De ekster wilde een nest leeren bouwen en vroeg de duif om raad. Deze
had echter niet veel lust, van haar wetenschap mee te deelen. Maar
de ekster beloofde haar een roode koe, en nu willigde de duif in. De
ekster leerde het spoedig, maar weigerde de roode koe te geven. En
daarom roept de duif voortdurend: "Rookoe, rookoe": Driem. Bladen I,
bl. 71. Wij hebben hier te doen met een geliefkoosd thema. De dieren
beloven, borgen, ruilen en handelen als de menschen, en bedriegen en
worden bedrogen als zij. Vooral ook de primitieve ruilhandel speelt een
groote rol. Zoo verklaart het volk ook gaarne de ongelijkheid in de
uiterlijke verschijning van twee dieren, die zijns inziens eigenlijk
niets op elkaar moesten voor hebben: waarom de pauw leelijke pooten,
de haas lange ooren, de koe hoorns heeft. De dieren, die een staart
missen, hebben hem geleend en niet terug gekregen.
Waarom is de schol plat?
Adam hield veel van visch, verhaalt men in Friesland. Eens had hij
een menigte visschen gevangen en op den oever neergelegd. Toen hij
nu bezig was, de visschen bijeen te verzamelen, kwam hij te vallen,
want de grond was glad van het slijm der visschen. Hij viel met zijn
achterdeel midden op een schol, die daardoor geheel plat werd. Adam had
een broek met nopjes aan, daardoor kreeg de schol vlekjes op de huid,
zooals men die tot heden toe er nog op ziet. En de schol is sedert ook
altijd plat gebleven: Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II,
bl. 137.
Waarom heeft de schelvisch twee bruine vlekken?
Toen Sint Pieter eens in het Galileesche meer schelvisschen ving,
gebeurde het, dat hij een, die niet in den emmer ging, met duim
en wijsvinger beetpakte. De indrukken der vingers zijn nog steeds
zichtbaar.
Waarom lijkt de mier half doorgebroken?
Een herder zette zich eens bij toeval op een mierennest. De mier
ging klagen bij God en nam de spin tot getuige. Maar deze beweerde,
dat het niet met opzet gebeurde. Toen werd God boos en sloeg de mier
met het zwaard midden door.--
Ook in deze verhalen ontbreekt het komisch element veelal niet,
zooals blijke uit het volgende sprookje, waar ook andere ons reeds
bekende motieven een plaats vinden.
Waarom heeft de kwakkel geen staart?
De groenvink was herbergierster en hield een bierhuis langs den weg. Op
Aschwoensdag hadden de kraai, de ekster en de kwakkel zich in de kerk
een asschen kruisje gehaald, dat na den kerkdienst, naar zij meenden,
"verdronken" moest worden. Het Leuvensch en de faro smaakten hun bij
den groenvink zoo lekker, dat zij ten slotte een stuk in hun kraag
kregen; maar toen het op betalen aankwam, hielden zij zich van den
doove. De kwakkel, die vroeger een fraaien, langen staart had, wou
de plaat poetsen, maar de bazin pakte ze bij den staart en hield de
veeren in haar poot. De ekster, die eerst wit was, kwam in een kolenbak
terecht; en de kraai, die voorheen evenmin zwart was, vloog door de
schouw naar buiten en moest zich door het vuile roet heenwerken.
Sedert dien tijd hebben de kwakkels geen staart meer, zijn de kraaien
en eksters zwart, en herhaalt de groenvink telkens: "Ik wil 't geld
van mijn bier!" Waarop de kwakkel antwoordt: "Ge hebt het gehad,
ge hebt het gehad!"
Het ontbreken van lichaamsdeelen wordt dikwijls ook zóo verklaard,
dat het dier te laat kwam, toen O.L. Heer de staarten, horens
enz. verdeelde.--Toen de vogels gekleurd werden, verhaalt een
Westvlaamsch sprookje, en O.L. Heer bij den distelvink kwam, was
Hij al zijn verven kwijt. Daar stond nu het arme vogelken te klagen
en te jammeren, zoo dat Ons Heer deernis met het beestje kreeg. Hij
ging nu van vogel tot vogel, nam van elks veeren een ziertjen af en
schilderde dat op de veeren van het distelvinkje.
Maar ik mag ook het fraaie sprookje van het roodborstje niet onvermeld
laten.
Toen O.L. Heer vol pijnen en tormenten aan Zijn kruis hing, zat
een klein vogeltje op den rand van zijn nest vol medelijden naar
zijn stervenden Schepper te turen, en bittere tranen liepen uit zijn
oogskens, toen het de puntige doornen zag. Het vliegt naar het kruis,
en het gelukt hem éen doorn los te pikken en te rukken.... Op dat
oogenblik viel een droppel bloed op hem, en verfde zijn borstje rood.
