DE VOLKSKUNST.

Staat de mensch tegenover God en de maatschappij als redelijk en

maatschappelijk wezen, als zinnelijk wezen staat hij tegenover de

natuur, en als zoodanig zijn zijne betrekkingen deels van praktischen,

deels van theoretischen aard. Praktisch is hij werkzaam op ekonomisch

gebied;--bij het volk, wij zagen het reeds, gaat de ekonomie geheel op

in woningbouw en grondbeheer; theoretisch werkzaam toont hij zich in

kunst en wetenschap. Immers de geest van den mensch is een spiegel van

het heelal: een mikrokosmos. Maar die wereldopvatting is geen doode,

volstrekt-passieve afspiegeling, maar veeleer tevens een opgewekte

werkzaamheid. Want bij het aanschouwen voegt zich het wèl-bewuste

omvatten en doordringen van het objekt, de reproduktie van het

aanschouwde in beelden en vormen, kleuren en tonen, groepen en typen.

Kunst is: _zelf-openbaring van den geest door belichaming van het

ideale in de stof_. Zij beduidt een streven, met de beste zielekrachten

in te grijpen in de buitenwereld, en kan zelfs beschouwd worden

als een worstelen om bezit en behoud van de ideale goederen des

levens. De volkskunst streeft niet steeds naar de hoogste idealen;

maar zij volgt toch ook den zieledrang, te scheppen en te belichamen,

en met streelende zelfvoldoening vermeit zij zich in hetgeen verstand

en wil en fantasie konden wrochten. En waar het scheppend vermogen te

kort schiet, daar neemt het volk volle welbehagen in de bevrediging

van zijn navolgingsdrift. De enkeling kan als volwassene met zijn

nuchter verstand de momenten van lust en welbehagen meestal zelfs

niet meer bevatten, die de speeldrift hem als kind zoo ruimschoots

toedeelde. Maar het volk leeft en blijft leven, evenals het kind,

in een tooverland van fantasie; zijn navolgingsdrift is speeldrift,

en die speeldrift verwekt den lust te zingen, te rijmen, te bouwen,

te schilderen, te sieren. In dezen zin mag men zeggen, dat ook bij

de hoogere, de kultuurkunst, de speeldrift ten grondslag ligt.

Want volkskunst en kultuurkunst, of, zoo men wil, beschavingskunst

[17], zijn geen wezenlijk-verschillende begrippen; zij berusten

beide op dezelfde aesthetische grondvesten, gelegd in den bodem

der éenvormige menschelijke natuur. Principieele verschillen

bestaan tusschen volkskunst en kultuurkunst evenmin als tusschen de

kunstuitingen der kultuurvolken en die der natuurvolken, hoe ruw en

tastend deze laatste dan ook zijn mogen.

Wat de volkskunst soms mangelt aan scheppend kunnen of aan bewuste

stelselmatigheid, dat wint zij niet zelden in oorspronkelijkheid,

in spontaneïteit van uitingsvermogen, in frischheid van opspattende

levenskracht. Teert de kultuurkunst op konventioneelen vormenschat en

slijt zij droeve dagen in kwijnende bloedarmoede, dan kan de volkskunst

haar versche levenskracht in de aderen gieten. Al mist zij den glans

der polijsting, al vormen tal van onedele bestanddeelen vaak het

ruwe omhulsel,--kernglans en kernreinheid zijn er niet minder om,

ja zijn er vaak te veiliger om beschut.

Bovenkultuur zonder kunst is ondenkbaar; maar onderkultuur evenmin. De

volkenkunde kent dan ook geen kultuur_looze_, wel kultuur_arme_ volken;

en men mag zeggen, dat mèt het kunstgehalte de kracht en teerheid

van het volkswezen groeit. "Een volk zonder kunst is geestelijk

dood", schrijft Poelhekke. Het sterft den hongerdood. Want het haken

van het volk naar kunst onder allerlei vormen, zelfs dan, wanneer

overbeschaving in die vormen het snelstwerkend venijn verborgen heeft,

kan mede gelden als bewijs voor de eeuwige waarheid: _dat de mensch

van brood alleen niet leven kan_.

Gevoel voor het schoone en behoefte aan uiting en bevrediging van

dit schoonheidsgevoel behoort tot het mensch-zijn, is het normale

bij het individu en moet tevens als een normaal maatschappelijk

verschijnsel worden beschouwd. Want bij de volkskunst treedt het

sociaal-psychische element sterk op den voorgrond; ook de volkskunst

behoort tot de "sociale feiten", wier substraat de gemeenschap is,

en die met hun imperatief karakter een sterken, dwingenden invloed

op het individuëele leven uitoefenen.

Kunst, zelf-bewust vormen en scheppen, is een terugwerken, een op beurt

ingrijpen van den vrijen menschelijken wil in de buitenwereld, die wil

en gedachte door haar inwerking heeft bepaald. Kunst is zelfopenbaring,

en volkskunst is de zelfopenbaring der volksziel, maar tevens een

worstelstrijd om levenslicht en levenslucht, om niet onder te gaan

in het individuëele en banale, om niet te worden overweldigd door de

doode en doodende stof. Waar het volk zijn eigenwaarde nog beseft,

daar kan het op den duur geen weerstand bieden aan die drift, dien

scheppingslust van eigen beeld en gelijkenis, die wortelt in zijn

verstandelijk kenvermogen en het koningszegel drukt op zijn pogen

en wrochten; ja, die een trek is zijner Godverwantschap. Het gevoel

dezer Godverwantschap is zelfs de bron van het menschelijk artistieke

welbehagen.

Natuurlijk staan niet alle kunsten en takken van kunstnijverheid op

dezelfde trap, en evenmin staan den kunstdrang geschikte middelen

ter realiseering in gelijke mate ter beschikking. De volkskunst kan

soms gering en onbeduidend schijnen; andermaal beweegt zij zich in de

lijnen van een stuitend realisme, al is dit niet het produkt eener

ziekelijke hyperkultuur. Maar weer andermaal--welk een schat van

naïeve frischheid en oorspronkelijkheid!

Van de zoogenaamd permanente kunsten bespreek ik slechts de bouwkunst

en de dekoratieve kunst; van de momentane, wier scheppingen strikt

genomen verdwijnen met de spanne tijds, waarin zij voltooid worden,

behandel ik eerst de lagere vormen van raadsels, spreekwoorden en

zegswijzen, om daarna langs de sprookjes- en sagenladder op te klimmen

tot het volkslied.

Nederlandsche Volkskunde · 第 93 / 117 题