Hoog-poëtisch kiest het volk de bloem als zinnebeeld van tal
van afgetrokken begrippen en verplant ze naar de lustwarande
der symboliek. Symboliek is kunst, geen wetenschap; maar de
plantensymboliek heeft het volk opgebouwd op zijn natuurbeschouwing,
en daarom vindt zij hier een plaats.
Of is het symbool niets anders dan een rudimentaire vorm van idolatrie
of fetissisme? Zeer zeker, de plant-fetis kàn symbool worden, en niet
zelden is uit den fetis, zooals Tiele zegt, "door de macht der poëzie
en der beeldende kunsten een rijke symboliek ontloken". Maar evenmin
als ik inzie, waarom onze Driekleur het fetissisme als noodwendig
uitgangspunt of doorgangsstadium moet gehad hebben, evenmin kan
ik in onze bloementaal slechts veredeld animisme zien. Stokrozen
en zonnebloemen ranken òp langs de muren als de zinnebeelden der
vruchtbaarheid; de onverwelkbare driedistel (_Carlina vulgaris_)
prijkt in onze duinen als het beeld van trouw en vriendschap;
de maagdepalm (_Vinca minor_) beeldt uit de onsterfelijkheid,
omdat de leerachtige bladeren vele jaren leven: men plant haar
dan ook gaarne op de graven, mèt de witte roos, opgegroeid uit de
tranen van Maria Magdalena,--symboliek en legende gaan hier hand
in hand. Rouwboomen zijn de taxis en de cypres, dewijl de winter
haar nimmer ontbladert. Een wereldtaal spreken de roos, de lelie,
de narcis, het viooltje, de mirt, de laurier, de goudsbloem: met
haar wit, geel, groen, rood, en blauw zeggen zij uit de taal van het
eenvoudige menschenhart, vertolken zij zuiverheid, liefde, trouw,
hoop en zegepraal. Een wereldtaal spreekt ook het Edelweiss, maar voor
den Nederlander is toch vooral de mooie inheemsche brem (_Sarothanmus
vulgaris_) met haar groote goudgele bloemen het zinnebeeld van trouw
en vriendschap.
Voor de schilderachtige _volksnamen_ der planten is meestal de
uitwendige vorm maatgevend; bij de vergelijking worden natuurlijk
volksgebruiken en opvattingen betrokken. Aldus werden gedoopt de
koningskaars, toortsplant of hemelbrand (_Verbascum Thapsus_), de
voornaamste plant van den ruiker, die op Maria Hemelvaart wordt gewijd
(I, bl. 205); de gouden regen (_Cytisus Laburnum_) en de blauwe regen
(_Glycine sinensis_) met haar sierlijke, hangende bloemtrossen;
de monnikskap (_Aconitum Napellus_), ook wel stormhoed genoemd;
de Judaspenning (_Lunaria biennis_), omreden van de cirkelronde,
heider-glanzende witte tusschenschotten van de hauwtjes; de
Jacobsladder (_Polemonium coeruleum_), in de tuinen gekweekt, maar
toch ook hier en daar in het wild bloeiend; het drakenbloed (_Dracaena
Draco_) om het roode hars, dat uit den stam vloeit. Benamingen als
pijpbloem (_Aristolochia Clematitis_), lepeltje-heide (_Vaccinium
macrocarpon_), sneeuwbal (_Viburnum Opulus_), kardinaalsmuts
(_Evonymus europaeus_), pantoffelplant (_Calceolaria_), rozenkransje
(_Gnaphalium dioicum_) zijn zonder meer duidelijk. "Vogelnest" is
een der benamingen van de gewone peen (_Daucus Carota_), wier scherm
tijdens den vruchttijd eenigermate vogelnestachtig is verdiept;
schilderachtig is nog de term waterkruik voor de witte waterlelie
(_Nymphaea alba_), "de koningin onzer waterplanten, de Victoria regia
van Nederland" (F. W. van Eeden).
