A. Hedde de wiele van oew kèr al laote veraandere, Bart? [14]

B. Neeë, Arjaon! zou da toch mötte?

A. Jao, jao, da möt zeker; ik hoar zegge, das ze d'n earste van

d'aander mand mee smalle raoje niemar meuge rije.

B. Nou, de mijn zulle dan toch nog nie veraanderd zen: d'aambachte

kunne 't ok aomal nie gedaon krijge. Hedde gij de jou al veraanderd?

A. Van m'n éán kèr wel; die he'k mee breeë wiele laote maoke, al vur

'n jaor of twea, om vur de waaie te gebruike; mar mee d'aandere möt

ik er nog aon.

B. Vur de waaie geloaf ik das ze goed zen de breeë raoje, mar om vur

dur 't zand te rije, jonge, davvur zen m'er mee vernukt.

A. Da sa 'k nie zegge: mee de breeë wiele zulde zo'n groate gaote

nie in 't spoor maoke, as mee de smalle, en ge kunt het spoor maoke,

as mee de smalle, en ge kunt het spoor ok makkelik verlegge.

B. Jao, protte ge mar; mar smenke zegge, dagge mee de breeë bedeane

vast zit, as 't nat is.

A. Neeë, man, ze zulle de wege dan zo nie kapot rije: de breeë wiele

snijen er zo nie deur, en te zomer zal den weg zo schoan zen azne

dörsvloer.

B. Nou, dan zulle ze toch mear mötte paniere as ze tegenworrig doen.

A. Neeë, jonge, davvur hoeve ze niks mear te paniere, want d'n weg

zal uit zen aaige goed blijve, omdat er dan g'n gaote en kuile mar

zulle gemakt worre.

B. Mar in d'n baomus dan, as 't nat is, dan zulle ze toch wel blijve

steke.

A. Da sa 'k nog nie zegge. Ikke en Koop van Hentjes hebbe vleeën baomus

den healen dag mis gereeë mee twea kère dur 'n heal nat straotje, en

's aovus waor d'n weg nog net zoo goed as 's maregus mar we haaie 't

spoor dikkels verleet. En as ge da mar doet, dan zulde g'n gaote rije,

en dan zulde 't mee breeë raoje langer volhouë as mee smalle. As de

meense der mar is aon gewoan zen, dan zulle ze g'n smalle raoje mar

verlange; mar nou zen ze der op tege, omdas z' aomaol der wiele mötte

laote vermaoke, en da sen groate koste; mar as ze 'n paor wiele vur

niks krege, dan zouwe ze der nie tege pruttele.... Mar ik houwe vur

'n goei ding, die breeë wiele.

B. Jao, gij prot goed; mar wa zulle de klène boerkes doen, die mee

nun os rije? Die kunne, as 't nat is, toch ginnen weg.

A. Jao, jao, genog; mar 't is vur hullie èrig, omdas z' in de zak

zulle mötte. Mar as ze der wiele mar is hebbe, dan zulle ze der wel

over kontent zen.

B. 't Kan gebeure; mar ik mot het earst zien, vur ik 'et geloaf.

Zoo komen wij ten slotte tot de Limburgsche dialekten. Het Frankisch

in zijn geheel genomen is door de zoogenaamde tweede klankverschuiving

in twee groote helften gesplitst: het Neder- en Opperfrankisch. De

aandrang ging uit van het Opperduitsche bergland; langzaam plantte de

golving zich voort, om weg te sterven tusschen den 50sten en 52sten

breedtegraad. De grenslijn draagt den naam van _Benrather linie_, omdat

zij benoorden het plaatsje Benrath over den Rijn gaat. In oostelijke

richting doorsnijdt zij geheel Duitschland tot aan de Poolsche grens;

westwaarts loopt zij bezuiden Neuss, Rheydt, Erkelenz, Heinsberg,

en overschrijdt bij Geilenkirchen het Nederlandsche grondgebied. Dit

verlaat zij weer tusschen Cottesen en Vaals, en valt dan omstreeks

Malmedy samen met de scheidslijn tusschen het Germaansche en Romaansche

taalgebied. Men mag dus beweren, dat het in Groot-Nederland gesproken

Frankisch zoo goed als uitsluitend Nederfrankisch is.

