II.

Geschiedkundig overzicht.--Ontstaan en opkomst der

republiek.--Kruistochten.--Enrico Dandolo.--Verovering

van Byzantium.--De aristokratische staatsregeling van het

gemeenebest.--Oordeelvellingen daarover.

Venetië's ontstaan dagteekent reeds van het begin der vijfde eeuw. Toen

de Gothen en Hunnen, onder Alarik en Attila, in de jaren 413 en 451,

Italië overstroomden, namen een aantal bewoners van het noordelijk

gedeelte des lands, en meer bijzonder ingezetenen van Aquilea en Padua,

de wijk naar Rialto en de verdere lage eilanden of lagunen, aan den

mond der Brenta en der Adige, in de Adriatische zee gelegen. Deze

vluchtelingen waren meerendeels slechts arme visschers; Venetië

heeft dus met Amsterdam niet enkel gemeen dat het op geheide palen

gebouwd is, maar ook dat het aanvankelijk slechts eene onaanzienlijke

visschersbuurt was.

In den beginne werden deze eilanden ieder afzonderlijk door consuls

bestuurd, die hun uit Padua werden toegezonden; maar in het laatst

der vijfde eeuw stelden zij zelven tribunen of gemeensmannen aan;

waardoor de grond werd gelegd tot de zuivere volksregeering, die zeven

eeuwen te Venetië stand hield. Na de verwoesting van Padua door de

Longobarden, breidde het kleine gemeenebest zich aanmerkelijk uit; en

in 697 gingen de verschillende eilanden, waaruit het bestond, over tot

de benoeming van een algemeen hoofd onder den naam van _dux_ of _doge_

(hertog), die verkiesbaar door en verantwoordelijk aan het volk was,

en gezamenlijk met de bestaande gemeensmannen en den grooten raad

regeerde. De eerste doge was Paolucci Anafesto.

Nadat Heraclea, hetwelk aan het hoofd der eilandengroep stond, door

een burgerkrijg in het midden der achtste eeuw was te gronde gegaan,

werd Rialto de hoofdzetel der regeering, en weldra ontstond nu de stad

Venetië uit de vereeniging dier plaats met verscheidene omliggende

eilanden. De republiek onderwierp zich niet aan de frankische en

duitsche mogendheid, die aan het westersche of romeinsche rijk

in Italië was opgevolgd, maar verbond zich met het oostersche of

grieksche rijk, en bleef daardoor onafhankelijk.

De handel en vrachtvaart der Venetianen namen zoo snel toe, dat hun

de heerschappij op de Adriatische zee spoedig niet meer betwist werd,

en zij zelfs Dalmatië en Istrië, op de tegenovergestelde kust dier zee

gelegen, aan zich onderwierpen. Zij dreven handel ook met Mohammedanen,

Sicilianen en Spanjaarden, en genoten inzonderheid te Konstantinopel en

te Rome groote voorrechten. De voornaamste oorzaak van de opkomst en

bloei der republiek waren echter de kruistochten. Niet alleen dat het

overvoeren der scharen van krijgslieden en pelgrims naar het Heilige

land, en het voorzien in hunne behoeften, haar aanzienlijke schatten

aanbrachten, maar hare handelsbetrekkingen met het Oosten namen

daardoor ook in zeer belangrijke mate toe. Ofschoon de ingenomenheid

der Venetianen met de kruistochten, evenals die van hunne mededingers,

de Genuëezen en Pisanen, dan ook voor een deel aan belangzuchtige

oogmerken moet worden toegeschreven, bewezen zij niettemin onder

hunne dogen Vitale Michaeli, Ordelafo Faliero en Dominico Michaeli,

gewichtige diensten aan de goede zaak, en had men de inneming van

Ptolemaïs, Sidon en Tyrus voor geen gering gedeelte te danken aan

de wijze waarop zij den aanval op die plaatsen van de zeezijde

ondersteunden.

Inzonderheid nam echter Venetië's handel eene ongemeene vlucht, nadat

het aan zijne kooplieden en regenten gelukt was den ouden handelsweg

der Ptolemaeën en Romeinen over Egypte naar Indië weder te openen,

waardoor Venetië de uitsluitende markt der meest gezochte indische

goederen--specerijen, lijnwaden, zijden stoffen, ivoor, parelen, goud,

myrrhe en andere geneeskruiden--werd, en ruim twee eeuwen lang bleef,

totdat Portugal en later Antwerpen en Amsterdam, na de ontdekking

van den zeeweg naar Indië om de Kaap de Goede Hoop, den handel met

het verre Oosten aan zich trokken.

