I. Volksetymologie.

De term "volksetymologie" heeft tot heel wat misvattingen en

discussies aanleiding gegeven. Het eerst gebruikt in de Zeitschrift

für vergleichende Sprachforschung XXIII door W. Förstemann, die in

het vervormen van sommige woorden in den volksmond een bewijs van

kerngezonden volksgeest zag, won deze benaming steeds meer veld,

en hiermee gepaard ging een nader onderzoek van het gesignaleerde

verschijnsel; ik noem slechts de namen van Max Müller, Andresen,

die heel wat materiaal verzamelde in zijn Deutsche Volksetymologie,

Moltzer en Verdam. Langs psychologischen weg werd naar verklaring en

schifting gezocht door Steinthal, Paul en Wundt. Zoo ontstond over

dit onderwerp een uitgebreide literatuur, waarvoor ik verwijs naar

het artikel van den Zweed Kjederquist in Paul und Braune's Beiträge

XXVII, en vooral naar de zuiver opgezette en rijk gedokumenteerde

studie van C. de Vooys in de Nieuwe Taalgids II, bl. 273 vlg.

Wanneer ik hier de volksetymologie als onderdeel van de volkswetenschap

behandel, dan is dit, omdat ik hierdoor eerst en vooral versta:

"onbewuste _klank- en begripsassociaties_ met of zonder wijziging

van den woordvorm". Zij zijn beslist eigen aan de volkstaal

met haar spontanen drang en vrijen loop, en dringen van hier de

kultuurtaal binnen. Uiteraard spelen zij ook een groote rol in de

kindertaal. Gelijkwaardige verschijnselen zijn dus b.v. het gangbare

_zondvloed_, uit het Oudhoogduitsche _sin-vluot_ "groote vloed",

door het volk met "zonde" in verband gebracht, en het kinderlijke

_lepeltraan_ voor _levertraan_. Men zal mij wellicht tegenwerpen, dat

onbewuste verschijnselen toch allerminst tot het domein der wetenschap

behooren, zij het ook der volkswetenschap; waarop ik antwoord, dat het

volk zich wel van zijn handelen bewust is, maar niet van het feit, dat

het woordverklaring geeft, en nog minder van den wetenschappelijken

ondergrond dezer handelwijze, die eenvoudig hierin bestaat, dat het

volk geen genoegen neemt met het onbekende. Zoo werd het onverstaanbaar

geworden _sin_ vervangen door of liever vervormd tot het bekende

_zond(e_) niet omdat men iets wilde veranderen, maar dewijl men meende,

dat dit met het oog op het Bijbelsch verhaal wel aldus wezen moest.

Tot het domein der volksetymologie behooren dus niet: 1. Dilettantisme

en beunhazerij op het gebied van woordverklaring, juist daarom

zoo gevaarlijk, derwijl deze half-bakken geleerdheid zich voor

onvervalschte kultuurwetenschap uitgeeft. Hierbij moet men echter

in het oog houden, dat werkelijk-onbewuste volksetymologie aan

halfgeleerden aanleiding kan geven tot etymologiseeren. Zoo werd

het Latijnsche _quiritare_ "luid schreeuwen" eertijds wel eens met

_Quirites_ "Romeinsche staatsburgers" in verband gebracht. Vrij dicht

hierbij staat de populaire natuurverklaring (zie beneden).

2. Opzettelijke vervormingen en aanpassingen of woordspelingen. Deze

toch moeten gerekend worden tot de volksluim (bl. 126); zoo b.v. _Sint

Reinuut_: schoon op, "rein aus", voor _Sint Reinout_; _kattegezanik_

voor _katechesatie_; _zemelachtig_ voor _zenuwachtig_; hij lijdt aan

de _griep_, eigenlijk "verkoudheid", maar met "grijpen" in verband

gebracht. Immers de woordspeling behoeft evenmin als de werkelijke

volksetymologie met een woordverandering gepaard te gaan. Op volksluim

berust ook wel de Vlaamsche weêrregel: "Sint _Andries_ brengt de

_vries_, Sint _Mathijs_ breekt het _ijs_.