Dit nu wordt verdeeld in Noordlimburgsch en Oostbrabantsch (Meyerijsch)

eenerzijds, en Zuidlimburgsch anderzijds, en wel door de zoogenaamde

_Uerdinger linie_, die benoorden Uerdingen den Rijn overschrijdt en den

dam vormt, waartegen de laatste golvingen der tweede klankverschuiving

breken: ik bedoel de verschuiving van _k_ tot _ch_ in de woordjes _ik_

en _ook_. Benoorden en bewesten de linie, waar men dus _ik_ en _ook_

hoort, liggen, Herongen-Venloo, Blerik, Maasbree, Meijel, Leende,

Borkel en Schaft; en in België: Lommel, Baelen, Tessenderloo, Sichem,

Bekke voort, Thielt, Bautersem. Bezuiden en beoosten, waar men _ich_

en _auch_ zegt, liggen: Leuth-Tegelen, Baarloo, Helden-Panningen,

Ospel, Nederweert, Maashees, Soerendonck en Budel; in België: Achel,

Neerpelt, Exel, Hechtel, Beverloo, Beeringen, Diest, Roosbeek en

Vertrijk. Bautersem en Vertrijk, westelijk en oostelijk eindpunt

der lijn, liggen ongeveer een uur gaans ten westen van Thienen, het

groote uitstralingspunt der Nederlandsche dialekten. Daar stuit de

Uerdinger linie op de Waalsche grens of, nauwkeuriger gezegd, op een

dier grensstrooken, die door het Romaansch op het Germaansch veroverd

zijn; zie God. Kurth, La frontière linguistique en Belgique et dans

le nord de la France (Bruxelles 1895--98) II, bl. 526; III, bl. 4 vlg.

Een juister indeeling zal, naar ik hoop, de vrucht wezen van ons

uitgebreid, maar helaas door de tijdsomstandigheden bemoeilijkt,

onderzoek der Zuidoostelijke dialekten. Ook hier groote differentiatie,

evenals in het Brabantsch, maar die benoorden Venloo daarenboven op

een ethnische reden stoelt. Daar immers, de lezer herinnere het zich,

is een Saksisch menggebied, maar waar de Saksische bouwtrant vrij

wel als uitgestorven kan worden beschouwd (I, bl. 37, 38). Wij hebben

hier te doen met een dier zeldzame gevallen, waarin de taal taaier en

duurzamer bleek te zijn dan de hoevenbouw. Want benoorden de linie

vinden wij een dialekt, door Te Winkel Saksisch-Frankisch genoemd,

en dat uiteenvalt in het taaleigen van Venraai, van de Landen van

Cuyk en Nijmegen, de Lijmers (Eltenberg en omstreken), de Duffel en

de Over-Betuwe. Hier hoort men b.v. _ald_ (_aald_) en _kiend_, en

doorgaans _bleeëk, deeël, steeën, dooëd, pooët_ (of _bleiëk, doeëd_

enz.). Van het aangrenzende Brabantsch (Meierijsch) onderscheiden

zich deze dialekten door het niet-diphthongeeren van _î_ en _û_, dus:

_mien, riek, wief, zoor (zoer), hoes_. In dit dialektgebied vertoont

een bepaalde landstrook, die de plaatsen Venloo, Blerik, Maasbree,

Velden, Grubtenvorst, Lom en Arcen omvat, grootere overeenkomst met

het Zuidlimburgsch; zie hierover mijn artikel in het Tijdschrift voor

Nederl. Taal en Letterk. XXVI, bl. 81 vlg.

De geheele streek bezuiden de Uerdinger linie noemt men het

_Mich-kwartier,_ een benaming, die uit België schijnt afkomstig

te zijn; en wel omdat daar de oude akkusatieven _mich_ en _dich_

zijn bewaard gebleven. Ook hoort men hier _ich_ en meestal _auch_

(ook). Te Winkel spreekt van Ripuarisch Frankisch. Toch vindt men

ook hier tal van verschillen; met name het dialekt van Belgisch

Limburg vormt voor het meerendeel een zekere eenheid, die wel eens

Westlimburgsch genoemd wordt; deze benaming kan echter tot verwarring

aanleiding geven. Verder is de Oudgermaansche _sk_, die in het Friesch

haar oorspronkelijken klank behield, in bijna geheel het Mich-kwartier

gepalataliseerd tot _sj_, dus Friesch: _skaap_, Hollandsch: _schaap_,

Roermondsch: _sjoap_. Deze palataliseering vindt men ook op de

Veluwe en in Eemland, wat weer op gemeenschappelijken ondergrond

wijst. Maar daarenboven is bezuiden de Uerdinger linie de stemlooze

spirant _s_ in de klankverbindingen _sp, st, sl, sm, sn_ en _sw_

tot _sj_ geworden beoosten een lijn, die van af het dorp Panningen in

zuid-westelijke richting geheel Limburg doorsnijdt. Eerst volgt zij den

linker Maasoever, gaat bij Wessem de rivier over en vervolgt nu haar

weg op den rechter Maasoever, tot zij tusschen Maastricht en Breust

de Belgische grens en het Romaansche taalgebied bereikt. Deze linie

noemde ik de _Panninger linie_. Het ruimere gebied der palataliseering

van _sk_ tot _sj_ wordt begrensd door de _Panninger zijlinie_. Zie

hierover mijn artikels in het Tijdschrift voor Nederl. Taal- en

Letterk. XXI, bl. 249; XXVI, bl. 81; Limburgs's Jaarboek XIII, bl. 229;

