarin de venetiaansche

admiraal Victor Pisani zich met roem overlaadde. Vermaard zijn vooral

zijne zegepralen bij Capo d'Anzio en Chioggia.

In de vijftiende eeuw bereikte de republiek het toppunt van

roem en bloei; zij zag toen haar gebied op het italiaansche

vasteland aanmerkelijk uitgebreid en Cyprus aan hare heerschappij

onderworpen. Maar terwijl nu, door Vasco de Gama's omzeiling van de

Kaap de Goede Hoop (1498), de handel van Venetië over Alexandrië op 't

allergevoeligst werd getroffen, waren van den anderen kant de Osmanen

meester van Konstantinopel geworden, en ontrukten aan de republiek

achtereenvolgens Morea, Albanië, Negroponte en andere bezittingen in

den Archipel.--In 1508 en 1509 schitterde zij echter nog in vollen

luister, daar zij toen, evenzeer door dapperheid als door fijne

staatkunde, haren smadelijken val voorkwam, die bij het verbond van

Kamerijk besloten was, waarvan de vier toenmalige hoofdmogendheden van

Europa: Paus Julius II, Keizer Maximiliaan, Ferdinand de Katholieke

van Spanje, en Lodewijk XII van Frankrijk de voorname aanleggers waren.

Bij den vrede van Karlowitz (1699) bekwam de republiek, dank hebbe de

veerkracht van hare toen reeds overleden doge Morosini, den geheele

Peloponnesus weder in haar bezit. Dit was haar laatste straal van

roem. De _nobili_, die zij er met het gezag bekleedde, kweten zich

evenwel zoo slecht van hunne taak, dat de grieksche bevolking nog

liever turksch dan venetiaansch wilde zijn, en het schiereiland dan

ook slechts zestien jaren in Venetië's bezit bleef. In 1715 moest de

republiek eindelijk ook het eiland Candia, na een langdurigen strijd,

aan de Muzelmannen afstaan.

Na den vrede van Passarowitz (1718,) waarbij de Peloponnesus weder aan

Turkije werd afgestaan, besloten de overheden der eens zoo vermaarde

en machtige republiek, voortaan geen aandeel meer aan de algemeene

europeesche politiek te nemen, en zich tot de verdediging van haar

gebied en de strenge instandhouding harer verouderde staatsregeling

te bepalen. Daarmede teekende de republiek haar eigen abdikatie. In

den weerloozen staat waarin zij zoo doende geraakte, verstoken van

vloot en krijgsmacht, verraste haar de fransche omwenteling. Zij kon in

dien toestand onmogelijk beletten, dat Peschiera en een groot deel van

haar gebied op het vasteland door de Franschen bezet werden. Ware het

bestuur van Venetië zoo moedig gezind geweest als de wakkere podesta

van Bergamo, Ottolini, dan zou het land gewis de wapenen hebben

opgevat, en daardoor wellicht een geheel andere loop aan Bonaparte's

veldtocht gegeven zijn. Terwijl hij naar Stiermarken voortrukte,

barstte er een opstand te Verona uit, waarbij al de Franschen werden

vermoord. Hij keerde daarop ijlings terug, en maakte zich zonder slag

of stoot van de republiek meester.

Tot de eischen van den franschen veldheer behoorde ook de volledige

afschaffing der venetiaansche staatsregeling en de gevangenneming der

drie staatsinquisiteurs. Deze revolutionaire eischen werden nu door

de op alle wijzen door de Franschen bewerkte demokratische partij te

Venetië op het onstuimigst ondersteund. Toen echter de Groote Raad den

12 Mei 1797, zijne eeuwenoude macht aan eene consulta van dertig leden

overdroeg en uiteen ging met den kreet: "Er bestaat geen Venetië--geen

St. Marcus meer!" viel het volk verwoed op de demokraten aan. De

komst der Franschen maakte aan deze beweging evenwel spoedig een einde.

