Raad eens, wat is dat?--

Dat meisje had de tering en de ruiter was de dood.

Zeer eigenaardig is het slot van vele raadsels. Soms klinkt het

uitdagend: Je kunt het niet raden, al was je met je zessen,--in geen

zeven jaar,--al ben je fijn,--al werdt je dol,--tot Baafmis,--tot

Sinter Merten,--tot morgen noen. Andermaal wordt de oplosser geprezen:

Als je het raadt, ben je bekwaam; en evenzoo wordt hij, die het op moet

geven, gelaakt. Sommige raadsels zeggen den oplosser een belooning toe;

wellicht berustte dit voorheen op werkelijkheid.

Zie vooral de voortreffelijke voordracht van Dr. Boekenoogen, in de

Handel. en Mededeel. van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde

te Leiden, 1900-1901, bl. 36, waaraan ik menig raadsel en menige

beschouwing ontleende; en A. Joos, Raadsels van het Vlaamsche Volk

(Gent 1885), mijn hoofdbron voor de Zuidnederlandsche raadsels. Verder

Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 257; A. De Cock, Volkskunde

XVII, bl. 25, XVIII, bl. 45; Schoonjans, Volkskunde XXII, bl. 85 vlg.

Zijn de raadsels meer uitingen van het gevoelsleven, in de

_spreekwoorden_ van een volk openbaart zich vooral de volkswijsheid

en praktische levenservaring in beknopten, ja gedrongen vorm: het

spreekwoord is de bijzondere vorm, waarin het volk inkleedt zijn

waarnemingen en ondervindingen op ethisch gebied, de uitkomst van

zijn denken, de slotsom van zijn waarneming in een bijzonder geval.

De man-uit-het-volk houdt van dubbelzinnigheid in zijn raadsels,

maar niet in zijn spreekwoorden en zegswijzen, al vertoonen die vaak

een emphatisch karakter. Hij noemt de dingen bij hun naam, en ook

preutschheid ligt hem verre. Zoo is heden ten dage het spreekwoord,

en zoo was het in de hooge oudheid en bij alle volken. Het behoort,

wij zagen het reeds, tot de eigenaardige vormen, waarin de spreektaal

zich vertoont. Voor een groot deel zijn de spreekwoorden gemeen-goed

van het geheele menschdom. Het zijn "gevleugelde woorden", die, hebben

zij eenmaal de omheining der tanden overschreden, vrij en onbelemmerd

rondfladderen, de karavanen begeleiden op hun tochten, neerstrijken

op de masten der snelzeilende en snellerstoomende schepen, landen en

zeeën doorkruisen in alle richtingen. Vele Nederlandsche spreekwoorden

zullen wij dan ook elders weervinden, en deze overeenkomst zal dan

weer berusten hetzij op historischen, hetzij op algemeen-menschelijken

grondslag. Laat ik hier slechts wijzen op het verdienstelijke boek

van Dr. W. Suringar, Erasmus over Nederlandsche spreekwoorden en

spreekwoordelijke uitdrukkingen van zijnen tijd (Utrecht 1873); de

verhouding van Nederlandsche spreekwoorden tot Grieksche en Latijnsche

springt er duidelijk in het oog.

Toch bewaart het spreekwoord steeds frischheid en jonge, opgewekte

levenskracht. Want het loopt van mond tot mond en wordt telkens

verjongd, ja telkens opnieuw geboren, of legt althans een ander gewaad

aan, bont en druk in het Zuiden, sober en stemmig in het Noorden,

steeds overeenkomstig den aard, het karakter, de levensverhouding,

de sociale groepeering der taal- en kultuurgemeenschap. Het krijgt een

lokale kleur en kleurt weer de taal van den spreker op overeenkomstige

wijze. Het spreekwoord is een kunstvorm van de taal van den gemeenen

man--, en als zoodanig wensch ik het hier met enkele woorden te

behandelen.

Natuurlijk kan te dezer plaatse van een verzameling van spreekwoorden

in de verste verte geen sprake zijn. Noch Tuinman's, noch Harrebomé's

spreekwoordenboek, noch Stoett's magistrale verzameling wensch ik te

overtroeven. Slechts zou ik aan enkele voorbeelden duidelijk willen

maken, hoe zich het volkskarakter in spreekwoorden uit, tevens, voor

zoover mogelijk, rekening houdende met hun socialen oorsprong, d.i. met

het sociale milieu, de sociale groep, waaruit zij zijn opgegroeid.

