IV. Landbouw en veeteelt.

De _buurtschap_ is van landelijken oorsprong. Boven is uiteengezet, hoe

vooral in de eschdorpen gemeenschap van herkomst en van belangen den

gemeenschapszin kweekte, die tal van gemeenschappelijke bepalingen in

het leven riep en gemeenschappelijke hulp waarborgde. Aldus vormden de

dorpelingen een zekeren clan, met een buurtschap als nauwere kern, die

bleef voortbestaan, ook waar de dorpen tot steden zijn uitgegroeid. De

arbeidsgemeenschap was ook een strijd-, weer- en feestgemeenschap,

en als feestgemeenschap vooral openbaart zij zich naderhand in de

steden. Daar ook ontwikkelden zich de buurten tot buurgilden, met

bepaalde reglementen en met een president aan het hoofd, "den Heer van

de buurt", zooals hij in de Hollandsche steden genoemd werd. Dat de

buurdiensten hoog gewaardeerd werden, blijkt uit ons goed Nederlandsch

spreekwoord: "Een goede buur is beter dan een verre vriend".

De buurt omvat doorgaans een zeker getal straten met een bepaald

centrum, zoo b.v. te Roermond, waar de _put_--zoo heet daar de

buurtgemeenschap--een pomp, waarop het beeld van den putheilige, als

middelpunt heeft. Op het land is de grens veelal een weg of een pad.

Eertijds had jaarlijks een gemeenschappelijk buurmaal plaats,

waarvan de onkosten uit de buurtkas betaald werden; toen dit

afgeschaft was, trad het jaarlijksch potverteren in de plaats. Er

heerschte ook een zekere hiërarchische rangorde: eerste buur,

tweede buur enz. De _noodnoabers_ zijn de buren, tot wie men zich

in geval van nood het allereerst wendt; en mèt de benaming is het

instituut blijven voortleven. Als buur geschrapt, "uitgedaan" worden,

is een ontzettende schande. Nog steeds bewijst de buurt haar goede

diensten in de belangrijkste, zwaarste, heuglijkste en pijnlijkste

oogenblikken van het leven. Bij geboorte, huwelijk en sterfgeval

geschiedt de aankondiging vaak door de buren; bij huwelijk worden

buurt en huis versierd, alsmede de weg, dien het bruidspaar nemen

moet; bij het bouwen van een nieuw huis, het graven van een put, bij

onderscheidingen, een lid der buurtgemeenschap te beurt gevallen,

bij oogsten, dorschen, rooien, bij brand of hagelslag,--steeds is

het de buurt, die hare hulpvaardigheid en deelneming betoont. Daar

zijn andere minder gewichtige, maar toch ook sprekende momenten in

het buurtleven. Heeft iemand geslacht, dan noodigt hij niet zelden de

buren, om te komen zien, als 't varken op de ladder hangt. Ieder zegt

dan, zonder dat de keel droog wordt, zijn meening over het gewicht:

men noemt dit in Noord-Brabant "het varken prijzen".

Vaste gebruiken kent men ook bij het verhuizen. Op den bepaalden dag

trekken de mannen en de meisjes uit de buurt met de noodige karren

naar het dorp, dat de nieuwe buurman metterwoon gaat verlaten. Een

kar, waarop het nieuwe gezin plaats neemt, is feestelijk versierd:

de huif is met kleurige papieren bloemen getooid, en voorin hangt een

bloemenkroon. Nu zet de vroolijke, joelende stoet zich in beweging,

en in Noord-Brabant wordt hierbij gezongen:

Te N. willen wij niet wonen,

Daar zijn de wijven te kwaad,

Maar te N. willen wij wonen,

Daar zijn ze beter van aard.

Of wel:

Te N. willen wij niet wonen,

Daar is 't een arrem land,

Maar te N. willen wij wonen,

Daar zijn rozen geplant.

Of wel:

Dat gaat naar Den Bosch toe,

Zoete lieve Gerritje,

Dat gaat naar Den Bosch toe,

Zoete lieve meid.

