(_Met inleidend overzicht over onze persoons- en geslachtsnamen_).
De namenkunde heeft zich in den laatsten tijd een belangrijke plaats
in Volks- en Volkenkunde weten te veroveren. De reden hiervan is het
archaïeke karakter der verschillende benamingen. Plaats-, persoons- en
geslachtsnamen zijn in staat ons een menigte bijzonderheden te verhalen
over dingen, die op geen andere wijze kunnen worden achterhaald; en zoo
zullen zij ook over den volksaard en zijn herkomst getuigenis kunnen
afleggen voor tijden, waaromtrent de taal van zeden en gebruiken,
van volksopvattingen, volkskunst en volkswetenschap verstomt. Laat
ik hier terloops aanstippen, hoe A. Fick er in slaagde, door middel
der plaatsnamen de eenheid te bewijzen van de oude bevolking van
Klein-Azië, en van het Zuiden van het Balkan-schiereiland en de
eilanden in de Aegeïsche Zee vóor de volksverhuizing der Helleensche
stammen; en vooral, hoe de geniale onderzoekingen van Wilh. Schulze
over de Latijnsche eigennamen den diepgaanden invloed van Etrurië op
Rome en de Romeinsche kultuur hebben aangetoond. De stad Rome zelf
en de Tiberstroom dragen Etruskische namen.
Toch ligt het in mijn bedoeling, alleen de plaatsnamen iets
uitvoeriger te behandelen, zooals reeds uit het opschrift van
deze paragraaf blijkt. Reden is, dat de studie der Nederlandsche
persoons- en geslachtsnamen eigenlijk meer behoort tot het domein
van de geschiedenis der Nederlandsche taal in het algemeen, dan van
de Nederlandsche volkskunde.
1. De oude Germanen hadden slechts éen naam, die eigenlijk
gelijkwaardig was met onzen doop- of voornaam. Zoo b.v. _Gerhard_ "de
sterke met de speer", _Adelbrecht_, "de schitterende door adeldom",
_Everhard_ "sterk als het everzwijn", _Wigburga_ "steun in den slag"
enz. Van _Gerhard_ (of _Hardger_) is dan _Gero_ de verkleinnaam,
de vleinaam (_epicoristicon_), streelnaam of kortnaam die, wat de
funktie betreft, van Indogermaanschen oorsprong en ook Indogermaansch
gemeengoed is.
Toch stelde men zich hiermee niet steeds tevreden en trachtte men ook
de afstamming of verwantschap uit te drukken en wel door alliteratie
(_Heribrand_, _Hildebrand_ en _Hadubrand_: grootvader, vader en zoon
in het Hildebrandslied); of ook men maakte gebruik van een deel van
den vaderlijken naam om den naam van den zoon samen te stellen.
Oorspronkelijk hebben de ouders hun kind den naam gegeven als wensch,
b.v. "hij moge sterk zijn als een beer": _Berinhard_; maar later
werd deze oorspronkelijke beteekenis niet meer gevoeld en was het
doel uitsluitend, den drager van een bepaalden naam van anderen te
onderscheiden. Ook toen het Christendom zegevierend zijn intrede
deed in onze Germaansche landen, kwam in deze naamgeving weinig
verandering. De Christelijke doopnamen drukken het heuglijk feit der
wedergeboorte uit of wel den dag des doopsels; maar al dagteekenen deze
uit de IIIe eeuw, in onze landen heeft de kerstening lang op zich laten
wachten, en het heeft allen schijn, dat de Kerk--afgezien van de namen,
die een heidensche godheid aanduidden--ook hier een Oudgermaansch
gebruik, waarin niets heidensch stak, liever niet met geweld wilde
keeren. Slechts enkele malen vinden wij een _Stephanus_, _Nicolaas_,
_Johannes_ of _Christianus_, tusschen de Germaansche benamingen
als verdwaald. Deze blijven regel en ondergaan regelmatig de gewone
verkorting, vanwaar de namen _Otte_, _Huig_ en _Koen_ ontstonden.
Maar omstreeks de XIIIe eeuw heeft een belangrijke verandering
plaats gehad. In een register van de abdij van Egmond vinden wij de
namen vermeld van _Jacob_, _Katerine_, _Pieter_, _Clare_ enz. naast
_Garbrant_, _Dideric_ en andere. Wij vinden dus specifiek-Christelijke
namen, doch niet in den Latijnschen vorm, maar in dien, welken zij
in de Germaansche wereld hadden aangenomen. En zoo staat het ook met
de namen, gedragen door heiligen van Germaansche afkomst: zij zijn
in hun Germaanschen vorm in gebruik gebleven; en eerst later zijn
zij gelatiniseerd. Na de Hervorming zijn een groot aantal Bijbelsche
namen in zwang gekomen. Ook heeft de Renaissance haar invloed doen
gevoelen. Zoo krijgen wij dan:
_a_. Profane Germaansche voornamen, nog in gebruik. Men vindt deze het
meest bij de Friezen, die trouwens het minst van de heiligennamen der
Martyrologiën hebben gebruik gemaakt. Dit geldt ook voor Noord-Holland
met zijn doorslaand Frieschen aard; de naamlijsten komen daar
op treffende wijze met de Friesche overeen. Zoo luidde _Dieuwer_
in zijn oorspronkelijken Frieschen vorm _Thiadewara_; _Guurtje_
is waarschijnlijk uit _Gundrada_ ontstaan; _Ermpje_ is kortnaam van
_Ermengaarde_. Men denke nog aan _Wendert_ (_Windhard_), _Jelbout_
(_Ethelbold_), _Nanning_ enz. Over het groot aantal voornamen in
Friesland zie R. Posthumus in den Nieuwen Frieschen Almanak 1859,
bl. 49.
_b_. Door de heiligen van Germaanschen stam zijn tal van Germaansche
namen bewaard gebleven, natuurlijk in verkorten vorm. Aldus _Wilbert_,
_Willebrord_, _Wille_, _Wilfried_, _Huibert_, _Huib_, _Hille_
(_Hildebert_ en _Hildegundis_), _Siegfried_ enz.
_c_. Uitheemsche heiligennamen in Nederlandsche kleedij zijn
o.m. _Pieter_, _Maarten_, _Trijne_, _Klaas_, _Aagje_, _Teunis_, _Nijs_
(_Dijs_, _Denys_, van _Dionysius_), _Tijs_. Ook _Arie_ en _Adriaan_,
verkort tot _Janus_. In België vindt men o.a. _Janus_, _Baaf_,
_Albrecht_, _Bert_, _Geertje_ (_Geertrui_) en _Roelke_ (_Rolendis_),
die men vrij wel als nationale namen kan beschouwen. Vele Belgische
namen vertoonen ook een Frieschen vorm en zijn dus waarschijnlijk
van Westvlaamsche herkomst. Een lijst van de meest gebruikelijke
Zuidnederlandsche voornamen is uitgegeven van wege de Koninklijke
Vlaamsche Akademie (Gent 1902).