Leuvensche Bijdragen 1908. Laat ik nog vermelden de dialektstudies

van J. Houben. Het Dialect der stad Maastricht (Maastricht 1905);

L. Grootaers, Het Dialect van Tongeren (Lier 1910); en voor de studie

van het Noordlimburgsch: H. Bruijel, Het Dialect van Elten-Bergh

(Utrecht 1901).

Het Limburgsch wijkt sterk van het algemeen Nederlandsen af en

de Limburger handhaaft zijn taal met zeldzame taaiheid. Eerst in

de laatste tientallen van jaren wordt in sommige families van den

deftigen stand de algemeene Nederlandsche kultuurtaal gesproken. Aan

differentiatie heeft het, zooals gezegd, niet ontbroken, en ook

scheppen nog steeds handwerk, beroep en industrie--tabaksbewerkers,

leerlooiers, steenbakkers, mijnwerkers tuiniers [15]--talrijke

sociale groepen en groepjes. Toch blijft een sterk gevoel van nauwere

psycho-ethnische verwantschap zich handhaven.

Tot de eigenaardige algemeen-Limburgsche dialekt-verschijnselen

behoort het isosyllabisme van de nominale meervoudsvormen met

die van het enkelvoud; b.v. _bal: bel; kop: köp; knoak: knök_;

enz. Verder het eigenaardige muzikaal accent, met name de syllaben

met stijgenden sleeptoon, die heel wat taalverschijnselen kunnen

verklaren. Ook het zinsaccent, de zinsmelodie en het spreektempo

zijn in deze dialektgroep zeer eigenaardig en sprekend, en wel in

veel hoogere mate dan in de noordelijke tongvallen. Dit blijkt zelfs,

wanneer een bewoner der zuidelijke provinciën de algemeene kultuurtaal

spreekt: men zegt dan "dat hij zingt". Er is natuurlijk verschil

tusschen vraag, uiting van verwondering of andere gemoedsbeweging en

simpele bewering,--een uitgestrekt terrein, dat nader dient te worden

onderzocht. Eindelijk de retrogressieve of terugwerkende assimilatie

bij het zwakke praeteritum--veelal van palataliseering begeleid--,

waar het algemeen Nederlandsch progressieve of vooruitstrevende

assimilatie vertoont; b.v. pakte: _pagde_ en _pagd'e_ [16]; danste:

_danzde_. Ook bij andere vormen ontmoeten wij dit verschijnsel,

dat allicht met het accent in betrekking staat.

Laat ik ten slotte nog even wijzen op de grootere eenheid

van Zuid-Limburg. Zij wordt gekenschetst door de hoeve van het

Frankisch-Romeinsche type, maar ook door het doorgaans ontbreken

van de afzonderlijke hoeven, geïsoleerd liggende te midden der

afzonderlijk landerijen (I, bl. 42, 24). Van een nauwere dialektische

eenheid bezuiden Sittard diene als specimen het gerundium op _-têre:

loupentêre, lachentêre_ enz., dat men te Maastricht, Sittard, Heerlen,

Tongeren, Hasselt, kortom over geheel het zuidelijkste gebied verspreid

vindt. Over het gebruik te Hasselt zie Gittée, in het Nederl. Museum

1888, z. bl. 306. Het verschijnsel is nog steeds raadselachtig in

wezen en herkomst, en dient nader te worden onderzocht. Zie verder

de isethnenkaart.

Venloosch.

(_Fragment uit "De Sage uit het Ven", Limburgsch's Jaarboek VIII,

bl. 63, eenigszins gewijzigd_).

Jan en Helmus oêt 't Ven.

