Alles op tiêd en bookeskook (boekweitkoek) in den herfs. [18]

Hê it, dette zweit, en hê werk, dette kald wuurd.

Hê hêt de paplêpel weggelag (is gestorven).

Wie doller gebrouwe, wie bêter beer (hoe lichter men de zaak opvat,

des te meer valt zij mee).

Den bessem oêtstêke (zie I, bl. 276).

Beer van Paters vêtje.

Beer op melk verhaampt zich neet (verdraagt zich niet).

Op de foekepot speule (lawaai maken, zie I, bl. 142, 157).

Geine gek van Sint Merte make (niet overdrijven, heeft betrekking op

het Sint Maartensfeest).

Hê is good gelaaie (heeft veel gedronken).

Det geit door 't getuug hêr (gaat te ver).

Hê is van naat holt gemak, van de nate gemeinte, lös (lust) zie naat.

_B_otermelk is _b_oere-medesien.

Van eine _k_ale _k_ermis toês kome.

Achterum is 't kermis.

Achter mienen rök is 't kermis.

Lache wie (as) 'ne kermishond.

Zoeë zinge ze neet, as ze van Kêvelêr kome.

Gein schutterie zonder keuning.

Drij moal keuning is keizers rech.

Koeël is good ête, maar dan mot 't verke der door loupe.

Land bemiste lieët zich neet foppe.

Lekker is gouw de kêl aaf.

Eine lintworm in 't liêf hebbe.

Melk is beer veur de jonge, beer is melk veur de alde.

Ik bin 't meug (moe) wie kalde pap.

Moos is geine spekkóok.

't Zoeë drök hebbe as de pan mit Vasteloavend.

Ein ploog (ploeg), die werk, roes neet.

De ploogestert stik (steekt) um door de boks oêt.

't Geit um zoeë dun as pompwater.

Hê lieët reube good moos zien.

Hê hêt 't spek hoeëg hange.

Det is zoovuël as 'n vleeg in 'nen brouwkêtel.

Eine mnd hebbe as 'n woafelpan.

Zoolang de vogel op de mas (mast, schietboom) steit, maag me der

noa scheete.

Pêrstand (paardentand) en vrouwehand mote noeëts stil stoan.

Einen in de wan kriege, mit eine wanne (met iemand sollen).

Van ei joar mot me de ploog neet aan de wand hange (als 't een

jaar tegenvalt, moet men nog niet moedeloos worden).

Zoeë zak, zoeë zoatgood (zoo ouders, zoo kinderen).

Waat m'n aan 't verke voort, krieg m'n aan 't spek truuk.

Alles vergeit, behalve de koestert, dê blief altiêd achter.

Geliêk vieë lek zich gêr.

Now is de bok vet!

Det is gei klein beer (dat is geen smaldoek).

Ermeluus pannekeuk en riekeluus krengde (ziekte) ruuk me wiêd.

Eine vildershond, ein halversdochter (pachtersdochter), en ei

meulepêrd,--zien veur 'nen boer niks wêrd.

Kald beer zit werm blood.

Hê is 'nen dröpkeshèlige, dê in alle herberge verierd wuurd.

Hê hêt de plaat um (ziet er deftig uit, als een schutterskoning).

Hê hink mier aan de vaan as de ganse bronk wêrd is (_bronk_

is hier de gilde-optocht).

Hê hêt zien bein mit muggevet ingesmêrd (om te dansen).

Den eine speulman is den andere ein deuntje schüldig.

De letste man de zak ophalde (tot het laatst blijven).

Hê hêt de vogel aaf.

Maar men zou verkeerd doen, met te meenen, dat de Zuidnederlandsche

spreekwoorden zich uitsluitend bewegen op het terrein van spel en

scherts en feestgelag, met het landleven als ondergrond. Kent gij

spreekwoorden, die in diepen levensernst kunnen wedijveren met dat

hoog-ernstige: "Groeëter is 't leid, det gevare (gereden), as det

gedrage wuurd"? Kent gij er, die het in warmte en innigheid kunnen

halen bij dat gevoelvolle: "Al is de mooder nòg zoeë erm, ze dek

(dekt) toch werm"?

Zeer veelvuldig zijn ook de spreekwoorden en zegswijzen van religieuzen

aard, of die tot het Roomsch-Katholieke geloof in zekere betrekking

staan. Tot deze laatste groep behooren:

Hê is in Roeëme gewês en hêt de Paus neet gezeen.