Planten. Het Christelijk element treedt hier sterk op den voorgrond. De
Mariadistel heeft wit-gevlekte blaren, omdat, toen Maria haar kind de
borst gaf, daar een druppel melk op viel. De witte hagerozen prijken
op den heester, waarover Maria op de vlucht naar Egypte de windsels
van haar kind te drogen hing. Op dezen tocht hoorden Maria en Jozef
eensdaags de soldaten achter zich en zij verborgen zich haastig in een
gracht. Daar groeiden biezen, en de biesstengel was onbeschaamd genoeg,
om het kind in 't oog te durven steken. De kleine Jezus gilde van pijn,
maar gelukkig hoorden de soldaten het niet. Daarom werd het stekelige
bies-topje vervloekt, en sedert dien is het dor en als verbrand.
En weer op dezen tocht, zoo dramatisch door het volk uitgewerkt,
verleenden sommige boomen geen bescherming. Maar wel de palmboom
en de treurwilg, die nog heden hun takken laten hangen, dewijl ze
destijds herhaaldelijk de H. Familie als met een ringmuur omsloten
tegen nakend gevaar. De hazelaar verleende beschutting tegen het
onweer, en sedert dien heeft hij bliksemwerende kracht.
Hoeveel stof schenkt ook niet de Passie des Heeren! De _Rosa
rubiginosa_ heeft roode puntjes op de twijgen: die komen van 's
Heilands bloed bij de doornenkroning. Eveneens werden de mosroos en
het zevenblad rood geverfd door de bloeddruppels van Christus.
Bij Zijn dood waren alle boomen droef en stil, behalve de esch;
daarom moet hij thans voortdurend ruischen en beven.
De wilgen, verhaalt men in Noord-Limburg, bersten als zij oud worden;
en wel, omdat ook Judas berstte, die zich ophing aan een wilgetak.
Over de vossebessen vind ik in ons land deze twee natuurverklarende
verhalen. Een vroom kluizenaar bad Maria om ooft voor de arme
bergbewoners. Toen nam zij haar krans af, maakte hem los en strooide
de stukken over de bergen.--Maar de weetgierigheid van het volk vroeg
ook opheldering omtrent den kruisvorm der kelkblaadjes. Vandaar het
verhaal, dat de duivel bij de schepping het verlof kreeg, óok een
plant het aanzijn te schenken. Hij schiep nu de vossebessen, maar
vervloekte ze, zoodat ieder, die de vrucht at, hem vervallen moest. God
nu verhinderde dit, door op iedere vrucht een kruis te plaatsen.
Waarom heeft het viooltje geen geur?
Vroeger was het zóo welriekend, dat het koren vertrapt werd, om de
bloem te plukken. Dit verdroot haar en ze bad: "Heilige Drievuldigheid,
ontneem mij mijn geur!" De H. Drievuldigheid antwoordde: "Het geschiede
naar uw wensch. Maar dewijl gij niet hoogmoedig zijt, zult gij mijn
naam [19] dragen."
Waarom draagt de Haagwinde (_Convolvulus sepium_) den naam van
O.L. Vrouweglazeken? [20] In Vlaanderen verhaalt men:
Daar was een keer een voerman. Zijn wagen, die zwaar met wijn geladen
was, zat diep in het slijk aan eenen slechten eerdeweg versteld,
en nutteloos zweepte hij zijne peerden om uit den modderpoel te
geraken. Alle moeite was verloren: voerman en peerden zweetten onder
den last en de wagen bleef even diep verzonken. Maar Onze Lieve Vrouwe
kwam daar van passe voorbij gegaan, en den nood van den armen voerman
ziende, had zij er pijne mede en zij sprak tot hem:
"Ik ben moede en afgemat van gaan, en ik lijde van den dorst, geef
mij wat wijn te drinken en terstond zoo maak ik uwen wagen los".
"Zeer geern, Lieve Vrouw", antwoordde de voerman, "maar 'k en hebbe
geen glas om er den wijn in te doen".
Onze Vrouwe en gaf daarop geen antwoord, zij keerde heur om, en trok
uit de hage een wit met rood gestreept bloemeken af, dat nog al een
glazeken geleek, gaf het aan den voerman en zei:
"Schenk mij uwen wijn daarin."
De blijde man goot het witte bloemeken boordeke vol en gaf het met
eerbied aan O.L. Vrouwe.
"God zegene u", zeide hij, "lieve Vrouwe".
