II. Volksgeneeskunde.

Bij gezette overweging blijkt het, "dat naast de officieele therapie

een andere bestaat, welke met totaal verschillende geneesmiddelen

werkt, die minstens evenveel blijvende of tijdelijke aanhangers telt

als de schoolgeneeskunde, en die meestal zonder bevredigende diagnose

en zonder eenige duidelijke voorstelling te bezitten omtrent aard of

werking der toegepaste middelen, alleen op de ruwe empirie steunende,

vol vertrouwen haar zonderlinge middelen toepast. Dit is de eigenlijke

volksgeneeskunde, die zich hoofdzakelijk op het gebied der therapie

beweegt en haar adepten bij duizenden telt". Aldus M. A. van Andel

in zijn leerzaam proefschrift over de Volksgeneeskunst in Nederland

(Utrecht 1909), bl 5.

Naar men begrijpt, hangt de volksgeneeskunst ten nauwste samen met

de volksreligie en tiert zij welig op den bodem van het animisme (I,

bl. 64). Zij vormt een wezenlijken faktor der onderkultuur en vertoont

zich in hoofdzaak éenvormig, zoowel hier als bij de natuurvolken,

zooals O. V. Hovorka en A. Kronfeld in hun standaardwerk over de

Vergleichende Volksmedizin (Stuttgart 1908) zeer duidelijk hebben

aangetoond. Van de kwakzalverij onderscheidt zij zich door haar

volstrekte goede trouw en belangeloosheid. Haar gezichtseinder is

zeer beperkt, zoowel wat den aard der ziekte als wat de kracht der

geneesmiddelen betreft. Als ziekten gelden eigenlijk slechts: koorts,

verwonding, bloeding, roos, brand, kou, jicht, kramp, vallende ziekte,

asthma en nog enkele andere. Het streven naar zelfbehoud, gepaard aan

hulpvaardig dienstbetoon, vormt de gemeenschappelijke drijfveer van

volks- en kultuurgeneeskunde. Natuurlijk wordt nu de kloof tusschen

beide met den dag grooter. Maar hoe verder men in vroeger tijden

teruggaat, hoe geringer dit verschil is. Terecht merkt Van Andel op,

dat de volksmiddelen van heden de wetenschappelijke middelen van

gisteren zijn.

Het is mijn taak niet, de ontwijfelbaar gezonde kern der

volksgeneeskunde, n.l. die middelen aan te geven, welke berusten

op doelmatige, instinktieve therapie, of op overoude elementaire,

maar gezonde empirie; wel dien ik in het kort te wijzen op het zeer

eigenaardige, van de kultuurgeneeskunde _afwijkende_, strikt-populaire

in de behandeling en het toedienen der geneesmiddelen, dat uit

primitieve volksvoorstellingen voortvloeit.

Inderdaad ligt bij de behandeling doorgaans deze opvatting ten

grondslag, die echter met den dag in helderheid en bewustheid afneemt,

dat de ziekte zelf een boosaardig, ja demonisch wezen is, of ook een

worm, in alle geval een konkreet iets, dat in het lichaam huist. Zoo

spreekt men b.v. van haarworm, ringworm, dauwworm; en niet onmogelijk

hebben de maden, de lintworm en de lijkwormen tot deze opvatting

aanleiding gegeven. Vooral de kiespijn wordt aan het knagen van

wormen toegeschreven. Dit geloof staat in Mecklenburg zoo vast,

zegt Gaidoz, dat een lepel met kokend water onder den zieken tand

gehouden wordt. De diertjes, door den damp bedwelmd, vallen in den

lepel en zijn duidelijk te zien.

Het ziektewezen kan verdreven worden op velerlei wijzen; vooral

echter door bezwering, door bannen en overdragen, door sympathetische

geneesmiddelen.

Niet slechts deze laatste methode, maar vrij wel de geheele

volksgeneeskunde wordt beheerscht door de _sympathie_, die

de geneeskracht van de _signatuur_, d.i. de teekenen der dingen

afleidt. Volgens deze leer dient een geelbloemige of geelsappige plant

tegen de geelzucht, een roodkleurige stelpt het bloed, een knolgewas

geneest de aambeien enz. Deze volksvoorstellingen, die wij reeds

herhaaldelijk in het Eerste Deel aantroffen, is sinds overoude tijden

over de geheele aarde verspreid en berust op een onbepaald gevoel van

gemeenschap tusschen gelijkgeaarde wezens, in dit geval tusschen het

ziektewezen en het geneesmiddel. Waarschijnlijk heeft de symboliek deze

sympathische opvatting uit het animisme (en fetissisme) doen geboren

worden. Om een geest uit het lichaam te bannen, achtte men het reeds

voldoende, bepaalde deeltjes, als haren, nagels, enz. vast te leggen of

te vernietigen. Van hier tot de zuiver symbolische handeling is slechts

éen stap: wat geschiedt niet slechts aan een deeltje, maar aan een

overeenkomstig voorwerp, geschiedt aan het voorwerp zelf. Wil men een

heks kwaad doen, wij zagen het I, bl. 79, dan maakt men een ploegijzer

gloeiend en spreekt plechtig den naam der vermeende heks uit; deze

zal dan de hevigste smart voelen. Daarom legt men ter verwijdering

van wratten in een touwtje zooveel knoopen als men wratten heeft,

en begraaft dit ergens: door deze symbolische handelwijze worden

de wratten zelf begraven. De beteekenis der aanwending van roode

stoffen bij bloedloop is oorspronkelijk dan ook wel deze, dat het

rood-gedachte ziektewezen op de roode stof overga. Naderhand is het

sympathiebegrip natuurlijk in verschillende richtingen uitgebreid.

Eindelijk wensch ik er de aandacht op te vestigen, dat de leer

der signaturen niet altijd als _leiddraad_ bij het opsporen van

geneeskrachtige kruiden, maar ongetwijfeld meermalen slechts als

_verklaring_ eener reeds bekende werking heeft gediend; zie hieromtrent

het artikel van Prof. Van Leersum over de Waardeering van Oude en

Volksgeneesmiddelen in het Nederl. Tijdschr. voor Geneeskunde LVIII

(1914), bl. 1952.

1. Bezwering is wel het meest verspreide, ook heden nog dagelijks

aangewende heilmiddel, waarin animistische en specifiek-Christelijke

bestanddeelen met elkaar vermengd zijn. Het bezweren is een kunst,

die erfelijk is, maar zij kan slechts worden overgedragen van een

man op een vrouw of van een vrouw op een man. Het formulier is

eigenlijk geheim. Het wordt zacht gefluisterd of gepreveld, en het

getal 3 is daarbij van bijzonder gewicht: driemaal wordt daarbij

een kruis gemaakt, driemaal gespuwd, driemaal gestreken enz. Ook

zijn dag en uur niet onverschillig; sommige bezweringen dienen te

geschieden bij afnemende, andere bij nieuwe maan, weer andere vóor

zonsopgang. De formule is òf een kort bevel, òf zij wordt ingeleid

door een kort episch verhaal, waarin een gelijksoortig geval wordt

uiteengezet: wij hebben dus weer met sympathie te doen. Zoo beginnen

b.v. verscheidene formulieren tegen de wormen met de vermelding van

Job op den mesthoop. Van een formulier uit Denderwindeke tegen brand

luidt de inleiding: "De H. Laurentius werd gebraden op een rooster:

hij en zwol niet op noch en verzwoor; ik hoop, dat gij ook niet zult

zwellen of verzweren".--Rond den Heerd (1877) weet deze berijmde

bespreking tegen brandwonden mee te deelen:

Ons' Heere Jezus kwam aldaar gegaan,

Hij vond er een kindeke in brande staan.

Hij nam het in Zijne gebenedijde hand

En _b_luschte den ge_b_enedijden _b_rand.