Zes maanden later, bij den vrede van Campo-Formio, gaf Bonaparte de

venetiaansche republiek met Dalmatië en Istrië, die zij onafgebroken

bezeten had, aan Oostenrijk, in ruil voor België, dat aan Frankrijk

getrokken, en voor Lombardije, dat bij de pasgevormde Cisalpijnscbe

republiek gevoegd werd. Zoo verstond de revolutie het volkenrecht! De

demokraten betaalden het kortstondig genot hunner zoogenaamde liberale

staatsregeling duur genoeg met het verlies der kunstschatten, die naar

Frankrijk werden vervoerd, en met het verlies hunner vloot, die, de

beroemde _Bucentaurus_ niet uitgezonderd, door de Franschen verbrand of

vernield werd. Ofschoon de nationale geest destijds tot een vrij laag

peil was gezonken, ontbrak het toch niet aan treffende bewijzen dat hij

hier en daar nog krachtig werkte: getuige de adellijke venetiaansche

dame, die bij het vernemen van den vrede van Campo-Formio, zich door

vergif van het leven beroofde; en de gondelier Antonio Lizzi, die

liever verkoos huis en land te verlaten, dan "de Oostenrijkers op het

groote kanaal te roeien!" Toen die Oostenrijkers, in de eerste dagen

van 1798, Venetië binnentrokken, waren ook de demokraten zeer uit

het veld geslagen. Bonaparte antwoordde echter op hunne vertoogen:

"De demokraten kunnen naar Cisalpinië verhuizen, waar men hun het

burgerrecht schenken zal!"

Nog geen acht jaren was Venetië in 't bezit van Oostenrijk

geweest, toen het, door denzelfden man, die het te Campo-Formio

weggeschonken had, te Presburg met even weinig plichtplegingen

weder teruggenomen werd, om met het nieuw opgerichte koninkrijk

Opper-Italië te worden vereenigd. Venetië kwam dan nu toch weer

onder eene zoogenaamde italiaansche regeering en verkreeg eenige

meerdere zelfstandigheid. Zijne zonen werden wel gedwongen om in

verre oorlogen de gevaren der Franschen te deelen, maar zij hadden

ook deel aan hunnen roem; en de wedijver hierdoor te weeg gebracht

werkte meer mede tot Italië's wedergeboorte, dan eeuwen van vrede en

voorspoed gedaan zouden hebben.

In 1814, op het Weener-congres, bekwam Oostenrijk het geheele

venetiaansche gebied terug. Aanvankelijk beloofde het veel, maar

zeer spoedig vergat het zijne beloften weder; en in plaats dat men

den Venetianen zekere mate van onafhankelijkheid schonk, werd hun

een drukkend juk op de schouderen gelegd. "Gij weet wel," zeide

keizer Frans tot de bezending uit Lombardije, die, nadat het land

twee jaren lang door oostenrijksche troepen bezet was geweest, hem

naderde met de bede om eene meer met de vroegere landsinstellingen

overeenkomstige organisatie; "gij weet zeer goed, dat ik Italië met

het zwaard in de vuist veroverd heb: er kan dus geen sprake zijn van

eigen staatsregelingen noch van onafhankelijkheid!" Wel werden eenige

concessiën gedaan; maar de staatkundige vervolgingen, ook door de

woelingen der geheime genootschappen uitgelokt, hadden geen einde;

de censuur werd hoe langer hoe willekeuriger, en alle ontwikkeling

werd stelselmatig onderdrukt.

De gebeurtenissen, die in 1830 te Parijs voorvielen, bleven in

Italië niet zonder weerklank. Men herinnert zich voorzeker nog de

samenzwering van Menotti te Modena, de omwenteling in Bologna en de

Romagna, en het gebeurde te Parma, ten gevolge waarvan de hertog van

Modena, de kardinaal-legaat van Bologna en de hertogin van Parma hunne

staten verlieten; terwijl de beweging eindigde met de onderwerping der

opgestane bevolkingen door een leger van dertigduizend Oostenrijkers,

en met de terechtstelling van Menotti en Borelli. Wellicht is het

echter minder bekend, dat men destijds ook te Venetië niet geheel stil

zat. Manin, die zich toen pas in het stadje Mestre, aan den ingang

der Lagunen, als pleitbezorger had nedergezet, werd insgelijks door de

algemeene opgewondenheid meegesleept. Hij smeedde het vermetele ontwerp

om zich van het tuighuis meester te maken, en stelde en verspreidde

met een zijner vrienden, den bekenden dichter en journalist Tomaseo,

een proclamatie, waarin de bevolking werd aangemaand om het dwangjuk

der vreemde overheersching af te schudden. Manin begreep echter,

toen de beweging in Midden-Italië zoo snel bedwongen werd, dat

verdere proefnemingen voor 't oogenblik meer kwaad dan goed zouden

stichten, en wijdde zich weder onverdeeld aan zijn ambt. Hij liet

evenwel geene gelegenheid voorbijgaan om zijne medeburgers krachtig

tot aaneensluiting en samenwerking aan te sporen, de publieke zaak

door alle geschikte middelen levendig te houden, de bevolking in hare

eigene schatting te doen rijzen, en haar nu op deze dan op gene wijze

te doen zien, dat het toch nog mogelijk was om met eenige vrucht te

strijden tegen de vreemde macht, die nog steeds haar lot in handen had.