3. Zuivere klankassociaties, als _krant_ uit _courant_, die het

gevolg hiervan zijn, dat de klank lastig, of de herinnering gebrekkig

is. Of ook associaties, die dermate door de klanken worden beheerscht,

dat men zich het nieuwe begripselement niet bewust wordt, omdat het

met het begrip van het oorspronkelijke woord niets gemeen heeft. In

deze laatste gevallen kan natuurlijk van het zoeken naar verklaring

geen sprake zijn. Maar heel veelvuldig zijn zij niet. Als een zeker

voorbeeld kan men opgeven _oorlam_, uit het Maleische _orang lama_;

wellicht scheurbuik, uit _schorbût_; maar stellig niet het Vlaamsche

_scheurbek_, en evenmin _suikerij_ en _zenuwbladen (Folia sennae_),

waarvan het volk meent, dat zij op de zenuwen werken.

_Scheurbek_, _suikerij_ en _zenuwbladen_ behooren inderdaad tot de

volksetymologische associaties in engeren zin. Volstrekt natuurlijk

is het, dat het volk een verband zoekt tusschen geneesmiddel en

ziekte of tusschen geneesmiddel en eenige bekende stof. Zoo wordt

b.v. _Unguentum aegyptiacum: gips-Jacob-zalf_;--de bast van _Rhamnus

frangula: ramenasbast;_--_Oleum ricini: rosijnenolie;_--_nieswortel:_

Limb. _anieswortel;_--_Unguentum hydrargyri_ tegen ruit: _ruiterszalf_

of _ruitertjeszalf_. Wellicht berust deze laatste vorm oorspronkelijk

op bewuste woordspeling; maar naderhand wordt zulk een woordspeling

vaak door naïeve hoorders ernstig overgenomen. Niet onaardig is ook

de vervorming van _Aloë socotrina_ tot Limb. _sokertrienschen

aloë_, d.i. _suikertrijnsche aloë_. Zie hierover het artikel van Denis

Schrijnen, Pharmaceutische Folklore, in het Pharmaceutisch Weekblad

1902, bl. 833 vgl. _Aloë_ wordt ook wel _alewien_.

De klankassociatie moet dus met bewuste begripsassociatie gepaard

gaan. Het woord _katapult_ begrijpt het volk natuurlijk niet. Nu

wil het aan dit woord niets veranderen, maar de herinnering aan

het doel van dit instrument in verband met het woord _kat_ brengt

menigeen er toe, _katapult_ ongewild te vervormen tot _kattepul_, of

nog meer teekenend tot _kattepiel_ (= _pijl_), aldus het onbekende

bestanddeel vervangend door het bekende. Dit onbekend-zijn kan ook

voortkomen uit gebrekkig hooren of gebrekkig zich-herinneren. Ik

wijs nog op enkele voorbeelden: _drieangel_ (_triangel_), met

onbewust-juiste vertaling van het eerste bestanddeel; _sukerla_

(_chokola_); _lekkeris_ (_lacarissa_ = drop); _prulleet_ (_proleet_);

_honinggraat_ (_honigraat_). _Hagedoorn_ wordt volksetymologisch

tot _hageldoorn_; _hazelnoot_ tot _hazenoot_; _nieuwsgierig Aagje_

tot _nieuwsgierigaardje_; _meikever_ tot _meikegel_ (kleuriger is het

Hoogduitsche _Meikleber_); _Nijmegen_ tot _Nimwegen_; _madeliefje_,

Middelnederl. _matelieve_, is vervormd tot _maagdeliefje_ en tot

_meizoe(n)tje_, en dit weer dialektisch tot _mêlzeûdje_ (zaadje). De

appelen, die wij _zijden-hempjes_ noemen, stammen uit de Engelsche

stad _Sydenham_. Men denke ook aan de uitdrukking "straten voor stegen

kennen", die in Limburg, waar men geen _stegen_ kent, wordt: "straten

voor steenen kennen"; vgl. mijn opstel in Volkskunde XI, bl. 217.