En 't en _zwoer_ noch 't en _zwol_,

En 'k hoop in Jezus' naam, dat 't ook niet _doen_ en _zol_.

In deze formule vinden wij alitteratie, assonantie en rijm. Andere

formules worden ons medegedeeld door Dr. Boekenoogen in Onze Rijmen,

bl. 67; zoo b.v.:

Moeder Maria ging over den berg,

Ze nam een tak van den heiligen boom,

Ze wierp 'em over haar hoofd in den stroom.

Kwik door dit, kwik door dat,

Vlieg door aderen, zenuwen, pezen,

Ik hoop, dat met Gods hulp dit beest zal genezen.

Het Christelijke in deze spreuken is slechts een dun laagje vernis:

in den grond zijn zij volstrekt identiek met Oudgermaansche en

Oudindische, waar de heidensche godenwereld optreedt.

Den korteren vorm vertoont:

Dit arm of poot

Is _verrukt_ of _verstoot_.

't Zal niet _verrotten_ of _verzweren_

In den naam des Heeren, C.A.B.

Deze en dergelijke bezweringen of besprekingen worden vooral toegepast

bij verwondingen, verrekkingen, verstuikingen en spierpijnen. De

_strieker_ legt somtijds wat zeep op den zeeren enkel; dan zet hij

de pet af, zegt de bezweringsformule en strijkt op bepaalde wijze

over den enkel. Bij wonden zegt men te Heumen:

Ik verbinde deze wonde,

Ik stille dat bloed in deze stonde,

Als Christus de Heer opgevaren is.

Bij kneuzingen vindt men o.a. dit formulier:

Deze man enz. is over een berg geloopen,

Deze man enz. heeft zijn hand enz. gestooten,

Het moet in de Roode Zee verdwijnen,

Gelijk de Wijzen uit het Oosten,

En God genas het met der stond,

O Heer, help mij! Amen.

2. In het bovenstaande wordt het ziektewezen verdreven. Maar met of

zonder spreuk wordt dit wezen veelal ook vastgelegd, geband of wel

op een persoon of zaak overgedragen. In de Friesche Wouden wordt de

bilzucht het _koude vuur_ genoemd; maar men meent, dat zij licht kan

worden geweerd, door het eerst daaraan bezweken dier vóor de staldeur

te begraven. Vooral de koorts wordt graag en licht overgedragen. In

het Oosten van ons land snijdt men zich hiertoe den nagel _in het

leven_ en maakt dan den bast van een boom ook los tot _in het leven_

(let op de sympathie!). Dan drukke men met den vinger _het vocht_

daaruit tegen en tusschen _het vocht_ van den boom: dan heeft de

boom de koorts. Of men binde een kouseband of strooband om den boom,

liefst een vlierboom (I, bl. 80, 130, 287), en ga dan spoedig loopen,

zonder om te zien. Deze praktijk is in geheel Groot-Nederland--en verre

buiten de grenzen--bekend. Men noemt dit "de koorts afbinden." Ook

kan men het haar- of nagelknipsel van den zieke, of een briefje met

zijn naam in een opzettelijk daartoe geboord gat in den boomstam

steken. Niet zelden spreekt men hierbij het rijmpje:

Olde Marolde

Ik hebbe de kolde,

Ik hebbe ze noe,

Ik geve ze oe,

Ik bind ze hier neer,

Ik krijg ze niet weer.

De koorts--of een ander ziektewezen--wordt ook met spijkers in een

boom vastgehecht; zij wordt met en door dingen, die met den lijder,

liefst met de zeere plek, in aanraking geweest zijn, verbrand,

in 't water geworpen, in den grond gestopt, verkocht, weggeven,

ja afgeschreven. Wat is eenvoudiger, dan met krijt op de deur te

schrijven: "Koorts, ik ben niet thuis" (Zevenhuizen)? Of als rijmpje:

Koorts, koorts, ik ben niet thuis,

Ga maar naar een ander huis.