En O.L. Vrouwe ledigde het blommeke, en op den zelfsten oogenblik
stond de wagen vrij en de voerman reisde voort.
't Is sedert dien, dat men dat bloemeken O.L. Vrouweglazeken heet.--
Ten slotte nog het natuurverklarend sprookje van den vorm der
sleutelbloem (_Primula Veris_), ook Sint-Pietersleutel geheeten. Ik
laat het hier volgen in zijn West-Vlaamsche kleedij en vestig de
aandacht van den lezer op de fijnheid van toon en de naïeveteit
van lijnen.
Daar was eens een kindje gestorven. Zijn zielke, nog wit als sneeuw
van onnoozelheid, vloog rechte naar den hemel en 't klopte er aan de
deur om binnen gelaten te zijn en te gaan spelen met de engelkens,
zijn broertjes.
Sint-Pieter ontsloot de deur met zijn grooten gouden sleutel en
deed ze met gerreken open [21]; ja maar, met dat hij zag, met wien
hij te doen had, trok hij de deur wat wijder open en heette het
nieuwe engelken welkom in zijnen nieuwen huis. Maar, als hij de deur
wederom wilde toedoen, ontsnapte de truis goudene hemelsleutels aan
Sinte Pieter zijne handen en hij viel op de goudene zulle dat 't
klonk. Maar van de zulle gletste de truis naar beneden en viel een
dag of twee lang en rolde eindelinge ieverst op't kerkhof van een
buitenparochie neder. Nauwelijks lagen de goudene sleutels tusschen
't gers en de blomkes van 't kerkhof te glinsteren, of daar schoot
een schoone blomme op, eene blomme die, nog nooit op aarde gegroeid
noch gebloeid hadde, waarvan de naam zelve niet en bestond.
Nu 't gebeurde, dat er daar 's anderdaags met den vroegen ochtend een
weezeken kwam naar 't kerkhof, op 't graf van haar onlangs gestorvene
moeder, versche bloemen strieuwelen en een vurig gebed bidden. Weldra
had het weezeken die nieuwe blomme in 't oog, die zoo fier en zoo
mooi te pronken stond; en 't was heel verwonderd van zulk een schoone
blomme te zien, die er daags te voren niet en groeide; eene blomme,
die het nog nooit van zijn leven gezien en hadde. 't Ging nader
en bezag de blomme wat nauwkeuriger, maar wat stond het verbaasd,
toen het te midden in den bloemenstruik een truis gouden sleutels zag
liggen, die aan een gouden ringel geschakeld zaten en waarin het woord
"Hemel" gesneden stond.
De mare van de blomme en de goudene sleutels liep seffens de parochie
rond, en elders ook nog, en een ieder kwam zien naar die blomme,
en het volk heette ze _d' Hemelssleutelblomme_, zoo ze nog heet.
Zie Is. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1906,
bl. 233 vlg., 1907, bl. 170 vlg., 1909, bl. 47; De Mont-De Cock,
Vlaamsche Vertelsels, bl. 115-124; De Cock, Natuurverklarende Sprookjes
(Gerit 1912); Joos, Vertelsels I, bl. 37 vlg., Boekenoogen, Volkskunde
XV, bl. 115, 116.
2. Op een eigenaardige natuurbeschouwing stoelt ook de
_volksweerkunde_. Zij is van geslacht tot geslacht overgeleverd
en mag bogen op een ervaring van vele eeuwen. Vooral landbouwers,
herders, schippers en visschers, wier gestadig in aanraking komen
met de natuur het waarnemingsvermogen oefende en tot dieper inzicht
voerde, verrijkten en verrijken nog steeds hun sociale kringen in
de allereerste plaats met den schat hunner bevindingen. Ik zeg met
"den schat", al zal de kultuurweerkunde die uitspraak niet beamen;