Me mot de kerk in 't midde loate.

Doa is gei kerkske zooë klein, of ter duvel bouwt zich ei kapelke

dernêve.

Pastoeër zêgent zich zelf 't iers (eerst).

Pastoeër deut gein twieë misse veur eí geld.

Rêgent 't op de pastoeër, dan druubdet (of: druubbet) op de köster.

Hê steit doa wie 'n Poaskers (stijf-deftig).

Me mot eeder hellige ziene was (kaars) gêve (men moet ieder

geven, wat hem toekomt).

Ein hieël litanie schöld op zien rêkening hebbe.

Waat 'n kruuts--geí (geen) kruuts!

Hê hêt den oferstok gevêg.

Eemand zien evangelie, de ach zalighede lêze.

Zich eine stoal in den hemel verdeene.

Hê hêt eine kop wie eine Karthuzer.

Têge de klippe van de hel aan (met de uiterste krachtsinspanning).

Me mot O.L. Hieër neet noa de ouge wille stêke.

Hê zuuter oêt as 't ieëwig lêve.

Hê zuuter oêt as 'n bedrökte Magdalena.

Maar ik sprak daar zoo juist van spreekwijzen, die een beslist

Christelijk volkskarakter openbaren, en ook deze zijn niet gering in

aantal. Ik volg hier met enkele wijzigingen den bekwamen schrijver

van de Kijkjes in Limburg in den Limburger Koerier (CCCLXIX), en

noteer de spreuken weer, voor de eenvormigheid, in het Venloosch

dialekt; ik wensch echter uitdrukkelijk op te merken, dat zij

algemeen-Zuidnederlandsch zijn.

Waat God wilt behalde

Zal verheite (verheeten) noch verkalde

klinkt het met kalme berusting. Kan het anders? Als iemand zijn werk

begint, zegt hij: "In Gods naam". Soms klinkt dat: "In Godsnaam:

des neet gevlook". Vertelt hij van zijn voornemens voor de toekomst,

dan zal hij nooit verzuimen er bij te voegen: "As God bleef' (als

't God belieft). Verricht hij het een of ander goed werk, dan doet

hij dat "ter iere Goads" of "om Goads wil." Wil hij met aandrang iets

vragen, dan zegt hij "Ik bêj dich um Goads wil." Met elk goed werk

weet hij, dat hij verdient "eine Godsloeën." En slaagt hij in een

zijner ondernemingen, heeft een moeilijk werk ten einde gebracht,

ontvangt hij een gunstige tijding, dan volgt een hartelijk "Goddank."

"God loeënt och", zei vroeger de kerkmeester voor elk centje,

dat in de schaal gelegd werd bij zijn rondgang door de kerk. "God

loeënt och", zegt thans nog de arme, als hij een aalmoes krijgt

aan de deur. Maar komt de arme om een aalmoes bij iemand, die niets te

geven heeft, dan zegt deze: "God wil os helpe." Of hij hiermede

te kennen wil geven, dat hij zelf geholpen moet worden?

Gaat iemand op reis, dan luidt het nog vaak ten afscheid: "Gank,

det dich God bewaar!" En spreekt men over een afgestorven maag of

vriend, dan blijft diens naam wel zelden zonder de bijvoeging "zaliger

gedachtenis", of: "God gêf um den hemel", of "God truës zien zieël."

Meer bepaaldelijk in Vlaanderen hoort men nog: "Vree is God mee";--"God

beschikt over nacht";--"geef God geen beschimmeld brood";--"God geeft

de koe, maar niet bij de hoornen", d.w.z. de mensch moet krachtig

meewerken en de handen uit de mouw steken;--"'t is alles goed wat

God wil";--"men moet God naar de oogen zien";--"ik was liever zijn

rozenkrans, dan zijn paard;--"als de eene bedelaar den andere iets

geeft, dan lachen de engelen in den hemel." Zie Pr. Van Duyse, in het

Belgisch Museum V, bl. 192. Het geestige, boertige van het Vlaamsche

spreekwoord blijkt vooral uit verzamelingen als die van A. de Cock,

Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk,

in Volkskunde XI--XX (ook afzonderlijk uitgegeven). Verder: A. de

Cock, Spreekwoorden en zegswijzen, afkomstig van oude gebruiken, in

Volkskunde IX--XVII; Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op

volksgeloof berustend, in Volkskunde XIX--(onvoltooid); Geldersche

Volksalman. 1819, bl. 175; Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en

Spreekwoorden in Limburg; Limburg's Jaarboek VII, bl. 159, 293;

VIII, bl. 73, 238; XVI, bl. 64, 228, 284; XVII, bl. 45; Mélanges Paul

Frédéricq, bl. 51.