De oostenrijksche regeering, schoon inderdaad zich beijverende om

den voorspoed en de materiëele welvaart des lands te bevorderen, kon

maar niet haar vreemden oorsprong doen vergeten. Men zag in haar de

vertegenwoordigster van het geweld en de onderdrukking, de natuurlijke

vijandin van alle nationale herinneringen en sympathieën: in één

woord, een opgedrongen gezag, waaraan men zich noode onderwierp. Dit

gaf natuurlijk aanleiding tot gespannen verhoudingen, die telkens

nieuwe grieven uitlokten. De bemoeizucht der politie werd letterlijk

onduldbaar. Nergens, zelfs niet in het heiligdom van den huiselijken

kring, was men veilig voor hare bespieding en inmenging. Ieder die

verdacht werd van ontevredenheid met de bestaande orde van zaken,

werd in de gevangenis geworpen of gedwongen om als gemeen soldaat in

de oostenrijksche gelederen te dienen. Het was bijna eene hernieuwing

van de willekeur die onder de republiek heerschte, maar die thans

dubbel ondragelijk viel, omdat ze door vreemden werd opgelegd, die

van den anderen kant geen _prestige_ wisten uit te oefenen, zoo als

de _nobili_ en de dogen althans gedaan hadden.

Met de troonsbeklimming van Pius IX scheen een nieuwe dageraad voor

Italië aan te breken: een elektrieke schok doortintelde het geheele

schiereiland. In Venetië was de opgewondenheid niet minder groot dan

in de overige Italiaansche staten; het "Viva Pio Nono!" werd ook daar

van alle zijden aangeheven. Manin besefte echter, dat het niet bij

vreugdegejuich kon blijven, maar dat er gehandeld moest worden. Hij

leverde met Tomaseo een vertoog bij de regeering in, waarin met

de meeste klem op de eindelijke invoering der zoo lang vruchteloos

gevraagde hervormingen werd aangedrongen. Wat zij gevreesd hadden

gebeurde: den 18_den_ Januari 1848 werden zij in hechtenis genomen

en naar den kerker overgebracht, welks deuren zich reeds achter zoo

menig edel of doorluchtig slachtoffer voor altijd gesloten hadden. De

verontwaardiging was algemeen; het karneval werd niet gevierd; de

schouwburgen bleven ledig; het grootste deel der bevolking kleedde

zich in rouwgewaad, en geregeld iederen middag te vier uur zag men

een langen stoet van burgers langs de Slavonische kade trekken en

vóór den kerker stilhouden; de mannen namen hunne hoeden af, de

vrouwen wuifden met hare zakdoeken: deze zwijgende demonstratie,

die de politie niet kon beletten, zeide meer dan woorden.

Eén feit vooral toonde hoe levendig de behoefte aan eenheid en

eendracht reeds gevoeld werd: de twee partijen, waarin Venetië steeds

verdeeld was geweest, die der Castellani en Nicoletti, verzoenden zich

met elkaar. Kort na de gevangenneming van Manin en Tomaseo, hielden,

op zekeren morgen, een aantal gondels stil voor de kerk van "la

Madonna della Salute." Sommigen van degenen die er in zaten, droegen

de roode sjerp der Castellani, anderen de zwarte der Nicoletti. Een

priester wachtte hen; de mis werd gevierd, en de hoofden der twee

partijen strekten geknield, de rechterhand naar een kruisbeeld uit,

terwijl zij elkander de linker toestaken. Ook hier werd geen woord

gesproken uit vrees voor de alomtegenwoordige politie.