Wat zullen wij daar drinken enz.

Brandewijn met suiker enz.

Wie zal dat betalen enz.

De boer, dien wij gaan halen enz.

Waar zal hij dat halen enz.

Al uit zijn linnen beursje enz.

Wat zullen wij daar eten enz.

Rijstepap met suiker enz.

Deze rijmpjes worden doorgaans gevolgd door een langgerekt "kjoeuw".

Intusschen is de nieuwe woning in orde gemaakt,--trouwens _elke_

nieuwe woning wordt door de buurt in staat van bewoonbaarheid

gebracht. Het heele huis is schoongemaakt: de vloeren geschrobd, de

muren gewit, alles gepoetst, gewasschen, gesierd; daarna is de mei

of een kroon op het dak gezet en, ten teeken van volbrachten arbeid,

de bezem uit het dak gestoken; van daar de uitdrukking: "den bezem

uitsteken." Plaatselijk dansen de buurmeisjes dan in de feestelijk

uitgedoste woning. Zij hebben nu recht op een onthaal, in het Oosten

van het land het _intrekkingsmoal_ genoemd. In het zuidelijk gebied

heeft dit onthaal geen afzonderlijken naam. Natuurlijk wordt koffie

gedronken, waarbij krentenmik gegeten wordt "en andere"; elders

nuttigt men de onafscheidelijke stoete. De kroon, die de huifkar

tooide, wordt in het nieuwe heem opgehangen en blijft daar, tot ze

verdord of versleten is.

Een oud gebruik, en waarschijnlijk oorspronkelijk wel bedoeld als een

offer aan de huisgeesten, is het oostelijke _vuurbeuten_, d.i. het vuur

aanleggen in de nieuwe woning door de buurvrouwen, plaatselijk--maar

jonger--ook door de buurmeisjes; men vergelijke hiermee het huisoffer

bij het huwelijk, bl. 261. Ook in het Bentheimsche bestaat dit

gebruik. In Oost-Vlaanderen loopt 's avonds de heele buurt samen,

elk met een bosje stroo, dat ter eere van den nieuwen buurman wordt

gebrand; men noemt dit, de nieuwe buren _inbranden_. Het onthaal

draagt den naam van de _overhaalfeeste_; zie Loquela XII, bl. 69.

Overeenkomstig dit gebruik wordt een nieuwe herberg met meitakken

gesierd; ook plant men vóor de deur wel eens een meiboompje. Te Kessel

(L.) brengen de buurtjongens den kastelein het uithangbord; het hierop

volgend onthaal heet dan _schildverteren_.

Bij ziekte wordt door de buurt geneesheer en geestelijke gehaald,

gewaakt, gebeden. Vooral na de berechting onderneemt in katholieke

streken de buurt een bidgang naar een nabijgelegen kapel. Treedt

de dood in, dan zijn het weer de buren, die den doode afleggen,

overluiden, bewaken. Zij belasten zich met de toebereidselen tot de

ter aarde bestelling, dragen het lijk, delven den kuil, verrichten de

begrafenis. Hoe treffend is niet de Limburgsche gewoonte, waarvolgens

de buurmeisjes kransjes vlechten voor de overleden kinderen en

ongehuwden, en in den lijkstoet palmtakken dragen, die dan gestoken

worden op het graf.