Op ein half oor van de stad, aan de Winkelveldstroat, leet Besjeshoaf,

en dên hoaf hebbe de akkerlu Van R. sterk twieë ieëwe van elder

tot elder bewoeënd. Op ein paar noa de leste van eur, die doa den

reek hanteerde, waas Jan van R., eine strausse mins mit snuje geis,

dê ei nateurlik slaag had van vertelle en al waat de stadsboetenieë

raa_g_de, hoarklein kinde. Bij de Venlu stonte veur gelierd,

want hê kos in den almenaak lêze, ziene naam schrieve en mit

kriêt rêkene. Ouk waasse drijmoal keuning gewês: twieëmaol bij 't

vogelschete in 't Kraneveld, en eine kier bij 't rieje van de gaas

aan Sinter Banus. In 1848 isse gestorve, 92 joar ald,--des neet in

de weeg, wie?

Mit eine Julidaag van 1778 trok Jan mit ziene knech Helmus, eine

Veldese jong, noa de Hêringse hei um struitsel te houwe in eine kamp,

dêje veur zes vette kukes 's joars, aan 't hoês Caan in Stroale te

levere, gepach had. 't Waas dên daag schreujend heit, en doarum ginge

ze iers smiddaags um vief oor van den hoaf, veurnemes door te werke

zoeë laat azzet gong. Veur de lochtigheit zote eeder eine lichte

vink op en as oavesête nome ze drij bokeskeuëk mei in vere gesneje,

en daobij twieë tuite botermelk, die ze op de gebroekelike meneer

mit reemkes aan de heizigs gebonde euver den rök honge.

Weus en akelig waas in dên tiêd nog de Venstreek, die ze ein ind

meuste doortrekke. Aan weerszie van den alde Stroalse wêg loge

wiedluipige zompe en peul, dich begreuid mit luus en reet en

umzuimp mit elze holt, vane en broamelestruûk. Doa hoort me niks as

't gekwaak van de kikvors en 't gesnater van de ênde, woavan der soms

'n kloch oêt de zomp opvloog.

Toe Jan mit zienen Helmus bij de kamp waren aangekome, loge ze eure

knapzak tösse einen berke stroêk en begoste te hakke. Jonk

en ieferig wie ze ware, gunde ze zich gein rös as um wat oassem te

schöppe en te drinke of knips ein half oor um eur proviand aan te

sprêke. Ze wisten ouk van gein oêtscheije, en doe ze 't struitsel in

huip hadde gezat, waas den oavond al ein hieël ind gevalle. Ze nome

de heizigs weer op de schouwers en gongen noa den hoaf truuk.

Doeëd meug door de zwoaren en lankwieligen erbeid sukkelde oos Besjeslu

gedoek en druimerig veuroet, in volle kompenie mit de hiere van 't

brook, die bij eeder stap verschrik veur eur opspronge. Maar

klam hadde ze den _Arenborg_ en _Genroai_ achter den rök, of doa,

aan einen tomp van de wêg, meinde Helmus inens ein gedruus

en gejuister in de loch te hure. De mood za_g_den--um in de

hoaze, en vol engs greeppe Besjesboer bij den erm en reep: "baas,

kiek ens umhoeëg. Eine veurige wage mit veer pêrd en eine mins derin,

dê lammenteert!"

"Jong", zag Jan, "zêgen dich en bêj eine Vaderons, det

os gei kwaod euverkump. Ik weit wê 't is."

Doe ma_g_de ze bein en kêrde ze den diek euver noa den alde Stroalse

wêg, op de hakke gezête, wie ze meinde, door allerlei buës gespuus,

woatêge einen heizig niks vermaag. En neet veur det ze de töp van

Besjes hoeëg linde in 't verscheet krege, veel eur de de schrik van

et hert en doe vroog de knech: "baas, wê hebbe we gezeen? Zoe et de

man mit ziene wage zien, dê now en dan door de loch riet

en woavan Sint Hoeberts Drik nog pas hêt opgehoald?"

--"Precies jong", zag den ander, "hê was et. Hazepoeët de Schelm,

dê de loeën van de werklu achterheel.

"Zien straf is nog neet oet; zoolang motte mit ziene gleujende

wage door de loch rieje en wuurte geschreuid, totte zal hebbe

voldoan: ein waarschouwing veur andere van zie slaag.

"Now is 't te laat, maar ezondaag zal ik dich zien hieël

historie waal ens van nödje tot zökske vertelle, ik kin ze".