Zelfs de tijding der Februari-omwenteling te Parijs blies het te

Venetië smeulend vuur nog niet tot een vlam aan; maar toen den 16 Maart

de kreet weergalmde: "Omwenteling in Oostenrijk! Eene constitutie

te Weenen!" kwam er eene onzettende volksmenigte op de been, die

vóór het paleis van Graaf Palffy, den oostenrijkschen gouverneur,

op dreigenden toon de invrijheidstelling der gevangenen eischte. De

Graaf gaf aan dien eisch toe, en Manin en Tomaseo werden op de handen

des volks van het doge-paleis naar hunne woning gedragen.

De gouverneur deed nu allerlei schoonklinkende beloften; maar Manin

begreep dat er doorgetast moest worden. Er was door zijne bemoeiing

een burgerwacht opgericht; nu begaf hij zich naar het tuighuis,

en wist zich van dat gebouw meester te maken. Graaf Palffy werd

thans weldra gedrongen om te kapituleeren; hij stelde zijn gezag in

handen van Graaf Zichy, den militairen kommandant, die als Hongaar,

meer bij de Venetianen gezien was dan hij. Het hopelooze van den

toestand beseffenende, teekende de nieuwe gouverneur echter terstond

eene overeenkomst, om de stad binnen twaalf uren tijds te ontruimen.

Manin, die zich aanvankelijk teruggetrokken had, werd daags na

het slagen der door hem geleide omwenteling, aan het hoofd van

het voorloopig bewind gesteld. Hij had gewis aanspraak op deze

onderscheiding en kweet zich uitnemend van de hem opgedragen hachelijke

taak. Hij voorzag in alles; en terwijl hij allen bezielde, predikte hij

te gelijker tijd matiging door zijn voorbeeld zoowel als door zijne

woorden. Zijne voorgangers van den eersten dag hadden echter eene

groote feil begaan: zij hadden het rechte oogenblik verzuimd om zich

van de medewerking der vloot te verzekeren. De strijdkrachten der stad

bestonden enkel uit zevenduizend leden van de burgerwacht, zeshonderd

zeelieden en mariniers en vierduizend soldaten uit verschillende deelen

van Italië; waarbij zich later nog achttienhonderd man voegden, door

Karel Albert afgezonden. Alle Venetianen waren slechts door één wil

bezield; maar Manin gevoelde al te goed dat dit niet voldoende was,

en dat de uitkomst der gansche stoute onderneming voornamelijk afhing

van den loop dien de beweging in het overige Italië nam; en die loop

was, gelijk men weet, hoogst noodlottig voor de zaak der omwenteling:

Karel Albert geslagen; de maarschalk Radetzky voet voor voet het door

Oostenrijk verloren terrein in Italië herwinnende; en de van Engeland

en Frankrijk afgebeden bijstand geweigerd.

Weldra was Venetië zoowel van de land- als van de zeezijde ingesloten,

en Radetzky stelde zich reeds voor, de stad binnen veertien dagen

in zijne macht te zullen hebben. Maar ofschoon de bezetting zich

onmogelijk kon blijven handhaven, zoo hield zij het beleg toch van het

begin van Mei tot het laatst van Augustus vol. "Liever den dood dan de

Croaten!" dit was de leus waaronder zij het uiterste, het onmogelijke

schier bestond, en nóg langer zou hebben bestaan, wanneer Manin haar

niet had doen beseffen, dat verdere tegenweer onverantwoordelijk

ware geweest, daar, zoo ten gevolge van het aanhoudend bombardement

als van hongersnood, cholera en pest, de ellende in de stad ten top

was geklommen.

Volgens de kapitulatie moesten al de officieren, die aan den strijd

tegen Oostenrijk hadden deelgenomen, benevens veertig familiën,

de stad verlaten. Daaronder bevond zich ook het gezin van Manin.

Toch was de zaak der italiaansche omwenteling door het in 1848-49 te

Venetië, Rome en elders in het schiereiland voorgevallene, aanmerkelijk

bevorderd: niet alleen hadden de bevolkingen hare krachten leeren

kennen, maar hare grieven werden door Europa ook beter gewaardeerd,

haar lot meer algemeen beklaagd, de willekeur der italiaansche

regeeringen en hare onderwerping aan Oostenrijk luider gewraakt.

Piemont vond hierin aanmoediging om zich meer op den voorgrond te

plaatsen, en op het congres van 1856 te Parijs eene stem in het belang

van Italië te doen hooren, die weerklank vond in veler harten.