Vele van deze spreekwoorden vinden wij op de Veluwe weer, in zoo

menig opzicht met het zuidelijk volksgebied verwant. Vooral tal van

spreekwoorden en zegswijzen, die op den akkerbouw en het akkerleven

betrekking hebben, zijn gemeenschappelijk. "Anspan kriigen" heeft te

Uddel de beteekenis van een maat, een makker, een medehelper krijgen.

Zeer eigenaardig, vooral ook met het oog op het Veluwsche landschap,

is de zegswijze: "met den plaggenwagen komen", d.i. geen aanzoek

gekregen hebben. Als een boerendeern, bij gelegenheid van de kermis,

geen vrijer gehad heeft en ze komt ook zonder jongen thuis, dan is ze

"met den plaggenwagen weergekomen", en dan moet ze "den volgenden dag

de speken (spaken) gaan opzoeken": Onze Volkstaal III, bl. 250, 251.

Het spreekwoord neemt een eigenaardigen vorm aan in de _apologische

spreuk_ of exempel-spreuk. Deze legt een ervaringsbeginsel of ook

maar een gewone zegswijze, aan een mensch, die zich in een ongewone

situatie bevindt, in den mond, of nog komischer, aan een dier, en

ontwikkelt aldus een groote komische kracht. Zoo b.v.: "Alles met mate,

zei de snijder, en hij sloeg zijn wijf met den ellestok", een gezegde,

ook in het buitenland ruim verbreid.-- "Elk zijn meug, zei de boer,

en hij at vijgen".--"Alle beginselen zijn moeilijk, zei de boer,

toen moest hij de koe bij den staart in den stal trekken".--"Dat

heeft geen zwarigheid, zei de bakker, toen woog hij het brood te

licht".--"Alle baten helpen, zei de wolf, en slikte een mug af".

Twente: Dat is 'n ander keurn, zèj de muller, en hê beet in 'nen

moezenköttel.

Salland: Alles is maar een weet, zèj de boer, en hi bloazen met z'n

gat de lampe uut.

Groningen: Das-t-er aine zunde staine, zee de oeling, dou vradd'e en

slakk op en mainde, dat 'n proeme was.

Limburg: Waat now gezonge, zach de köster, doe stond de

kerk in brand.

Getroffe, zach de jong, doe smeet hê zie vader en oug oêt.

Alles is maar gewuënte, zach den bekker, doe vêgde hê mit de kat den

oaven oêt.--

Men vindt ook tweeledige. Zoo b.v. Limburg: Det is aangebrand, zach de

vrouw, doe de jong wat in de botermelk vond.--Aangebrand,

hêt det ouk bein? zach de jong, en heel (hield) eine mölder in

de huëchte.

Nu zijn juist deze apologische spreekwoorden voor ons van groote

waarde, omdat zij getuigenis afleggen van de wijze, waarop bepaalde

maatschappelijke personen of standen denken en spreken, al dingt het

luimige karakter dezer volksgezegden op de waarheid der opvatting

heel wat af.

De Boer. Alles heeft zijn inzicht, zei de boer, en hij keek in

zijn muts.

Daar zal een bakkie theewater op smaken, Dominé, zei de boer, en hij

had zijn vrouw begraven.

Dat is een groote wetering, zei de boer, en hij zag de zee.

Dat is een schoone vondst, zei de boer, en hij spleet een zwavelstok

in zestienen.

Ik deug niet in de huid, zei de boer, toen hij op sterven lag, en

hij sprak de waarheid.

Ik ga eens zien, of mijn familie slaapt, zei de boer, en hij keek in

het varkenskot.

Ik houd niet van hangen, zei de boer, maar ik moet wel.

Het Besje. De jeugd wil er uit, zei het besje, en zij reed op een

bezemstok.

De onderdrukten hebben het hard, zei besje, en zij zag een luis

knippen.

Het is de jonkheid, zei besje, en toen speelde een zeventiger met

buitelmannetjes.