Natuurlijk zijn zulke benamingen veelal ook zuiver plaatselijk. Zoo
heeten b.v. de rooskleurige orchideeën (_Orchis maculata_) op de
Veluwe "kinderhandjes", naar den vorm van haar hand- of vingervormige
wortelknollen; in Vlaanderen noemt men ze naar den bloemvorm
"gaapmuilkes".
Een diernaam draagt de plant ofwel van wege de gelijkenis
met het een of ander lichaamsdeel, of omdat men gelooft, dat
het dier zich met die plant voedt. Dit is het geval b.v. met
de namen hertshooi, hertstong;--hanekam, hanepoot;--bereklauw,
berenoor;--koekoeksbloem, koekoeksklaver, Vlaamsch: koekoeksjakker
of koekoekszuring (_Oxalis stricta_);--muggepoot;--muizegerst;
--eiberbek, eiberbloem;--wolfsklaver, wolfspoot;-- ganzetong,
ganzedistel en ganzerik: de _Potentilla anserina_, wier gevinde,
zilverwitte bladen zoo treffend aan ganzevoeten herinneren. Dat
de gans een voorname rol speelt in de botanische volksnamen,
kan ons niet verwonderen, wanneer wij letten op de plaats,
die zij in het volksleven inneemt; zij was immers een Saksisch
stamdier (I, bl. 115). Laat ik verder nog vermelden de namen:
boksbaard, kraaienpooten, lammetjesooren, lijsterbes, hazengerwe,
katteklauwen;--adderstong, ossetong, zwaluwtong;--paardestaart,
kattestaart, vossestaart, visschestaart;--paddegras, nachtegaalskruid,
rupsklaver, vogelkers;--Vlaamsch: schaapmuilkes (_Linaria vulgaris_),
schapenbloem, schapenoor. Deze laatste plant draagt ook den naam van
limoenkruid (_Statice Limonium);_ van haar is gezegd, dat zij, groeiend
op den jeugdigen, uit zee opgerezen grond, het schoonste beeld is
van den nationalen geest van ons volk; daarom moge ieder rechtgeaard
Nederlander haar als zoodanig liefhebben. Ook het adelaarsvaren
(_Pteris aquilina_) groeit veel op onze veenachtige heide- en
boschgronden en hangt in sierlijke bochten over het water. Snijdt men
den bladsteel aan den voet schuin door, dan vormen de doorsneden der
vaatbundels een teekening, die aan een dubbelen adelaar herinnert.
De margriet (_Chrysanthemum Leucanthemum_) noemt men in Vlaanderen
plaatselijk "paardenoogen", getroffen als het volk is door de
gelijkenis van de bloem met de groote oogen van het paard; zie
Volkskunde XXIV, bl. 205. De naam "paddenstoel" is eigenlijk een
uitzondering. Maar in Zuid- en Midden-Limburg wordt deze zwam weer
als voedsel beschouwd, al is het niet van een dier: men spreekt daar
nl. van _tatervleisch_ of _joedevleisch_, terwijl de aan "paddenstoel"
beantwoordende uitdrukking _kroddelstool_ slechts zelden wordt
gehoord. _Tatervleisch_ blijft het gewone. Wanneer de jongens met
knikkers spelen in het ootje of met centen op de streep, zonder dat er
verloren of gewonnen wordt, als het dus voor niets gaat, dan drukken
ze dat uit door te zeggen: "'t Geit om tatervleisch".--Waarom
het _Echium_ den naam van slangenkruid draagt, is niet geheel helder;
sommigen zien de gelijkenis in de vrucht, anderen aan den wortel,
weer anderen aan de bloem zelf.