Merkwaardig is het feit, dat niet alleen elke streek, maar tot
elke stad, ja elk dorp haar geliefkoosde voornamen heeft, die zich
natuurlijk plooien naar de eischen van het plaatselijk dialekt. Maar
over het algemeen raken de zuiver-Germaansch klinkende namen wel
wat in de verdrukking. Terecht maakt hier J. J. Graaf de opmerking
in zijn voortreffelijk werkje over Nederlandsche Doopnamen (Bussum
1915): "Wij ... meenen maar altijd, dat we, openlijk optredend,
eerst dan naar behooren voor den dag komen, als we in het Latijn
worden aangediend. En toch hebben we in den taalschat onzer vaderen
wel degelijk vaderlandsche namen, die, in goed Nederlandsen, waardige
vormen zijn voor de Grieksche of Latijnsche doopnamen. Maar ze zijn
helaas, door onverstand in minachting geraakt, als waren zij ook
slechts verbasteringen van een alleen-fatsoenlijk Latijn" (bl. 16).
Zie verder Joh. Winkler, Studiën in Nederlandsche Namenkunde (Haarlem
1900), bl. 171, 196, 225 vlg.; De Nederlandsche Geslachtsnamen
in oorsprong, geschiedenis en beteekenis (Haarlem 1885); Friesche
Naamlijst (Leeuwarden 1898); Boekenoogen in zijn Inleiding op de
Zaansche Volkstaal, bl. LXXXIV vlg.; Onze Voornamen, in De Gids,
Aug. 1890, bl. 448 vlg.; Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3,
bl. 124 vlg.
2. De persoonsnaam was aanvankelijk en gedurende langen tijd de
eenige benaming onzer Germaansche voorouders, en hierin bleven zij
de Indogermaansche gewoonte trouw. Alleen de Romeinen bezaten een
drievoudige benaming, bestaande uit persoons-, geslachts- en bijnaam;
maar wij weten, dat dit benamingssysteem van Etruskische herkomst is.
Langzamerhand kwam een tweede naam op, voortgesproten uit de
wenschelijkheid, iemand van een ander met denzelfden naam te
onderscheiden, en ook uit de neiging tot het geven van bijnamen of
spotnamen. Daar zijn ook in ons land bepaalde steden, die hierin
uitmunten, en hoe intiemer het samenleven, hoe krachtiger deze
neiging zich uit. Maar toen de bevolking aangroeide en deze aanwas
de individuëele personen met heillooze verwarring bedreigde, werd
een tweede naam haast noodzakelijk. Hiertoe koos men den naam van
den vader of van de moeder, van den echtgenoot, van het beroep,
van de woonplaats, of hiertoe konden ook de gemelde spotnamen
dienst doen. Geslachtsnamen, met hun kenmerk van vastheid en
onveranderlijkheid, werden deze namen echter eerst in den aanvang der
XIXe eeuw, toen zij met de invoering van den Burgelijken Stand een
staatsrechtelijk karakter kregen. Trouwens ook heden ten dage is het
niet overal een vaste gewoonte, iemands geslachtsnaam te gebruiken,
vooral ten platte lande. Men noemt iemand: "Jan van Piet", of "van
Pieten"; "Klaas van Trijn", of "van Trijntjes"; men spreekt van
"Dirk den Schilder", "Jan den Mulder", "Willem den Slager"; men
heet iemand "Klaas van den Molen", "Jan van de Brug"; en vooral in
het Oosten en Zuiden van ons land duidt men iemand gaarne aan door
den naam der hoeve, waar hij geboren is: "Zandhof Willem". "Kees
van den Krom" is Kees, wonende bij een kromming van den weg, en in
"Mottige Willem" dient de spotnaam als herkenningsnaam en is op weg
naar den geslachtsnaam.
Voor de vorming der geslachtsnamen maakte men vaak gebruik van het
Germaansche achtervoegsel _-ing,_ dat de beteekenis aannam van
"behoorende tot het geslacht van." Zoo ontstonden de namen der
bekende koningsgeslachten bij de oude Franken: de Merov_ingen_, de
Carol_ingen_, de Capet_ingen_. Maar zoo ontstonden ook onze Frankische
geslachtsnamen _Benning_ (zoon van Benno), _Nolting_, _Budding_; de
Saksische _Geerdink_, _Abbink_, _Eggink_; de Friesche _Stallinga_,
_Idsinga_, _Hattinga_.
De patronymica gaan uit op _-zoon_ (_-sone_, _-soen_), _-son_, -_sen_,
-_se_, _-s_: _Jansen_, _Harmsen_, _Japikse_, _Bartels_; maar ook
op _-en_, den zwakken tweeden naamval enkelvoud, en op _-ens_, een
jongere vorming; deze _-en_ wordt als tweede naamval nog gehoord in
het Strand-hollandsch, waar men spreekt van "Dirken waegen", "Krijnen
dochter." Zóó ontstonden de namen _Huijgens_ en _Huijgen_. In namen
als _Smaassen_ (_Maas_ ontstond uit _Thomas_) gaat de _s_ aan den
genitief van den naam vooraf. Vlaamsche vadersnamen hebben vaak
het voorvoegsel _ser-_ (_des heren_) en _ver-_ (_der vrouwen_):
_Serclaes_, _Vertruyen_.
Een belangrijke groep geslachtsnamen heeft _van_ als voorvoegsel,
gevolgd door een bijzonderen of algemeen aardrijkskundigen naam. Dus
of: _Van Deventer_, _Van Vlijmen_, _Van Wamel_, _Van Schijndel_ of:
_Van Dijk_, _Van den Heuvel_, _Van den Berg_, _Van der Molen_, _Van
der Heide_. In plaats van de praepositie _van_ vindt men niet zelden
_aan_ en _in_, waardoor met plaatselijke dialektische vervorming de
Limburgsche geslachtsnamen _Aangevoort_, _Aengenent_, _Ingendael_
ontstonden. Omslachtige omschrijvingen als _Van den Eerenbeemt_,
_Van de Cleemputte_, _Van de Crommenacker_ enz. vindt men meestal in
ons zuidelijk volksgebied.
Op lichamelijke eigenschappen wijzen de geslachtsnamen _De Lange_,
_De Vette_, _De Jong_, _Mooi_, _Blauw_, _De Wit_, _De Bruin_ enz.,
maar ook: _Langbeen_, _Spillebeen_, _Crombeen_ e.a. Vele dezer
familienamen vinden hun oorsprong in spotnamen. Eindelijk wordt
een zeer groot aantal verklaard door ambacht of uithangbord: _In de
Swaen_ (_De Swaen_, _Swaen_), _Van der Ploeg_, _Van de Wijnperse_,
_Spillemaeckers_, _Brouwers_, _Smids_ enz.
Het zuidelijk volksgebied had eenige jaren vroeger min of meer vaste
geslachtsnamen dan het Noorden. Hierin is de verklaring te zoeken van
het feit, dat er meer namen van zuidelijken oorsprong te vinden zijn
in de noordelijke gewesten, dan omgekeerd.
Laat ik ten slotte nog wijzen op enkele eigenaardigheden, die den
volksstam kenschetsen. De Friesche patronymica gaan uit op de tweede
naamvals-suffixen _-inga_ en _-a_; maar ook op _-ma,_ d.i. _man_,
met de beteekenis van "zoon, afstammeling, hoorige"; terwijl _-stra_
dient om van bijzondere plaatsnamen Friesche geslachtsnamen te
vormen, b.v. _Dijkstra_. Verder vertoonen sommige op algemeene
wijze gevormde geslachtsnamen eigenaardige Friesche voornamen,
als _Sikkes_ en _Doedes_, andere zijn met typisch Friesche woorden
samengesteld. Zoo beteekent _Soepboer_: karnemelkboer; _Bouwfeint_:
knecht van een landbouwer; _Skriemer_: iemand die weent of schreit.