Aanschouwelijkheid kunnen wij niet als karakteristiek kenmerk van

het Nederlandsche spreekwoord laten gelden. Formuleeringen als:

"beter éen vogel in de hand, dan tien in de lucht" vindt men

ook elders in menigte. Ook het stafrijm, als in "kap en kogel

(kat en kogel) verliezen", "met bed en bult vertrekken" enz.,

is algemeen-Germaansch en aan vele andere volken niet vreemd; men

denke b.v. aan het Latijnsche _cras credo_, of _sanus salvus_, dat

in het Fransch _sain et sauf_ werd. Alleen mag men beweren, dat de

allitteratie in onze spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen

nog welig en met onverzwakte groeikracht voorttiert. Dit geldt ook voor

de assonantie en het rijm: zij staan in gunste, en verschalken ons,

als wij den waren zin van een spreekwoord trachten te achterhalen. Zoo

berust de uitdrukking "zooals het _reilt_ en _zeilt_" (of "treilt en

zeilt", Zuidnederl. "reist en zeilt") op een rijmloos: "zooals het

_rijdt_ en _zeilt_", d.i. zooals het schip voor anker ligt ("rijdt")

en zooals het zeilt; zie Stoett, Spreekwoorden no. 1646. De symmetrie

in onze spreekwoorden, het streven om beide zindeelen aan elkaar

gelijk te maken, als: "wat niet weet, wat niet deert",--"komt tijd,

komt raad", is wellicht een flauwe herinnering aan den bouw der beide

Oudgermaansche halfverzen. Over deze en andere eigenheden zie vooral

Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 159 vlg.

Voorbeelden van deze en dergelijke ongekunstelde kunstvormen in

onze volksuitdrukkingen en spreekwoorden zijn in groote getale

bijeengebracht door A. Joos in zijn keurig boekje: Schatten uit de

Volkstaal (Gent 1887). Aan het Tweede Deel, dat de "Gepaarde woorden

of wederwoorden" bevat, ontleen ik het volgende.

Stafrijmen. Bakken en boteren (druk bezig zijn).--Biezen en

bijzen.--Hij is begraven zonder bimmen of bommen.--Blikken noch

blozen.--Boe noch ba zeggen.--Buigen of bersten.--Vóor dag en

dauw.--Door dik en dun.--Ditje's en datje's.--Van alles dubbel en dik

hebben.--Dit is maar een gapen en gieten (gemakkelijk).--Gibberen

en gabberen (zonder reden lachen). --Groen en geel.--Daar zal

hen noch haan over kraaien.--Hij kwam hink en honkel aan (stijf

of krom).--Hij wil hot noch haar (ongewillig, aan de voermanstaai

ontleend).--Kant en klaar.--Hij gaat naar kerk noch kluis.--Kijven

en krakeelen.--Kind noch kraai hebben.--Iemand buiten de deur zetten

met kisten en kasten.--Klitsen en kletsen (met de zweep).--Klodderen

en kladderen.--Spreken over koetjes en kalfjes.--Kort en klein

slaan.--Voor kost en kleeren zorgen.--Kris en kras.--Iemand van lap en

leer geven (een pak slaag).--Lief en leed.--Listen en lagen.--Lonken

en liefoogen.--Lui en lekker.--Vergaan met man en muis.--Perk en paal

stellen.--Van Pontius naar Pilatus sturen.--Met potten en pannen.--In

rep en roer.--Rijden en rotsen.--Schade en schande.--Schobben en

schooien.--Slag om slinger vechten (hevig).--Dat gaat zonder slag

of stoot.--Sloffen en sleffen (al slepende gaan).--Stijf en stom

staan.--Taal noch teeken geven.--Vast en veilig.--Iemand nijpen

tusschen vel en vleesch (bedektelijk berispen).--Visch noch vleesch

zijn.--Het is altijd vuur en vlam.--Vrij en vrank.--Wankelen en

weifelen.--Hij gaat door weêr en wind.--Hij weet van wijken noch

wankelen.--In zulke handen wint en woekert het geld (groeit het

aan).--Wisjes en wasjes.--Zuur en zoet.--Zuchten en zagen (ontevreden

zijn).--Zwieren en zwaaien.--Zwoegen en zweeten.