Keizer Napoleon, misschien deels en half onwillekeurig gehoorzamende

aan nog niet vergeten sympathieën uit zijne revolutionnaire jeugd,

toen hij lid der carbonari was, deels en zeker niet minder geleid

door berekeningen van zuiver staatkundigen aard, meende de oplossing

van het dusgenoemde italiaansche vraagstuk ter hand te moeten nemen,

en gaf daarmede den stoot aan eene beweging, die, zeer zeker, veel

verder ging dan hij zelf bedoeld of gewenscht had, en eindigde met

haren bewerker te overvleugelen.

Nu werd op eens een reuzenschrede op den weg tot Italië's

bevrijding afgelegd. Vijf-en-veertig jaren lang, van 1815 bijna af,

hadden de Italianen, openlijk en bedekt, getracht op dien weg te

vorderen. Verstandige royalisten en doldriftige republikeinen,

bezadigde vrijheidsvrienden en woelige carbonari, Menotti's en

Garibaldi's, Mazzini's en Gioberti's, Azeglio's en Cavour's hadden

elkaar de hand gereikt, zonder dat men oogenschijnlijk een stap

gevorderd was. Nu zou het met moeite opgetrokken en gehandhaafde

gebouw, als met éénen slag, in puin storten.

Wij behoeven de gebeurtenissen van het aan gewichtige feiten zoo rijke

halfjaar, dat tusschen de bekende nieuwejaars-receptie op de Tuileriën

en den vrede van Villafranca verliep, niet te herinneren: ze liggen

ieder nog versch in het geheugen. Wie hoort nog niet, te midden van

het gejubel in Lombardije, in de hertogdommen en in de legatiën,

den schrillen rouwkreet, door Venetië geslaakt, toen het progamma:

"een onafhankelijk Italië van de Alpen tot aan de Adriatische zee," dat

de oude doge-stad van verrukking had doen trillen, half onuitgevoerd

bleef? Terwijl alles in 't noorden van het schiereiland als door den

slag eener wichelroede veranderde, terwijl de van vreugde dronken

zusterstad Milaan de oostenrijksche kleuren tegen de pimonteesche

verwisselde, bleef te Venetië alles bij het oude; en ook toen later

het zuiden, over het geschonden erfgoed van den H. Petrus heen, het

noorden de handen reikte en gansch Italië als samensmolt--ook toen

nog bleef Venetië, Italië's parel en pronkjuweel, van het jubelende

koningrijk als een vreemde gescheiden!

Is het wonder dat het vrijheidlievende, zijne nationaliteit zoozeer

op prijs stellende Venetië onder dezen staat van zaken kwijnt? Men

behoeft daaromtrent niet enkel op dagbladberichten af te gaan:

onlangs nog legde de bekende fransche schrijver Paul de Musset,

die Venetië in 1863 bezocht, na er zich vroeger meermalen te hebben

opgehouden, een getuigenis af, die men geen reden heeft om in twijfel

te trekken. "Behalve zijn zachten hemel en zijne bouwgewrochten, zijne

monumenten en grootsche herinneringen," zegt hij, "bezit Venetië niets

meer van zijne vroegere aantrekkelijkheid. Voorheen vond men nergens

aangenamer, gemakkelijker verkeer; thans is de opera er gesloten,

openbare zoomin als bijzondere bijeenkomsten hebben er meer plaats; men

ziet er geen toiletten meer; de maatschappelijke band is verbroken;

handel en beweging zijn gestremd; somberheid en moedeloosheid

heerschen allerwege, en armoede en ellende nemen er dagelijks

meer de overhand." De militaire muziek laat zich nog wel, even als

vroeger driemaal 's weeks, op 't St. Marcus-plein hooren--zegt hij

verder--maar er wordt thans enkel voor de vreemdelingen en de bezetting

gespeeld. Vroeger dreef elken avond een talrijke gondelvloot, door

een muziekgondel voorafgegaan, langs het Canalazzo naar de Lagunen;

maar die gondelvaart, _il fresco_ genaamd, die het hoogste genot der

gegoede bevolking uitmaakte, heeft geheel opgehouden. De aanzienlijke

vrouwen vertoonen zich volstrekt niet meer in het openbaar.