De Groninger namen zijn met de Friesche nauwverwant, vooral de
geslachtsnamen op _-sema_: _Geertsema_, _Ilpsema_. Eigenaardig zijn
de--trouwens ook Friesche--namen met den uitgang _-ker_, _-tjer_,
die de herkomst uit de een of andere plaats of streek aanduiden:
_Veenker_, _Woltjer_ (woudbewoner). Buitenmate groot is het aantal
namen, dat uitgaat op _-huis_; deze waren oorspronkelijk aan huizen, en
niet aan personen eigen: _Bolhuis_, _Dijksterhuis_. Drente sluit zich
bij Groningen en Friesland aan. De Saksische namen worden gekenmerkt
door de patronymica op _-ink_ en de voorzetsels _ten_, _ter_, _te_,
antwoordend op de vraag: "Waar woont gij?" B.v. _Ten Bruggencate_. In
Overijssel ontmoet men de namen op _-belt_, kleine hoogten in het
veen, b.v. _Knottenbelt_. Ook Holland kent veel Friesche namen. Een
eigenaardigheid der Noordhollandsche familienamen in het algemeen,
en der Zaansche in het bijzonder, is de kortheid, laat ik zeggen het
monosyllabisme: _Top_, _Pot_, _Pan_, _Pont_, meestal wel teruggaande
op een Frieschen voornaam in zeer verkorten vorm. De namen in Zeeland,
Brabant, Limburg en Vlaanderen vertoonen het Frankisch cachet. In
Noord-Brabant zijn vooral talrijk de namen op _-mans_: _Heuvelmans_,
_Mosmans_. De Westvlaamsche gaan vaak uit op _-inck_, _-ynck_, _-incx_,
b.v. _Teirlinck_, _Hebbelynck_, _Warblinckx_. Op Frieschen inslag
wijst weer het feit, dat wij zooveel Westvlaamsche geslachtsnamen in
Friesland weervinden.
Natuurlijk wijzen ook namen als _De Smed_ (smid) en _Temmerman_
(timmerman) op Zuid-Nederland; en evenzeer _Zulver_ (zilver) op
Noord-Holland, _Groenewolt_, _Saverkoul_, _Eekholt_ op het Oosten
van het land, _D'Haese_, _D'Hont_ op België. Zie vooral het boven
aangehaalde werk van Joh. Winkler over de Nederlandsche Geslachtsnamen;
verder Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 131; Boekenoogen,
Zaansche Volkstaal CIII; Driem. Bladen I, bl. 29; V, bl. 101; XII,
bl. 122.
3. Bij de studie onzer plaatsnamen komen de oudste lagen van onzen
volksaard weer aan het licht; maar moeizaam is het opdelven. Op bl. 5
van het Eerste Deel gewaagde ik reeds van de Keltische herkomst der
benamingen van de steden Nijmegen, Wijk-bij-Duurstede (?), Arnhem,
Batenburg (?), Loosduinen, Heerlen is het oude _Coriovallum_,
en onze drie groote rivieren: Rijn, Maas, Schelde dragen beslist
Keltische namen, dus ook de talrijke plaatsnamen, die met een
dezer riviernamen zijn samengesteld. Over het algemeen steekt in
deze soort plaatsnamen veel waardevol taalgoed. Maar het onderzoek
wordt hierdoor bemoeilijkt, dat sommige rivieren blijkbaar van
naam verwisseld zijn, en anderzijds, dat rivieren hun loop hebben
gewijzigd. Försteman beschouwt het in zijn Deutsche Ortsnamen
als een der merkwaardigste uitkomsten zijner onderzoekingen, dat
eertijds een Keltische volkstam zich van het Noordoosten naar het
Zuidwesten gericht heeft en ongeveer ter hoogte van Keulen den
Rijn overschreed. Den tak, die naar Nederland afboog, vinden wij
deels aan den IJssel, deels in de Maasstreek: _Edana_, _Adanhe_
(Först. 510); _Edesthorpa_ (Först. 509); _Adingamore_ (Först. 137),
Antwerpen; verder _Carambunt_, _Adrichem_ (Först. 138). Van Holland
wijst de stroom naar Vlaanderen, waar de omstreken van Gent Keltische
volksplantingen vertoonen, b.v. _Pitelinghem_, _Addingahem_. Zie ook
K. Kaiser, Die Kelten des Bardengaus (Hannover--Berlin 1909), maar met
omzichtigheid te gebruiken. In Holder's Altkeltischer Sprachschatz
vinden wij eveneens enkele Nederlandsche plaatsnamen als Keltisch
verklaard; zie echter Cuvelier-Huijsmans, Toponymische studie over
de oudere en nieuwere plaatsnamen der gemeente Bilsen (Gent 1897),
bl. 36 vlg. J. Claerhout, Het Belfort 1896, 2, bl. 287 (vlg. 1897,
2, bl. 200) wijst op de plaatsnamen _Gennep_, _Epe_ en _Velp_, die op
het wellicht Keltische _apa_ "water" berusten; en verder op _Thuine_
bij Lingen, dat in 't jaar 1000 _Dune_ heette.
Ook de invloed van de Romeinen op volksaard en volkskultuur wordt
door onze plaatsnamen betuigd; zie Deel I, bl. 10, waar de meeste
plaatsen zijn aangegeven. Ik voeg hier nog bij _Santpoort_: _Sancta
Porta_; _Kestre_: _Castra_; en _Kemenade_: _Caminata_. Maar het
overgroote meerendeel is toch van Germaanschen oorsprong. Ik dien
hier eigenlijk te beginnen met de huisnamen welke, zooals wij zagen,
vaak geslachtsnamen geworden zijn, maar anderzijds ook niet zelden uit
persoons- en familienamen ontstonden: _Stevenshuis_, _Hendriken_, _den
Egberink_, _Wesselshuis_; en eveneens uit ambt, handwerk of bedrijf:
de _Karsman_, de _Kistenmaker_, de _Roodververij_, _ter Meulen_,
_Timmerije_, _Smitterije_. Het Limburgsche dorp _Reuver_, eigenlijk
_Den Reuver_, ontleent zijn naam aan een hoeve, waarschijnlijk
toebehoorende aan _Johan de Rover_. De _Enkevoort_, een hoeve onder
Baarloo, is naar de _Enckevoorts_ genoemd; zie Limburg's Jaarboek
II, bl. 292. Een menigte boerenhoeven heeten ook naar den eigenaar,
van wien men ze in pacht heeft, b.v. _Sandershof_.
Een huis bij de oude landweren heette _Landweer_, en nabij de
slagboomen en de verdedigingswallen vond men meestal den naam
_Runneboom_. Een groot aantal huisnamen is ook ontleend aan de
uithangteekens. Hiertoe behooren ten deele de diernamen, als
_Nachtegaal_, _Koekoek_, _Snip_, _Pedde_; maar zij kunnen ook
op persoonsnamen berusten, of wijzen op de omgeving, de ligging
van het huis, wat vrij zeker lijkt van namen als _Oelenhorst_ en
_Kraaienbelt_. Zoo ook _Valkenborg_, _Bijenhof_, _Voskamp_. Van
omgeving en ligging vertellen ook _Lindeboom_, _Eikenhof_,
_Sparrendaal_, _Hageveld_, _Muggebroek_, _Hulshof_, _Veenendaal_,
_Lovendaal_, _Leemkuil_, _Stuivezand_; aan bepaalde gebeurtenissen
herinnert wellicht een naam als _Jammerdaal_.
