Typisch om hun gedrongen kortheid zijn nog:
Quaelck won, quaelck spon (kwalijk gewonnen, kwalijk gesponnen).
Aad jold, aad hea, aad brae stiet ien wol to stae (oud goud, hooi,
brood komt iemand wel te stade).
It hea op, in de kou dea (het hooi op en de koe dood, d.i. als de
man sterft, is zijn goed opgeteerd).
Hij kin doeke noch swimme (hij kan duiken noch zwemmen, weet zich
niet aan te passen, is maatschappelijk onbruikbaar).
Sa scheper, sa hoen (zoo schaapherder, zoo hond).
Hoe meer wij nu de zee naderen, westwaarts, in de richting van onze
Hollandsche en Zeeuwsche laaglanden, waar het Friesch element zoo
duidelijk valt waar te nemen, hoe meer de taal het afgepaste en stugge
karakter verliest, hoe soepeler en smijdiger zij wordt in klank en
uitdrukking. En toch waait ons krachtiger de frissche zeewind tegen
en vindt het zeewezen een ruimer vertegenwoordiging. De volkstaal
krijgt hier veeleer den stempel van eenigszins ruwe hartelijkheid,
als van zeelieden, die den voet aan wal zetten; maar zij blijft
frank en vrij, zonder slinkschheid en kronkelwegen, lijnrecht als
de slooten en kanalen, die de polders talloos doorsnijden. De
spreekwoorden der kultuurtaal zijn doorgaans van Hollandsche
afkomst en het loont de moeite zich te overtuigen van den invloed,
dien water en scheepvaart op onze spreekwoorden en zegswijzen
hebben uitgeoefend. Moge een ander oordeelen, dat men het ijzer
moet smeden, als het heet is, de Hollander beweert, dat "men moet
zeilen, terwijl de wind dient." Maakt iemand veel verteringen, dan
"haalt hij zijn zeil in top"; versukkelt hij zijn tijd, dan "gaat hij
met de laatste schepen onder zeil"; inslapen is "onder zeil gaan";
toornig opstuiven "met opgestoken zeilen komen aanzetten"; bedaren is
"het zeil inbinden"; en verder:"stijf onder zeil zijn";--"achteruit
zeilen";--"klein zeil voeren";--"zeil op iets maken";-- "een oog
in 't zeil houden";--"alle zeilen bijzetten";--"iemand in de zijde
zeilen";--"met een nat zeil loopen";--"langs den wal zeilen";--"met
zeilen voor den mast liggen";--"bakzeil halen";--"in iemands zeilen
waaien." Ook bij huwelijksbeschouwingen speelt het zeil een voorname
rol. "Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil," meent men; en
wil het geval, dat een vrouw voor een man niet past, dan luidt de
uitspraak: "dat is geen zeil voor dat schip."
Laat ik nog enkele scheepstermen en zegswijzen in herinnering
brengen. "Iemand aanklampen";--"iemand afschepen, aftakelen,
van bakboord naar stuurboord zenden";--"iemand aan boord klampen,
op sleeptouw nemen, in 't vaarwater zitten, een steek onder water
geven";--"het anker lichten, laten vallen";--"roeien met de riemen, die
men heeft";--"tegen den stroom oproeien"; --"in het riet sturen";--"met
de nachtschuit komen";--"leelijke streken op zijn kompas hebben";--"aan
het roer zitten";--"de vlag strijken";--"bijdraaien";--"de huik naar
den wind hangen";--"voor de haaien zijn";--"naar wal sturen";--"kant
noch wal raken";--"aan lager wal zijn";--"de beste stuurlui staan
aan wal";--"oude schepen blijven aan land";--"uitkaaien"; --"iemand
aan den dijk zetten";--"op 't droge zitten."
Luide spreekt ook het visschersbedrijf. "Visschen, terwijl het water
blond is";--"een schelvisch uitwerpen, om een kabeljauw te vangen";
--"een visch (snoek) vangen";--"visch moet zwemmen"; --"geen vin
verroeren";--"in troebel water is het goed visschen"; --"glad als
een aal";--"iemand aan zijn angel krijgen";-- "geld (boter) bij de
visch";--"aan den haak slaan";--"achter het net visschen"--"het neusje
van den zalm."
Maar wie het Hollandsche landschap kent met zijn eindelooze, malsche
weidevlakten, zijn slooten, zijn knotwilgen, zijn windmolens, zijn
prachtig vee, begrijpt, dat nog andere tonen in de spreekwoorden der
bevolking tot uiting moeten komen.