Sprekend en veelvuldig wordt de bloem vergeleken met een klok. De
_Campanula rotundifolia_ is in Noord-Nederland als grasklokje--in
Vlaanderen kloksken of belleken--, andere soorten als weideklokje,
bekerklokje enz. bekend. En is hij niet verrukkelijk de naam,
dien het volk aan de knollige steenbreek (_Saxifraga granulata_)
geeft, een der fraaiste plantjes, die in het voorjaar de omstreken
der Spaarnestad, maar vooral den Hout, sieren met haar groote, witte
bloemen,--de naam van "Haarlems klokkespel"? De benaming "steenbreek"
wijst op de hardheid van het zaad, of op hare vermeende geneeskracht
bij blaassteen, wellicht ook op het feit, dat zij veelal groeit op
steenharden bodem.
Een plant, nauw verwant aan het lelietje-van-dalen, is het
salomonszegel (_Polygonatum officinale_), rond Haarlem ook wel
kankerwortel genoemd. De vleezige worteltak draagt aan de bovenzijde de
litteekens van in vroegere jaren afgestorven stengels, die eenigszins
op zegelafdrukken gelijken.--Andere bloemen noemt men naar den
bloeitijd, b.v. de pinksterbloem, terwijl de wilde narcis den naam van
tijloos draagt, daar zij vroeg in het voorjaar met haar groote, gele
trompetbloem zich blijkbaar niet aan den gewonen bloeitijd stoort. [23]
Zij heet ook sporkelle, wat wel met den ouden naam van Februari
"Sporkelmaand" samenhangt. Eindelijk, naar haar waarde noemt het volk
de _Erythraea Centaureum_ het duizendguldenkruid, een term die echter
op onjuiste woordafleiding steunt. Koningskaars, monnikskap, sneeuwbal,
rozenkrans, hanekam, berenoor, eiberbek, addertong, vossestaart,
klokkespel--ziedaar doorgaans de plantensystematiek van het volk.
Ook hier ontbreekt het komisch, ja sarkastisch element niet. "Slofhak",
d.i. slordig wijf heet te Markeloo het _Anthoxanthum Puelii_, een
nieuwe aankomeling uit zuidelijker streken, dat al spoedig op de
roggevelden een lastig onkruid is geworden. "Mannentrouw" is de naam
van een distel, _Cirsium eriophorum_, wier slappe, onvaste stengel
in den herfst eindelijk doorbreekt, zoodat het bloemhoofdje ten
speelbal der winden wordt. Spijtige wrok spreekt uit "woerthaak" en
"prangwortel", waarmee de landlieden de _Ononis spinosa_ aanduiden,
de plant die met haar wijdvertakte wortel het ploegen belemmert. Tegen
deze kantige en zinrijke benaming steekt het onbeduidende "stalkruid"
der kultuurtaal ongunstig af.
Het geloof in de tooverkracht der kruiden is voor een groot deel reeds
bij de volksgeneeskunde besproken. Zij verdrijven den ziektegeest
veelal door sympathetische werking. Vandaar dat b.v. het Sint
Janskruid (_Hypericum perforatum_) ook _Jaag den Duivel_ genoemd
wordt. Vóor zonsopgang geplukt, behoedt het tegen den bliksem en
wordt het aangewend tegen branden en kwalen. Ook van den vlierstruik
weten wij, dat hij de heksen afweert en daarom gebezigd wordt, als de
melk onvoldoende is of niet wil boteren en eveneens tegen verscheidene
kwalen. Hangt het Duitsche _Hollunder_ met Vrouw _Holle_ samen en heeft
eenzelfde volksgeloof, dat Holda tot meesteresse maakte over leven en
dood, haar den vlierboom gewijd? Immers, de levensroede (I, bl. 116)
is eveneens meestal van vlierhout en wordt vooral buiten onze grenzen
herhaaldelijk in verband gebracht met leven en dood. Wat hiervan zij,
ik acht het volksgeloof, dat met den vlierstruik is samengegroeid,
te intens om sekondair, d.i. slechts heidensch bezinksel te zijn. Hij
is ook bij uitstek een huisboom, welks herkomst in een geheimzinnig
duister ligt. In het wild vindt men hem nergens dan juist in de
nabijheid van menschelijke woningen. Maar ook: nauwelijks heeft de
landman ergens een huis gebouwd, of de vlier staat op het erf. Ja,
men stelt er prijs op, met name in de Woudstreken, dat hij vlak tegen
den gevel van het huis groeit, aan een hoek of tusschen de ramen.