Van plantnamen noem ik nog de _bijvoet_ (_Artemisia_). Met ons woord

voet heeft deze benaming oorspronkelijk geen gemeenschap. Maar het

volk bracht den vorm _bijboot_ in verband met voet, omreden van het

bijgeloof, dat dit kruid in de schoenen, dus bij den voet, gedragen,

alle vermoeidheid bij het wandelen verdrijft. _Zonnedauw_, onze

benaming van de _Drosera_, heeft zich volksetymologisch uit _sinnau_

"immerdurende dauw" ontwikkeld. _Rosmarijn_, uit het Latijnsche

_ros marinus_ "zeedauw", wellicht zelf populaire vervorming

van een Grieksch woord, werd _rozemarijn_ onder den invloed van

_roos_. _Herba Mandragorae_ werd _mandragerskruid_. Het peperboompje

(_Daphne Mezereum_) heet in Oost-Vlaanderen om zijn naakten stengel

_miserieboomke_. Verrassende volksetymologische staaltjes vinden wij

ook in de kindertaal: _botram-marcheertrommel_ (_botaniseertrommel_);

_manheer_ (_meneer_); het reeds genoemde _lepeltraan_ enz.; zie vooral

De Vooys, De Nieuwe Taalgids I, bl. 281, X, bl. 93 vlg., 128 vlg.

Nog wensch ik de aandacht te vestigen op het feit, dat volksetymologie

zoo vaak in samenstellingen optreedt. De oorzaak is deze, dat elders

verdwenen woorden nog zoo vaak in samenstellingen een veilige

schuilplaats vinden; zoo b.v. _geeuwhonger_ en _nachtmerrie_. De

verouderde vormen _gee_: _ga_ en _mare_ zijn hier met _geeuwen_

en _merrie_ (men denke aan het nachtspook, dat iemand "berijdt")

in verband gebracht, wat klankverandering ten gevolge had.

Ook kan het begripselement zoozeer op den voorgrond treden, dat het

hoofdbegrip een sterke wijziging ondergaat of zelfs geheel verdrongen

wordt. Zoo beduidde _pootig_ oorspronkelijk "koppig" en had _ophemelen_

de beteekenis van "schoonmaken".

Verandering van den vorm, wij zagen het reeds, is strikt genomen niet

noodzakelijk; slechts moet in de volksopvatting een bepaald element

met een ander begrip dan het oorspronkelijke verbonden worden. In

_lintworm_ beteekende _lint_ oorspronkelijk insgelijks "worm",

terwijl men het thans met ons _lint_ in verband brengt. _Ongelikt_

wordt tegenwoordig met het gewone werkwoord _likken_ verbonden;

maar in werkelijkheid komt het van een werkwoord _likken_, dat de

beteekenis van "polijsten" had. In _Donderstraat_ is geen verandering

althans hoorbaar; stellig brengen echter tal van personen haar niet

met _Prof. Donders_, maar met _donder_ in verband. Verder wijst ook

het feit, dat plaatselijk door het volk sommige heiligen in bepaalde

gevallen worden aangeroepen, op volksetymologische interpretatie,

op aanknooping van het onbekende aan het bekende. Zoo b.v. wordt de

H. Clara aangeroepen bij oogziekten en vraagt men haar om helder weer

en zonneschijn (de vertaling is hier onbewust-juist); Sint Kathrijn

brengt helder weer en zonneschijn: wellicht is _rijn_ (_rein_)

hier van invloed. Sint Valentijn wordt aangeroepen bij vallende

ziekte; Sint Blasius tegen huidblaasjes; Sint Rosa tegen de roos,

Sint Lambertus tegen de lamheid.