Ook de hik wordt graag overgedragen; hiertoe dient de spreuk:

Deventer:

'k Heb de hik

'k Heb ze prik

'k Heb ze nouw

'k Geef ze aan jou.

Venloo:

Ik heb den hik

Ik heb de pik

Ik gêf um aan 'n noaberman,

Dê 't good verdrage kan.

Dit driemaal vlug achter elkaar opzeggen. Als een kind de hik heeft,

dan groeit het hart, meent het volk.

3. Bij de sympathetische geneesmiddelen wordt het verband tusschen

kwaal en geneesmiddel gezocht _in de oorzaak_: zoo legt men haar van

den hond, waardoor men gebeten is, op de wonde. Bij de jicht, die

haar oorsprong in wormen heeft, geeft men den patiënt 13 regenwormen

met brandewijn in;--_in de kleur_: een geelsappig kruid, als de

stinkende gouwe, tegen geelzucht, het eten van roode bieten tegen

bloedspuwen, gemalen menschenbeenderen tegen beeneter, het bloed van

een zwart schaap tegen gordelroos met bloederigen, donkerkleurigen

huiduitslag (Maas en Waal);--_in den vorm_: zoo dient het longkruid

met zijn vlekjes op de bladeren, die op longknobbeltjes lijken,

tegen longziekte, en hondstong met zijn tongvormig blad, tegen

hondsdolheid. De bloempjes van oogentroost (_Euphrasia_) vertoonen

een gele, oogvormige vlek; vandaar dat deze plant als een deugdelijk

middel geldt tegen alle mogelijke oogkwalen;--_in den aard_: pieren,

in een zakje op de borst gedragen, zijn van baat tegen de wormen;--_in

den naam_: vandaar, dat de roos als onfeilbaar middel geldt tegen de

huidziekte van dien naam, dat de hondsroos helpt tegen hondsbeet,

leverkruid tegen leverziekte, steenbreek tegen nier- of galsteen

enz. In Friesland gelooft men aan de kracht van een duif, boven de

wieg gehangen, tegen dauwworm (althans overeenkomst van klank). Een

merkwaardig voorbeeld geeft Denis Schrijnen in het Pharmaceutisch

Weekblad 1902, bl. 1006. Te Blerik bezigt men tegen kanker veelal

het volgende geneesmiddel. Een levende rivierkreeft wordt in een

zakje genaaid, dat door den zieke gedurende 24 uur op de zieke plaats

moet gedragen worden. Heeft hij dien tijd wakende doorgebracht, dan

is de kanker op de kreeft overgegaan; het zakje wordt nu verbrand

en de lijder is genezen. Maar waarom een kreeft? Dit middel is uit

het naburige Duitschland overgewaaid, waar kreeft en kanker beiden

_Krebs_ heeten.

4. In het gebruik van sommige geneesmiddelen is wellicht een survival

van een offer te erkennen; zoo b.v. in het bloed van een wit of zwart

dier, dat door den lijder moet gedronken worden. Dit kan m.i. echter

ook berusten op de animistische voorstelling, dat bloed ziele- en

levensspijs is. Trouwens de volksgeneeskunde stoelt nog op tal van

andere oude overwegingen en voorstellingen, die ons heden ten dage

slechts zeer onvoldoende bekend zijn.

5. Met name ontgaat ons de beteekenis van vele geneeskrachtige

kruiden. Velen hunner spelen een voorname rol in de tooverwereld

en waren eenmaal aan de Germaansche godheden heilig, of verheugen

zich thans nog in een voortsluimerende vereering van den geest der

vruchtbaarheid. Op eenzame en gewijde plekken groeien zij, en zwijgend,

ongezien door godheid en menschen, onder het prevelen van gebeden,

en met de linkerhand moet men ze veelal plukken.