Wonderbare eigenschappen heeft ook het elzenhout. De bast in
wijn gekookt geldt als een uitstekend middel tegen de werking van
liefdedranken; takjes er van, in den grond gestoken, verdrijven de
mollen; de bladeren, nog nat van den dauw in de kamer gestrooid,
dooden de insekten. Toch is de els geen volkslieveling; daarvoor is
zijn bast te zwart en zijn de bladeren te donker van tint. Lichte, ja
schrille kleuren zijn het volk lief; wij zagen het bij het dekoratief
der volkswoning. Vandaar, dat het valkruid (_Arnica montana_)
zoo zeer in gunste staat, het sieraad onzer flora, vooral van de
Zuid-Limburgsche heuvelstreek, met zijn stralende oranjebloemen. Het
volk noemt deze plant ook wondkruid, heilige Vrouwenkruid en wolverlei,
een raadselachtig woord. Het Duitsche _Wohlverleih_ is een niet
onaardige volksetymologische vervorming. Daarentegen schijnen de
Oostfriezen in hun _Wulfsblöme_ vrijwel het oorspronkelijke, n.l. een
betrekking van de bloem tot den wolf, bewaard te hebben, waarop ook de
latinizeering _wolfilegia_ wijst; zie ook F. Söhns, Unsere Pflanzen
(Leipzig 1899), bl. 123. Vermelden wij ten slotte het ijzerkruid of
ijzerhard (_Verbena_). De naam wortelt in het volksgeloof, dat dit
kruid uitermate geschikt is tot het harden van ijzer. Ook beveiligt
het tegen beten van slangen en dolle honden, en in den nacht van Sint
George (23sten April) wijst het schatten aan.
Volksnamen en volksgeloof in de plantlore hebben in belangrijke mate
den invloed ondergaan van het Christendom. Na al hetgeen ik in het
Eerste Deel, bl. 70 en elders, heb betoogd: hoe bij de invoering
van het Christendom de volksverbeelding attributen van goden en
godinnen op Christus en de heiligen overdroeg; hoe menige heidensche
overlevering op den satan is overgedragen; hoe wij herhaaldelijk in
het hedendaagsche folklore stooten op Christelijk-getinte overblijfsels
van het geloof aan Wôdan en zijn kring,--na dit alles behoeft het lot
van het aanzienlijk aantal planten, voorheen aan Wôdan, Donar, Frija
e.a. gewijd, wel geen nadere toelichting. Het geldt hier de vermenging
der historisch-heidensche laag met Christelijke bestanddeelen. Dat wij
ook met Christelijke, van de Germaansche mythologie onafhankelijke
formaties te doen hebben, bewijzen benamingen als Judaspenning,
Jacobsladder enz., maar ook zoo menige specifiek-Christelijke
legende. Nochtans in de meeste gevallen konstateeren wij kerstening.