Volgen de benamingen van landerijen. Dikwijls wordt de bestemming
uitgedrukt, vanwaar namen als _Vaarzenweide_, _Schapenkamp_,
_Schaapsdijk_, _Ossenland_, _Bulven_ d.i. het stukje land, waarop de
stier, de bul, alleen weidt, te Venloo volksetymologisch vervormd
tot _Bultenven_. Andere stukken worden genoemd naar den eigenaar,
waarbij valt op te merken, dat het stuk bij wisseling van eigenaar niet
altijd ook van naam verwisselt: _Heintjesven_, _Louwesakker_; weer
andere stukken drukken de plaatselijke gesteldheid uit: _Steenkamp_,
_Muizenven_, _Vlietsven_, _Ilpakker_, of worden bepaald door hun
vorm: _Lange Stuk_, _Tweebeen_, _Splitkamp_; enkele namen zijn ook
historisch, als _Galgeland_, _Schinderskuil_, _Paaschweide_, en
eveneens _Spaarpot_, _Koekepan_, _Kibbelaar_ of _Twistgrond_. Zie
vooral Boekenoogen, Zaansche Volkstaal bl. CXXII, en Heuvel,
Volksgeloof en Volksleven, bl. 270 vlg. Eigenaardige namen dragen ook
niet zelden de polders of sluizen; zoo b.v. _Achterklapspolder_,
_Boerenverdriet_ (waar de boeren met hun groenteschuiten lang
moeten wachten), _Kijfhoek_, _Kostverloren_ (als de aanleg onnoodig
blijkt), _Pannekoek_, _Schuddebeurs_ (die veel geld kostte), enz.;
zie E. Laurillard, Op Uw stoel door Uw Land (Arnhem-Nijmegen 1901),
bl. 270.
Vrijwel dezelfde faktoren zien wij werkzaam bij het benoemen onzer
dorpen en steden. Trouwens verscheiden plaatsnamen blijken zich
uit benamingen van landerijen te hebben ontwikkeld, ik herinner
slechts aan _Barneveld_, _Meerveld_, _Pijnakker_, _Franeker_,
d.i. Vroonakker. Andere wettigen althans gegronde vermoedens, als _'s
Heerenhoek_, _Zandkoek_, _Zuidhorn_, _Plorn_, _Uithoorn_, waar _horn_
de beteekenis heeft van "hoek".
_a_. Nederland is een waterland bij uitstek. Vooral het Noorden van
ons land, door rivieren, grachten, kanalen doorsneden, wordt geheel
door de golven omspoeld en zoo heeft het dan een voortdurenden strijd
te voeren tegen het vochtige element, bron van welvaart en rampspoed,
van trots, van blijheid, maar ook van duizend bange zorgen. Ligging
en strijd met het water zullen in ruime mate tot uiting moeten komen
in de plaatsnamen.
-Dam: _Amsterdam_, _Zaandam_ (uit _Zaanredam_), _Appingedam_; -dijk:
_Odijk_, _Langendijk_, _Dijken_; -sluis: _Maassluis_, _Nieuwersluis_;
-rak (strook lands langs het water gelegen): _Langerak_, _Gouderak_;
-beek: _Oosterbeek_, _Bierbeek_ (Zuid-Brabant), _Hilvarenbeek_
(Noord-Brabant): in Brabant, met zijn door beekjes versnipperd
grondgebied, zijn de benamingen met -beek buitenmate talrijk;
-meer: _Diemermeer_, _Meerkerk_, _Boxmeer_; -monde (Frankische
vorm): _IJsselmonde_, _Rupelmonde_, _Roermond_, _Helmond_; -muiden
(Saksisch-Friesche vorm): _IJsselmuiden_, _Cellemuiden_, _Genemuiden_,
merkwaardig in het Zeeuwsche _Arnemuiden_ en in het Westvlaamsche
_Dixmuiden_; -broek: _Lutjebroek_, _Oldebroek_, _Bennebroek_,
_Broekhuizen_; -ooi (weiland, aan het water gelegen en verwant met
"ouwe" in Rijnouwe en landouw): _Renooi_, _Wadenooien_, _Genooi_;
-waard, weerd, voord (ingedijkt land): _Zandvoort_, _Bekevoort_
(Brabant), _Lichtevoorde_, _Amersfoort_, _Bolsward_, _Valkenswaard_,
_Weert_, _Stevensweert_, _Bredevoort_, _Westervoort_. De namen op
-voort vindt men vooral in de Lijmers en de Graafschap; bewesten het
land van Maas en Waal beginnen de namen op -waard, als _Heerewaarden_;
-vliet: _Poortvliet_; -a (of aa, Oudgermaansch woord, dat "water"
beteekent): _Breda_; -veen: _Rouveen_, _Venloo_, _Loven_, _Zutfen_;
-zijl (sluis): _Delfzijl_, _Blokzijl_; -veer: _Wormerveer_; -polder:
_Willemspolder_; -brug: _Brugge_, _Diemerbrug_ enz. Onnoodig hier te
gewagen van de plaatsnamen met riviernamen samengesteld, voor zoover
de rivier de plaatsnamen karakteriseert.
_b_. Maar Nederland is niet slechts een waterland. Lommer en koelte
wuiven u tegemoet in bosschen en hagen, en de zegen der vruchtbaarheid
rust op akkers en velden: -woud (Frankische vorm): _Woudenberg_,
_Berkenwoude_, _Katwoude_; -wolde (Saksische vorm) _Ruinerwolde_,
_Finsterwolde_; -bosch: _'s Hertogenbosch_, _Oudenbosch_, _Neerbosch_;
-haag: _'s Gravenhage_, _Prinsenhage_; -hout: (Frankische vorm):
_Voorhout_, _Aardenhout_, _Oosterhout_, _Turnhout_; -holt (Saksische
vorm): _Posterholt_, _Engelanderholt_; -horst (dicht kreupelhout,
struikgewas): _Horst_, _Nederhorst_, _Staphorst_; -veld: _Meerveld_,
_Barneveld_; -akker: _Pijnakker_, _Franeker_ (Vroonakker), _Oostakker_.
_c_. Een kerkelijk karakter dragen natuurlijk op de eerste plaats
de namen op -kerk: _Oudekerk_, _Lekkerkerk_, _Grijpskerke_;--maar
ook de namen, samengesteld met het verwante -kerspel, -karspel
(van kercspel, evenals kermis van kercmisse, met de beteekenis van
"kerkgebied"): _Bovenkarspel_, _Weesperkarspel_; -parochie: _Sint
Annaparochie_, _Jacobiparochie_. Groot is het aantal plaatsnamen,
die heiligennamen zijn, of althans hiermee samengesteld: _Sint
Nicolaas_, _Sint Truiden_, _Sint Anne ter Muiden_, _Sint Joris Winge_
(Z.-Brabant), _Sint Odiliënberg_.