Ter kenschetsing van de dialektische volkstaal steunden wij in het

bovenstaande, zooals gebruikelijk, vooral op klankleer en flexie. Toch

zijn ook _woordenschat_ en _syntaxis_ van het grootste belang,

vooral wanneer men de volkstaal behandelt in tegenstelling met de

kultuurtaal. Wij kunnen hier echter onmogelijk diep op de zaak ingaan

en verwijzen dus naar de afzonderlijke idiotica. Zoo b.v. Gallée voor

het Geldersch-Overijselsch, Molema voor het Groningsch, Bergsma voor

het Drentsch (onvoltooid), Waling Dijkstra en Buitenrust Hettema voor

het Friesch, Boekenoogen voor het Zaansch, Bouman voor de volkstaal

in Noord-Holland, Opprel voor het Oudbeierlandsch, Van Schothorst

voor het N.W. Veluwsch, Van de Water voor de volkstaal in het Oosten

van de Bommelerwaard, Simons voor het Roermondsch, Jongeneel voor het

Heerlensch. Zuid-Nederland heeft in het opteekenen der idiotismen meer

ijver en belangstelling getoond dan Noord-Nederland. Wij kunnen hier

wijzen op het omvangrijke Algemeen Vlaamsche Idioticon van Schuermans,

op het Westvlaamsche Idioticon van De Bo, op het tot een Idioticon

omgewerkte Gezelle-tijdschrift Loquela. Verder maakte Cornelissen en

Vervliet zich verdienstelijk door het opteekenen van de volkstaal van

Antwerpen, Tuerlinckx en Claes voor het Hagelandsch, Rutten voor het

Haspengouwsch, Teirlinck voor den woordenschat der Zuidoostvlaamsche

tongvallen; enz.

Hier liggen inderdaad "schatten van de volkstaal"

opeengestapeld. Hoeveel beter dan in de kultuurtaal zien wij hier de

strooming en tegenstrooming van integratie en differentiatie, het zich

splitsen, zich vertakken, en weer ineenvloeien van de verscheidene

beroepstalen, het eenerzijds stoer-behoudende en anderzijds ook

weer koen-vooruitstrevende in het leven der taal. Archaïsmen,

ware survivals uit overoude tijden, vindt men in de meest gewone

populaire zinswendingen. Zoo b.v. het Limburgsche "met bed en

bult vertrekken", waar _bult_ nog _de_ beteekenis heeft van het

Middelnederlandsche _bulte, bult_ "stroozak"; de uitdrukking "van

het bed op het stroo komen" herinnert aan een overoud lijkgebruik (I,

bl. 290). In het Sallandsche: "hi kan lêzen en broodsnieën", d.i. hij

kan twee dingen tegelijk doen, heeft _lêzen_ de oude beteekenis van

"bidden". De algemeene Nederlandsche volkstaal kent uitdrukkingen als

"van den hak op den tak", waar _hak_ nog de oude beteekenis bezit

van "krommen tak";--"hij heeft kind noch kraai", waar _kraai_ "den

kraaier" beteekent, d.i. den haan, welk woord immers etymologisch

samenhangt met het Latijnsche _canere_ "zingen";--in "kap en kogel

verliezen" is _kogel_ de halskraag;--in de zegswijze "wie het onderst

uit de kan wil hebben, die valt het lid op den neus" is _het lid_

de deksel. Naast deze archaïsmen staan echter ook weer neologismen,

vooral, naar wij zullen zien, in de woordvorming.

De volkstaal beweegt zich in analytische richting. Regelmatig worden

de omschrijvende naamvallen voor de verbogen naamvallen gebezigd. Men

zegt dus niet: "vaders jas", maar "de jas van vader", of "vader

zijn jas". In plaats van den vergrootenden of overtreffenden trap

wordt somtijds het woord in den stellenden trap herhaald: "het is

droevig en droevig"; en zoo vervangt men ook het bijwoord: "het gaat

beter en beter", d.w.z. steeds beter. Het woord _beter_ wordt echter

ook als positief beschouwd, en dan vormt het volk den eigenaardigen

komparatief _beterder_. Het meervoud, of liever het begrip "enkele",

vindt men niet zelden omschreven door "een of twee", of door "een gas",

"een koppel". Potentieële vormen treft men zeldzamer aan, naar mate

men dieper in de lagen der volkstaal doordringt. Het twijfelende en

onzekere bij vermoeden of veronderstelling wordt uitgedrukt door een

bijwoord als "misschien" of door een hulpwerkwoord. Bij deze richting

sluit zich aan het sloopen van de werkwoordelijke tijden. De verleden

tijd gaat in de volksvertelling hard achteruit. Meestal bezigt men

het praesens of perfectum, dat veelal nog de plaats moet ruimen voor

het plusquamperfectum: "wij waren geweest, wij hadden gezien", voor:

"wij zijn geweest, wij hebben gezien". Deze meer dan voltooid voltooide

tijd komt vooral veel voor in Zuid-Limburg. Het praeteritum weet

zich echter te handhaven in het zoogenaamd apologische spreekwoord

(zie Vijfde Hoofdstuk I); terwijl de tegenwoordige tijd het tempus is

van het volkslied als praesens historicum. Het futurum wordt dikwijls

vervangen door het praesens. Zoo vloeien de grenzen van het feitelijke

en het mogelijke, van het verleden en van de toekomst meer ineen

dan in de kultuurtaal.--Daarentegen beweegt zich een tot indirekt

reflexivum verzwakte dativus ethicus weer in synthetische richting:

"zich een pijp rooken, zich een glas drinken."