want ook hier is de empirie weer zoo gebrekkig en hebben gevoel en
fantasie zulk een ruim aandeel in de volkswaardeering! Maar het
geheel, mèt zijn wetenschappelijke en artistieke bestanddeelen
en eigenaardige populaire voorstellingen en begrippen, is voor
ons hoogst waardevol ter bepaling van den volksgeest. Juist het
populaire in deze "volkswijsheid" na te gaan, is de taak van den
volkskundige. In verscheiden gevallen schijnt de volksmeening echter
inderdaad te strooken met de kultuurwetenschappelijke meteorologische
waarnemingen. Dit heeft vooral betrekking op sommige door het volk in
den dampkring en bij de hemellichamen aangeduide verschijnselen als
voorboden van depressie of bestendige heldere weersgesteldheid. Men
raadplege hierover de studie van Dr. H. Ekama in het Album der Natuur,
15 Nov. 1907.
Verscheiden weerregels zijn door het volk in rijm gebracht en gaan
terug op Middeleeuwsche volksboeken; maar deze volksboeken zelf steunen
toch weer op de overoude primaire, mondelinge overlevering. Het
dichterlijke ligt echter geenszins in deze kreupelrijmpjes,
maar in het dichterlijk waas, waarmee de volksgeest de dingen
omgeeft. Het volk zegt niet, dat het weer gaarne verandert op 25 of
30 November of op 13 December, maar op Sint Katrijne, Sint Andries,
Sinte Lucie. Ja, de heiligen worden veelal--zonder mythologischen
bijsmaak!--voorgesteld als de personen, die het weer verleenen of
veranderen: "Sint Michiel verbiedt den strooien hoed en de linnen
kiel";--"Sint Petrus vischt graag";--"Sint Mathijs gooit een gloeienden
steen op het ijs";--"Sint Leendert voert de vliegen weg" (Limburg)
enz.--Wil men te Venloo zeggen: "wanneer de wind uit het Westen waait",
dan luidt dit in den volksmond: "wanneer men de klokken van Blerik
hoort". Boven de formuleering: "als het met Lichtmis helder weer is",
verkiest men: "als met Lichtmis de zon op het misboek schijnt". En
zoo verder: "als 't Kind Jezus geboren is";--"als een balk voor de
zon ligt";--"als de zon in een nest ligt";--"als de lucht nog geen
warmte kan verdragen". Van het tijdperk na Driekoningen heet het, dat
dan de dagen "een hanengeschrei lengen"; en van Apriltje, dat zich
het epitethon "zoet" ter wille van het rijm moet laten welgevallen,
zegt men teekenend, dat het "nog wel een vilten hoed geeft". Het volk
spreekt ook graag van "schaapjeswolken":
Schaapjes aan de hemelbaan
Duiden wind en regen aan.
Sneeuwt het op Sint Maarten, dan zegt men, dat de heilige "op een
schimmel komt gereden".
Somtijds heeft het den schijn, of niet het rijm er is ter wille
van het weer, maar het weer ter wille van het rijm; zoo b.v. in het
bekende: Sint An_dries_ brengt de _vries_, "Sint Ma_thijs_ breekt het
_ijs_". Maar in ieder geval wordt in de weerkunde een voorname rol
gespeeld door den faktor der sympathie, een feit, dat naar ik meen,
vrijwel aan de aandacht der beoordeelaars ontsnapt is. Evenals men kan
spreken van een sympathetische geneeskunde (bl. 304), bestaat er een
sympathetische weerkunde. Het volk ziet een symbolisch verband tusschen
bepaalde verschijnselen om zich heen en de komende weersgesteldheid,
alsof deze op magische wijze door bedoelde verschijnselen verwekt
werd. Ik bepaal mij tot enkele voorbeelden, maar men zal deze zonder
moeite kunnen vermenigvuldigen. Wanneer wilde ganzen in den vorm eener
< vliegen, dan beduidt dit Vorst. Wanneer de kwartiermaan achterover
ligt als in een schuitje, noemt men haar in Friesland een "sleêjager",
omdat zij een vorst voorspelt, die het ijs sterk genoeg zal maken,
om er op te rijden met paard en slede.--Ruischt de wind 's avonds
in het molenbekken, dan zal den volgenden morgen een stevige wind
waaien.--Als _grijze_ kraaien dicht bij de huizen komen, dan voorspelt
dit een strengen winter.--Als de zon op Nieuwjaarsdag _schittert_,
dan beduidt dit een jaar rijk aan visschen (de middelterm is hier het
"beweeglijke" van zonnelicht en water).-- De begrippen "helder" en
"vuil", in sympathetisch verband met schoon, droog weer eenerzijds,
en regen anderzijds, verklaren ook menigen weerregel. Als de ooievaars
vuil zijn, komt er regen; zijn zij echter zindelijk en helder, dan
volgt schoon weer.-- Wanneer de poes zich wascht, d.i. helder maakt,
spelt zij droog weer. Maar het begrip "wasschen" kan ook de gedachte
aan water opwekken, en daarom dekreteert de volkswijsheid, dat er
regen komt, wanneer de ganzen zich wasschen. Ook komt er regen,
als de varkens vuil zijn, d.i. met stroo aan de pooten loopen, en
als de slakken een kluitje aarde kruien; maar hebben zij een grasje
op den staart, dan wordt het weer goed. Likt zich de kat tegen het
haar in, dan komt er onweer.--Als de zon in den kreeft staat, mag
men geen erwten zaaien, anders worden zij wormstekig; men denke ter
verklaring van dezen tuinmansregel, uit Duitschland overgewaaid, aan
de tweevoudige beteekenis van het Duitsche _Krebs_ (bl. 309). Rogge
moet gezaaid met _wassende_ maan, en daarenboven dient men het zaad
_hoog_ op te werpen (I, bl. 278, 279).--Is het borstbeen van de gans
doorschijnend, dan beduidt dit helder weer en vorst. Ook de roode
vlekken op dit been hebben hunne beteekenis: vlekken op het _voorste_
gedeelte voorspellen vorst in den _voor_winter, op het _achter_deel
in den _na_winter. Zoo leidt men ook sympathetisch uit het weer van
de eerste 12 dagen van het jaar, dus de dagen tusschen Kerstmis en
Driekoningen, het weer van alle volgende maanden af. Men begint met
den Kerstnacht; zooals het weder is van den avond tot middernacht,
is het ook in het eerste vierde deel van Januari; van middernacht
tot den morgen in het tweede; van den morgen tot den middag in het
derde; en van den middag tot den avond in het laatste vierde deel
van Januari. De volgende 24 uur geven het weer voor Februari enz.