Op oude muren bij Maastricht groeit het Venushaar (_Adiantum
capillus Veneris_), door het volk Vrouwehaar, in het buitenland
Mariahaar genoemd; naar men weet beantwoordde de Germaansche godin
Frija-Frigg aan de Romeinsche Venus, men denke ook aan de Venusbergen
(I, bl. 91). Het Frigjargras werd Vrouwegras, en elders Mariagras,
het aan Frija als godin der geboorte heilige _Asperula odorata_ kreeg,
zooals gezegd, den naam van Onze Lieve Vrouwe-bedstroo, zoogenaamd
omdat Maria haar kind er op nedervlijde. Het _Labrum Veneris_ kreeg
den naam van Onzer-Vrouwedistel en Mariadistel, het _Cypripedium_,
de schoen der Venus Cypria, heette voortaan Onzer-Vrouweschoentje, en
zoo volgde Maria in de volksverbeelding herhaalde malen de Germaansche
godin Frija op. In de benamingen Maria-, Onzer-Vrouwe-, O.L. Vrouwe-,
Vrouwe- ligt geen verschil, aangezien Vrouwe hier zonder twijfel de
beteekenis van "meesteres" heeft. Volgens de legende waren de bladeren
van de Mariadistel oorspronkelijk groen en kregen zij hun melkwitte
kleur, doordat de plant een droppel van Maria's moedermelk opving. De
O.L. Vrouwemantel (_Alchemilla vulgaris_) met haar zacht-geplooide,
ronde, gelobde bladen, als een geplooide pelerine met franje, herinnert
volgens W. F. van Eeden aan het manteltje van Nehalennia. Meer
overeenkomst vind ik in de mantelvormig saamgeplooide blaren met
den mantel van Maria, dien zij om haar beschermelingen heenslaat,
zooals dit vaak in de Middeleeuwsche kunst is voorgesteld.
Hiermee is echter Maria's bloemenkleeding niet voltooid. Het volk kent
nog Onzer-Vrouwenhandschoen (_Aquilegia vulgaris_), en in Vlaanderen:
Onzer-Vrouwekouseband, Onzer-Vrouwesnoeren, Onzer-Vrouwevoorschoot,
Onzer-Vrouwevingerhoed, Onzer-Vrouwekam, Onzer-Vrouwesleutelbos,
Onzer-Vrouwespiegel enz., waarover Teirlinck, Vlaamsche Kunstbode XXXVI
(1906), bl. 390 vlg. De benaming zonnedauw (_Drosera_) wijst, zooals
wij zagen (bl. 299), op de druppels helder vocht, die de blaadjes
omzoomen en ook bij zonneschijn niet uitdrogen. Dit geheimzinnige
vocht, dat de klierharen afscheiden, heeft de natuuronderzoekers van
voorheen heel wat hoofdbrekens gekost. De alchimisten zochten daarin
de grondstof van hun goudtinktuur en van den drank, die de eeuwige
jeugd verleent. In heidensche tijden hield men het voor de tranen,
door Frija geweend over het vertrek van haar gemaal, en de Christelijke
volksfantasie heeft deze in Mariatranen herdoopt. Maar de benamingen
Mariasleutel (_Primula veris_), O.L. Vrouwehandeke (_Orchis_),
Onzer-Vrouwemelkkruid of Onzer-Vrouwespeen (_Pulmonaria_), evenals
Onzer-Vrouwevlas, O.L. Vrouweoogen, O.L. Vrouweglazeken, Mariaklokje,
Mariakaars, Maria's-kussen, Maria's-zegel, Maria's-goud, Mariazwaard,
Maria's-bosch en vele andere beschouw ik als zuivere Christianismen,
zonder substraat in het heidendom.
Specifiek-Christelijk is ook de volkssymboliek, op fantastische
natuurbeschouwing gegrondvest, die in de onderscheiden plantdeelen
der Passiebloem (_Passiflora coerulea_) de martelwerktuigen des
Heeren ziet: de nagelen, doornenkroon, kelk, lans, geeselriemen. De
_Lychnis coronaria_ heet in Vlaanderen plaatselijk Christusoogen;
de _Capsella bursa pastoris_ O.L. Heerenageltjes; de _Orchis_
O.L. Heereteentjes. Verrukkelijk is de Antwerpsche benaming der
witte haagwinde (_Convolvulus sepium_): Onze-Heerenhemdeken, of
Hemdeken-zonder-Naad.
De herinnering aan Donar, den Jupiter der Germanen, bewaart ons
donderkruid (_Sempervivum tectorum_), voorheen ook _Barba Jovis_
geheeten, in Zwitserland nog _Joubarbe_, bij ons donderbaard. Naar men
weet, is het woord _Donder_ ook voor den satan in gebruik. Den naam
duivelsnaaigaren dragen een drietal planten, vooral echter het warkruid
(_Cuscuta_). Neemt men echter in aanmerking, dat deze plant dikwijls
een zeer schadelijk onkruid is op de vlaslanden, dan kan deze benaming
evengoed als een zuiver Christianisme worden beschouwd. Hetzelfde
geldt voor de duivelsbeet (_Succisa pratensis_), maar lijkt bedenkelijk
voor den duivelsklauw (_Valeriana_), het heksenkruid bij uitstek.
