III. Natuurverklaring en weerkunde.

1. Uiteraard is ook de _natuurverklaring_ van het volk hoogst

gebrekkig, hoe vertrouwd het met de natuur ook zijn moge en hoe goed

het de natuurverschijnselen over het algemeen waarneemt. Immers de

volksempirie is hoogst onbetrouwbaar en bij onderzoek en verklaring

speelt de verbeelding de voornaamste rol. Reeds de gestelde vragen zijn

eigenaardig. Het volk tracht niet slechts den oorsprong der dingen te

achterhalen door te vragen: vanwaar komt de aarde, de zon, de maan,

de mensch, vanwaar boomen en planten, bergen en rivieren, ziekten en

dood? Maar met een weetgierigheid als die van het kind, dat ons door

zijn vragen verveelt, stelt het vragen, die ons volstrekt onzinnig

lijken: hoe komt het, dat het vuur ons dient, de eik getande bladeren

heeft, de koekoek zijn eigen naam roept, de kruisbessen stekels hebben,

de kraai zwart is, de pad roode oogen heeft, de vleermuis en de uil

zich over dag schuil houden, het heidekruid een rossige kleur heeft,

de hazenlip gespleten is?

Maar eigenaardiger nog dan de vraag is het antwoord, dat nl. zoo goed

als steeds den vorm van sprookjes, sagen en legenden aanneemt. Wij

spreken dan van natuurverklarende sprookjes enz.; en deze vindt

men niet alleen bij volken met lage kultuur, maar ook daar, waar

de mensch door het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner

natuur zich tot een bovenkultuur heeft opgewerkt. Het ongeoefende

denken vermag nimmer een strikt wetenschappelijk antwoord te geven;

een sprookjesverklaring is makkelijker gevonden. Merkwaardig in deze

volksverhalen is niet alleen het zoeken naar den oorsprong der dingen,

maar ook de omstandigheid, dat het physieke kwaad gewoonlijk wordt

voorgesteld als het gevolg van den toorn van een hooger wezen, door

een misslag veroorzaakt. Zie hierover verder mijne Essays en Studiën,

bl. 183, 210; Volkskunde XIII, bl. 8 vlg. Overvloediger materiaal

vindt men bij O. Dähnhardt, Natursagen, zie boven; Naturgeschichtliche

Volksmärchen (Leipzig 1898).

Ook in ons land vindt men zulke natuurverklarende volksverhalen

te over, in het zuidelijk volksgebied echter meer dan in het

noordelijk. Wij vernemen, hoe de bergen en heuvelen ontstaan zijn

door oproerige reuzen, of uit zand, dat in den mond van den satan lag;

want oorspronkelijk was de aarde vlak. Wij vernemen de oorzaak van het

onweer: schreef men dit voorheen aan den dondergod toe, thans zegt men,

dat de H. Petrus aan het kegelen is. Waarom is de zaag getand? Dat

is eigenlijk duivelswerk. De satan meende aldus de menschen te

plagen. Vanwaar het _Hul_ bij Elspeet, het Solsche Gat, het Vrouwenzand

bij Stavoren? Vanwaar zoo menige grillige rotsvorm, die schijnbaar een

hoefindruk vertoont? Vanwaar het mannetje in de maan? In Vlaanderen,

Antwerpen, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland is het een houtraper of

houtdief, die 's Zondags of in den Kerstnacht er op uitging. Waarom

is de wever zoo slecht gezien? Omdat een wever de nagels bezorgde,

toen Christus gekruisigd werd; zie Welters, Limburgsche Legenden II,

bl. 61; Joos, Vlaamsche vertelsels, bl. 35. Doch laat ik mij beperken

tot enkele natuurverklarende verhalen van dieren en planten.

Dieren. Waarom vliegt de uil alleen bij nacht? In Gelderland en

Groningen vertelt men: Eens kwamen de vogels samen en zeiden: wij

willen te zamen vliegen, en wie het hoogst komt, zal koning zijn. De

ooievaar, de vorst der Geldersche vogels--te Groningen zegt men

de gansarend--verhief zijn statige vlerken en overtrof den raaf en

den koekoek vèr; het winterkoninkje was hem echter te slim af. Het

was onder zijn vederen gekropen en had zich aldus mee omhoog laten

heffen. En toen nu de ooievaar niet meer kon, vloog het vroolijk nog

veel hooger het luchtruim in.