Sympathetisch dient ook verklaard te worden de bekende regel, dat
er regen komt, wanneer padden over den weg kruipen. Immers volgens
de oude volksopvatting, die men nog in Middeleeuwsche volksboeken
vindt, ontstaan de padden uit de vochtigheid van den bodem. Met padden
worden nu, al is het minder vleiend, gelijk gesteld: wannenlappers,
scharenslijpers enz.; immers, als een scharensliep of een gebochelde
passeert, zegt men: "de schildpadden kruipen": Driem. Bladen IX,
bl. 50.
Voor een groot deel verklaart men aldus ook de beteekenis van planten
en dieren in de volksweerkunde.
Bloeiende boomen tweemaal op een rij,
Zal de winter zich rekken tot Mei,
immers, een dubbele periode van bloei eischt een dubbele periode
van rust.--Het knappen van stroo- en riethalmen voorspelt droog en
dor weer.--Late rozen wijzen op een mooien, zachten herfst.-- Harde
vruchten als eikels en noten verkondigen een harden, strengen winter.
Bij de voorteekenen in de dierenwereld wordt de schifting der populaire
bestanddeelen moeilijk. Mooi, helder weer werkt opwekkend niet
alleen op menschen, maar ook op zoogdieren, vogels, insekten enz.,
terwijl een bepaalde verandering in de weersgesteldheid ook reeds
eenigen tijd vooruit haar invloed schijnt te doen gelden. En dus:
als de kat door 't huis vliegt, de koeien wild door de wei loopen,
de paarden onrustig zijn, de meeuwen landinwaarts vliegen, komt regen
of storm. Maar kraait de haan in alle vroegte, en zingt de zwaluw
des morgens, dan wordt het weer goed. Verder:
Als de kwartel rustloos slaat,
Weet: het spoedig reegnen gaat.
Als de kikvorsch kwaakt,
Vast regen naakt.
Men dient er echter wel degelijk rekening mee te houden, dat katten,
hazen, wolven, honden, paarden, raven, kraaien en uilen spook- of
onweersdieren zijn, wier verschijnen of wier gedragingen dus tot de
volgende weersgesteldheid in nauwe betrekking staan:
Krassen kraai en raaf verbolgen,
Weldra zal er regen volgen.
Maar de ooievaar, de geluksvogel, de _heil-över_, brengt een zachten
winter en mèt zwaluw en leeuwerik, hoog in de lucht, mooi en helder
weer.--Zooveel slagen als de kwartel in het voorjaar slaat, zooveel
gulden zal de mudde rogge den volgenden winter opbrengen (Friesland).
Men dient in deze materie ook rekening te houden met het beginsel der
periodiciteit, waarvolgens het weer gedurende een zeker tijdsbestek
vast en onveranderlijk blijft. Zulke perioden duren meestal 7 dagen,
of ook 40, het Bijbelsch getal, geheiligd door het vasten van Christus
en verder door de periode van de Veertigdaagsche Vasten enz. Regent het
b.v. op Hemelvaartsdag, op Sint Margriet, op Sint Jan, dan regent het
nog 40 dagen, of ongeveer zes weken. Zoo ook in het bekende rijmpje:
Donder in het dorre hout
Maakt zes weken guur en koud.
