3. Spotrijmpjes op steden en dorpen.

Oostergoo het land,

Westergoo het geld,

De Wouden het verstand,

De Steden het geweld.

Dokkum is een oude stad,

Een oude stad boven maten,

Daarom verkoopt men anders niet

Als taai en ook garnaten.

De Amelander schalken,

Die stalen eens drie balken

s Avonds in den maneschijn,

Daarom zal 't hun wapen zijn.

Neêr-Langbroek

Die schrale hoek!

Daar wonen niets dan edellui

En bedellui,

Ridders

En broodbidders;

Daar staan anders niet als kasteelen en nesten,

Sterkenburg is het beste.

Deventer is een koopstad,

Zutfen is een loopstad,

Lochem is nog wat,

Maar Borkeloo is een hondegat.

Amsterdam ligt aan het IJ,

Monnikendam, daar wonen wij;

Edam is een nest,

Hoorn doet zijn best,

Enkhuizen staat op tonnen,

Medemblik heeft het gewonnen.

Peer is nog een stad,

Achel is nog wat,

En Bree is een paddegat.

Brugge is zot,

Gent is bot.

Kortrijk heeft 'nen zin,

Ronse heeft van den duvel in.

Wing, Wang, Laar,

Herpen over Orsmaal,

Hal al bovenal,

Dormaal is een verkensstal.

Die van Balen (prov. Antwerpen) komen geloopen,

Om den Molschen toren te koopen,

Die van Balen, die waren nie zot,

En ze gongen er mee naar 't verkenskot.

Dendermonde

Leeg van gronde,

Klein van goed,

Hoog van gemoed.

De volontairen van Grammont (Geeraardsbergen)

Die lieten stelen hun kanon.

Zij exerceerden lijk de koeien,

En zij stalen al de Savooien.

Rakkedok--kedok!

Mee 'nen krommen kop;

Z'hebben een geweer

Lijk 'nen bloemkoolstok.

Herenthals is 'ne nest,

Die der wonen, weten het best.

Hersel--de macht,

Westel--de pracht.

Hooglee--groote pracht,

Verre gezien en weinig geacht.

Hooglee

Schoone stee,

Lichtervelde lacht er mee.

Eessen

Is een deesem,

Zane is een trog,

Werken loopt er om nog,

Handzame is een leegaard,

Koekelare is alderbest,

Bovekerke is 'n kakkernest.

Te Langedijk

Daar zijn ze rijk,

Daar eten ze gort met krenten!

En waarom zouden zij dát niet doen,

Ze leven er van hun renten.

Daar kwam 'nen boer van Leuven,

Van Leuven kwam 'nen boer;

Hij meende gaan te dorschen,

En viel op zijnen vloer.

Enumatil

Daar kijken ze gril,

Daar staat geen kerk of toren;

Als de snik komt, blaast de jong op 't horen.

Maasland,

Vet land

De bedelêren komen van dien kant.

Die van Mol die zijn geschoren,

Ze hebben vier wijzers en geenen toren;

Die van Geel, die zouden loopen,

Om de wijzers af te koopen;

Die van Balen zijn jaloesch,

Ze hebben 'nen toren lijk 'ne kroes.

Rijke Vörsel

Arm Mal

Lomp Zoersel

Mager Hal (Kempen).

Tiegem--berg en dal,

Ingoigem--lang en smal,

Ootegem--de fleure van al!

Te Zulte in 't zand,

Hoe meer dat 't regent,

Hoe beter land.

Loon-op-Zand,

Licht volk, licht land,

Ze schooien den kost,

En ze stelen den brand.

Herten, Merum en Ool,

Drie dorpen en éen pastoor.

De Bressianen (van Breskens)

Zijn hanen,

Maar voor Schoondijke

Moeten ze wijken.

En komen die van Groe,

Dan houden ze beter hun deuren maar toe.

Koevorden is een fraaie stad,

Dalen is een moddergat,

Wachtum is een eendenpoel,

Hesselen is een koningsstoel.

Zooals men ziet, wordt met sommige plaatsen de spot gedreven, om

eigen woonplaats op te hemelen. Dit laatste is uitsluitend beoogd in

het Veluwsche:

Kootwijk is een zoetendal,

En die er is, die blijft er al.

En eveneens in het Groningsche:

Riepster klokkengeklang,

't Lopster örgelgezang,

't Zandster bouwland,

En Steemer kouland,

Dat is het kroontje van Grönnegerland.

Maar het kan óok zijn, dat de regels: "Kootwijk is een zoetendal, En

die er is, die blijft er al" oorspronkelijk bij een meer uitgebreid

rijmpje hebben behoord. Men vergelijke:

Zuidhorn is een bloemendal,

Die er woont, die blijft er al,

Noordhorn is een moddergat,

Die er komt, die vindt er wat!

Oldehove, die stompe toren,

Daar wil de koster zijn wijf vermooren.

Niehove loopt in 't rond,

Daar loopen de meisjes kakelbont.

Feerwerder katten

Springen over latten,

Vangen de muzen

Bij honderd en duzend,

Braden ze in de pan,

En eten er alle dagen van.

Tiel is een stad,

Echteld is een gat,

IJzendoorn is een waterpoel,

Ochten is een koningsstoel.

Bommel, Bommel blinkt schoon,

Waardenburg spant de kroon,

Tuil is 't alderbest,

Hafte is een kraaiennest,

Hellouw is een eendenpoel,

Herwijne is een schettestoel,

Vuren is een errem land,

Dalem ligt aan den Waterkant,

Gorkum is een schoone stad,

Schelluinen is een hondegat.

Een enkel voorbeeld van plaatsnamenrijmpjes, die de taal kort en

treffend karakteriseeren:

De Visvlieter bellen,

Zeggen van zèllen en wèllen,

De Boerumer bollen

Zeggen van zollen en wollen,

En de Kollumer luden

Zeggen van zuden en wuden.

Zie Driem. Bladen IX, bl. 47, 48.

Nederlandsche Volkskunde · 第 99 / 117 题