_d_. Onze plaatsnamen bergen ook historie. Gaarne vermelden zij
den naam van een persoon en een door iemand bekleede waardigheid:
_'s Hertogenbosch_, _'s-Gravenhage_, _Zierikzee_ (waarschijnlijk
verkort uit _Zierikseport_, d.i. stad van Zierik, d.i. van Siegerik),
_Stevensweerd_, _'s Heerenberg_, _Hillegom_, _Doetinchem_: huis van den
zoon van Dodo. Aan den oorsprong der plaats herinneren de stedenamen
op -burg: _Middelburg_, _Doesburg_, _Valkenburg_ en, met behoud van
het oude, vrouwelijke woordgeslacht, _Terborg_.
_e_. Sommige plaatsnamen drukken slechts in het algemeen een
wijkplaats uit, vooral die op -wijk, poort, donk, dorp, stad:
_Katwijk_, _Nieuwpoort_, _Beek en Donk_, _Raamsdonk_ (deze soort
vooral in Brabant), _Noorddorp_, _Willemstad_; -heem, heim, veelal
verkort tot -hem, -em, -um, -om: _Heemstede_, _Herdershem_, _Reckhem_,
_Hattem_, _Woudrichem_, _Sassenheim_, _Haarlem (Heslehem_), _Heukelum_,
_Heelsum_, _Hillegom_, _Bennekom (Benninchem_).
_f_. De plaatsnamen op -ingen en -ongen drukken, zooals gezegd (I,
bl. 16), meestal de afstamming van een bepaalden persoon uit.
_g_. Eigenaardige vormen vertoonen de Friesche en Groninger
plaatsnamen. Zij staan niet buiten de boven beschreven groepen,
maar vormen toch in hun Friesche kleedij een merkwaardige
eenheidsfiguur. Over den aard der nederzetting en vestiging
vertellen ons: _Ureterp_; _Poppingawier_, _Oosterwierum_, _Engwier_;
_Holwerd_, _Rauwerd_; _Gaasterland_; _Grootegast_, _Lutjegast_,
waar _gast_ evenwaardig is met het Hollandsche _geest_, b.v. in
_Endegeest_, _Oestgeest_. Ik vermeld nog: _Tietjerkseradeel_ (_tjerk_
beteekent kerk); _Oostergo_ (gouw); _Weststellingwerf_ (_stelling_
beteekent rechterstoel); _Abbega_, _Oudega_ (_ga_, _gea_ is dorp);
_Munnekezijl_, _Pieterzijl_; _Koningsdiep_ (_diep_ is een kanaal of
gegraven vaart). Zie Friesche Volksalm. 1840, bl. 137; 1841, bl. 165.
_h_. Sommige plaatsnamen werden ook door den lokatief uitgedrukt,
die met den datief is samengevallen; b.v. _Venendaal_, d.i. -dale,
_Bloemendaal_, d.i. -dale: in het Bloemendal. Zoo ook _Nieuwersluis_,
_Ouderkerk_; en verder Den _Haag_, Den _Helder_, Den _Bosch_; eindelijk
de plaatsnamen op -ingen, -schoten, -hoven, -huizen, -buren, -bergen
enz., b.v. _Groningen_, _Voorschoten_, _Vollenhoven_, _Veenhuizen_,
_Kloosterburen_, _Steenbergen_. Plaatsbepalend is ook het voorzetsel
_te_, de proklitsche vorm van _toe_ (mag ik belangstellenden even
wijzen op het verwante Oudlatijnsche _en-do_?), b.v. in _Terborg_,
_Terneuzen_; ook _op_ komt herhaaldelijk voor: _Opbroek_, _Opmeer_.
Aldus zijn onze plaatsnamen gegroeid uit enkel- of meervoudige
karakteriseerende benamingen van nationalen, historischen, kerkelijken,
plaatselijken aard. Zij zijn een organisch produkt van den volksgeest,
die oorspronkelijk alleen de bedoeling had, die plaats te kenmerken
en te onderscheiden van andere, en niet, haar een blijvenden naam te
geven. Zij hangen dus innig met de plaats zelve samen en zijn derhalve
geen kunstprodukt, geen opgeplakte etiketten, zooals de nieuwere
plaatsnamen,--even kunstmatig trouwens als de stichting van het dorp,
de stad, die zij heeten te kenmerken. De etymologische, historische,
folkloristische waarde van zulke moderne benamingen is nul.
Ten slotte nog enkele beschouwingen over de vormingen op -loo, -drecht,
-rode: rade.
_Loo_ is de oude vorm voor "akkermaalshout, eikenbosch". Wij vinden het
in plaatsnamen als _Venloo_ (Veenbosch), _Corbeek-Loo_, _Tremeloo_,
_Baarloo_; maar ook in _Grolle_ (naast _Groenloo_), _Wamel_ (uit
_Wameloo_), _Gorsel_ (uit _Gerstloo_), _Pamel_, _Steenhuffel_ enz. Den
uitgang -drecht vindt men in _Woensdrecht_ = Wodani Trajectum (I,
bl. 90), _Papendrecht_, _Zwijndrecht_. Somtijds beteekent het "veer,
overvaart", andermaal "drift", d.i. veedrift, weideplaats, waarheen het
vee gedreven wordt. Wij hebben hier weer de Frankische _cht_ uit _ft_,
zie bl. 39. Waar wij te doen hebben met het Latijnsche _traiectum_,
als in _Woensdrecht_ en eveneens in _Utrecht_ en _Maastricht_, wordt
beslist een veerplaats of doorwaadbare plaats aangeduid.
Het meest belangrijk uit taal- en vooral uit kultuurhistorisch oogpunt
zijn wel de plaatsnamen samengesteld met _-rode_ en _-rade_. Zij
herinneren, evenals die op _-woud_, _-holt_, _-loo_, _-horst_, aan
het feit, dat zoovele oude nederzettingen werden gevestigd aan den
rand van een bosch. Langzamerhand werden de boomen gerooid en het
land omgeploegd, en aldus voor bouwland geschikt gemaakt, en zulk
land heette _rode_ of _rade_. Zie over dit onderwerp vooral Gallée,
Nomina Geographica Neerlandica II, bl. 32 vlg., III, bl. 348, 352;
Jos. Habets, ib. bl. 73 vlg.
Wij weten, dat de _marke_ een grensland was, een binnen bepaalde
grenzen omsloten gebied. Ieder markgenoot had recht op een of meer
aandeelen in de onverdeelde gronden; hij mocht dus ook in later tijd
bepaalde gedeelten ontginnen, die dan wéer later in privaatbezit
overgingen. _Rode_ en _rade_ drukken dus den aard der werkzaamheid uit
èn het verkregen resultaat. Een vaste grenslijn tusschen de plaatsnamen
met beiderlei vormen samengesteld is moeilijk te trekken, te meer,
daar de vroegere spelling van een plaatsnaam zoo vaak afwijkende
vormen vertoont. Over het algemeen mag men echter zeggen, dat namen
met _-rade_ bezuiden de _Uerdinger linie_, dus in Ripuarisch Limburg,
het meest voorkomen: _Asenraai_, _Bingelrade_, _Doenrade_, _Vaasrade_,
terwijl het domein van het Salische Frankisch voor het meerendeel den
vorm _-rode_ vertoont: _Brederode_, _Berkenrode_, _Sint Oedenrode_. In
België vindt men, met uitzondering van _Rade_ bij Lembeek en _Rath_
bij Antwerpen, uitsluitend _rode_: _Sint Pietersrode_, _Nieuwrode_,
_Waanrode_ enz., een feit van niet te onderschatten beteekenis,
vooral wanneer men bedenkt, dat de namen op _-rade_ eigenlijk slechts
in de Nederlandsche provincies Limburg, Overijssel en Gelderland
voorkomen. Westelijk van de Maas, en in de provincies Noord-Brabant,
Holland, Zeeland en Utrecht vindt men _-rade_ zoo goed als niet
(merkwaardig is echter de groep _Venray_, _Tienray_, _Castenray_). Ook
in het zuiden en in het midden van Hessen hebben de namen op _-rode_
en _-roth_ verre de bovenhand, en eveneens in de streken, die zuidelijk
van de Moezel gelegen zijn. Maar in oostelijke en noordoostelijke
richting heerscht pariteit tusschen _-rode_ en _-rade_, tot in
Sleeswijk toe. Dit alles wijst in ieder geval op een grooter eenheid
voor de bevolking der westelijke en zuidwestelijke _rode_-groep.