De maand vormt natuurlijk ook een periode, en hierop zal ten deele
wel het vertrouwen berusten in het omslaan van het weer met nieuwe
maan. Verder hebben wij de periode van Kerstmis tot Driekoningen,
het befaamde tijdperk der _Twaalf Nachten_ (I, bl. 128), dat zelfs
het weer voor het geheele volgende jaar aangeeft. Het jaar der oude
Germanen begon immers op 25 December; vandaar:
Is op Kerstmis de hemel klaar,
Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.
De eerste dag van elk tijdsbestek is beslissend. De kerkelijke
Paaschtijd eindigde vroeger met Pinksteren; voor de periode van
Paschen tot Pinksteren is de Eerste Paaschdag dus beslissend: "zooals
de wind op Paschen waait, zoo waait hij op Pinksteren". Ja zelfs:
"zooals het zomert, zal het ook winteren".
Ook moet het geheel van een jaar vrijwel een gelijke weersgesteldheid
bieden als die van andere jaren, oordeelt het volk. Vandaar,
dat aan de natuur het streven wordt toegedacht, een mogelijk te
kort aan te vullen, geleden scha weer in te halen. Maar ook wordt
vroegtijdige zachte weersgesteldheid door koud, onvruchtbaar weer
gevolgd. Vooral bestaat een vaste verhouding tusschen de maanden
Maart en April. Eindelijk hebben wij den belangrijken faktor der
kritische dagen, Friesch: _merkeldagen_, beslissend voor het verder
verloop van het weer. Zij vallen veelal omstreeks den 24en of 25en
der maand, waarop allicht de datum van het Kerstfeest van invloed
was, en nog meer wellicht de 25ste April, Sint Marcusdag, wanneer de
voornaamste processie gehouden wordt door de velden voor het gedijen
der vruchten en om onheil af te weren. Maar nog andere redenen hebben
m.i. meegewerkt. Op 2 Februari, feest van O.L. Vrouwe _Licht_mis,
was de naam stellig niet zonder invloed. Etymologische invloed is
ook waarschijnlijk bij het feest der H. Katharina (25 Nov.). Op 25
Januari, feest van Paulus Bekeering, geldt alleen de datum, zooals ik
in het Eerste Deel, bl. 151, betoogde,--òf het moest zijn, dat de term
"bekeering" mede op de vorming van het volksbegrip heeft ingewerkt. Men
luistere naar het Duitsche rijmpje:
Wenn Paulus sich bekehrt
Mit einem Sonnenschein,
So hoffen wir ein Jahr
Sehr reich an Korn und Wein.
Wij hebben trouwens een analogon in Sint Laurentius (10 Aug.), die
volgens de legende, werd _omgekeerd_ op den gloeienden rooster. De 10e
Augustus is weer een kritische dag en de volkswijsheid luidt hierbij:
"Als Sint Laurentius het hoofd goed staat, houden wij mooi weer",
dus als hij het hoofd naar het licht keert. Op 27 Juni, het feest
der H.H. Zevenslapers, was het getal 7 weer maatgevend: "als het dan
regent, regent het 7 dagen of 7 weken aan een stuk". Regent het op
Sint Maria Magdalena (22 Juli), dan regent het 6 weken aan een stuk;
zou het _weenen_ van deze heilige hier zonder invloed geweest zijn?--
Volge nu een kort overzicht van den volks-weerkalender, tevens
landbouw-kalender. Ik begin weer met _Sint Maar-tensdag_ (n Nov.):
Zoo 't loof niet valt vóor Sint Martijn,
Dan zal 't een harde winter zijn.
Is 't donkere lucht op Sint Martijn,
Zoo zal 't een zachte winter zijn;
Maar is dien dag het weder helder,
De vorst dringt door in meen'gen kelder.
Nevels in Sint Maartensnacht
Brengen winters kort en zacht.
Men ziet, dat Sint Martijn wel degelijk grooten invloed op het
komende winterweder en, wij mogen zeggen, daardoor op het geheele
jaar uitoefent.
_Sint Caecilia_ (22 Nov.). De dag vóor Caecilia geldt bij velen
als maatgevend.
_Sint Katharina_ (25 Nov.). Als dan de zon schijnt--men denke aan de
volksetymologie--houden de lange herfstregens op.
In Zuid-Limburg zegt men: "Sint Katrien wörpt de kouwe stein in de
Rien"; klaarblijkelijk van Duitsche herkomst.
_Sint Andries_ (30 Nov.) brengt de vries.
_Kerstmis_ (25 Dec.). Groene Kerstmis, witte Paschen.
Kerstmis aan den wa
Paschen aan den brand.
Zit op Kerstmis de kraai nog in 't klavergroen,
Op Paschen zal zij 't in het sneeuwveld doen.
Is op Kerstmis de hemel klaar,
Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.