Zuinig, zei besje, lekker is maar een vinger lang.

Zuinig, zei besje, de boter is duur.

De Vrouw. Het overleggen is 't al, zei de vrouw, en zij braadde het

spek in de boter.

Zij maken den bokking hoe langer hoe kleiner, zei de vrouw, en ze

zag sprot liggen.

Daar kom je kaal van af, zei de vrouw tegen haar man, en hij kwam

van den barbier.

De Man. Alle ding laat zich eten, zei de man, en hij at garnaal

en krabben.

Het oog wil ook wat hebben, zei de man, en toen sloeg hij zijn vrouw

een blauw gezicht.

De Knecht. Ik en mijn baas hebben de zolder vol hooi liggen, zei de

knecht, en hij was blij als hij zijn weekgeld kreeg.

De Meid. Als ik eens vrij man word, zei de meid, dan eet ik ieder

dag gort met rozijnen.

Die ligt op zijn uiterste, zei de meid, en zij zag een botertonnetje,

dat tennaastenbij leeg was.

De Dief. Alle beginselen zijn zwaar, zei de dief, en voor de eerste

maal stal hij een aanbeeld.

Ik moet er meê wezen, zei de dief tegen het loopende volk, en hij

reed naar de galg.

Kwaad gezelschap, zei de dief, en hij ging tusschen den beul en een

monnik naar de galg.

De Ambachtsman. Goed overleg is het halve werk, zei de broddelaar,

en hij zette den lap naast het gat.

Wat duurt er eeuwig, zei de metselaar, toen had hij een oven van

Friesche turf gemetseld.

Een handwerk heeft een gulden bodem, zei de wever, en hij zat op

een hekel.

't Is een vette buit, zei de visscher, en hij haalde een walbaars op.

Alle vrachtjes lichten, zei de schipper, en hij smeet zijn vrouw

over boord.--

Ten slotte nog enkele voorbeelden ter verluchting van het apologische

dieren-spreekwoord.

Laat de dooden rusten, zei de arend tot de raaf, en hij verslond een

levende duif.

Hou je gemak, zei de havik, toen hij de duif plukte.

Wij scheiden zóo niet, zei de haan tegen de pier, en vrat ze op.

Scheiden is bitter, zei de hond, toen was hem de haas ontloopen.

Goeden dag samen, zei de vos, en hij kwam in het ganzenhok.

Alle ding daar het behoort, zei het varken, en het kroop in de

geldkast.

Kort beraad, goed beraad, zei de wolf, en hij hapte naar het schaap,

dat hem ontsnapte.

Gelijk bemint zijns gelijk, zei de luipaard, en hij verslond een

bonte kraai.

De druiven zijn zuur, zei de vos, toen hij er niet bij

kon. Zie Kirghbijl ten Dam [J.A. Alberdingk Thijm], Vaderlandsche

karakterschildering in onze spreekwoorden, in De Dietsche Warande IV,

blz. 213 vlg.

Bij het bepalen der psychologische waarde van het spreekwoord dient men

vooral te letten op oorsprong en ontwikkeling of vervorming. Zoeken

naar den oorsprong beteekent zoeken naar den oudsten, niet naar den

"waren" of "eigenlijken" vorm. Want de volksspreekwoorden behooren tot

de levende taal- en begripsorganismen, die steeds nieuwe groeikracht

vertoonen en immer nieuwe loten uitschieten, welke dan met evenveel

recht groeien in de vrije lucht en ópranken naar het licht als de

oude moederstam.

Om nu zekerheid te krijgen omtrent den oorsprong, dient men vooral

niet te veel af te gaan op de innerlijke waarschijnlijkheid, maar de

beste methode is, den taal- en voorstellingskring, de sociale groep

op te sporen, waarin de uitdrukking het best past en waar zij zonder

beeldspraak is. Dit is b.v. het geval met de uitdrukking "op zijn

eigen houtje", aan de zeemanstaal ontleend, waar "zijn eigen hout"

inderdaad in de beteekenis van "schip" gebruikt werd; zie Eymael,

De Nieuwe Taalgids, bl. 97.

