1. Uiteraard is ook de _natuurverklaring_ van het volk hoogst
gebrekkig, hoe vertrouwd het met de natuur ook zijn moge en hoe goed
het de natuurverschijnselen over het algemeen waarneemt. Immers de
volksempirie is hoogst onbetrouwbaar en bij onderzoek en verklaring
speelt de verbeelding de voornaamste rol. Reeds de gestelde vragen zijn
eigenaardig. Het volk tracht niet slechts den oorsprong der dingen te
achterhalen door te vragen: vanwaar komt de aarde, de zon, de maan,
de mensch, vanwaar boomen en planten, bergen en rivieren, ziekten en
dood? Maar met een weetgierigheid als die van het kind, dat ons door
zijn vragen verveelt, stelt het vragen, die ons volstrekt onzinnig
lijken: hoe komt het, dat het vuur ons dient, de eik getande bladeren
heeft, de koekoek zijn eigen naam roept, de kruisbessen stekels hebben,
de kraai zwart is, de pad roode oogen heeft, de vleermuis en de uil
zich over dag schuil houden, het heidekruid een rossige kleur heeft,
de hazenlip gespleten is?
Maar eigenaardiger nog dan de vraag is het antwoord, dat nl. zoo goed
als steeds den vorm van sprookjes, sagen en legenden aanneemt. Wij
spreken dan van natuurverklarende sprookjes enz.; en deze vindt
men niet alleen bij volken met lage kultuur, maar ook daar, waar
de mensch door het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner
natuur zich tot een bovenkultuur heeft opgewerkt. Het ongeoefende
denken vermag nimmer een strikt wetenschappelijk antwoord te geven;
een sprookjesverklaring is makkelijker gevonden. Merkwaardig in deze
volksverhalen is niet alleen het zoeken naar den oorsprong der dingen,
maar ook de omstandigheid, dat het physieke kwaad gewoonlijk wordt
voorgesteld als het gevolg van den toorn van een hooger wezen, door
een misslag veroorzaakt. Zie hierover verder mijne Essays en Studiën,
bl. 183, 210; Volkskunde XIII, bl. 8 vlg. Overvloediger materiaal
vindt men bij O. Dähnhardt, Natursagen, zie boven; Naturgeschichtliche
Volksmärchen (Leipzig 1898).
Ook in ons land vindt men zulke natuurverklarende volksverhalen
te over, in het zuidelijk volksgebied echter meer dan in het
noordelijk. Wij vernemen, hoe de bergen en heuvelen ontstaan zijn
door oproerige reuzen, of uit zand, dat in den mond van den satan lag;
want oorspronkelijk was de aarde vlak. Wij vernemen de oorzaak van het
onweer: schreef men dit voorheen aan den dondergod toe, thans zegt men,
dat de H. Petrus aan het kegelen is. Waarom is de zaag getand? Dat
is eigenlijk duivelswerk. De satan meende aldus de menschen te
plagen. Vanwaar het _Hul_ bij Elspeet, het Solsche Gat, het Vrouwenzand
bij Stavoren? Vanwaar zoo menige grillige rotsvorm, die schijnbaar een
hoefindruk vertoont? Vanwaar het mannetje in de maan? In Vlaanderen,
Antwerpen, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland is het een houtraper of
houtdief, die 's Zondags of in den Kerstnacht er op uitging. Waarom
is de wever zoo slecht gezien? Omdat een wever de nagels bezorgde,
toen Christus gekruisigd werd; zie Welters, Limburgsche Legenden II,
bl. 61; Joos, Vlaamsche vertelsels, bl. 35. Doch laat ik mij beperken
tot enkele natuurverklarende verhalen van dieren en planten.
Dieren. Waarom vliegt de uil alleen bij nacht? In Gelderland en
Groningen vertelt men: Eens kwamen de vogels samen en zeiden: wij
willen te zamen vliegen, en wie het hoogst komt, zal koning zijn. De
ooievaar, de vorst der Geldersche vogels--te Groningen zegt men
de gansarend--verhief zijn statige vlerken en overtrof den raaf en
den koekoek vèr; het winterkoninkje was hem echter te slim af. Het
was onder zijn vederen gekropen en had zich aldus mee omhoog laten
heffen. En toen nu de ooievaar niet meer kon, vloog het vroolijk nog
veel hooger het luchtruim in.