Met zijn donkergroene, groote, teedere bladeren en witachtige bloemen
in slanke trosjes prijkt het Stevenskruid (_Circaea lutetiana_)
in de oudste bosschen van Holland, prijkte het eertijds in het thans
uitgeroeide Beekbergerwoud bij Apeldoorn, een van de oorspronkelijkste
bosschen van Nederland. Deze naam "Stevenskruid"-- _Circaea_ hangt
natuurlijk met de nimf Circe samen--is daarom zoo merkwaardig,
dewijl Sint Stefanus, beschermheilige der paarden, ook enkele
trekken van den een of anderen Germaanschen god heeft overgenomen;
zie hierover I, bl. 134. Stellig beschouwde men deze plant vroeger
als een tooverkruid. Of de benaming "Satans-(pijp)zwam" (_Boletus
Satanas_) in het heidendom wortelt, zou ik echter weer betwijfelen;
het lijkt mij veeleer een dichterlijke vertolking der duivelsche
schoonheid van dezen zeer giftigen paddenstoel, met zijn gloeiend
rooden hoed, aan het bovenvlak venijnig zilverwit.
In de Limburgsche bosschen vindt men het Kristoffelkruid (_Actaea
spicata_). Het verschaft toegang tot onderaardsche schatten en wapent
tegen allerlei booze invloeden. Het volksgeloof wijdde de plant aan
Sint Kristoffel, wiens legende veel overeenkomst vertoont met het
Noorsche verhaal, hoe Loki door Thor over de reuzenrivier gedragen
werd, welke het doodenrijk omgeeft. Want het doodenrijk is het
rijk der schatten. Maar de koningin der tooverkruiden is de alruin
(_Mandragora_), ook heksen- en tooverkruid en, met volksetymologische
vervorming, mandragerskruid genoemd. Nog wordt door het Duitsche
_zuraunen_ geheimzinnig fluisteren verstaan. De alruin nu bloeit in
den heiligen en mysterievollen Kerstnacht.
Ook het _Visciim album_, de _mistletoe_ der Engelschen, de "sacred
bush" van Tennyson, vertoont sporen van kerstening; het is immers
de heilige plant van het Kerstfeest, reden, waarom zij in België
plaatselijk (b.v. te Pepingen) "kesthout", d.i. kersthout genoemd
wordt. In Nederland vindt men de plant uitsluitend in Limburg,
woekerend op appel- en pereboomen, eiken en populieren. Bij de Druïden,
die haar telken jare, des winters, met een gouden sikkel van den
heiligen boom afsneden, stond zij hoog in eere; den Noorschen lichtgod
Balder strekte zij ten verderve. De gewone naam bij ons is vogellijm of
marentak, vgl. I, bl. 76. Vanwaar deze benaming? Het Zuidduitsche _Mar
des Baums_ zou kunnen wijzen op een drukken van den boom, evenals de
mare den mensch drukt. Toch komt deze verklaring voor de _algemeene_
benaming mij te gekunsteld voor. En vanwaar de naam "mistel", het
Oudhoogduitsche _mistil?_ Raadselachtig, evenals de herkomst der
plant raadselachtig was voor de Oude Romeinen, die dachten, dat zij
geteeld werd zonder zaad, en zonder zaad werd voortgeplant, gelijk
Vergilius getuigt. In de Middeleeuwen gold zij als het symbool van
den Messias: de bloem, uit den hemel neergedaald en vrucht dragend
op den kruisboom; zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 249; Is. Teirlinck,
Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode XXXIV (1904), bl. 69, vlg.