Eindrijmen. Blikken en flikkeren.--Bobbels en knobbels.--Brassen en

plassen.--Dringen en wringen.--Drinken en klinken.--Hij kan gaan noch

staan.--Garen en sparen.--Gedrang en geprang.--Gelapt en getapt, gelapt

en getrapt (gansch versleten).--Met geld en geweld.--In geur en fleur

staan.--God noch gebod ontzien.--Goed en bloed geven.--Hij komt aan

zijn kost met habben en krabben (moeilijk).--In handel en wandel.--Zich

verdedigen met hand en tand.--Daar bleef helder noch pelder of spelder

over (niets).--Tegen heug en meug.--Van hoeten noch toeten weten.--Hoog

en droog zitten.--Hotst het niet, dan botst het.--Hou en trouw.--Huis

noch kluis hebben.-- Jan en alleman.--Kikken noch mikken.--Zich kunnen

kleeden en reeden.--Knotteren en stotteren (lastig zijn).--Krinkelen

en winkelen (bochten maken).--Land en zand koopen (rijk worden).--'t

Is alles krank en mank.--Mikken en prikken, totdat ze gaan vliegen

(de gelegenheid laten voorbij gaan).--Iets van naadje tot draadje

uitleggen.--Naam en faam verliezen.--Met pak en zak vertrekken.--Met

raad en daad iemand bijstaan.--Rapen en schrapen (gierig zijn).--Rooken

en smoken.--Wij hoorden ruit noch muit (niets).--Schot noch lot betalen

(niets).--Schrijven en wrijven.--Smeren en teren (smullen).--Stank voor

dank.--'t Vriest steen en been.--Steen en been klagen.--Loopen langs

stegen en wegen.--Met tijd en vlijt.--Vrij en blij.--De zaak zooals

zij waait en draait.--Wasschen en plassen.--Wroegen en zwoegen (hard

werken).--Daar blijft geen zierken of geen spierken meer over.--Altijd

zot of bot zijn.--Zwieren en tieren.

Halve rijmen. Dag en nacht werken.--'t Zijn al eindjes en tuitjes

(stukjes en brokjes).--Ergens gewonnen, geboren en getogen zijn.--'t Is

met den zieke halen en dragen (nu wat beter, dan wat slechter).--Iets

volhouden bij hoog en bij laag.--Jokken en gekken.--Iets opeten met

ooren en pooten (vgl. het allitteerende "met huid en haar").--Met

stukken en brokken.--Tusschen waken en slapen.

Rijmlooze weder woorden. 't Is uit en amen.--Iets voor een appel

en een ei verkoopen.--Baas en meester zijn.--Iets achter banken

en stoelen steken.--Begekken en bespotten.--Over berg en dal.--Op

dag en uur.--Door deur en venster slaat de rook naar buiten.--Na

lang dingen en bieden.--Iemands doen en laten kennen.--Hij is

al lang dood en begraven.--Eenzaam en verlaten.--Eer en faam

verliezen.--Hij wil noch eggen noch aarden (is ongewillig).--Door

eksters en kraaien uitgescholden worden.--Eten en smullen.--'t Is

gedurig gaan en komen.--Iemand bedreigen met galg en rad.--Gelaarsd

en gespoord.--'t Moet altijd gelepeld en geboterd zijn (gepast).--Bij

leven en welzijn.--Iemand kennen van haar tot pluim.--Vol haat en

nijd zijn.--Daar zijn haken en oogen aan.--Hals over kop.--Met handen

en voeten.--Have en goed.--Hij geeft om hel noch duivel.--Een leven,

dat hooren en zien vergaat.--Een man van ijzer en staal.--Als kat en

hond zijn.--Men moet kiezen of deelen.--Met koets en paard.--Het heeft

kop noch staart.--Met kousen en schoenen in den hemel komen.--Lachen

en boerten.--Iets wagen op leven en dood.--Mager en gezond.--Iemand

man en paard noemen.--Bedorven in merg en been.--Moord en brand

roepen.--Bij nacht en ontij.--Oud en wijs genoeg zijn.--Tusschen

pot en glas spant de duivel zijn netten.--Proper en net.--Rust noch

duur hebben.--Iemand snap en beet geven (bits antwoorden).--Slaven en

wroeten.--Stellig en vast.--Vergaan tot stof en asch.--Loopen langs

straten en wegen.--Op tijd en uur.--Verhuizen met tafel en bed.--Van

toeten noch blazen weten.--Vast en zeker.--Met vedel en fluit.--Van

iemands vleesch en bloed zijn.--Vloeken en zweren.--Vrede en peis (peis

en vree).--Bij weêr en ontij.--Iets doen uit wrok en nijd.--Zang en

dans, zang en spel.--Iemand niet kunnen zien of luchten (niet kunnen

uitstaan). --Zonde en jammer.