"De bevolking", gaat de Musset voort, "draagt haar lijden met een

bewonderenswaardig geduld. Hare vaste hoop op de nakende bevrijding

van haar land stellende, ondergaat zij daarvoor met vreugde het

martelaarschap, en is zij tot alles bereid. Zij zou zelfs niet voor

de opoffering harer onschatbare monumenten (bij een bombardement

terug deinzen, zoo er kans bestond, dat zij tot dien prijs hare

onafhankelijkheid kon verwerven. Zij zou er zich op verhoovaardigen

wanneer zij op de puinhoopen der St.-Marcus-kerk kon uitroepen:

""Zie wat de barbaren met een van de wonderen der wereld hebben

uitgericht! Zie wat de vrijheid ons kost!""

Maar mag men het er voor houden, dat de lijdende bevolking van

Venetië zich niet te vergeefs met hare "nakende bevrijding" vleit? De

omstandigheden schijnen die hoop alleszins te regtvaardigen. Van

welken kant zal echter de bevrijding opdagen? Zal Frankrijk nog

eens het zwaard aangorden, om zijn programma van 1859 volledig ten

uitvoer te leggen? Dit laat zich niet verwachten, en de Hemel geve ook

dat het vraagstuk zonder nieuwe bloedige tooneelen opgelost worde;

dat dus ook Italië aan Oostenrijk den handschoen wegens het bezit

van Venetië niet toewerpe; maar dat van Oostenrijks zijde zelf de

oplossing kome. Hoe vreemd dit oppervlakkig ook moge schijnen, toch

laat zich zulk eene ontknooping nog het gemakkelijkst denken. Zal

het Oostenrijk niet eindelijk gaan verdrieten, Venetië als een

wederspannigen gevangene te blijven bewaken? En zoo niet, zal het

dan eindelijk niet gaan inzien, dat een afstand van Venetië zijne

zwaar geteisterde financiën dubbel te stade moet komen, daar het dan

eerst ernstig op de vermindering zijner krijgsmacht bedacht zijn,

en tevens eene aanzienlijke geldelijke schadevergoeding voor het af

te stane gebied eischen kan? Zeker meent men niet, dat Oostenrijk

zich door zulk eene daad te veel zou verzwakken; want wat zou het

verlies van 457 vierk. geogr. mijlen gronds te beteekenen hebben voor

eene mogendheid, die er nog 11305 zou overhouden; en wat zou op eene

bevolking van zeven- of acht-en-dertig millioen eene vermindering

van 2,446,000 zielen zeggen? Acht men misschien het bezit van den

geduchten vierhoek eene levenskwestie voor Oostenrijk? Maar hoe dan

vóór 1797; hoe dan van 1805 tot 1815? Die vierhoek zou immers ook

kunnen verdwijnen als Oostenrijks veiligheid dit vorderde, terwijl

op de grenzen van Tyrol, Karinthië, Krain en Illyrië, door de natuur

reeds half ontoegankelijk gemaakt, bolwerken zouden kunnen verrijzen,

de geslechte in sterkte evenarende?

Wij begrijpen wat het Oostenrijk kosten moet, het hart van zulk een

schoon gewest af te trekken; maar het besef van de onmogelijkheid,

om na de gebeurtenissen der laatste jaren, bij de Venetianen het

nationaliteits-gevoel op den duur te onderdrukken, moet het pijnlijke

van het offer noodwendig verzachten. Al kon Venetië tegenwoordig,

onder den constitutioneelen regeeringsvorm van Oostenrijk, eene

vrijheid genieten, grooter dan waarin het zich ooit onder zijne

eigenene oligarchen mocht verheugen, het zou dien zegen als niets

achten, wanneer het van het overige Italië afgescheiden moest

blijven. Aansluiting aan het één en ondeelbare Italië! Vrijheid en

onafhankelijkheid onder de italiaansche banier! Dit is de zucht die de

ziel van alle Venetianen vervult; en Oostenrijk, dat zich aangordde

om dien kreet in de Elbe-hertogdommen te verhooren, mag en zal dien

niet langer op zijn eigen gebied smoren. Op deze gronden meenen wij,

dat de Venetianen zich hunne bevrijding niet ten onrechte als nakende

voorstellen. [1]

Slaan wij thans een blik op Venetië's merkwaardigste plaatsen en

beroemdste gebouwen; en vergeten wij daarbij zoo veel mogelijk

het floers, dat in deze oogenblikken over de schoone Lagunenstad

verspreid ligt.

Venetië De Aarde en haar Volken, 1865 · 第 4 / 9 题