_Nieuwjaarsdag_ (1 Jan.). Is het weder helder, dan wordt het jaar
goed. In Middeleeuwsche volksboeken vindt men deze, heden nog geldende,
weerregels:
Oostenwind op 1 Januari brengt ziekte onder het vee;
Westenwind brengt sterfte onder de koningen;
Zuidenwind brengt besmettelijke ziekten onder de menschen;
Noordenwind brengt een vruchtbaar jaar.
Geeft Januari muggenzwerm,
Dan hoort ge in oogstmaand licht gekerm.
Knapt Januari niet van kou,
Men zit in oogstmaand in den rouw.
Als in Januari de muggen dansen, dan wordt de boer een bedelaar. In
Januari ziet men liever een wolf in het veld, dan een ploeg. Het
motief is dus: "alles heeft zijn gerechtigheid": wat in Januari te
veel is en buitentijds, dat moet men later bezuren; en dit motief
wordt herhaald in allerlei toonaarden.
_Driekoningendag_ (6 Jan.)
Als 't Driekoningen is in 't land,
Komt de vorst in 't vaderland.
_Sint Antonius_ (17 Jan.) brengt ijs of dooi: "Sint Teunis is iês-mêker
of iêsbrêker", zegt men in Zuid-Limburg.
_Sint Sebastianus_ (20 Jan.). Dan beginnen de boomen uit te
loopen. Vriest het op Sint Antonius, dan dooit het op Sint Sebastiaan:
Maakt Sint Theunis de brök (brug),
Sint Sebastiaan sjleit ze stök.
_Sint Vincentius_ (22 Jan.):
Vincentius met zonneschijn
Geeft veel koren en veel wijn.
_Pauli Bekeering_ (25 Jan.), zie I, bl. 151.
_Maria Lichtmis_ (2 Febr.). Als met Maria Lichtmis de zon op het
misboek schijnt, dan kruipt de vos nog 6 weken in zijn hol.
Lichtmis donker,
Wordt de boer een jonker.
Lichtmis helder,
De boer in den kelder,
of:
Lichtmis helder en klaar
Geeft een goed ijmenjaar.
Geeft Lichtmis klaverblad,
Paschen dekt met sneeuw het pad.
_Sint Pieter-in-den-Winter_ (22 Febr.). Vriest het dien dag, dan
vriest het nog 14 (of 40) dagen.
_Sint Mathias_ (24 Febr.) breekt het ijs, of ook: gooit een gloeienden
steen op het ijs.--
Februari mist,
Hooi in de kist.
_Sint Geertrui_ (17 Maart). Een Zuid-Limburgsch rijmpje luidt:
Sint Mathies
Wörpt eine gleuetige sjtein op 't iês;
Sint Gêëtruuj mit de moes [22]
Hoalt um weer droes.
Maart moet 7 mooie dagen geven.
Stof in Maart
Is goud waard.
Maart
Speelt met zijn staart.
Wat Maart niet wil,
Haalt zich April.
April kent geen kritische dagen; immers:
April
Doet wat hij wil.
of:
Heeft zijn gril.
Een droge Maart en een natte April,
Dan doet de landman wat hij wil.
Maart droog en April nat
Geeft veel koren in het vat.
Danst het lammetje in Maart,
April vat hem bij den staart.
April is aan Mei de korenaar schuldig.
_IJsheiligen_: Sint Mamertus (11), Pancratius (12) en Servatius (13),
of: Sint Pancratius, Servatius en Bonifacius (14). Deze feesten vallen
omstreeks den tijd der koude meidagen, waarvoor ik verwijs naar een
opstel van B. van Hage, in Vragen van den Dag XIX, bl. 23. Bedoelde
daling der temperatuur wordt ook de _haagdoornkoude_ genoemd, omdat
dan gewoonlijk de haagdoorn of de meidoorn bloeit. Maar deze depressie
is van korten duur, want: "Strenge heeren regeeren niet lang". Over de
groeikracht van den Meiregen sprak ik reeds I, bl. 192. Een Vlaamsche
weerregel zegt:
Als de Mei is koel en wak,
Brengt zij veel koren in den zak.
Begint in Mei het koren in de aren te staan, dan kan het tegen Sint
Jakob gemaaid worden; Zuid-Limburg:
Mei ore
Sint Joacop kore.
_Sint Medardus_ (8 Juni). Regent het dezen dag, dan regent het nog
40 dagen. Vooral in Vlaanderen staat deze heilige als "regen-heilige"
bekend. Maar men rekent ook met de "Zwertzusters", 14 dagen na Paschen.