Hiermee is weer een belangrijk gegeven gewonnen voor de stambepaling
van ons land. Ook de studie eener enkele provincie kan ons hiervan
overtuigen. Beschouwt men de plaatsnamen van Gelderland, dan zal
men zien, dat een deel, grootendeels ten oosten van den IJssel, en
als welks zuidgrens ten naasten bij de Oude IJssel kan dienen, in
taalkundig opzicht dichter bij de plaatsnamen van Overijssel staat,
terwijl de plaatsen tusschen Waal en Maas meer tot het Brabantsch
naderen, die in de Lijmers zich eng aansluiten aan de taal van het land
van Kleef en Emmerik, en het Noorden van de Veluwe tot aan het Gooi
weer meer het idioom van de Graafschap en Overijssel nadert. Naar wij
zien, komt hier het Saksisch, Frankisch en gemengd Saksisch-Frankisch
karakter der bevolking vrij goed tot zijn recht.
Ook op Franschen bodem treft men Nederduitsche plaatsnamen
aan; zie hierover Joh. Winkler, Plaatsnamen in Frankrijk (Gent
1894). Hoofdbron voor de studie der plaatsnamen zijn de ten deele
aangehaalde studiën in de Nomina Geographica Neerlandica, uitgegeven
vanwege het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap. Zie ook Verdam,
Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 139 vlg.; C. V. D. Bergh, Handboek
der Middelnederlandsche Geographie2, _passim_; R. Andree, Braunschweiger
Volkskunde, bl. 59, vlg.; Tijdschrift IV, bl. 212; Friesche Volksalman.
1897, bl. 48.
4. Nadere opmerkzaamheid verdienen nog de straatnamen, die
een eigenaardige, vrij zelfstandige groep vormen te midden der
Nederlandsche plaatsnamen. Hier geldt dezelfde opmerking, dat nl. de
onbewuste benamingen--wat betreft het doel der naamgeving--ook
de meest karakteristieke zijn, althans eenigermate innerlijk met
de bedoelde straat samenhangen. Kunstmatig is de naamgeving naar
bekende persoonlijkheden, hoeveel goeds en nuttigs daarin ook
mag gelegen zijn, en hoe onbeduidend de organische straatnamen ook
mogen lijken of zijn. Tot de meest eenvoudige behooren _Langstraat_,
_Hoogstraat_, _Houtstraat_, _Beekstraat_, _Nieuwstraat_, _Breestraat_,
_Varkensmarkt_; verder namen, die de richting aangeven en natuurlijk
meer belang hadden in een tijd, die geen stoomwezen of elektriciteit
kende: _Utrechtschestraat_, _Naamschestraat_, _Mechelschestraat_,
_Haarlemmerstraat_. Herhaaldelijk treffen wij hier dezelfde
formatieve bestanddeelen aan als in de namen van steden en dorpen; zoo
b.v. _Bemuurde Weerd_ (Utrecht), de dijk langs de Vecht, even beneden
de stad. Historische namen zijn niet b.v. _Waterlooplein_ of _Plein_
1813, maar wèl de Venloosche _Keisersgats_ (steeg, vlg. _Gasse_),
waardoor keizer Napoleon volgens de overlevering zijn weg nam. Hiertoe
behooren ook--of zullen behooren--de straatnamen, die wijzen op
kerken, gestichten, kloosters, in die straat gelegen: _Mariastraat_,
_Jansstraat_, _Minrebroederstraat_, _Agnietenstraat_,--ik behoef hier
slechts een greep te doen in de straatnamen van Utrecht, zoo rijk aan
historie! De Utrechtsche _Keistraat_ schijnt haar naam te danken aan
het huis _De Krakeling_, door Jonker Meyster gebouwd _Achter Sint
Pieter_, en waar een stuk kei boven de achterdeur was aangebracht;
zie Scheltema, Mengelwerk V, 2 bl. 214. De Groninger _Kijk-in-'t
Jatstraat_ schijnt aldus genoemd naar het hoekhuis, prijkend met een
zonderlingen kop, waaronder de woorden: "ick kick nog int", dat moet
worden aangevuld door: "in 't jat", d.i. ik kan nog in de straat
zien; zie Groninger Volksalman. 1838, bl. 134. Natuurlijk vinden
wij in de straatnamen ook tal van verouderde vormen, b.v. _rak_
in _Damrak_, met de beteekenis "strook land langs het water", en
in het Venloosche _Schriksel_, immers het werkwoord _schrikken_,
Middelnederl. _scricken_, beteekende oorspronkelijk "met groote
passen loopen", ook "springen", men denke aan _schrikkeljaar_. Het
Hasseltsche _schrikschoen_ beteekent "schaats."
5. In de plaatsnamen vertoont zich op zeer sprekende wijze het
psychologisch moment van den klemtoon, zoowel in plaatsnamen in
den engeren zin des woords (stads- en dorpsnamen), als in namen van
straten, grachten enz. Deze klemtoon wordt door Jespersen zoo juist de
_Einheitsdruck_ genoemd, omdat hij wil vereenigen wat bijeenbehoort,
en scheiden, wat dient uit elkaar gehouden te worden. Dit accent is
nu eens _initiaal_, dan weer _finaal_. Rust de klemtoon op het eerste
lid, dan verleent hij dit een zekere waarde; wij kunnen dan spreken
van waardeaccent. Daarentegen ligt de eigenlijke karakteristieke
eenheidsklemtoon steeds op het laatste lid. Hierdoor wordt sterker de
eenheid van het geheel op den voorgrond geschoven, doordat men nl. over
het eerste lid als 't ware heenglijdt, en den hoorder voorbereidt op
hetgeen komen moet; en dit is weer overeenkomstig den algemeenen regel,
dat de spreker het tempo verhaast, als hij er zich van bewust is,
dat hij nog een lange reeks van klanken moet afwerken. Hij spreekt dan
"in éen adem." Aldus spaart de spreker in deze benamingseenheid zijn
krachten op voor het laatste lid als einddoel, en hij slaat de finale
zoo krachtig mogelijk aan. Ook de hoorder vat eerst bij deze finale
de voorafgaande syllaben samen. Wij spreken hier van het eigenlijke
eenheidsaccent. Vgl. Jespersen-Davidsen, Lehrbuch der Phonetik
(Leipzig 1904), bl. 175, 212.