Gedurig breidden de Venetianen hunne veroveringen verder uit. Groot

vooral was het aandeel dat zij aan den vijfden kruistocht namen,

die in 1202 onder aanvoering van Graaf Boudewijn van Vlaanderen

werd ondernomen; maar die, in plaats van op de bestrijding der

ongeloovigen, op de inneming van het toen nog door de Grieken bezette

Konstantinopel uitliep. Bij dezen tocht werden de Venetianen door

hunnen twee-en-negentig-jarigen doge Enrico Dandolo in persoon

aangevoerd: een man "in wien de ouderdom de zielskrachten slechts

gerijpt, niet verdoofd had," en die niet alleen een onversaagde

oorlogsheld, maar ook een der schranderste en edelste staatslieden was,

welke Venetië ooit bezeten heeft. Het oorspronkelijk doel van den tocht

naar Konstantinopel was geweest om Alexius, den twaalfjarigen zoon

van den door Alexius III van het gezicht beroofden en in den kerker

geworpen keizer Izaak, op den griekschen troon te plaatsen. Inderdaad

werd dit doel door de kruisvaarders verwezenlijkt; doch, grootendeels

door hun toedoen, brak terstond daarop in de stad een geweldig

oproer uit, waarbij weder een andere Alexius, Mursuflus bijgenaamd,

door het volk tot keizer werd verheven, die zijne regeering aanving

met zijn jeugdigen naamgenoot te verworgen. De kruisvaarders, die

de Grieken toch slechts als ketters beschouwden, besloten nu de stad

in te nemen; 't geen hun bij een tweeden storm gelukte (1203); eene

gebeurtenis, waarbij de overwinnaars zich als onzinnigen gedroegen,

zelfs de heilige plaatsen niet verschoonende, terwijl zij in hunne

Wandalen-woede de schoonste kunstgewrochten verbrijzelden, waardoor

eene menigte onschatbare overblijfselen der oudheid verloren gingen. De

buit, bij die gelegenheid behaald, was zoo ontzettend groot, dat een

nederlandsch vorst, die bij de inneming tegenwoordig was, aan Paus

Innocentius III schreef, dat er in het gansche overige Europa zoo

veel rijkdommen niet voorhanden waren. Inderdaad was Konstantinopel

een van de schoonste en rijkste steden der wereld. Het grieksche

rijk werd nu tusschen de Venetianen, Vlamingen en Franschen, die het

gezamenlijk veroverd hadden, verdeeld, en de keizerlijke waardigheid

in het byzantijnsch-latijnsche rijk aan Boudewijn van Vlaanderen

en Henegouwen opgedragen; terwijl de Venetianen voor zich namen wat

hun het gelegenst was, te weten de gansche kust langs de Adriatische

en Egaeïsche zeeën, een deel van den Peloponnesus, benevens Candia,

Corfu, Cephalonië en andere eilanden: gezamenlijk omstreeks een vierde

deel van het oude Byzantium bedragende. Door deze veroveringen nam

alzoo de macht en het aanzien van Venetië nog weder aanmerkelijk toe;

maar door de oprichting van het byzantijnsch-latijnsche keizerrijk,

dat niet veel langer dan eene halve eeuw bestond (1204-61), ontsloten

de Venetianen met eigen hand de deur voor hunne toekomstige geduchte

en onverzoenlijke vijanden, de Mohammedanen.

Intusschen had de demokratische staatsregeling van Venetië eene zeer

in het oog vallende aristokratische kleur verkregen. De voorname

oorzaak daarvan was, dat de acht-en-dertigste doge, Vitale Michaeli,

die de Venetianen door het uitschrijven eener belasting op de

bezittingen tegen zich in de harnas had gejaagd, in een volksoploop

werd vermoord. Om deze reden, en ook omdat de verkiezingen maar al te

dikwijls oproerige tooneelen uitlokten, werd besloten om het volk niet

meer rechtstreeks tot de verkiezing der dogen te laten medewerken, maar

die taak aan een elftal der aanzienlijkste mannen, door de bevolking

aan te wijzen, op te dragen. Tevens werd de Groote Raad ingesteld,

het hoogste regeeringscollegie, bestaande uit vierhonderd-tachtig

aanzienlijken, jaarlijks uit de zes wijken der stad gekozen. Terwijl de

adel op die wijze den volksinvloed tegenging, verminderde hij tevens

de macht van den doge, door hem een raad van zes leden, gekozen uit

den Grooten Raad, ter zijde te stellen, zonder welks medewerking hij

geen besluit kon nemen. Deze kleine raad, met den doge de zoogenaamde

_signoria_ uitmakende, werd later nog met drie hoofden van den Raad

der Veertigen vermeerderd.