Tot de algemeene faktoren, die invloed op den spreekwoordenschat van

ons volk hebben uitgeoefend, behoort zeer stellig het bijbellezen;

ik noem slechts: "waar het hart van vol is, loopt de mond van

over";--"die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in" enz.,

zie b.v. Dr. E. Laürillard, Opgave en toelichting van spreuken en

gezegden in de volkstaal aan den Bijbel ontleend (Amsterdam 1875), en

C. F. Zeeman, Nederlandsche Spreekwoorden, spreekwijzen, benamingen

en volksuitdrukkingen aan den Bijbel ontleend (Dordrecht 1877). Ook

de invloed van Vader Cats is niet te onderschatten. Maar voor ons

meer van belang dan het ontleende is het oorspronkelijke, meer dan

het vreemde, het litteraire en kunstmatige, is het karakteristieke:

wij bevinden, dat onze volksspreekwoorden en uitdrukkingen worden

gekenmerkt door de eigenaardigheden van Frieschen, Saksischen en

Frankischen volksaard, door vaderlandsche beroepen en bedrijven,

door klimaat en gesteldheid van den bodem, door sociale invloeden van

allerlei aard. Over het algemeen komt tot uiting een groote mate van

praktisch-nuchter overleg, gepaard aan gulle trouwhartigheid.

Bij de Saksers met hun gesloten halle-huis weerspiegelt zich vooral

het berekende en terughoudende in de gangbare spreekwijzen van het

gewest. Ik geef enkele voorbeelden uit Twente:

't Mot nen grooten sprekkert wezen, diê 't nen zwiêgert verbettert.

In der tiêd, dat zich nen wiêsen bedenkt, kan zich ok nen gek bedenken.

Met fiêne leu en stofreggen, door woj met bedroggen.

Aj 'n ekster uutstuurt, krie 'j 'n bonte vogel weer in huus.

Aj 't gat oetleent, möj oet de ribben schiêten (al te goed is

buurmans gek).

Leer um leer, kulst doe mîj, ikke dîj weer!

Ai-j twee slimmen in de wan doot, komp ter altied wal een slimmen

boaven. Vgl. Driem. Bladen III, bl. 48; IV, bl. 127, V, bl, 65.

Maar ook, hoeveel innigheid en poëzie schuilt niet om den huiselijken

haard onder het reuzendak van het halle-huis! Of is zij niet bij

uitstek dichterlijk de uitdrukking, die men in Twente bezigt voor

"als het wintert": "as de witte bijen vleegt?" Dit karakteristieke

hallehuis vinden wij met al zijn onderdeden in de spreekwoorden weer.

Het dak: Doar is te völ dak op 't hoes (er zijn te veel luisteraars).

De onderschuur: Wisse bis doe baas--in 't onderschoer as de hond er

nig is (Denekamp).

De hilde (zoldering boven den koestal): Asset eenmoal op de gaffele

hef, krigget ok wol op de hilde.

De haard: Ieder raakt de assche op ziênen kooken.--Den 't vuur schelt

(mankeert), zoch 't in de assche.--An de pan sloan, dat 'n kettel

der van rapt (grootspreken, ook wel lasteren).

De gemoedelijke Graafschapper denkt bepaaldelijk aan het ekonomische

voordeel, dat zijn haard met de ruime schouw hem biedt. Een voorn

uitwerpen om een kabeljauw te vangen heet bij hem: "met een metwo(r)st

noa een ziêje spek gooien." Het gelag betalen is "het haal schoeren."

Men lette voorts op de groote rol, die de huisdieren spelen in het

Saksische spreekwoord:

Wat hes door? "Niks." Door kans de kat met doodvoeren.

Der um hen drêjen as de kat um 'n gleuinigen pap.

Ai-j de kat op 't spek bindt, dan wil het 't nich vretten.

Alles moêst, wat van katten komp.

Van 't hondengeleuve wezzen.

't Geet um as 't hondebiêten (op beurt).

Zoo drok, as de hond, di zeuven tellers te likken hef.

Armeleu ossen en riekeleu kinder bint vroo groot.

Nauwverwant zijn de Drentsche en Groninger spreekwoorden. Wat Drente

betreft, "eerst bijna ontoegankelijk, later opzettelijk buitengesloten,

lang op zich zelf aangewezen", hier hebben uiteraard tal van oude

zegswijzen het leven kunnen rekken; zie Dr. J. Bergsma, Woordenboek

bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen (Groningen 1906) I,

_passim_, en voorts Drentsche Volksalman. 1839, bl. 185, 207 vlg. Veel

poëzie mag men bij de stroeve bevolking der Drentsche veendorpen

niet verwachten. Van iemand, die een blauwe scheen kreeg, heet het:

"hij heeft het achterhek mede gekregen";--iemand in gevaar brengen:

"iemand het vuur op de hilde beuten";--wie wil geven, maar liefst

het geld in den zak houden: "hij wil poesten en houden het meel

in den mond"; volgens schriftelijke mededeeling van zeer geachte

zijde zou dit echter moeten zijn: "poesten en houden het meel in

den _zak_". Beteekenis: hij wil wel varkens houden, doch geen meel

verbruiken; hij wil bij kleine hoeveelheden uit den meelzak nemen, er

uit _poesten_ of met den mond blazen, zóo weinig, dat de inhoud van den

zak niet vermindert. Het gezegde betreft gierigaards.--De een is nog

minder dan de ander vertolkt de Drentenaar: "huis is karnemelks borge"

(echter ook Veluwsch: Geldersche Volksalman. 1879, bl. 175). Typisch

is vooral de zegswijze voor het begrip _sterven_: "de vork neerleggen".

Uit een eigenaardigen trek, dien wij ontmoetten in de Drentsche

volksgebruiken, b.v. te Weerdinge, Emmen, Meppel en Hoogeveen, bleek,

hoezeer de bijenteelt in die streken in eere staat (I, bl. 293,

294). Dit getuigt ook het spreekwoord. Hoe meer voorspoed, hoe meer

onwilligheid, kleedt men gaarne in dezen vorm: "hoe meer de iemen

winnen, hoe heiliger zij binnen";--hoe meer werk, hoe meer verdienste,

luidt: "hoe meer werk, hoe meer honig";--wie wil verdienen, moet

vaak het zure voor lief nemen: "die honig wil likken, moet lijden,

dat de bijen hem steken".

Bij de Groninger spreekwoorden en zegswijzen ontwaren wij vooral

een gezond en typeerend realisme. "As-te Grönnegers 't lief vol

(h)ebb'n, goan ze vot", klinkt wel wat erg prozaïsch. Maar ook

ethisch-hoogerstaande spreekwijzen zijn niet zeldzaam, als: "'t is

nou oart, moar 't zal wel voart wor'n", gezegd van iemand, die in

overmoed, uit overvloed geboren, versmaadt wat hij later zal moeten

missen. Kerngezond van geest en taal, en gehard van lijf en leden, zóo

zijn de echte Grönnegers: "frisch weer zegg'n ze nog, al klappertann'n

ze van koalle". Vgl. Driem. Bladen VI, bl. 118.

Het besliste, vastberadene, stugge Friesche karakter uit zich in den

stelligen, gedrongen vorm der Friesche spreekwoorden. Ook vindt het

zeemanswezen zijn weerklank.

Der iz modder oonne kloet (als de kloet veel gebruikt wordt, valt

heel wat schoon te maken, dus: hier valt heel wat zuiver te maken. Ook

wel gebruikt, als een jongen een meisje met geld trouwt).

Teecken je dij kaets (aan het kaatsspel ontleend: onthoud dit wèl).

It is better te sparjen mei brea (brood), as sonder brea.

Hij makket schien fjild (hij maakt het veld schoon, verkoopt ontijdig,

is een verkwister).

It giet oer koarren in klampen (het gaat alle maten te buiten,

eigenlijk gezegd van het water, dat bij storm langs vele wegen het

schip binnendringt).

Hâd je mar dom, den bin je frij fen pompen.

Dij het ien swiere boppelest (hij zeilt met een te zwaren bovenlast;

wordt ook gezegd van iemand, die beschonken, die "topzwaar" is).

Az de schippers sijllen, schôftjen se neat.

Al tijden isser op sijn afterschip (hij komt altijd te laat).

Nederlandsche Volkskunde · 第 95 / 117 题