Van deze klank- en begripsassociatie verschilt de _etymologische

natuurverklaring_, waarbij het volk naar zijn aard en trant,

d.i. liefst door een sage, welbewust de benamingen van bloemen,

boomen, mineralen, dieren, steden enz. interpreteert. De vervorming

van _Arum_ tot _Aron_ zal wel onbewust geweest zijn. Maar gegeven

deze naam, borduurt de volksfantasie op het thema voort, en spreekt

aldra van _Aronskelk, Aronsbaard, Aronsstaf_. De _Valerianella

olitoria_ heet ook _Sanctae Clarae herba_; het volk gaat verder,

en spreekt van _kleer-ooge_. Van den _treurwilg_ weet het Vlaamsche

volk te verhalen: De geeselkolom stond bij een wilgenboom. Toen nu de

soldaten naar dezen wilg liepen, om de geeselroeden af te snijden,

zuchtte Christus: "treure wilg, treure". Sedert dien laat de boom

zijn takken hangen en heet hij _treurwilg_. Het _nieskruid_ wordt

plaatselijk tot _Agneeskruid_; dit verklaart men aldus, dat het

bloeit omtrent den feestdag van Sint Agnes; ook ontkiemde het ter

plaatse, waar deze heilige gewoon was geknield te bidden. Van den

H. Martinus weet het volk ook dit te verhalen, dat hij eens in zijn

getijdenboek een zaadje vond; hij borg het zorgvuldig in de aarde,

en uit het zaadje ontkiemde de _boekweit_. Zie vooral Is. Teirlinck,

Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1904 enz. (ook afzonderlijk

uitgegeven te Antwerpen 1913).

Ook het Montferland heeft wel eens aanleiding gegeven tot

volksetymologische natuurverklaring. Hiervolgens wilde het heidenvolk

met zijn koning den hemel bestormen, en reeds had men een stuk van

den Elterberg een goed eind ver gesleept, toen het aan de reuzenhanden

ontviel. De vorst beval nu van verdere pogingen af te zien; want zei

hij "het is toch maar een mond vol land": Geldersche Volksalman. 1901,

bl. 176.

De _Asperula odorata_, waarvan voorheen een bundel bij zwangere

vrouwen in bed gelegd werd, en dat dan ook aan Frija-Frigg, als

godin der geboorte, heilig was, wordt reeds in de VIIIe eeuw, als

_O.L. Vrouwen-bedstroo_ vermeld. Ook vond de Christelijke legende

een andere verklaring:

Onzer-Vrouwen-bedstroo.

Onze-Lieve-Vrouw, als zij klein was, moest op een zeer hard en

ongemakkelijk beddeken slapen: hare ouders waren arm en gaven dan

nog hier en daar een aalmoes.

Op zekeren dag peinsde de H. Anna:

Het bed van mijn kindeken is toch te hard. Zou ik in het veld misschien

geen zacht vulsel vinden?

Zij ging uit en kwam aan een dorre streek. Zij zag er een heelen hoop

Bedstroobloemekens staan.

"Nu ik heb het gevonden", riep zij uit. "Ik ga al die bloemekens

plukken! O! daar zal mijn kindeken zacht op slapen". Zij sprak en

deed zoo; ja, nu sliep Maria veel gemakkelijker.

Ten platten lande ziet men dikwijls de kinderen in bosschen en op

magere gronden naar het bloemeke zoeken en het blijde plukken:

"Onze-lieve-Vrouw heeft er op geslapen!" zeggen zij eenvoudig.

(Uit Vlaanderen).

Eindelijk de volksetymologie van plaatsnamen.

Bezuiden Tietjerksteradeel lagen drie dorpen, die nog geen naam

hadden. In een dezer dorpen kwam een dief geloopen, die vluchtte

voor de dienaars van het gerecht. Allen, die hem zagen, riepen:

"Grijp! Grijp!" Maar de dief ontkwam en vlood naar het andere

dorp. Daar wilde men hem opvangen en riep men elkander toe: "Sa mar! sa

mar!" (Zoo maar! zoo maar!). De dief ontvluchtte ook hier en kwam in

het derde dorp. Hier werd hij gevat en nu riep men: "Berg hem! Berg

hem!" Vandaar de Friesche plaatsnamen Garijp (Grijp), Suamar (Samar)

en Bergum (Berghem). Waling Dijkstra verhaalt ons ook, hoe Foswerd

ontstond, en Ylst, Nijland, Koudum, Dronrijp enz.: Uit Frieslands

Volksleven I, bl. 32 vlg.; terwijl De Cock in zijn Brabantsche Sagen

III, bl. 181 vlg. de populaire naamverklaring geeft van Aarschot,

Beersel, Brussel, Leuven, Scheutveld en ook van Kalevoet. Toen namelijk

Karel V eens naar Brussel reed over den steenweg van Alsemberg, brak

zijn rijtuig ter plaatse, waar nu Kalevoet ligt, zoodat hij genoodzaakt

was, te voet naar Brussel te gaan. Daarom werd deze plaats _Kalevoet_

geheeten, d.i. _Karel-te-voet_.

Nederlandsche Volkskunde · 第 110 / 117 题