De gezellige bijeenkomsten dragen den naam van _buurting_ of

_buuravond_; het onthaal, dat billijkerwijs de bewezen diensten volgt,

heet _bier_ of _maal_, terwijl het plaatselijk een specifieke benaming

mist. Dit _bier_ is een echt Nederduitsch instituut; zie ook Winkler,

Oud Nederland, bl. 816. De naam van den drank, die het hoofdbestanddeel

vormde, is op de feestelijke bijeenkomst zelf overgegaan en bleef,

ook toen deze drank geheel op den achtergrond raakte. Zoo kent men

het _geboorte_- of _kinderbier_, Friesch _bernebjiar_, het _meibier,

gildebier, vastelavondbier, schuttebier_, bij begrafenissen het

_doodbier, leedbier, troostbier, droefheidbier, groevebier_, Friesch

_leedbjiar_ en _treastelbjiar_, ook wel _loofbier_ genoemd, wanneer

de doode geloofd wordt; bij verloving het _verlovingsbier_. Was men

bij het bouwen van een huis in Friesland zoover gevorderd, dat men de

daksparren met pannen dekte, dan gaf men het _pannenbjiar_, vergel. de

Zeeuwsche uitdrukking _te biere gaeë_, zie ook De Bo, West-Vlaamsche

Idioticon, bl. 127. Over het Limburgsche _huulbeer_ is gesproken,

zie bl. 263. Elders spreekt men van een _intrekkingsmaal_ (bij

verhuizen), een _steendermaal_ (bij het aanbrengen van bouwmateriaal),

een _richtemaal_ (als de gebinten gericht zijn), een _mestmaal_ enz.

Bij den landbouw en het akkermansleven openbaart zich een nauw

betrekkingsgevoel tusschen den landbewoner en de omringende natuur,

en een gevoel van wisselwerking tevens. Verkondigt een dorre twijg

den dood aan dengene, die hem het eerst waarnam, omgekeerd kan men,

door een stroopop in het water te werpen, de natuur tot regen dwingen

(vergel. bl. 195). Dit is meer dan poëzie en symboliek, dit is,

hoewel onbewuste, sympathetische magie, die op een zekere animistische

natuurbeschouwing en ten deele op natuurvereering berust, in zoover

hier althans van fetissisme spraak kan zijn. Maar naast en boven dit

animisme of dynamisme is in de akkergebruiken nog een andere faktor

werkzaam: het religieuze bewustzijn van de voorzienigheid Gods en

Zijn heerschappij over de natuur.--

Reeds is voor het _zaaien_ gezorgd door palmblaadjes tusschen het

zaadkoren te leggen; dit bevordert de vruchtbaarheid. Maar deze

maatregel is niet voldoende; want het is lang niet onverschillig,

wanneer gezaaid wordt. Vrijdag en Maandag zijn daartoe niet

geschikt. Verder meent de landbouwer, als vroorogge op Sint Pieter

vóor den middag gezaaid wordt, dan schieten er aren in; niet aldus,

wanneer in den namiddag gezaaid wordt. De laatste volle week van

September mag niet gezaaid worden; dit is de _springweek_, dan springt

het zaad uit den grond op. Rogge moet ook gezaaid worden met wassende

maan (sympathie), maar niet tusschen twaalf en éen, en evenmin op

Quatertemperdagen. Zoo mag men ook in de Kruisdagen geen boonen

poten. In Vlaanderen en in den Achterhoek acht men het verkeerd "bij

twee lichten" te zaaien, d.i. als zon en maan aan den hemel staan;

daarentegen zaait men in het Rijnland juist bij twee lichten gaarne

tarwe, dan wordt zij mooi wit (sympathie).

Zeer verspreid is de gewoonte, vóor het zaaien een kruis te slaan

en ook de drie eerste worpen in kruisvorm te doen, en wel onder een

spreuk, waardoor Gods zegen wordt afgeroepen. Maar meer mag men

niet spreken, opdat de vogels het niet merken. Het zaad moet men

hoog opwerpen, dan groeit het graan hoog op (weer sympathetische

magie). Laat men des nachts ploeg of eg op het land staan, dan zet

men deze recht op in het veld, dat de heksen er onder kunnen vluchten

(Limburg).