Ten slotte wensch ik nog de aandacht te vestigen op het feit, dat
de planten, die heiligennamen dragen, alle tot een _volks_heilige
in betrekking staan; ik noem slechts: Sint Janskruid, -varen,
-kers, -brood (waarmee Johannes de Dooper zich in de woestijn zou
gevoed hebben), -peren enz.; Sint Jozefskruid; Sint Pietersbloem,
-kruid, -pluimken, -lelie, -hout enz.; Sint Jakobskruid, -lelie;
Sint Katrijnsbloem; Sint Kristoffelkruid; Sint Teunisbloem; Sint
Joriskruid; Sint Michaëlsbloem; Sint Luciakers. Zoo dit noodig ware,
zou deze bijzonderheid voldoende zijn om te bewijzen, dat het doopen
en herdoopen der planten inderdaad door het Christelijke _volk_
is geschied.
Onze flora is het trouwe beeld van de voortbrengselen van onzen
Nederlandschen volksaard.
Had de plant een nationaal karakter uit zich zelve, dan zou Nederland
geen eigen flora hebben, want er groeit in ons land zoo goed als
geen soort, die niet ook in andere landen gevonden wordt; maar
bodem en standplaats hebben een nuanceering en groepeering gekweekt,
die onzen plantengroei een beslist-nationaal karakter geeft. En zoo
verschillen ook onze Nederlandsche volksgebruiken, gewoonten, feesten,
opvattingen, zegswijzen, liederen en verhalen niet wezenlijk van die
van andere volken, met name van die onzer Germaansche stamgenooten:
noch in het intieme heiligdom der huiselijkheid, noch in het bonte
gemeenschapsleven met zijn grillige verscheidenheden treffen wij
diepgaande verschillen, en slechts zelden stoot men op een verrassende
nieuwvorming. Ja, in tal van gevallen kunnen wij het exotische
leengoed aanwijzen, en den weg vervolgen, dien liederenmotief, melodie,
sagenstof of volksgebruik hebben afgelegd. Berust een onzer schoonste
volksliederen, dat van de Twee Koningskinderen, niet op een "vreemde"
kultuurbewerking eener "vreemde" sagenstof?
Maar rasvermenging tot een bepaalde verhouding, en meer nog
gemeenschapsgevoelens van historischen, religieuzen, politieken
en socialen aard, gemeenschappelijke invloed van traditioneele
levenswijze, klimaat en gesteldheid des bodems,--dit alles schiep een
milieu, dat op ons volkswezen een geheel eigenaardig kenmerk drukte en
het stempelt tot het volkswezen van Groot-Nederland. Laat ik slechts
wijzen op onze schilderachtige kleederdracht, onze karakteristieke
huistypen, op de eigenaardige tint onzer volksfeesten met hun
voorliefde voor opgewektheid zonder vertoon, op een gezinsleven,
dat gemoedelijkheid en rust ademt, maar een rust, die niet roest,
op de ongezochte sierlijkheid van onze dekoratieve kunst, op den
nuchteren, moraliseerenden trek in volkslied en volksverhaal, op den
grooten eenvoud en hoogen ernst onzer sagen, op het humoristische
van talrijke sprookjes, op den praktischen zin onzer spreekwoorden,
op het typische van ons volkstooneel. Zeer zeker, tot volledige
samensmelting, tot volstrekte eenvormigheid van kleur en toon is het
niet gekomen; maar wij treffen toch geen toon aan, die niet opgaat
in de eenheid van het akkoord. Ook binnen onze grenzen, in den boezem
van ons volkswezen, blijven rassenverschil, klimaat en sociologische
struktuur nog steeds differentiëerend werkzaam; maar dit belet niet,
zooals uit de bovenstaande gegevens moge blijken, dat het volkswezen
van Nederland door groepeering en selektie en vooral door een zeer
bijzondere lokale kleur een geheel vormt, dat het in voldoende mate
van naburige volken onderscheidt, om van een specifiek-Nederlandschen
volksaard te spreken, en den drager van dien volksaard zijn nationale
zelfstandigheid te waarborgen, wanneer hij zich van zijn eigenwaarde
in voldoende mate bewust blijft.