Bij woorden als _bloémkrans_, _áchterdeur_, _uítpakken_, in
tegenstelling met _burgemeéster_, _volvoéren_, _misbruíken_,
_verpákken_ is dit alles helder en klaar. Maar bij aardrijkskundige
namen, vooral bij plaats- en straatnamen wordt de zaak meer
ingewikkeld, en alleszins gerechtigd was een vraag, door
Prof. Niermeijer over "De klemtoon in Amsterdamsche straatnamen"
in Vragen en Mededeelingen I, Ser. I, 8, 25 Febr. 1910, bl. 92 gesteld.
Het wil mij voorkomen, dat wij, uitgaande van de natuur en de algemeene
vereischten voor waarde- en eenheidsaccent, voor aardrijkskundige
woorden den regel aldus kunnen formuleeren: 1. Zij dragen het initiale
accent, wanneer het eerste lid als het voornaamste beschouwd wordt;
zij dragen het finale accent, wanneer het tweede lid òf het geheele
woord belangrijker beschouwd worden dan het eerste lid. 2. Het eerste
lid kan als het belangrijkste beschouwd worden òf om zich zelf,
òf ter wille van de tegenstelling. 3. Het tweede lid wordt als het
belangrijkste beschouwd, wanneer men oordeelt, dat het de plaats op
voldoende wijze bepaalt.
Laat ik nu allereerst als voorbeeld kiezen de straatnamen der
stad Venloo, wat men mij als geboren Venlonaar niet ten kwade zal
duiden. Men zegt: _Kérkstraat_, _Maásstraat_, _Vleéschstraat_
enz.; maar _Maaspoórt_, _Keulschepoórt_, _Gelderschepoórt_,
_Roermondschepoórt_, en eveneens _Oude-márkt_, _Ariënsplaáts_,
_Hakkesplaáts_. Waarom? Omdat men desnoods kan zeggen: "die
of die persoon woont aan de poort, op de markt, op de plaats",
welke aanduiding dan nader kan worden bepaald; maar het is vlakweg
onmogelijk te zeggen: "hij woont in de straat". Zoo kan men ook
best zeggen: "hij woont op het _Schriksel_", en daarom draagt bij
samenstelling deze straatnaam zelfs terwille van de tegenstelling
niet het initiale accent: _Maasschríksel_, _Helschríksel_. Slechts als
antwoord op de vraag: "Op wèlk _Schriksel_?" zal het antwoord luiden:
"Op het _Maásschriksel_" of "op het _Hélschriksel_". Maar waarom dan
_Moésmarkt_ (groentemarkt)? Omdat de koop- en verkoopwaar hier het
eerste lid tot het voornaamste maakt.
Maken wij nu de toepassing voor de Amsterdamsche straatnamen. Altijd:
_Heerengrácht_, _Prinsengrácht_, _Martelaarsgrácht_;--_Torensluís_,
_Weteringscháns_, _Nieuwendíjk_, _Zeedíjk_, _Muiderpoórt_,
_Weesperpoórt_, _Waterloopleín_, _Marinierspleín_, _Nieuwmárt_. Het
meest kenschetsende, en op-zich desnoods voldoende lid draagt het
accent. Maar: _Heérenstraat_, _Prínsenstraat_, _Kálverstraat_,
waar _straat_ ten slotte een soort van toonloos achtervoegsel
geworden is; en eveneens: _Bótermarkt_, _Áppelenmarkt_. Schijnbare
uitzonderingen zijn _Utrechtschestraát_, _Leidschestraát_ (evenals
te Leiden _Haarlemmerstraát_), omdat _straat_ daar oorspronkelijk
de beteekenis had van "straatweg". Ook het initiale accent op
_Káttenburg_ en _Wíttenburg_ is goed verklaarbaar, omdat _-burg_
alle determineerende beteekenis verloren heeft. Wat eindelijk het
accent op de samenstellingen met _steeg_ betreft, dat hangt af van
een plaatselijk waardeeringsoordeel. In de meeste steden schijnt
men het met _gracht_, _plein_ op éene lijn te stellen, en zoo
spreekt de Amsterdammer dan ook van _Halvemaansteég_, _Torensteég_,
_Balkinhetoogsteég_, _Heintjeshoeksteég_; te Rotterdam daarentegen
schijnt men te accentueeren: _Mólsteeg_, _Hoófdsteeg_.
Ten slotte de plaatsnamen. Men kan zeggen: "Hij woont op den Dam,
in de Meer", vandaar: _Amsterdám_, _Watergraafsmeér_, _Enkhuízen_,
_Blokzíjl_; maar: _Voórburg_, _Veénendaal_, en eveneens _Vénloo_,
_Óploo_, _Héngeloo_, _Zwíjndrecht_, _Dórdrecht_, _Sássenheim_,
_Núnhem_, _Aúdergem_ (Brabant), _Sint Oédenrode_.
Nu konstateeren wij, dat het finale accent, het ware eenheidsaccent,
veld wint ten koste van het initale waardeaccent; en wel, omdat
de naam langzamerhand meer in waarde en beteekenis verliest,
afslijt en zuiver formule wordt. De plaatsnamen volgen in deze de
algemeene sociale richting der taal, en zij zullen te spoediger
deze richting volgen, naarmate de plaatselijke taal een levendiger
sociaal karakter draagt. Zoo zien wij het initiale accent vaak
in finaalaccent veranderen. Maar zoo gebeurt het ook, dat sommige
plaatsnamen verschillend worden uitgesproken. De bewoners zelf noemen
hun woonplaats b.v. _Genemuíden_, omdat de naam voor hen tot simpele
aanduidingsformule is afgesleten; terwijl personen daarbuiten ofwel
het oorspronkelijke initiale accent nòg houden, of ook blijven houden,
om de plaats van andere op _-muiden_ te onderscheiden, en dus zeggen:
_Génemuiden_.
_6_. De spotnamen van steden en dorpen berusten grootendeels op een
bekrompen gevoel van plaatselijke genoegzaamheid en laatdunkendheid,
dat ruime wederzijdsche waardeering, ja zelfs erkenning van volks-
en stamgenootschap belet. Natuurlijk draagt een te nauw besloten-zijn
binnen de wallen en een te eng vasthouden aan de plek, waar men
geboren en getogen is, hiervan de meeste schuld. Zóo blijven de
oude volkseigenheden stellig het best bewaard; maar de keerzijde der
medaille is niet zelden kleingeestig chauvinisme en min vriendelijke
verhouding vooral tot naburige steden en dorpen, somtijds zelfs
onderlinge afgekeerdheid, die voorheen tot bloedige vechtpartijen
aanleiding gaf.
Nu moet men deze afgekeerdheid ook weer niet te hoog aanslaan. Het
mag dwaas lijken, dat men de Leeuwarders en Dokkumers elkaar als
_Leeuwarder Galgelappers_ en als _Dokkumer Garnaten_ hoort uitschelden,
en evenzeer, dat Amsterdammers en Haarlemmers elkaar spottend de
namen van _Koeketers_ en _Muggen_ toevoegden,--men moet ook open oog
hebben voor de komische zijde van het geval en in aanmerking nemen,
dat de spotnaam veelal boozer lijkt dan de bedoeling en niet zelden
slechts een onschuldige, typische en typeerende uiting van schalkschen
spotlust is. Somtijds is de spotnamen zelfs een eerenaam.