Intusschen schiet het graan welig op. Het is voor den landman een

heilige tijd, een tijd van bange zorg en blijde hoop, als de velden

zich steeds rijker bekleeden met den zegen des hemels. Nu rijdt

men om de akkers, dat de oogst moge gedijen; nu bezigt men allerlei

afweermiddelen tegen hagelslag, onweer, brand, vooral tegen de vratige

vogels: de vogelverschrikkers hebben niet slechts een praktisch doel,

maar doen tevens eenigermate als fetis dienst. Op de Duitsche grens

leest men plaatselijk 't Sint Jans Evangelie tegen de musschen; tegen

misgewas steekt men in Vlaanderen en Limburg een gewijd palmtakje op

de vier hoeken van den akker. Het is een belangrijke, hoog-ernstige

tijd: dans en andere vermakelijkheden moeten nu rusten ...

Het omrijden der akkers en het rondtrekken om de graanvelden, wat

ook eertijds te Rome in zwang was, heeft ten deele een gekerstenden

vorm aangenomen in de processies. Het is zeker niet toevallig,

dat de _litania maior_, de voornaamste processie met litanie-gebed

op Marcusdag (25 April), juist op denzelfden datum valt, waarop

eertijds te Rome het voornaamste _ambarvale_ plaats had: ommegang,

bedegang door en om de velden voor het gedijen der veldvruchten en

het afweren van schadelijke invloeden. Ook bij deze en dergelijke

heidensche processies sprak men wisselgebeden in dialoogvorm. De

heidensche processie op den 25sten Maart werd gehouden ter eere van

_Robigo_, een godheid, aangeroepen ter afwending van ziekte in het

graan of van den meeldauw. Met het feest van den H. Marcus heeft de

_litania maior_ niets gemeen.

Maar reeds heeft de kwartel den oogst aangekondigd; en de landman

weet het, als de kwartel slaat, dan korrelt het graan goed:

"zooveel maal als hij slaat, zooveel vat uit de vim", zegt een

Limburgsch spreekwoord.

Weldra, als de wind door de aren speelt en het graanveld doet golven,

dan gaat de koorndaemon door de halmen, evenals de boomgeest zich

openbaart in het ruischen van het loof. "De roggehonde loopt er

deur", zegt men dan in de Graafschap, of "de roggemeuje het de

varkens oet." Hier ontmoeten wij voor het eerst den genius der

vruchtbaarheid op het graanveld. Hij neemt nu eene menschelijke

gedaante aan (_korenmoeder, roggemeisje_), dan weer die van een dier

(hond, wolf, haan, haas, bok enz.). Kinderen, die het graan vertrappen,

waarschuwt men voor het korenwijf, de roggemoeder of den bok. De hond,

haas enz. komt er bij de laatste schoof uit; dan moet een der binders

met open schort voor de halmen gaan zitten, om hem te vangen. Zoo

komt het, dat elders de laatste schoof den vorm van een hond, haas

enz. aanneemt. Zie Sartori, Sitte und Brauch II, bl. 87; Mannhardt,

Baumkultus, bl. 611; Roggenwolf und Roggenhund2 (Danzig 1868),

_passim_; Die Korndämonen (Berlin 1867), _passim_.

Het is een weldoende toon in het volksleven, dat de _graanoogst_,

het moeizaamste en gewichtigste werk van het geheele jaar, als een

feest wordt opgevat. Op Jacobidag (25 Juli) pleegt hij een aanvang

te nemen. Het nijvere landvolk zweet en zwoegt, de buren bieden de

helpende hand, maaien de halmen, binden de schooven, stapelen op de

oogstkar het kostbare loon van zooveel moeiten en zorgen, en bij

het haren der zeisen en het zwaaien der sikkels klinken vroolijke

oogstliederen als deze:

De wumpel de strumpel de kanne met bier,

Die hebben we hier op ons pleizier!

Zoetemelk met roome,

Jan Dirksen is mijn oome,

Peet Trijn, dat is mijn bestemoer,

Zoo gaane we mee op het leste voer.

(Noord-Holland).

Het laatste voer is op de baan,

Dat in den boer zijn schuur moet gaan.

De luie boeren alleen hebben nog staan.

(Oost-Vlaanderen).