De Groote Raad, uitsluitend uit _nobili_ bestaande, trok allengs

de aanstelling van bestuursleden en beambten aan zich, en benoemde

eindelijk zelfs zijne eigene kiezers. Maar hierbij bleef het niet. In

1296 wist de zeer aristokratischgezinde doge Gradenigo de bepaling

door te drijven, dat voortaan alle nieuwelingen uit den Grooten Raad

geweerd zouden worden; terwijl men tot aanvulling van door overlijden

openvallende plaatsen, lijsten vormde, waarop alleen namen van vroegere

leden van den Raad voorkwamen. Eindelijk ging men in 1309 nog een

stap verder: men verklaarde het lidmaatschap van den Grooten Raad

erfelijk, en bepaalde bovendien dat de zoons, ook bij het leven van

hunnen vader, op hun vijf-en-twintigste jaar zitting mochten nemen;

terwijl er een afzonderlijk register werd aangelegd, _het Gouden boek_

genaamd, waarin de namen der toenmalige familiën, wier leden zitting

hadden, zouden worden ingeschreven.

Deze stoute staatsgreep, in de venetiaansche geschiedenis _il serrar

del consiglio_ (het sluiten van den raad) genoemd, bracht het volk

aan 't morren, maar dit kon geen verandering in de genomen besluiten

te weeg brengen. Eene samenzwering met een man uit het volk, Marino

Bocconio, aan het hoofd, werd in het bloed der eedgenooten gesmoord;

een aanslag van eenige den doge persoonlijk vijandige _nobili_, door

Querini en Tiepolo aangevoerd, werd door Gradenigo zelf bedwongen

(1310); en van dat oogenblik af werd de nieuwe orde van zaken als

gevestigd aangemerkt.

De vrees dat de doge, op het voorbeeld van andere italiaansche regenten

van dien tijd, naar uitbreiding van gezag zou streven, had aanleiding

tot deze laatste hervormingen gegeven, en deed al verder en verder

in die richting gaan, zoodat aan het opperhoofd, dat met den naam

van vorst begroet werd, weldra niet meer dan een schaduw van gezag

overbleef, en hij zelfs geen brief eener vreemde mogendheid anders

dan in het bijzijn der _signoria_ mocht openen. Met recht werd van

het hoofd der republiek gezegd, "dat hij in kleeding en staatsie

een koning, in macht slechts een raadslid, in zijne residentie een

gevangene en daar buiten een gewoon burger was." Daarentegen werd de

macht van den Raad der Tienmannen--een lichaam bij gelegenheid van

den aanslag van Querini in het leven geroepen--ongemeen versterkt. De

ontdekking van dat komplot had de bewindslieden zóó vervaard gemaakt,

dat zij, ter handhaving van de veiligheid van den staat, besloten om

aan tien _nobili_, voor den tijd van twee maanden, eene dictatoriale

macht op te dragen. Het bestaan van dien geduchten raad werd

echter telkens op nieuw verlengd, totdat hij in 1335 permament werd

verklaard. Deze Tienmannen mochten zich in alles, niets uitgezonderd,

mengen; zij konden zelfs besluiten van den Grooten Raad vernietigen,

leden daarvan verbannen, en den doge voor hunne vierschaar dagen. De

beschuldigden die voor dit hof werden gebracht, mochten zich van

geen gerechtelijken raadsman voorzien; zij kwamen nooit met hunne

beschuldigers en de tegen hen optredende getuigen in 't verhoor, en

werden na hunne inhechtenisneming buiten allen toegang gesteld. Het

stond dezen raad vrij, zijne voor geen vernietiging vatbare vonnissen

openlijk of wel in het geheim ten uitvoer te laten brengen.

Eene nog geduchter rechtbank was die der staatsinquisiteurs, welke

slechts uit drie rechters bestond, en waaraan de Tienmannen, zoo

dikwijls zij dit noodig achtten, de berechting eener zaak konden

opdragen. Men wist, dat dit verschrikkelijke gerechtshof, tot

welks oprichting in 1454 besloten werd, bestond, maar kende geen

van zijne leden, die door den Raad der Tienmannen uit zijn midden

werden gekozen. Alle Venetianen, van den gondelier tot den doge

ingesloten, waren aan het altijd wakend toezicht dezer onzichtbare

vierschaar en aan hare strenge rechtspraak onderworpen. Hare leden

konden zelfs elkander vonnissen; in welk geval er door den Raad der

Tienmannen een plaatsvervanger werd benoemd. Schier allen, die voor

deze rechtbank gedaagd werden, verdwenen voor altijd, zonder dat men

ooit vernam of zij onder de _looden daken_ een langzamen dood waren

gestorven, dan wel of zij over de _brug der zuchten_ ter verworging of

verdrinking waren weggevoerd; terwijl hunne betrekkingen zelfs geen

navraag naar hen durfden doen, uit vrees van de geheime rechtbank te

zullen vertoornen. De inquisiteurs waren volkomen vrij zoowel in de

keus der middelen om het kwaad op te sporen, als in die om het te

straffen; zij waren ook aan niemand verantwoording schuldig wegens

de gruwelijke pijnigingen, waarmede zij de ongelukkige beklaagden

bekentenissen afpersten. Zij hadden den sleutel van de lade, waarin

de geheime aanklachten vielen, die in de bij het doge-paleis en elders

geplaatste leeuwenmuilen werden geworpen. Een tal van verspieders stond

in hunne soldij, die zoowel de hutten als de paleizen binnenslopen;