Het terrein der werkwoorden _doen_ en _laten_ strekt zich in de

volkstaal veel verder uit dan in de kultuurtaal. Hoogst belangrijk is

ook de woordvorming, stout en realistisch, met bepaalde voorliefde voor

frekwentatieven en diminutieven. Als voorbeeld van de verscheidenheid

en het koloriet der populaire woordvorming diene de synonymie

(natuurlijk met genuanceerde beteekenis) van het werkwoord _gaan_ in de

Graafschap (zie Driem. Bladen III, bl. 105 vlg.). Men kent daar _goan_:

gaan; _sjoksen_: loopen en in de knieeën zakken; _snoksen_: de voeten

bij het loopen op ongewone en tevens onverschillige manier neerzetten;

_gèspelen_: draven; _flearen_: het vlug en driftig loopen eener vrouw;

_zobben_: op een draf loopen met zwaren gang; _bizzen_: vlug loopen;

_bozzeken_ en _foddeken_: vlug met kleine passen loopen; _sabelen_:

vlug met groote stappen loopen; _schriêden:_ stappen; _loopen; kuiern;

hompelen_: gebrekkig loopen; _strompelen; geiselen_: zoo vlug mogelijk

loopen; _drapsen_: herhaaldelijk eenzelfden weg loopen; _striéken:_

flink stappen zonder de voeten hoog op te lichten; _steigern_: met

den neus in den wind loopen; _tippeln_: licht loopen met vluggen

tred; _krummeln_: langzaam met kleine passen loopen; _pladdeken_:

met bloote voeten loopen.

Dat deze expressieve en oorspronkelijke populaire woordvorming

vooral ook bij de scheldwoorden en scheldnamen tot uiting komt,

behoeft wel geen betoog. Laat ik nog enkele volksuitdrukkingen voor

_drinken_ aanhalen, door De Cock bijeengegaard (zie De Navorscher,

XLVII, bl. 56; XLVIII, bl. 40; IL, bl. 130): _Bekeren; pimpelen;

borrelen; borlesoesen; borleboppen; toeteren; fleppen; swobbelen;

gulpen; duimen; loreeren; zich bekladderen; tullen; pullen; avoezen;

sippen; lepelen; leppen; lepperen; petteren; pampelen; sassen; heften;

kiepen; spichteren; kwasten; kwiskwassen; schossebrokken; zoppedoppen;

swijnswansen; swijnswollen; slampampen;_ enz. enz.--Typisch is

ook het klanknabootsend element in de scheppingen der volkstaal;

het is zoo goed als interprovinciaal. Hoe roept de boer het vee? De

jonge ganzekuikens met _wiede-wiede-wiede-wiede_ (of _wiele_ enz.);

de eenden met _piele-piele-piele-piele;_ de jonge kippetjes met

_tik-tik-tik-tik-tikketikketik._ Het roepwoord wordt, naar men ziet,

meest viermaal herhaald. Dit geldt ook voor het roepen op de kippen:

_tuut_; op de jonge katjes: _pie_; (het roepwoord voor oudere katten

is _poes_); op de geit: _sik_; op de jonge schaapjes: _suuk_;

op jonge kalveren: _kies_; op het veulen: _siesken_; op de koei:

_hooi_. Biggetjes roept men door een smakkend geluid met de tongpunt,

die artikuleert tegen het gehemelte. Den hond roept men bij zijn

naam. Zie Driem. Bladen VI, bl. 58.

Merkwaardig zijn nog de uitermate veelvuldige en expressieve vormen,

die een bevestiging, ontkenning of verwondering te kennen geven,

als: _ménschekinderen! héeremijntijd! wélallemáchies! kindergóads!

jóngesjóngens!_ dit laatste is zelfs tot in Sleeswijk doorgedrongen. De

ontkenningspartikel wordt somtijds verdubbeld zonder de ontkenning

op te heffen; men denke aan "niets niemendal". De Maastrichtenaar

kent twee bevestiginspartikels, éen gewone en éen beleefdere, welke

met _het_ is samengesteld, dus _joa_ en _joat_.