En nog komt met _Sint Joapik_ de boer handen te kort. Dit blijkt

uit verscheidene zegswijzen. Als 't heeft geijzeld, en de boeren

de hoefijzers der paarden moeten laten scherpen, zegt men: "'t

Hef glad iêzelt, de boer hef vandaag zienen Sint Joapik", en zijn

er veel huwelijken na den gesloten tijd, dan hoort men wel eens:

"Onze pastoor hef regtevoott zienen Sint Joapik".

Eindelijk bindt men de laatste schoof. Evenals in de lentegebruiken de

vegetatiedaemon door den meiboom of door een omloofde menschenfiguur

wordt voorgesteld, aldus ook de koorngeest in de oogstgebruiken. Men

beeldt hem uit in een schoof, met bonte linten en bloemen gesierd en

veelal gebonden in den vorm van een pop, en deze draagt benamingen

als: _korenmoeder, roggewolf, roggehaan_ enz.; immers, het dier,

dat sprong door het golvende graan, heeft men gevangen in de laatste

garve. Buiten onze grenzen wordt ook wel de maaier in de laatste schoof

gebonden en in water gedompeld. Zij wordt ook vaak met eetwaren als

appelen, gebak, eieren enz. gesierd en men danst er om heen, als om

den meiboom. Een verdere overeenkomst met den meiboom is deze, dat

b.v. in Westfalen de laatste schoof wordt bekroond door een uit hout

gesneden en op een stok bevestigden haan, die met den haanvorm, waarin

somtijds de laatste schoof gebonden wordt, niets gemeen heeft. Deze

haan rust op den oogstkrans, en troont dan veelal op den zoogenaamden

_Harkelmai_, die zijn benaming aan de bijeengeharkte halmen dankt:

de overeenkomst met den kleinen meiboom, dien wij palmpaasch noemen,

is weer bijzonder treffend. Na afloop der feestviering spijkert men

den haan met den oogstkrans aan den gevel van het woonhuis, waar hij

tot het volgende jaar blijft prijken. Zoo verklaart men de gewoonte

van het hanenslaan in sommige streken na het oogstfeest--in den Elzas

bindt men een levenden haan aan den oogstmei!--en evenzeer de Twentsche

benaming voor het oogstfeest: _stoppelhanen_.

De laatste schoof wordt ook de _geluksgarve_ genoemd, omdat

men van haar geluk en rijkdom verwacht voor het volgende jaar;

want de genius van de groeikracht en den wasdom, dien de oogstmei

uitbeeldt in betrekking tot de graanhalmen, welke hij tooit, wordt

ook beschouwd als de onafgebroken voortlevende groeikracht der

veldgewassen. Andere benamingen zijn: _de Olle, 't Olde Wief_ enz.,

welke wellicht betrekking hebben op een Oudgermaansche goddelijkte

verpersoonlijking der vruchtbaarheid.

Te Hengeloo, Steenderen, Zelhem, Ruurloo en andere dorpen van de

Graafschap maken de binders, als de laatste halmen gemaaid zijn, een

bijzonder groote garf, die uit vijftien gewone garven bestaat. Deze

wordt dan met groene takken en bloemen gesierd en draagt den naam

van _'t Olde Wief_. Straks komen de knechten met een langen staak,

steken haar dien door 't lijf en dragen haar in optocht naar de

woning van den boer, waar ze voor de deur wordt neergezet. Met eenige

plechtigheid wordt dan de feestgarve aan de vrouw, die inmiddels

naar buiten gekomen is, aangeboden. Ook draagt men de reuzenschoof

wel eens naar binnen en dan wordt er om heen gedanst.

Ook elders bestaat een dergelijk gebruik. Te Neerbosch (G.) en

omstreken, Heel, Geleen, Vlodrop, Reuver, Tegelen enz. (L.) maakt men

de laatste schoof dubbel zoo dik als naar gewoonte; zij wordt met groen

en bloemen, met een _mei_, opgesmukt en dan op de kar geladen. Een

joelende menigte van jongens en meisjes omstuwt het voertuig, en langs

den grootst mogelijken omweg begeeft de stoet zich huiswaarts. In het

dorp zet men het feest tot laat in den avond voort, want rijkelijk

wordt de jeugd door den eigenaar op koffie, bier, brandewijn en vla

onthaald. Te Nederweert vergast men zich op _Zichtezondag_ aan bier en

zoete melk. Elders wordt alleen de laatste kar _gemeid_. Te Schinveld

maakt men nog een stroopop, waarmee gesold wordt.