terwijl alle staatsbeambten hun ten dienste moesten staan.

Op die wijze meende Venetië de instandhouding zijner staatsinstellingen

te moeten waarborgen. De inquisitie had het inzonderheid gemunt op

hen, van wie men ook slechts vermoeden kon dat zij eerzuchtige of

staatkundige ontwerpen koesterden. Onthield men zich ten eenen male

van bemoeiing met staatszaken, en liet men zich volstrekt niet aan

het doen en laten der regeering gelegen liggen, dan had men niets te

duchten; daargelaten de mogelijkheid, dat men het offer van valsche

aanklachten werd.

"Geen staatsinrichting," zegt een hedendaagsch engelsch schrijver,

dien men niet van reactionnaire gezindheid verdacht kan houden, "heeft

ooit aan tegenstrijdiger oordeelvellingen blootgestaan dan die van

Venetië. Door sommigen als een toonbeeld van wijsheid en de bron van

haar grootheid ten hemel verheven, is ze door anderen, door verreweg de

meesten, uitgekreten voor een samenweefsel van ongerechtigheden. Gelijk

gewoonlijk, licht ook hier de waarheid in het midden. Dat er in later

tijd veel, zeer veel berispelijks in de inrichting en den gang van het

staatsbestuur is ingeslopen, kan niet worden ontkend.... Maar aan den

anderen kant schijnt het ons onbetwistbaar, dat eene staatsinrichting

die dertien eeuwen lang stand hield, waaronder de rust van binnen en

de onafhankelijkheid naar buiten ongeschonden bewaard bleven, terwijl

elders in Italië zoo tallooze malen bloedige burgertwisten woedden

en zoo menigwerf het juk van den vreemden dwingeland knelde; eene

staatsregeling waaronder het kleine visschersdorp zich ontwikkelde

tot koningin van de Adriatische zee en tot beheerscheresse van het

Oosten:--ons dunkt het onbetwistbaar, dat zulk eene staatsinrichting

toch in meer dan gewone mate de kiemen van iets goeds en groots moet

hebben bevat..... De regeering van Venetië was sterk omdat, gelijk

Muratori het uitdrukt, ""het volk wilde dat zij sterk zou zijn;

omdat bij het volk de overtuiging leefde, dat zijn eigen welvaart

het groote doel van haar bemoeiingen was. Het wist dat haar strenge

maatregelen tegen _haar eigen leden_ gericht waren."

Van veel meer belang nog is de lof, door den zeer liberalen Manin, den

voorzitter der venetiaansche republiek van 1848-49, aan den staatsvorm

van het oude gemeenebest toegezwaaid. "Niet zooveel eeuwen," antwoordde

hij eens in zijne ballingschap aan een vriend, die zich hevig over

de instelling van den Raad der Tienmannen en de door hen gepleegde

gruwelen uitliet, "niet zooveel eeuwen lang zou de doorluchtige

republiek hebben bestaan, indien het gouvernement, hoewel uitsluitend

in de handen der aristokratie, niet populair was geweest in den echten

goeden zin des woords, niet met de toegeeflijkheid en zachtheid van een

vader geregeerd had. Weet ge tegenover wie de aristokratie zich streng

en hard betoonde? Tegenover zich zelve, tegenover haar eigen leden,

wanneer die zich als partijmannen, rebellen of verraders deden kennen."

Ziedaar getuigenissen van niet verdachte zijde, die wel overweging

verdienen. Ook met volle erkenning en strenge afkeuring der misbruiken,

in de venetiaansche staatsregeling, als in elke andere, ingeslopen,

blijkt, dunkt ons, uit de geschiedenis zelve, de deugdelijkheid

der grondslagen, waarop deze rustte; is Venetië, met zijne meer dan

duizendjarige historie, een nieuw sprekend bewijs voor de waarheid,

dat eene republiek alleen door eene sterke en machtige aristokratie

op den duur mogelijk is en bloeien kan.

Venetië De Aarde en haar Volken, 1865 · 第 3 / 9 题