Maar aldra verlaat het spreekwoord zijn oorspronkelijk milieu en

fladdert in velerlei gedaanten rond heinde en ver. Somtijds heeft

opzettelijke nieuwvorming plaats, zooals in de uitdrukking van Busken

Huet: "Gods water over Gods akker laten _kabbelen_"; maar Huet schreef

geen volkstaal. Verreweg de meeste vervormingen zijn onbewust. Zij

berusten op klankassociaties, als: "dat loopt de spuitgaten uit," voor

"de spuigaten";--"over éen kant scheren", voor "over een kam scheren";

of ook op begripsassociaties. Zoo schrijft De Vooys in zijn artikel

"Een principiële opmerking bij het etymologiseeren van spreekwoorden

en spreekwoordelike uitdrukkingen" in De Nieuwe Taalgids, bl. 178

vlg., waar hij deze geheele materie zoo voortreffelijk behandelt:

"_Voor een heet vuur staan_ zal waarschijnlik eerst een soldaten-

of matrozenuitdrukking geweest zijn, maar het "hete vuur" kan

nu heel goed het beeld van een bakker, een glasblazer of een kok

suggereren. Men kan in een dergelijk geval wel uit de oudste plaatsen

het oudste-- desnoods het "oorspronkelike"--beeld trachten te vinden,

als men dat maar niet als het "echte" of "eigenlike" tegenover de

latere "onechte" of "verbasterde" stelt. Feitelijk is de uitdrukking,

ondanks de gelijkheid van klank en betekenis, iets anders, iets nieuws

geworden. De vernieuwing gaat zich uiterlik openbaren, als er wijziging

in de woorden het gevolg van is." Zoo dacht men bij de uitdrukking

"de bom breekt uit" aanvankelijk aan een vat, waar de _bom_ (de spon)

uitspringt. Maar door de klankgelijkheid van dit _bom_ met _bom_

"kogel" heeft zich weldra een ander beeld in de plaats geschoven,

en in verband hiermee werd _uitbreken_ vervangen door _barsten,

losbarsten_ of _springen_. Hier heeft het gewijzigde beeld ook de

geheele beteekenis doen veranderen. De oude beteekenis "het geheim

is uitgekomen" is geweken voor "er is een beslissende uitbarsting

gekomen". Het volk heeft dus een geheel nieuw spreekwoord gewrocht,

zoowel wat beteekenis als wat vorm betreft. Dit feit is van belang

voor de psychologie van het volksleven, maar ook voor de historie

der kunstvormen, waarin het volk zijn gedachten en gevoelens pleegt

en weet te kleeden. Die vormen zijn ook lokaal gekleurd, niet alleen

door de sociale, maar ook door de ekonomische, de geografische, de

ethnische geaardheden en toestanden. "Er moet nog veel water door

de Maas vloeien", wordt elders: door de Waal, den Rijn, de Schelde,

de Leie, de Demer enz.;--"een schelvisch, een spiering uitwerpen om

een kabeljauw te vangen", wordt in Limburg: "een avel uitwerpen om een

snoek te vangen", en in het Oosten van ons land: "met een metworst naar

een stuk (zijde) spek gooien". Het Hollandsche: "zoo oud als de weg

naar Kralingen", luidt in Limburg: "zoo oud als de weg naar Keulen,

naar Aken, naar de Peel". Het Drentsche spreekwoord: "Armelui's ossen

en rijkelui's kinder zijn gauw groot", heeft in Limburg den vorm:

"Ermeluus holt is gauw gehouwe en riekeluus kinder zien gauw getrouwd".

Tot de kunstvormen van de volkstaal behoort ook de _volksluim_,

die zich vertoont in de grilligste gedaanten.

1. Zeer veelvuldig zijn de woordspelingen op plaatsnamen, waarvan ik

hier enkele staaltjes laat volgen. Ook gefingeerde namen vindt men

er bij.

Naar Molleghem zijn; naar 't Pierenland zijn (dood en begraven zijn):

Vlaanderen;--naar Piepenbroek zijn: de Veluwe.

Bleijenbeek (bij Afferden) gaat voorop (een blij lijk).

Well is Well, maar in alle huizen is het niet Well: Limburg.

Te Wellerlooi

Daar zingen de veugelkes zoo mooi.

Te Well ook wel,

Maar niet zoo mooi als in in de Looi.

Naar Boxmeer gaan (zijn beurs trekken, zinspeling op het woord _boks_

"broek").

Van Lekkerkerk zijn.

Een mond opzetten zoo wijd als Montfort.

Nederlandsche Volkskunde · 第 97 / 117 题