Maar de vogelen, verontwaardigd, zich aldus verschalkt te zien,

meenden het beestje te moeten bestraffen. Het ontvluchtte hen echter

in een molshoop. Toen besloten de vogelen den uil als wachter aan

te stellen, omdat alleen hij bij nacht ziet. De uil waakte tot den

morgenstond. Toen werd hij slaperig, en het winterkoninkje ontkwam

den sluimerenden wachter en vloog lustig door het geboomte rond.

Sindsdien hebben de vogelen den uil bespot. Als hij zich bij dag laat

zien, schelden zij hem uit. Daarom vliegt de uil alleen bij nacht.--

Verhalen als deze vindt men in alle werelddeelen. Hoofdoorzaak blijft,

dat de uil uit de gemeenschap der vogelen gebannen werd. Sommige

volken schrijven dit hieraan toe, dat hij eerst koning was, maar om

zijn wreedheid werd verdreven; weer andere, dat hij den leeuwerik

bedroog en nu bang voor hem is.

Het verhaal van het winterkoninkje en den uil is ook in België algemeen

verspreid, zooals De Mont en De Cock, Joos, Cornelissen en Verliet ons

mededeelen. Daar dient het ook als naamverklaring van "koninksken"

en "koninksvogelken", terwijl de Geldersche lezing het geroep van

het winterkoninkje verklaart. Want boven den ooievaar gekomen, riep

het beestje: "Koning, koning ben ik-kik-kik-kik-kik!" Maar de katuil

roept nog altijd klagend: "Er-oêt, er-oêt!" Een Fransch sprookje zegt,

dat de uil "hu-hu-hu-hu" roept van de kou.

Ons sprookje is niet zuiver natuurverklarend. Het eerste gedeelte

verhaalt den wedstrijd tusschen twee dieren, die overoud is, en behalve

in Europa, in Afrika, Amerika en Oost-Azië wordt aangetroffen. Volgens

Dähnhardt moet de Aesopische fabel van den haas en de schildpad als

de oorvorm worden beschouwd. Deze wedstrijd wordt verhaald in drie

hoofdvormen: 1. De haas verlaat zich op zijn slanke beenen en legt

zich te slapen aan den weg; maar de schildpad loopt zonder ophouden

en erlangt de overwinning der volharding over de traagheid.--2. De

schildpad (slak, egel) overwint den haas (olifant, struis, ree,

tijger) door bedrog, door verscheiden verwante dieren onderweg

op te stellen, die op de vraag: "Schildpad, waar ben je?" moeten

antwoorden: "Hier!"--3. Een klein dier, dat zich aan den staart

van den tegenstander vastklampt of zich onder zijn veeren verbergt,

overwint. In Afrika zijn deze dieren: wild zwijn en kameleon, of ook

leeuw en kikvorsen; op de Fidschi-eilanden: vlinder en kraanvogel;

in Annam: schildpad en tijger; in de Westaziatisch-Europeesche groep:

vos en kreeft,of kikvorsen en slak. Bij een soortgelijk verhaal uit

Zuid-Holland (Maasland) voegt zich het eigenaardige motief, ook in

Frankrijk en België niet onbekend, dat de kikvorsch bij aankomst de

poort gesloten vindt. Maar de slak kruipt er eenvoudig over heen. Te

Maasland kent men ook het verhaal van het wed_vliegen_, maar vervangt

er het winterkoninkje door het klein-jantje of boomsluipertje. De

ooievaar blijft in dit waterland natuurlijk gehandhaafd. In Lapland,

Finland en Zweden verhaalt men van het wed_zwemmen_ van visschen,

en ook in Vlaanderen is deze vorm niet onbekend. Zoo weet men b.v. te

verhalen, dat de schol en de panharing een weddenschap aangingen, wie

het snelst kon zwemmen. De schol repte zich, wat zij kon. De kleine

panharing daarentegen vermoeide zich niet, maar zwom zoo gestadig, dat

de schol ten slotte achterbleef. Toen nu de haring haar voorbijschoot,

meende de schol te barsten van nijd. Zij beproefde een list en begon te

roepen: "Panharing! panharing!" en zoo lang schreeuwde zij, tot haar

muil krom getrokken was: daarom heeft de schol een scheven muil. Hier

treedt het verhaal dus weer in dienst der natuurverklaring. Zie

De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 97 vlg.; Boekenoogen,

in Volkskunde XV, bl. 72 vlg.; Cornelissen en Vervliet, Vlaamsche

Volksvertelsels, bl. 224.

Nederlandsche Volkskunde · 第 112 / 117 题