_Sint Jan_ (24 Juni). Als met Sint Jan de linde bloeit, is tegen
Sint Jacob de rogge rijp.--Vóór Sint Jan moet men om regen bidden,
na Sint Jan komt hij van zelf. "Deze meening staat in verband met de
werkelijkheid", schrijft Van Hage; "zooals wij weten zijn de maanden
Juli en Augustus gemiddeld de regenrijkste maanden in Nederland."
Na Sint Jan
Neemt de zee het onweer niet meer 'an.
(Spijkenisse op Putten).
Met Sint Jan bloeit het vlas, al is het ook maar een hand lang.
_Sint Pieter_ (29 Juni).
Sint Pieter helder en klaar
Is een goed ijmenjaar.
Met Sint Pieter rijpt het koren dag en nacht.
_Marie-Siêp_ (_Visitatio._ 2 Juli), meer bepaald in Limburg bekend,
waar _siêpen_ "druipen, druppelen" beteekent. Regent het op dezen dag,
dan regent het nog 40 dagen.
_Sint Margriet_ (20 Juli). Regent het op Sint-Margriet, dan regent
het nog 6 weken aan een stuk; regent het dien dag niet, dan regent
het 30 dagen niet. Maar gewoonlijk is het regenachtig: "Sint Margriet
houdt haar water niet".
_Maria Magdalena_ (20 Juli) is, zooals gezegd, eveneens een kritische
dag.
_Sint Jacob_ (25 Juli).
Met Sint Jacob en Sint An (Anna, 26 Juli)
Is 't koren in de schuur of in den ban (gebonden).
_Sint Dominicus_ (4 Aug.).
Als Sint Dominicus gloeit,
Een strenge winter bloeit.
_Sint Laurentius_ (10 Aug.).
Sint Laurens' wind
Maakt de boekweit blind.
Wie knollen wil eten,
Moet Sint Laurens niet vergeten
_Maria Hemelvaart_ (15 Aug.).
Is 't weer op Maria-Hemelvaart uitgelezen,
Zoo zal 't den heelen herfst voortreffelijk wezen.
_Sint Bartholomaeus_ (24 Aug.) bindt de spurrie den zak toe.
Wat Augustus niet kookt, laat September ongebraden.--Maar in September
en Oktober neemt de belangstelling in het weer af. Dat ligt voor de
hand. Want niet alleen vertoont het weer dan minder schommeling, maar
er treedt voor den landman een rustperiode in na de groei-, bloei-
en oogstmaanden. Het koren en hooi is meestal binnen, de landman weet
dus, wat hij van het jaar te denken heeft. De weersgesteldheid is
voor hem hoogstens nog van belang met het oog op het volgende jaar,
en zoo luidt het dan b.v.: "Vorst in September, een zachte December",
overeenkomstig het beginsel der gelijkmatigheid-in-doorsnede.
De eenige kritische dag is _Sint Michielsdag_ (29 Sept.), dien men
als het begin van den voorwinter beschouwt. "Sint Gilis verbuut den
ongere en den achterongere", zegt de Zuid-Limburger:
dan houden de namiddagslaap en de namiddagboterham op. De zonnige
dagen omstreeks dezen tijd zijn bekend als de Sint Michielszomer.
Ook in Oktober wordt de belangstelling zoo goed als uitsluitend door
het nakende winterweer geboeid.
Oktober met groene blaâr
Duidt een strengen winter aan.
Oktober moet eveneens enkele mooie dagen geven, 12 in het geheel, den
"kranenzomer", daar in dien tijd de kranen overvliegen. En eindelijk op
_Allerheiligen_ (1 Nov.), of rond dien datum, mòet de zon eenige dagen
schijnen, evenals zij enkele uren ter eere van Maria door de wolken
moet breken op Zaterdag. Het volk spreekt van een "Allerheiligen"-
of "Oudewijven-zomer."
Wanneer op 1 November de zon schijnt, dan is een open winter te
wachten; vriest het, dan is het ijs sterk op Kerstdag; en
Als het met Allerheiligen sneeuwt
Leg uw pels gereed
Met al zijn weerregels berust ons volk echter met kalme gelatenheid
in Gods beschikking; immers:
De mensch maakt den kalender, maar God het weer.
en:
Alle weer is Gods weer.
Zie: Ekama en Van Hage, t.a.p.; N. L. Van Hall, Spreekwoorden
enz. betreffende landbouw en weerkennis; Welters, Feesten enz.,
bl. 116 vlg.; Limburg's Jaarboek VII, bl. 171, XVI, bl. 228 vlg.;
Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 91; Dijkstra, Uit Friesland's
Volksleven II, bl. 244.