De vlier genoot den grootsten eerbied; was ook niet de kruisboom van

vlierhout? De bast van den vlierstruik geldt dan ook als een krachtig

geneesmiddel; hij is braakmiddel of purgans. Verder wordt hij gebezigd

tegen keelpijn en waterzucht, terwijl de bladeren en bloemen gedronken

worden als thee tegen verkoudheid, evenals de bloesems der linde. De

aromatische bessen van den gevierden jeneverstruik (_Juniperus

communis_) bezitten eveneens veelzijdige geneeskracht. Werden zij

eertijds inderdaad als verjongend en levenwekkend beschouwd? Het

duizendblad (_Achillea Millefolium_) heet een deugdelijk middel te

zijn voor het heelen van wonden, door ijzer veroorzaakt. Geeft de

naam Achillea hier wellicht de verklaring?

Een bij het volk zeer geliefde plant is het valkruid (_Arnica

montana_), en vrij algemeen wordt zij aangewend bij kwetsuren. Eertijds

stond zij tot den wolf in betrekking, zooals nog thans uit de

Oostfriesche benaming _Wulfsblöme_ en ons _wolverlei_ blijkt. De

schors en de jonge takken van den berkeboom, in de lente verzameld,

zijn een bloedzuiverend, zweetafdrijvend en waterafdrijvend middel;

waarschijnlijk wel, omdat hij in de lente, als hij wordt aangeboord,

een sap geeft, dat verwerkt wordt tot berkenwijn. De hennep

(_Cannabis sativa_) heeft groote magische kracht en wordt vooral als

verdoovingsmiddel gebezigd. De hoogopgroeiende hopranken (_Humulus

Lupulus_) zijn het zinnebeeld van groei en wasdom en schijnen daarom

de gezondheid weer te geven aan herstellenden en bloedarmen. Ook de

zelf (_Salvia officinalis_) staat bij het volk hoog aangeschreven:

zij versterkt de zintuigen en sterkt de zenuwen.

Het is niet onmogelijk, dat men in verscheiden gevallen eerst naderhand

een zekere vereering, ja tooverkracht aan planten is gaan toeschrijven,

wier geneeskracht door de ervaring aan het licht was gebracht; en,

zooals gezegd, met die ervaring kan de kultuurgeneeskunde haar

voordeel doen. Zij toont zich dan ook geenszins afkeerig van de

volksgeneeskunde, getuige het feit, dat herhaaldelijk oude middelen

opnieuw in praktijk worden gebracht. Getuige ook de nog onlangs

gehouden onderzoekingen over het kiezelzuurgehalte der organen en naar

de rol dezer stof in de stofwisseling, op grond van de wetenschap,

dat het volk sedert eeuwen zekere kiezelzuur-bevattende kruiden tegen

de zoogenaamde konstitutioneele ziekten aanwendt. "Dit staat vast",

schrijft Prof. Van Leersum t. a. p., bl. 1959, "dat wij een groot

aantal onzer beste geneesmiddelen, o.a. digitalis, strophantus, china,

coca, aan den speurzin van den natuurmensch te danken hebben".

Zie verder: Verdam, Over Bezweringsformulen, in de Mededeelingen

v. d. Maatschappij der Nederl. Letterk. 1900--1901, bl. 1 vlg.; A. de

Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen (Gent 1891); Over de folklore

van dieren en menschen, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche Natuur- en

Geneeskundig Congres 1899, bl. 185 vlg.; Denis Schrijnen, Volksgeloof

omtrent geneeskracht van planten, in het Pharmaceutisch Weekblad

1904, bl. 1 vlg.; Driem. Bladen II, bl. 12; III, bl. 34; XI, bl. 41;

F. Visser, Volksnamen voor Geneesmiddelen enz. (Baarn 1912); Heuvel,

Volksgeloof en Volksleven, bl. 163; L. Sloet, in De Gids 1881, 2,

bl. 221, 413, 439; V. D. Voo, De leer der teekenen, in Vragen v. d. Dag

XXV, 11; Volkskunde XXIV, bl. 113; Nederl. Museum II, bl. 117, 230.

Nederlandsche Volkskunde · 第 111 / 117 题