Op den heerlijken wintertijd met zijn nationaal ijsvermaak wijzen
uitdrukkingen als: "het ijs breken";--"zich op glad ijs wagen";-- "op
oud ijs vriest het licht";--"over ijs van éen nacht gaan";-- "beslagen
ten ijs komen";--"een scheeve (rare) schaats rijden". Betrekking op den
veestapel hebben: "de koe bij de horens vatten";-- "de koetjes loopen
in mijn weiden";--"zijn koetjes op het droge hebben";--"over koetjes en
kalfjes praten";--"als de kalveren op het ijs dansen";--"oude koeien
uit den sloot halen". Belangrijk is vooral de zegswijze "veel koeien,
veel moeien", niet slechts, omdat hier _moeien_ bewaard is gebleven,
het meervoud van _moeie_ "moeite", vergelijk het Hoogduitsche _Mühe_,
maar meer nog, dewijl het vermogen in rijkdom aan vee berekend wordt.
Holland is ook het land van de windmolens: "dat is wind op
zijn molen";--"de molen is door den vang" (de zaken loopen
verkeerd);--"hij heeft een slag van den molen weg (beet)";--
"hij loopt met molentjes". Maar Holland is vooral het waterland,
"door den mensch ontwoekerd aan de zee", schrijft bewonderend Edmondo
de Amicis, "een kunstland, door de Hollanders gewrocht, in stand
blijvend, omdat de Hollanders het behoeden, verdwijnend, wanneer de
Hollanders het prijs gaven". Bevat het spreekwoord "die 't water deert,
die 't water keert" niet heel wat volkswijsheid en historie? Hier
wordt het Hollandsche volk geteekend in zijn strijd met het vochtige
element. Oudtijds moest, luidens dit spreekwoord, zich ieder tegen
het water verdedigen, zoo goed hij kon. Het water te keeren, was aan
ieders initiatief overgelaten, en niet zelden liepen de afzonderlijke
belangen uiteen: het was de periode van het partikularisme. Maar de
kracht van den enkeling bleek aldra onvoldoende tegen het geweld van
storm en vloed. De noodzakelijkheid, bij gemeenschappelijk gevaar het
water terug te dringen of af te leiden, eischte onverbiddelijk vele
handen, ja eischte gemeenschappelijk handelen en deed de persoonlijke
belangen terugwijken. Aldus leerden onze voorouders met kracht,
uit eendracht geboren, te handhaven het erfdeel hunner vaderen.--Wat
zal nu in verband met deze ontwikkelingsgeschiedenis de beteekenis
zijn van dat andere spreekwoord "Gods water over Gods land (akker)
laten loopen"? De oorspronkelijke zin kan m.i. niet zijn een laf en
lijdelijk toezien, maar, na volbrachten plicht, kalme berusting in
Gods wil. En vooraleer het Nederlandsche volk die vrome, niet-loome
berusting verliest, kan er nog heel wat water door den Rijn, de Waal,
de Maas, de Schelde loopen.
Het water leerde ons volk arbeidzaamheid en zindelijkheid tevens;
immers het steeds en aldoor weer schuren van huisraad en ander
koper- en ijzerwerk vindt zijn oorzaak in de vochtigheid van het
klimaat. Arbeidzaamheid en zindelijkheid zijn een tweeling-karaktertrek
onzer natie, een trek, die zijn oorzaak vindt in het vochtige
element en zoo voortreffelijk, kort en krachtig, belichaamd wordt in
het spreekwoord, dat wij het Hollandsche zouden willen noemen bij
uitstek: Rust Roest.--En mag ik voor Zeeland in het bijzonder nog
eens herinneren aan het wèlverdiende: "goed rond, goed Zeeuwsch?"
Bij de zuidelijke Franken, in Brabant, Limburg, de Lijmers, de
Overbetuwe, het Land van Maas en Waal en het grootste deel van
België, wordt de spreekwijze losser en levendiger, vertoont zij meer
sprankelend vernuft en humor, meer kleur en poëzie. Wij trekken ons
nu van de zee terug en gaan door het wuivende graan en de geurende
boekweitvelden, langs de blonde oevers van Maas en Schelde, of door het
zonnige, lachende heuvelland langs moeizame kronkelpaadjes, of over
de eindelooze, golvende Brabantsche wegen. Wellicht ontmoeten wij op
onze wandeling een vroolijke verhuispartij, of een bruiloftsstoet
met vedel en trom, of zijn wij getuigen van den fieren uittocht
eener zelfbewuste schuttersgilde naar het feestterrein, of mogen wij
aanzitten aan een welvoorzienen kermisdisch. Want gulle gastvrijheid
viert hier hoogtij, en evenzeer gulle vroolijkheid, ja uitgelatenheid,
terwijl jolige scherts de overvloedige gerechten rijkelijk kruidt.
Hoe spiegelt zich dit drukke, landelijke, feestelijke leven in
spreekwoorden en zegswijzen: