I. Raadsels en Spreekwoorden.

De _raadsels_ behooren tot de lagere trappen der kunstuitingen, in

die mate, dat de litteratuur van sommige laag ontwikkelde volken--ik

denk o.m. aan de bewoners der Battalanden--zoo goed als uitsluitend

uit raadsels en volksverhalen bestaat.

Meestal zijn de raadsels gestoken in rythmischen vorm, en naast

het gewone rijm vertoonen zij veelal nog assonantie, stafrijm en

andere eigenaardige klankvormingen en vervormingen. Het waardevolle

ligt stellig in de eigenaardige karakteristiek der dingen, al is

die uiteraard vaak duister en al mag men hierbij niet uit het oog

verliezen, dat het volk de dingen en begrippen niet zelden zoo geheel

anders karakteriseert dan wij. Zoo worden in een oud raadsel van de

zeven vogels zonder bezwaar de bij en de vleermuis meegeteld. Het

intieme wezen van het raadsel is de drang, het onpersoonlijke

te verpersoonlijken, het gewone op te smukken, het zinnelijke te

vergeestelijken, en aan die beeldspraak de scherpzinnigheid van een

ander te toetsen.

Het volksraadsel kan bogen op een reusachtige oudheid en

verspreiding. Van de eilanden in de Noordzee tot Meklenburg en

zuidwaarts tot de Alpen reikt het duizendjarige raadsel van de sneeuw,

die door de zomerwarmte smelt. Op Ameland luidt dit:

Daar vloog een vogel Vederloos

Op een boom Bladerloos,

Toen kwam een juffrouw Mondeloos,

Die at den vogel Vederloos

Van den boom Bladerloos.

Ik schrijf "Vederloos" enz. met hoofdletter, want het is hier

werkelijk als eigennaam bedoeld. Zoo heet de kers _Roodrok_,

het varken _Knorrepot_, de appel _Gladkop_, de ooievaar _Hap-op_,

de donder _Holderdebolder_, de wieg _Wikkeldewakkel_, de kikvorsch

_Hipperdewip, Hip-op, Ikkerdebik_, de zwaan _Mijnheer De Wit_, het

water _Juffer De Lang_. Dit zijn klanknabootsende en begrips- en

gevoelverklankende benamingen, zooals ook het kind die zoo gaarne aan

levende en levenlooze zaken schenkt, alvorens met de veelal afgesleten

benamingen bekend en vertrouwd te raken.

Merkwaardige raadsels vinden wij vooral in het Oosten: bij de Hebreeën,

de Perzen, de Indiërs, de Arabieren; maar ook bij de oude Germanen

en niet het minst bij de Grieken en Romeinen. Het gaat trouwens,

wat de onderlinge verwantschap betreft, met de raadsels als met de

sprookjes, en het is uitermate moeilijk bij gelijkenis van patroon

over de autochthonie onzer volksraadsels te oordeelen. Zoo kennen

wij b.v. een Grieksch raadsel in dezen vorm:

Daar was een man, en 't was geen man,

Hij liep op een pad, en 't was geen pad,

Hij droeg water zonder vat;

Rà, rà, wat is dat?

(Een bruidegom, die op het ijs liep met een stukje ijs in zijn hand).

Een Latijnsch raadsel luidt bij ons:

Die het maakt behoeft het niet,

Die het vraagt behoudt het niet,

Die het koopt begeert het niet,

Die het heeft die weet het niet.

(Een doodkist).

In vele gevallen is vervorming van litteraire raadsels

(kultuurraadsels) tot volksraadsels na te wijzen of althans zeer

aannemelijk. De gewone gang van zaken is echter omgekeerd.

1. De beschrijvende raadsels zijn verreweg de schoonste. Het

regent hier beeldspraken en gelijkenissen. Het volk praat dan

kinderlijk-gemeenzaam met en over steenen en bloemen langs de wegen,

en allerlei levende en levenlooze dingen. "Hier ziet gij beurtelings

de wijde natuur met heure verschijnselen", schrijft Amaat Joos,

"de sneeuw, het witte laken, dat Onze Lieve Vrouw over land en zand

spreiden komt; den donder, het roode veulen dat ginder verre staat

te briesschen; de wolken, de duizend lapkens die zonder naald of

twijn aaneengenaaid zijn; het ijs, de groote plank die door God over

de waters geleid wordt; de zon, het wonder ding dat door het glas

valt en 't niet en breekt; de sterren, het geld dat ge niet tellen

kunt; den hemel, het laken waar niet aan te vouwen valt;--den mensch

met al zijn bedrijf en gerief: den mond, rood huizeken, de tanden,

witte stoelekens, en de tong, rood tapijteken; de keers, madameken

met een wit kleedje aan en een rood hoedeken op; de lamp, aardig

ding dat zijn vleesch eet en zijn bloed drinkt; den vingerhoed, zoo

klein en toch zoo rijk in vensters als een koningshuis; de naald,

stalen peerdje dat rijdt met vlassen steertje; de egge, heeren

die het land omkeeren; de zeilen van den meulen, roode wijvekens

die malkander nutteloos achterna loopen; den meulen, hooge droge

boom die altijd bloem draagt;--de dieren die loopen en vliegen:

den haan, wonderen profeet die de dooden verrijzen doet; de spin,

aardig wijfken dat, zonder naald of draad, zijn roksken 't onderste

boven naait; de vlooi, stout boven stout, die iedereen, te water en

te lande, aanranden durft; de koe, vreemd gestel van vier gangers,

vier hangers en twee tuinenbrekers [overoud raadsel, nawijsbaar van

Noorwegen tot de Alpen];--de boomen en planten met hunne vruchten:

de kool, die op éenen poot staat en heur hoofd in heur herte draagt;

den doorn, manneken uit het veld met een rood hoedeken op zijn hoofd;

het vlas, koning met de blauwe kroon; het graan, dat tusschen twee

steenen zijnen naam verliest; den kriekelaar, die op éen been staat en

duizend steenen draagt; den eik, honderdduizend nesten en in ieder

nest een ei; den appel, met zijn groene muren en witte geburen;

de noot, die op haar stoeleken zit met een groen kazaksken aan."

Op het dorp, in den blijden, gullachschen landelijken kring voelt dit

raadsel zich weer het meest thuis en bij voorkeur, wij hoorden het,

kleedt het veld en weiland, plant en dier, akkerbouw en veeteelt

in een fantastisch gewaad. Het legt zijn oor te luisteren naar de

geheimzinnigheden der levende en levenlooze natuur; en lichtelijk neemt

het een plaatslijke tint aan, in overeenstemming met de landstreek,

waar het vertoeft.

1.

Holderdebolder

Liep over den zolder;

En zeven mansheeren

Die konden Holderdebolder niet keeren.

(De donder).

2.

Verre boven de drieschen

Hoorde ik een peerdeken brieschen;

Daar is noch wijf noch man,

Die dat peerdeken breidelen kan.

(De donder.--België).

3.

Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen,

Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen,

Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen.

(Hemel, maan, sterren).

Belgische vorm:

Laken, dat ge niet vouwen kunt,

Een appel, dien ge niet schellen kunt,

En geld, dat ge niet tellen kunt.

4.

Tusschen hier en Romen

Staan zeven hooge boomen;

't Zijn geen iepen, 't zijn geen esschen,

Je zult het niet raden, al was je met z'n zessen.

(Het zevengesternte).

5.

Achter in mijn vaders tuin,

Daar staat een boom met kralen,

En die die kralen tellen kan,

Die is de baas van allen.

(De sterren).

6.

Lapken, lapken,

Duizend lapken,

't Is genaaid zonder naald of twijn,

'k Geef u te raden, welk lapken dat zou zijn.

(Een wolk.--Dendermonde).

7.

Tusschen hemel en aard

Staat een lange groene gaard.

't Zijn geene eiken, 't zijn geene esschen,

Je zult het niet raden, al waart je met zessen.

(De regenboog.--Limburg).

8.

Ons Lieve Vrouwken van Laken

Spreidt een wit laken

Op land en zand,

Maar niet op den waterkant.

(De sneeuw.--Antwerpen).

9.

Daar staat een juffrouw in de deur,

Met een witte schorldoek veur.

Hoe meer dat ze staat,

Hoe meer dat ze vergaat.

(De sneeuw).

10.

Eene planke

Van Godes danke;

Het en is noch hout noch eeke,

Noch eeke noch hout.

Als gij het kunt raden,

Geef ik u eene ton met goud.

(Het ijs.--België).

11.

Daar gaat een ding om het huis,

Dat kijkt door alle gaatjes.

(De zon).

12.

Rondom de meulen

Liepen twee pèretjes speulen.

Der is geen eenen ouwen man,

Die déé twee pèëren keeren kan.

(De zon en de maan.--Zeeland).

13.

Toen ik was jóng en schóon,

Droeg ík een bláuwe króon.

Toen ík was óud en stíjf,

Slóegen ze me óp het líjf.

Tóen ik wás genóeg gedrágen,

Wérd ik van prínsen en gráven gedrágen.

(Het vlas).

14.

Eerst zoo wit als vlas,

Dan zoo groen als gras,

Dan zoo rood als bloed,

En dan zoo zwart als roet.

(De braambes).

15.

Van binnen wit, van buiten zwart,

Drie ruggen en geen start.

(De boekweitkorrel).

16.

Der sit in jifferke yn 't grien,

Mei in mooi read rokje oan.

Als men ze knypt den skriemt se,

En dôch het se in stiennen hert.

(De kers.--Friesland).

17.

Daar staat een boom in 't Westen,

Met twee en vijftig nesten,

Ieder nest met zeven jongen,

Râ, wat namen zij ontvongen?

(Het jaar).

Talloos zijn de raadsels van het ei. Sommige vormen zijn bekend bij

alle Germaansche stammen.

Ons bekend rijmpje:

18.

Hummeltje Tummeltje klom op den wagen,

Hummeltje Tummeltje viel van den wagen,

Daar is geen eene timmerman,

Die Hummeltje Tummeltje maken kan,

waarvan een Vlaamsche lezing luidt:

19.

Hippekentippeken op de bank,

Hippekentippeken onder de bank;

Daar is geen smid in Ingeland,

Die Hippekentippeken maken kan,

vertoont in Brunswijk den vorm:

Hummelke Trummelke lag up'r bank,

Hummelke Trummelke feil von'r bank;

Et was kein doktor in'n gansen land,

De Hummelke Trummelke we'er mâken kann.

In Engeland luidt het raadsel aldus:

Humpty Dumpty sate on a wall,

Humpty Dumpty had a great fall,

Three score men and three score more

Cannot place Humpty Dumpty as he was before.

Bekend in geheel het zuidelijk volksgebied (dus ook b.v. in Hollandsch

Limburg) is het eiraadsel:

20.

Ik klopte al op een witte deur,

Daar kwam een bruine pater veur.

Ruim verspreid is ook het raadsel van de Snijboonen, natuurlijk met

de noodige varianten:

21.

Achter in mijn vaders tuin

Daar staat een boom met groente;

Hier een boom, daar een boom,

Ieder boom een tak;

Hier een tak, daar een tak,

Ieder tak een nest;

Hier een nest, daar een nest,

Ieder nest een ei;

Hier een ei, daar een ei,

Ieder ei een zwart plek op 't gat;

Râ, râ, wat is dat?

Ik kan niet nalaten nog op enkele waardevolle raadsels te wijzen,

waarin zoo menige trek van dichterlijke natuurbeschouwing en gevoel

voor het landschappelijk-schoone spreekt:

22.

Oude, grijze, grauwe,

Staat alle nachten in de dauwe,

Heeft vleesch noch bloed

En is voor alle menschen goed.

(De molen).

23.

Er vloog een vogel snel

Al over de diepe del (de zee);

Hij droeg botten en beenen

En had er zelve geene.

(Het schip).

24.

Achter molens duun

Dèr leit in oud peerd bruun,

Zonder kop en zonder steert,

Al syn ribben leggen verkeerd.

(Een omgeploegd stuk land.--Ameland).

25.

Daar waren eens vier zustertjes,

Die klommen op hooge mutstertjes;

Daar waren eens vier broertjes,

Die klommen op hooge stoeltjes;

Ze naaiden zijden kapjes

Van honderd duizend lapjes,

Zonder naald en zonder twijn:

Je zult het niet raden, al ben je fijn.

(De spin, die haar net maakt).

26.

Er ging een mannetje door den dam

Met een fluweelen wammesje an.

(De mol).

Of ook:

27.

Jan De Bruin

Zat in den tuin,

Hij had geen paard of ploeg,

En toch bouwde hij land genoeg.

(De mol).

28.

Daar is een ding

Dat pinkt

Dat knipt en winkt

En lacht en vinkt ...

'k Zou alzoo wel willen pinken,

Knippen en winken

Lonken en vinken,

Gelijk dat ding

Dat pinkt

En knipt en winkt

En lonkt en vinkt.

(Een Ster--Vlaanderen).

29.

Daar gíng een mánnetje óver den díjk

Mét zijn óogjes kíjkerdekíjk,

Mét zijn háartjes krúlderdekrúl;

Je zúlt het niet ráden, al werd je dúl.

(Het schaap).

30.

Het is, waarin het water vloeit,

Het is, waarop de bloeme bloeit,

Het is, waarop bij dag en nacht

De moede mensch de rust verwacht,

Het is, gelijk men dikwijls zegt,

Van dat, waarin men dooden legt.

(Het hout.--Land van Waas).

Somtijds is de inkleeding van het raadsel dramatisch. Zoo vraagt de

ketel aan het water, dat uit de pomp vloeit:

31.

Dribbel drabbel dribbelgat,

Hwêr komst dou fen dinne?

--Ut de ierde,

Swart forbarnde tsjettelkop.

(Friesland).

Hoogst merkwaardig is het gesprek tusschen weide en beek, dat zeer

oud is en wijd en zijd verspreid:

32.

--Du kromme, du lange,

Van waar komde gegangen?

--Ei du met dijn geschoren gat,

Waarom vraagde mij dat?

De Zeeuwsche vorm luidt:

33.

--Joe kromme, joe slomme,

Wèr kom je van dèn gezwomme?

--Joe afgeschoren schietgat,

Wèrom verwiet je me dat?

Men vergelijke hiermee het Brunswijksche:

--Lanke krummumme, wo wutte hen?

--Korte vorschorne, wo frägste nâ,

Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen.

2. De verhalende raadsels zijn somtijds zeer ingewikkeld. De oplossing

omvat niet zelden een vrij groot aantal personen of zaken en raakt

zelfs historische gebeurtenissen, veelal verhalen uit het Oude

Testament. Zoo b.v.

34.

De kist, die leefde,

Die er in zat, beefde;

De kist, die at,

Die er in zat,

Bad.

(Jonas in den visch.--België).

Ook het raadsel van de sneeuw, waarvan boven sprake was (bl. 87),

is een verhalend raadsel: de sneeuw valt op een boomtak, smelt door

de zonnewarmte en droppelt er van af.

35.

In 't Land van Cadsant

Ging een man over zijn land

Met 'nen ginger,

Met 'nen springer,

Met 'nen hoepsasa;

Hij hield iets in zijn handen;

Hij ging al zoo zeere

Om zijn land te keeren.

(Hij ging met een paard en een riek).

36.

Hoop en vrees zat op den wagen:

Hij zag tweebeen vierbeen dragen.

Heeren raadt en zegt het mij,

Als ge 't niet raadt, dan ben ik vrij.

Dit raadsel maakt op ons een vrij zonderlingen indruk. Maar het

dagteekent uit oude tijden en past in het kader der raadselverhalen,

waardoor misdadigers, ter dood veroordeeld, zich het leven konden

redden door de rechters een raadsel op te geven, dat deze niet

kunnen oplossen. Wij moeten hierbij in aanmerking nemen, dat voorheen

hoogernstige menschen zich bezighielden met elkander raadsels op te

geven. De raadsels behooren tot de groep van folktoristica die, bij

het wijzigen van de tijden, van de ouderen tot de jongeren, en van

de hoogere tot de lagere kringen zijn afgedaald. Dit bewijst niet,

dat wij in de hedendaagsche raadsels den _detritus_, den afgesleten

vorm hebben, maar dat de volkskunst uit ruimere kringen verbannen

is. Zoo ging het met het Sint-Maartensvuur, met het luilak-gebruik

enz. (vgl. I, bl. 104, 194). Bekend is de raadselwedstrijd tusschen

Wolfram van Eschenbach en den toovenaar Klingsor; en eveneens de

raadselstrijd van Odhin met koning Heidhrekr in de Oudnoorsche

Edda. Deze lost b.v. het raadsel op, door Odhin, als Gestumblindi,

hem gesteld: wie het paard is, dat ter vergadering rijdt, met drie

oogen, tien voeten en één staart,--antwoordende, dat het Odhin op

het achtpootige paard Sleipnir is (vgl. I, bl. 72).

Bovenstaand raadsel nu werd aan de rechters opgegeven door een

veroordeelde, die de belofte had weten te verkrijgen, dat hij zijn

leven zou kunnen redden als hij een raadsel kon opgeven, dat de

rechters niet vermochten op te lossen. De oplossing luidt: toen

de misdadiger op een wagen naar de galg gevoerd werd, had hij een

ooievaar zien vliegen met een kikvorsen in den snavel. Hij hoopte,

dat niemand het mocht raden, en vreesde de terechtstelling. Somtijds

is het ook de vrouw, de moeder of de dochter van den schuldige,

die verzoekt het raadsel te mogen opgeven.

Een raadselverhaal, dat nog leeft in West-Vlaanderen en in het

Meetjesland, geldt een moeder, wier drie zoons soldaat moesten

worden. De koning ontsloeg hen van den dienst, indien de moeder hem

een raadsel wist op te geven, dat hij niet kon oplossen. Bij het

ter kerk gaan vond zij in het doodenhuisje een doodshoofd liggen,

waarin een musschennest met vijf jongen. Van daar dit raadsel:

37.

Ik ging en ik kwam

Waar ik vijf levenden uit éenen doode nam;

Die vijf maakten mijn drij vrij;

Weet ge 't, zegt het mij.

Een variant hiervan is het verhaal van de vrouw, die haar

echtgenoot door een raadsel kan redden. Langs den weg vindt zij

een paardenschedel, waarin spreeuwen nestelen. Op den bepaalden

dag keert zij terug, neemt de vijf jongen uit het nest en geeft het

raadselverhaal op:

38.

Toen ik henenging en wederkwam,

Vijf levenden uit den doode nam,

De zesde maakte den zevende vrij,

Nu, heeren, raadt en zegt het mij.

Wijd en zijd verspreid is ook het raadselverhaal met het motief,

dat een man, tot den hongerdood veroordeeld, heimelijk door zijn

dochter met de borst wordt gelaafd. Zoo stelt deze het raadsel:

39.

Gezogen, gezogen,

Landsheeren bedrogen,

Kind geweest

En moeder geworden.

Dit luidt in West-Brabant (Ternath en omstreken) aldus:

40.

Heeren bedrogen,

Muren doorzogen,

Wiens kind ik ben,

Wiens moeder ik wierd.

"Muren doorzogen", omdat hier de dochter haar vader door een buis in

den muur met voedsel laafde.

Tot de groep van raadselverhalen dienen ook gerekend te worden het

overgroot aantal raadseltjes, waar personen of zaken naar het getal der

beenen of pooten _tweebeen, driebeen_ enz. genoemd worden. Zoo b.v.:

41.

Tweebeen zit op driebeen

En trekt aan vierbeen.

(Het melkmeisje).

42.

Tweebeen zat op driebeen,

Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten,

Toen nam tweebeen driebeen,

Om er vierbeen mee te smijten.

(Een man pakt een drievoet om er een hond mee te smijten).

3. De eigenlijke, direkt-vragende raadsels werden door Guido Gezelle

_kwelvragen_ genoemd. Het zijn inderdaad kwelraadsels in zoo ver zij

den gevraagde trachten te verschalken door hun algemeene bewoordingen,

door hun listig bijgevoegde gedachten, hun afleiden van de aandacht,

hun verrassende zinspelingen, hun opzettelijk maskeeren van den

juisten klemtoon, hun dubbelzinnige woordopvatting.

Tot de meest bekende behoort wel het raadseltje van Keizer Karels hond:

43.

_K_eízer _K_árel _h_ád een _h_ónd,

_H_óe _h_éet _K_eízer _K_arels _h_ond?

De naam van den hond was _Hoe_. Let hier vooral weer op het stafrijm

en eveneens op de allitteratie. Als tweede versregel hoort men vaak:

"Ik leg het woord al in uw mond", of iets dergelijks, Deze regel is

stellig een bijvoegsel van jongeren datum.

Vergelijk hiermee, wat betreft het antwoord in de vraag, het

Achterhoeksche:

44.

Krom omgebogen,

Vlecht door getogen (getrokken),

Wan ik jou 't zekg,

Zul ei 't niet roan.

(De wan).

Zeer bekend is nog het kattenraadsel:

45.

Daar ging een mannetje over de brug,

Met zeven katten op zijn rug,

En ieder kat had zeven jongen,

Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen?

(Twee).

Op de tweeduidigheid van het woord _heeten_ spekuleert het raadsel:

46.

Koolwarmoes, die koud is

En drie dagen oud is,

Hoe heeten ze dat in Brabant?

(Boven het vuur).

Overoud is ook het volgende raadselrijmpje, waarbij de oude versmaat

weer even onmisbaar is, als bij dat van Keizer Karels hond:

47.

A'msterdám, die gróote stád,

Met hóeveel létters spélt men dát?

(Met drie: d a t).

Volgen nu nog eenige raadselvragen in denzelfden trant: 48. Waarom

dragen de meeste boerinnen rooie kralen? (Om den hals).--49. Wat voor

haar had Mozes' hond? (Hondenhaar).--50. Hoe is de eerste vloo over

den Rijn gekomen? (Bruin).--51. Hoeveel eieren kon de reus Goliath

nuchteren op? (Eén).--52. Wat weegt zwaarder, een pond veêren of een

pond lood? (Even zwaar).--53. Wie gaat op zijn kop naar de kerk? (De

spijkers in de schoenen).--54. Hoeveel krullen zijn er in een rechten

varkensstaart? (Geen een).--55. Welke weg wordt niet begaan? (De

melkweg).

Meer spottend van aard, en dus eigenlijk behoorende tot de volksluim,

zijn raadsels als deze: 56. Waarom knijpt de haan zijn oogen toe, als

hij kraait? (Omdat hij zijn liedje van buiten kent).--57. Wie heeft de

eer, den koning bij den neus te vatten? (De barbier).--58. Wie steekt

er 's morgens het eerst zijn neus in de kerk? (De sleutel).--59. Hoe

hiet Mozes, toen hij klein was? (Mozesje).--60. Wie zit tot over

de ooren in de schuld? (Wie een slaapmuts draagt, die nog niet

betaald is).

Eindelijk, tot de letterraadsels behooren: 61. Wat staat er midden

in den hemel? (De letter _m_). Zoo ook:

62.

't Is in de vrouw en niet in den man,

't Is in 't bier en niet in de kan,

't Is in 't koren en niet in de wan,

't Is in Karel en niet in Jan;

Zeg mij wie dit raden kan.

(De letter _r_).

4. In de raadselsprookjes, ook bij ons in ruime mate bekend, huwt de

koning veelal zijn dochter uit aan dengene, die bepaalde raadsels kan

oplossen, of wel raadsels opgeeft, die niemand raden kan. In andere

sprookjes komen raadsels ook buiten dit verband voor, zoo b.v. in het

verhaal van den herdersknaap, die antwoord geeft op de drie vragen:

"Hoeveel water is er in de zee? Hoeveel sterren staan er aan het

uitspansel? Hoe hoog is de hemel? Geheel als raadsel op te vatten

is een sprookje als het volgende, ons door Waling Dijkstra, Uit

Friesland's Volksleven II, bl. 143 meegedeeld:

Er was eens een meisje, dat vrijde met een ruiter. Zij wist niet, hoe

die ruiter heette en evenmin, wie hij was. Eens op een avond kwam hij

bij haar te paard, en vertelde haar, dat hij een mooi groot slot had,

daar wilde hij haar heen brengen; maar het was heel ver weg. En toen

nam hij haar bij zich op het paard en reed met haar weg, zeer ver,

zeer ver, door den duisteren nacht, zoo snel, zoo snel, dat geen

vogel zoo snel vliegen kon. En de ruiter zong:

Het maantje dat schijnt er zoo helder,

Het paardje dat loopt er zoo snelder,

Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet?

Eindelijk kwamen zij aan het slot. En toen trouwden ze en hebben

bruiloft gehouden. En het meisje is nooit weer bij haar vader en

moeder teruggekomen.

Nederlandsche Volkskunde · 第 94 / 117 题