De plaatselijke spotnamen zijn oud en levenskrachtig; ook teelt de
volksgeest telkens weer nieuwe, al is het in mindere mate. Kieskeurig
is het volk hierin allerminst. De namen berusten op een geschiedkundig
feit, op het wapen van de stad, op een bijzonder voorval, waarvan dan
de belachelijke zijde het sterkst belicht wordt; andere zijn ontleend
aan een bijzonderen tak van handel, van nering of bedrijf, of danken
hun ontstaan aan de een of andere plaatselijke lekkernij. Van de
tallooze spotnamen laat ik hier de meest bekende volgen. Plaatsruimte
belet mij, telkens de verklaring er bij te voegen; laat ik hiervoor
verwijzen naar het desbetreffende hoofdstuk in Winkler's Studiën in
Nederlandsche Namenkunde, bl. 3 vlg. en naar De Cock, Brabantsch
Sagenboek III, bl. 197 vlg. Het talrijkst zijn de spotnamen in de
Friesche en Vlaamsche gewesten.
Friesland. Leeuwarden: _Speknekken_ en _Galgelappers_. "De Leewarders,
omdat se soo skriel waren, dat se gien nije galge betale waden, die
hewwe daar fan de bijnaam kregen van _Leeuwarder Galgelappers_ tot
'e dag fan fandaag toe."
Harlingen: _Tobbedounsers_, d.i. Tobbedansers, daar de Harlinger
stoffenverwer als 't ware te dansen stond in de tobbe.
Sneek: _Dúmkefretters._ Dúmkes zijn een bijzonder soort klein gebak
in vorm en groote als een mansduim.
Bolsward: _Oaljekoeken_ (oliekoeken, worden bedoeld lijnkoeken).
Hallum: _Koekefretters_.
Dokkum: _Garnaten_ (Garnalen). Hoe ze aan dien naam kwamen, wordt
uitvoerig verteld in de Rimen ind Teltsjes fen de Broarren Haltertsma.
Franeker: _Klokkedieven_, omdat het wapenschild hunner stad een gouden
klok vertoont op een blauw veld. Ook de ingezetenen van Oudewater,
Delfzijl, Schermerhorn en Carolinensijl (Oost-Friesland) dragen
dezen naam.
Ameland: _Balkedieven_, immers hun wapenschild vertoont op de eene
helft drie balken; verder _Schalken_ en _Guiten_.
Workum: _Brijbekken_, hetzij van _brij_, hetzij van het eigenaardig
rollen der _r_, dat de Hollander _brouwen_ heet. Men zegt dit ook
van de Zwollenaars.
Hindeloopen: _Tjeunken_, oorsprong onbekend; ook wel _Uilen_.
Staveren: _Ribbekliuwers,_ van het eigenaardige, snel-vorderende
schaatsenrijden (_ribben_ wijst op een overoud gebruik van te rijden
op koeribben), dat men "klauwen" noemt.
Berlikum: _Hounefretters_ (Hondevreters), wellicht naar aanleiding
van een gevelsteen, voorstellende een hond in een pan.
Peasum: _Hountsjes_ (Hondjes).
Wierum: _Katsjes_ (Katjes).
Winaldum en Baard: _Katten_.
Midlum: _Rotten_.
Warga: _Brêgebidlers_ (Bruggebedelaars), vanwege den bruggetol.
Ureterp: _Oanbreide Hoasen_ (Aangebreide Kousen).
Eernewoude: _Luzeknippers_.
Warns: _Skiepeloarten_ (Schapekeutels).
Winsum: _Spinsekken_ (Spinzakken), daar zij eertijds het gesponnen
garen in groote zakken naar de naburige stad brachten.
Irnsum: _Kattekneppelders_ (Kattenknuppelaars), een naam, die met
het bekende kermisvermaak samenhangt (I, bl. 140, 269).
Rinsumageest: _Hounewippers_ (Hondewippers), van een soortgelijk
kermisvermaak.
Sint-Anna-Parochie: _Raapkoppen_.
Onze-Lieve-Vrouwen-Parochie: _Wortelkoppen_.
Oldeboorn: _Toermjitters_ (Torenmeters). In de XVIIe eeuw zou te
Oldeboorn een nieuwe kerktoren gebouwd worden. Het moest de hoogste
toren worden, hooger zelfs dan die van Tzum. De Boornsters vaardigden
dus twee man af, om den Tzummer toren te meten. Maar toen zij na
volbrachten arbeid in de herberg zaten, wisten de Tzummers listiglijk
een paar ellen van het touw af te snijden. Van daar de spotnaam van
Tzum: _Lyntjesniders_ (Lijntjesnijders).
Grouw: _Tsjiisfordounsers_ (Kaasverdansers). Een groepje lustige
Grouwsters hadden eens geen geld meer, om den speelman te betalen. Een
van de dansers deed dit toen met kaas uit zijns vaders pakhuis.
Akkrum: _Skytstoelen_. Of deze meubels te Akkrum bijzonder mooi
waren? Zulk een oud meubelstuk uit het begin der XVIIIe eeuw, dat
gespaard bleef, vertoont niets opmerkelijks. Wèl opmerkelijk is het
rijmpje, dat er op geschilderd staat:
In 't jaer 1710
Werd ick voor het eerst gesien,
Ick was versierd al nae behooren
Als kackstoel voor den eerstgeboren
Uyt de houwlickstrou
Van Geert Ackrum en syn vrouw.
Makkum: _Strânjutten_ (Strandroovers). Daarentegen is _Miigen_ een
eerenaam, want hij wijst er op, dat de Makkumers dit Friesche woord,
dat "magen, bloedverwanten", in 't bijzonder "neven, kleinzonen"
beteekent, nog in eere houden.
Lollum: _Stippers_. Door _stip_ wordt een mager sausje aangeduid.
Molkwerum: _Tsjoensters_ (Heksen) heeten de vrouwen.
Birdaard: _Skiepekoppen_ (Schapekoppen).
Wirdum: _Toerkefretters_ (Torentjevreters), dewijl zij in 1680 een
der beide kerktorens, toen de geldmiddelen gering waren, voor afbraak
verkochten.
IJlst (Drylst): _Kjipmantsjes_ (Koopmannetjes), een soort moppen.
Zie verder nog het rijke materiaal bij Waling Dijkstra
t.a.p. I. bl. 288-294.
Groningen. Groningen: _Molboonen_ (Kindersnoeperij), _Kluunkoppen_
(_Kluun_ is een bijzonder soort bier), _Klaereproevers_.
Delfzijl: _Klokkedieven_, _Krabben_. Men beweert, dat de bewoners
een ruim geweten hebben, wat het plunderen van gestrande schepen
betreft. Bij ongeluk komt eensdaags een _Delfsylster_ in den
hemel. Maar een _Damster_ (Appingedam en Delfzijl kunnen elkaar
niet zetten) weet den H. Petrus, die met de zaak verlegen is, goeden
raad te geven. Een paar engelen moeten buiten de hemelpoort roepen:
"Een schip in nood!" Aldus geschiedt, en ziedaar, bij 't hooren van
dien kreet snelt de _Delfsylster_ naar buiten, zoo hard hij loopen kan.
Wagenborgen: _Aardappeldoggen_.
Ter Munten: _Koedieven_.