De woordvoorraad en de semantiek der volkstaal eischen verder onze

volle aandacht. Het is een fabel, dat deze heele voorraad slechts uit

een paar duizend woorden zou bestaan. Zonder twijfel ontbreken in de

volkstaal tallooze uitdrukkingen voor begrippen uit het gemoeds- en

geestesleven, uit het gebied van wetenschap en techniek. Zoo is het

zelfs met de verklanking der gevoelens van liefde en vriendschap

gesteld, toch zoo diep geworteld, en van sommige zinnelijke

waarnemingen, met name van kleur en reuk. Maar hier staat tegenover,

dat het volk woorden in overvloed heeft om schakeeringen van de een

of andere handeling uit te drukken, zooals wij dit zagen voor het

begrip "loopen". Het kan weergeven de meest verscheiden toestanden en

soorten van planten en dieren, van weêr en natuurverschijnselen in het

algemeen, van lichaamsdeelen, huisraad, maten en gewichten enz. enz.

Ook moet men bij de beoordeeling van dit alles zeer voorzichtig

zijn. Ik zal mij tot enkele voorbeelden bepalen, omdat, zoodra de

tijdsomstandigheden dit gedoogen, het rijke voor ons dialektonderzoek

bestemde materiaal ook ten bate der semantiek zal verwerkt worden. Op

tal van plaatsen in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland noemt het

volk elken kleinen vogel een _musch_, evenals de Amsterdammer over

een _finkie_ spreekt. Wat is echter gebeurd? Het woord _musch_,

hoogstwaarschijnlijk aan het Latijn ontleend, waar het "vlieg"

beteekende (_musca_), heeft een groote uitbreiding, een verwijding

van beteekenis ondergaan en heeft generische waarde gekregen

als synoniem van "kleine vogel". Of liever, het heeft "vogel"

in deze beteekenis verdrongen. De afzonderlijke vogeltjes missen

dan ook geenszins hun afzonderlijke benamingen, soms ruw, andermaal

geestig, steeds karakteristiek. Het muschje zelf heet b.v. te Beesel

_koarerakker_, te Lottum _koarevrêter,_ te Blitterswijk _koarepikker_

of _koarejietser_ (Limburgsch _jietsen_ is synoniem van _biesen_,

d.i. "vlug loopen, vliegen, schieten"), te Swolgen _korepikker_, te

Swalmen en Neer _guut_ (guit), te Niftrik _huiskrits_, te Groesbeek

_huusklets_, te Grubbenvorst _floets_, te Maasbree _schroep_, te Helden

_hoeskets_. Om beurt wordt het landelijke, diefachtige, huiselijke,

vlugge, brutale, ja komische van dit bij uitstek populaire vogeltje

voortreffelijk uitgebeeld! Men denke ook aan het Hoog-duitsche _Spatz_,

een komische kortnaam voor _Sperling_. Hoe rijk vertoont zich hier

de volkssemantiek, waarvan echter slechts gekleurde kaarten in den

trant van die van Gilliéron een overzichtelijk en tevens verklarend

beeld zullen kunnen geven.

Een ander voorbeeld. Voor "kikvorsch" kent het volk de benamingen

_kikker(t), kwakker(t), kwekker(t), kwakvorsch, kwakvos, kwak_

(Panningen), maar ook _kikbil_ (Wanroy) en _peddemoeëk_(Weert). "Êrst

kuulkop zeen, êr men kwakkert wêrtj", meent men te Beegden, en te

Lottum gaat men hiermee akkoord: "Hê mint enne kwekvôrsch te zien,

en hên is nog genne pannestart."

De groote, zwarte korrels in rijpende roggearen, het zoogenaamde

moederkoren (_secale cornutum_), dat bij bevalling medische toepassing

vindt, vanwaar zijn naam, is ook onder dezen naam bij het volk

bekend. Maar het heet ook _wolfskoare_ (Maashees), _wolvepitten_

(Reusel), _wolfstand_ (Nifkrik, Wanroy), _doevekoare_ (Weert),

_mössekoare_ (Panningen), _pèrdentaand_ (St. Anthonis, Deurne), _krog_

(Berghem), _duvelsköre_ (Swolgen), _brantj-in-'t koare_ (Beegden,

en met fonetische wijziging te Mheer).

Tot de belangrijkste verschijnselen op het gebied der beteekenisleer

behooren wel de benamingen van den _vlinder_ in de volkstaal. Men

treft in Limburg en Noord-Brabant vooral verscheidene samenstellingen

met -_vogel_ aan; zoo b.v. _zomervogel, roevogel, pannevogel,

pennevogel, kapelvogel_ (d.i. manteltjesvogel), vereenvoudigd tot

_kapel, fenienvogel_ (rupsvogel) enz.; elders komen namen als _kog_,

en _snuffelter_ voor, deze laatste in noordwestelijk Limburg. Van uit

het Romaansche taalgebied drong het woord _pepel_ binnen, zooals onze

isethnenkaart aanwijst.

