I.

Ligging.--Bevolking.--Luchtgestel en gezondheidstoestand.--Handel en

fabriekwezen.--Voorkomen, kleeding en karakter van den Venetiaan.

Venetië ligt, aan het noordelijke uiteinde eener naar die stad

genoemde golf, in eene _lagune_: eene soort van binnenmeer, dat van

de Adriatische zee gescheiden is door strooken laag land, _lidi_

geheeten. Om deze _lidi_ tegen den golfslag te beveiligen, heeft

men onder anderen een reusachtigen dam (_murazzi_) gebouwd, die eene

lengte van 11,350 voet heeft en, evenals al de bouwwerken te Venetië,

op eiken paalwerk rust; dat zeventig voet breed is, terwijl de wal, die

daarop omhoog rijst, negen voet boven middelbaren waterstand uitsteekt.

De stad, die ruim twee uren in omvang heeft, telde in 1857 eene

bevolking van 118,172 zielen, die echter sedert, ten gevolge van

een sterk uitwijken der ingezetenen, waarschijnlijk eene niet

onbelangrijke vermindering heeft ondergaan; eene bevolking, onder

welke zich nauwelijks 140 Protestanten en 7000 Joden bevinden, en die

overigens schier uitsluitend roomsch-katholiek is. Daarentegen waren

onder dit cijfer begrepen 12,250 Duitschers, vermoedelijk voor een

groot deel manschappen der bezetting en beambten. In den bloeitijd der

republiek beliep de bevolking der hoofdstad ongeveer 200,000 zielen.

De stand van den thermometer is er, gemiddeld, over het geheele jaar

55°, des winters 38° en des zomers 73° F. In en rondom de hoofdstad

is de winter zeer zacht, en reeds in 't laatst van Februari kondigt

de lente hare terugkomst aan. Dit neemt echter niet weg dat de lagunen

dikwijls bevriezen. Meestal valt er in het wintergetijde veel regen. In

Juni en Juli wordt de hitte reeds des morgens regelmatig door den

noordewind getemperd; terwijl des avonds een warme zuidoostewind

(_sirocco_) waait, die hier echter zelden drukkend of bedwelmend

is. De streek is zeer gezond, en de ziekten die er voorkomen, hebben

in den regel een goedaardig karakter.

Ofschoon de venetiaansche handel niet meer dan een schaduw is

van wat hij in vroeger eeuwen was, zoo heeft er in de hoofdstad

betrekkelijk nog een aanmerkelijk vertier plaats. In 1863 bedroeg

de invoer ongeveer 50 en de uitvoer omtreeks 30 mill. florijnen;

terwijl de eerste te Triëst over hetzelfde tijdvak ruim 85 beliep,

en de laatste ruim 83 mill. florijnen. Er vielen in 1863 te Venetië

3292 schepen en stoombooten binnen, te zamen 312,275 ton metende. De

koopvaardijvloot bestond in het genoemde jaar uit 1546 vaartuigen,

nagenoeg 38,000 ton metende en met 5515 koppen bemand.

Het fabriekswezen van Venetië breidde zich in de laatste jaren uit. In

de middeleeuwen bezat de republiek den alleenhandel vooral in spiegels

en glaswerk; thans vindt men er vele fabrieken van goud- en zilverstof,

fluweel, zijde, kousen, kant, vernis, kralen en kunstparelen, spiegels,

bijouteriën, waskaarsen en zeep.

Wat lichaamsbouw betreft, doet de Venetiaan niet voor zijne

italiaansche naburen onder. Vooral de vrouwen onderscheiden zich door

eene rijzige, welgevormde gestalte, door schoone oogen en tanden, en

meerendeels ook door fraaie, regelmatige gelaatstrekken. De vrouwelijke

bevolking der hoofdstad munt nog boven die van de overige deelen der

voormalige republiek uit door fijnheid van trekken en blankheid van

vel, door een bevalligen tred en innemende manieren.

De vroegere karakteristieke volksdracht, tot zelfs de mantel, is ook

hier geheel verdwenen en door de gewone europeesche modes vervangen. De

venetiaansche schoonen hebben evenwel den korten, zwart kanten sluier

als hoofddeksel nog niet laten varen, en droegen dien in 1865 nog bij

wijze van nationale leus, zelfs algemeener dan ooit. De wijze waarop

zij zich daarmede tooien is dikwijls zeer schilderachtig. Mutsen zijn

niet onder de vrouwen in zwang, en ook de bedaagde matronen laten

het vergrijsde hoofdhaar onbedekt, 't geen haar voorkomen, over

't geheel genomen, niet behaaglijker maakt.

De geaardheid van den Venetiaan is vroolijk, soms tot in het

luidruchtige, niet vrij van moedwilligheid, zorgeloos en zeer tot

zinnelijke genietingen overhellende. Hij behelpt zich te huis,

om buitenshuis te kunnen schitteren. Overigens is hij goedhartig,

voorkomend en minzaam in den omgang, vooral omtrent vreemdelingen;

wel buigzaam en lijdzaam, maar getergd of tot het uiterste gebracht,

ook onverzettelijk en tot alles in staat. De aristokratische trots,

waardoor voorheen de hoogere standen zich kenmerkten, is, ten gevolge

van den val der oude staatsregeling, grootendeels gebroken.

Venetië De Aarde en haar Volken, 1865 · 第 2 / 9 题