2. Plaatsnamen in luimige gezegden zonder woordspeling.

Zoo lang als Elmpt (een lang Duitsch dorp op de Limburgsche grens).

Een gezicht zetten zoo lang als Posterholt.

Zoo breed als Geilenkirchen: Sittard.

Hij is te Ool nog niet over! (gehucht bij Roermond).

Hij komt van de Merumer markt: Roermond.

Hij is een uit de Maaseyker vier uitersten (d.i. "lui, lekker, kaal

en hoovaardig").

Dat ligt tusschen Maastricht en Allerheiligen (nergens).

Van Bommel tot Den Bosch (volop).

Van Helmond komen (drukte maken).

Naar Zuidbroek gaan, zegt men te Hoogezand voor "een dutje doen";

te Venloo heet dit: "naar Tegelen gaan", enz. Men noemt natuurlijk

steeds een naburig dorp.

Ik ga naar Sebaldeburen apen drillen (als de Groninger niet wil

vertellen, waar hij heen gaat).

Een boterham, waardoor men Maastricht kan zien.

Op Kessenicher veêren slapen: Belgisch Limburg.

Altijd hooger, als het orgel van Gangelt: Sittard.

Op de Akerstraat (buurt van Hoensbroek) bakt men de koek maar aan éen

kant (de huizen liggen slechts aan éen kant van den weg). Hetzelfde

zegt men b.v. van Buggenum (L.) en Oudeschild (Texel).

Iemand naar Geelbroek (tusschen Beilen en Assen), naar den Kollenberg

(Sittard), naar den Heksenberg (Heerlen), naar de Mookerhei wenschen.

Nederlandsche Volkskunde · 第 98 / 117 题