De natie is als een stroom, die het water van vele beken en rivieren
opvangt en in zijn benedenloop vereenigt tot éen geheel; als een
gewas, uit verschillende heterogene bestanddeelen saamgegroeid. Haar
voortbestaan staat en valt met den wil vereenigd te blijven, die
wortelt en zijn sappen trekt uit het gevoel van samenhoorigheid
meer nog door eigen aard, dan door oorsprong. De groote vijandin van
eigen aard en zede, de gladstrijkende, nivelleerende, internationale
albeschaving, is dus ook de machtigste belaagster der nationale
zelfstandigheid. Het is den mensch eigen en den mensch waardig, door
het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner natuur zich op te
werken van de onderkultuur tot de bovenkultuur; maar dit veredelen
mag geen verbasteren worden in den geest van de "veredeling" van het
drie-kleurige viooltje tot de wanstaltige pensées onzer tuinen. Slechts
dàn heeft deze veredeling waarde, wanneer zij de reeds bestaande vormen
en eigenschappen in gelijke verhouding versterkt. De veredeling van het
volksleven volge den aard der rozen in de natuur, der "wilde" rozen,
die een aanleg hebben, om gevulde bloemen voort te brengen in tallooze
verscheidenheid. "Zoolang in de hollandsche bosschen nog de sporen van
den natuurlijken plantengroei gevonden worden", schrijft Van Eeden,
"zoolang wanhopen wij niet aan het behoud onzer nationaliteit en
van het oude Hollandsche volkskarakter." Mocht echter de veredeling
en beschaving in ons dierbaar Nederland--wat God verhoede!--niet
blijven wortelen in de vruchtbare moederaarde der onderkultuur, maar
de vormen nastreven der hedendaagsche internationale, eenkleurige
of liever kleurlooze, albeschaving, dan delft zij het graf voor het
Nederlandsche nationaliteitsbewustzijn en ontketent het wezenlijkste
gevaar voor de ongereptheid van ons volksbestaan.
In deze benarde tijden kan vaderlandsliefde minder dan ooit voor
hersenschimmig gelden en voelen wij dieper dan ooit de waarde van eigen
aard en eigen haard, de waarde van ons nationale zelfbestaan, van ons
in doorsnede zoo kalm en nuchter, maar ook zoo waardig, degelijk en
onbevangen Nederlandsch karakter; en steeds sterker groeit de wil,
ons-zelf en vereenigd te blijven, niet in een andere natie op te
gaan, niet prijs te geven een volksbestaan en een volksaard, die ons
dierbaar werd als de bron van onnoembaar veel goeds; steeds grooter
wordt de drang, te blijven vormen de in haar diepste wezen uninationale
bevolking van Groot-Nederland, vereenigd in dagen van beproeving. Wij
beseffen het: niet slechts de taal, maar de volkskultuur is heel het
volk, De Volkskultuur is de Ziel der Natie. Blijft deze in wezen en,
ongeacht het ruwe van vele harer bestanddeelen, kerngezond en krachtig
genoeg om aan de hoogere beschaving steeds nieuw voedsel te schenken,
dan blijft het nationale organisme ook krachtig genoeg, om voldoende
weerstand te bieden aan de aanlokselen eener vreemde landskultuur,
die moet voeren tot het verlies van eigen zelfstandigheid. Vreemd
kultuurgoed is smet noch schande, maar de eigen beschaving moet
krachtig genoeg blijven, om dat vreemde kultuurgoed aan zich te
assimileeren en om te smelten, en daarom moet zij voeling blijven
houden met de voorvaderlijke onderkultuur, heilig erfdeel, vast en
onschatbaar onderpand onzer nationale onafhankelijkheid.
Hou zee, mijn Nederland, blijf vroom en veilig varen met God!