Maar de vogelen, verontwaardigd, zich aldus verschalkt te zien,
meenden het beestje te moeten bestraffen. Het ontvluchtte hen echter
in een molshoop. Toen besloten de vogelen den uil als wachter aan
te stellen, omdat alleen hij bij nacht ziet. De uil waakte tot den
morgenstond. Toen werd hij slaperig, en het winterkoninkje ontkwam
den sluimerenden wachter en vloog lustig door het geboomte rond.
Sindsdien hebben de vogelen den uil bespot. Als hij zich bij dag laat
zien, schelden zij hem uit. Daarom vliegt de uil alleen bij nacht.--
Verhalen als deze vindt men in alle werelddeelen. Hoofdoorzaak blijft,
dat de uil uit de gemeenschap der vogelen gebannen werd. Sommige
volken schrijven dit hieraan toe, dat hij eerst koning was, maar om
zijn wreedheid werd verdreven; weer andere, dat hij den leeuwerik
bedroog en nu bang voor hem is.
Het verhaal van het winterkoninkje en den uil is ook in België algemeen
verspreid, zooals De Mont en De Cock, Joos, Cornelissen en Verliet ons
mededeelen. Daar dient het ook als naamverklaring van "koninksken"
en "koninksvogelken", terwijl de Geldersche lezing het geroep van
het winterkoninkje verklaart. Want boven den ooievaar gekomen, riep
het beestje: "Koning, koning ben ik-kik-kik-kik-kik!" Maar de katuil
roept nog altijd klagend: "Er-oêt, er-oêt!" Een Fransch sprookje zegt,
dat de uil "hu-hu-hu-hu" roept van de kou.
Ons sprookje is niet zuiver natuurverklarend. Het eerste gedeelte
verhaalt den wedstrijd tusschen twee dieren, die overoud is, en behalve
in Europa, in Afrika, Amerika en Oost-Azië wordt aangetroffen. Volgens
Dähnhardt moet de Aesopische fabel van den haas en de schildpad als
de oorvorm worden beschouwd. Deze wedstrijd wordt verhaald in drie
hoofdvormen: 1. De haas verlaat zich op zijn slanke beenen en legt
zich te slapen aan den weg; maar de schildpad loopt zonder ophouden
en erlangt de overwinning der volharding over de traagheid.--2. De
schildpad (slak, egel) overwint den haas (olifant, struis, ree,
tijger) door bedrog, door verscheiden verwante dieren onderweg
op te stellen, die op de vraag: "Schildpad, waar ben je?" moeten
antwoorden: "Hier!"--3. Een klein dier, dat zich aan den staart
van den tegenstander vastklampt of zich onder zijn veeren verbergt,
overwint. In Afrika zijn deze dieren: wild zwijn en kameleon, of ook
leeuw en kikvorsen; op de Fidschi-eilanden: vlinder en kraanvogel;
in Annam: schildpad en tijger; in de Westaziatisch-Europeesche groep:
vos en kreeft,of kikvorsen en slak. Bij een soortgelijk verhaal uit
Zuid-Holland (Maasland) voegt zich het eigenaardige motief, ook in
Frankrijk en België niet onbekend, dat de kikvorsch bij aankomst de
poort gesloten vindt. Maar de slak kruipt er eenvoudig over heen. Te
Maasland kent men ook het verhaal van het wed_vliegen_, maar vervangt
er het winterkoninkje door het klein-jantje of boomsluipertje. De
ooievaar blijft in dit waterland natuurlijk gehandhaafd. In Lapland,
Finland en Zweden verhaalt men van het wed_zwemmen_ van visschen,
en ook in Vlaanderen is deze vorm niet onbekend. Zoo weet men b.v. te
verhalen, dat de schol en de panharing een weddenschap aangingen, wie
het snelst kon zwemmen. De schol repte zich, wat zij kon. De kleine
panharing daarentegen vermoeide zich niet, maar zwom zoo gestadig, dat
de schol ten slotte achterbleef. Toen nu de haring haar voorbijschoot,
meende de schol te barsten van nijd. Zij beproefde een list en begon te
roepen: "Panharing! panharing!" en zoo lang schreeuwde zij, tot haar
muil krom getrokken was: daarom heeft de schol een scheven muil. Hier
treedt het verhaal dus weer in dienst der natuurverklaring. Zie
De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 97 vlg.; Boekenoogen,
in Volkskunde XV, bl. 72 vlg.; Cornelissen en Vervliet, Vlaamsche
Volksvertelsels, bl. 224.