In den zinsbouw treft ons weer vooral de analytische richting,

die zich hier uit in de _parataxe_ of nevenschikking, waar wij in

de kultuurtaal meestal onderschikking aantreffen. In plaats van:

"Wil je zoo goed zijn, mij dat boek te geven", konstrueert de

man-uit-het-volk: "Wil je zoo goed zijn en mij dat boek geven", of:

"Wil je zoo goed zijn en geef mij dat boek". Opvallend is ook de

voorliefde voor werkelijke tusschenzinnen, die b.v. de bevestiging van

den spreker inhouden, dàt hij spreekt, of de reden, waarom hij spreekt:

"Dat kan wel zijn, zeg-ik, dat hij ziek is, zeg-ik". Hier speelt

het emphatisch moment wel een hoofdrol, waarover nader. In andere

gevallen hebben wij te doen met een streven naar verduidelijking,

zoo b.v. in het boven aangehaalde: "_wie_ het onderst uit de kan wil

hebben, _die_ valt het lid op den neus; --_die_ eerst komt, _die_

eerst maalt". Een streven naar vereenvoudiging ligt ten grondslag bij

het weglaten van voorzetsels, als het taalgevoel sterk genoeg is,

b.v. in de spreekwijze "hê geit heim" (Zuidlimb), voor "noa heim,"

d.i. huiswaarts, en bij de ellipse van woorden als "jaar" en "dag."

Wat ik als den meest markanten trek van de volkstaal beschouw is

haar emphatisch, eenigszins gezwollen karakter. Luister slechts naar

het verhaal van een representatief man uit den volksstand, en let

op zijn breedsprakigheid, zijn samengekoppelde voegwoorden _alsdat,

alswanneer_, luister, hoe hij herhaaldelijk spreekwoorden of zegswijzen

in zijn verhaal- en betoogtrant invlecht, hoe hij aldoor vergelijkingen

en omschrijvingen bezigt en in herhalingen valt, somtijds in beknopten,

resumeerenden vorm: "Mijnheer, ik zeg, dat is niet eerlijk; neen,

dàt is het stellig niet". Of ook: "Piet moet maar blij zijn; dàt

moet-ie." Ook het negatieve parallelisme is den volksman niet vreemd.

Hij wil u de zaak ophelderen, u overtuigen. Daartoe bezigt

hij--nog afgezien van gebarenspel en mimiek--krachtige, ja pikante

uitdrukkingen, frekwentatieven, deminutieven, superlatieven ja

desuperlatieven, zelfs dichterlijke uitdrukkingen, als het gewone

hem te slap voorkomt. Inderdaad raken de dichterlijke taal en de

volkstaal elkaar niet zelden, omdat beide behoefte hebben aan ruimheid

en vrijheid.

Deze breedsprakigheid en zucht tot vergelijking uit zich tot in

de straatroepen: "Haal Zeeuwsche moss'le, ze benne zoo fijn",

--"leest burgers, leest";--"kom nou, juffrouw, kom nou";--"elft as

zalm";--"rapen as kinderhoofies." De term "haal" is van ouds typisch

in de straatventerstaal. Ik herinner nog aan den straatroep der

vrouwen, die te Nijmegen met kersen venten: "En vier cent het pond,

riep en rond." De mosselenverkoopster uit de Schietschijfstraat te

St. Joos-ten-Oode roept: "Mosselen, álderschoónste mosselen!"

Hoe verder te lange en te korte woorden verdwijnen; hoe woorden en

woordkonstrukties opkomen, vervormd worden, zich handhaven of de plaats

ruimen voor andere, dit alles is onze aandacht overwaard en dient door

gezette studie nader onderzocht. Maar reeds bovenstaande vluchtige

schets heeft ons in voldoende mate het bewijs kunnen leveren, hoe

door archaïsmen en neologismen, nuchtere en dichterlijke spreekwijzen,

omslachtigheid en streven naar vereenvoudiging, uitsterven en herleven

van woorden en taalvormen, begripsverwijding en begripsvernauwing

vooral ook de golving en deining in de levende volkstaal voortreffelijk

zichtbaar wordt: de wetten van integratie en differentiatie, die de

hartslag zijn van elk levend taalorganisme.

Nederlandsche Volkskunde · 第 86 / 117 题