In sommige Friesche woudstreken is het de gewoonte, dat op de laatste

van het veld komende wagenvracht boekweit een meiboom wordt geplaatst,

en wel een tak van den lijsterbessenboom met de rijpe bessen er aan. Op

het Bildt zaten voorheen op den laatsten wagen boonschoven, die werden

binnengehaald, twee jongens met een strooman. Zij zongen aldus:

Moer, moer, de pan over 't vuur!

Hier hê wij _de leste gerven_

Boven in de bergen,

Boven in de toppe.

Wanneer selle wij soppe?

Soppe wij van avond niet,

Dan soppe wij 't heele jaar niet.

In Zuid-Limburg draagt het oogstfeest de eigenaardige benaming van

_martelgaus_ (of _-gans],_ klaarblijkelijk een vervorming, zonder

eenige betrekking tot den gansvogel; een afdoende verklaring werd

tot nog toe niet gegeven. Elders op Nederlandschen bodem biedt het

oogstfeest weinig karakteristieks. In het Noorden heeft de vlag meestal

het meiboompje vervangen. In West-Vlaanderen draagt het oogstfeest,

of liever de feestmaaltijd, den naam van _oogstfooie_, elders dien

van _oogstkermis_.

Ten slotte zij nog vermeld, dat in Oldenburg, Brunswijk, Hannover

enz. een stuk koren ongemaaid op den akker blijft staan: het

_Vergôdendêl,_ dat kwalijk anders kan vertaald worden, dan als:

"Frau Godens Anteil", een hooioffer dus aan Wôdan's gemalin. Hiermee

vergelijke men het schamel overleefsel, dat ons rest in het hooi voor

het paard van Sinterklaas (bl. 123).

Het arenlezen is het recht der armen. Te Eibergen (G.) zingen de

kinderen, als ze na het _pungelen_ (aren lezen) huiswaarts keeren:

Moeder, moeder, ik heb moar eenen pungel epungeld,

Der was neet meer te kriêgen,

Want as der nog meer te kriêgen was,

Dan ha'k wal meer noa 't hoes ebrach; enz.

Terstond na het ten einde brengen van den veldarbeid begint het

_dorschen_: een zwaar, moeitevol werk, waar men gaarne reeds vroeg in

den morgen mee aanvangt. Volijverig hanteeren de dorschers den vlegel,

en uit het rythme van den dorschvlegel groeit het dorschlied met zijn

gespierde en toch zoo smijdige klankbeweging:

It klitst, it klatst,

't Giet juwn toa gest,

Op tzies in brea

Mey 't heale gea.

(Friesland)

[Het klitst en klatst,

Het gaat van avond te gast,

Op kaas en brood

Met het halve dorp].

Zouden er geen liederen gezongen worden in den trant van Cremer's

Betuwsch dorschliedje? Wij geven het natuurlijk met het noodige

voorbehoud:

Lange vlegel, wonderklop,

Sloa d'r helder lochtig op

Vief en twintig duuzend slag,

Ielken korten wienterdag,

Met verdrag.

Vlêgel! klap 'm, klep 'm, klop,

Die 't niet gleuft op stuggen kop.

Vooral het dorschlied steunt in zoo ruime mate de stelling van Karl

Bücher, dat het arbeidslied zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm,

dien het volk aan inspannenden, eentonigen arbeid gaf, om het eentonige

te breken en de vermoeienis te doen vergeten.

Het gewichtigste oogenblik bij het uitdorschen is dat van den laatsten

slag. In ons zuidelijk volksgebied bestaat vrij algemeen het gebruik,

dat bij het afdorschen van het laatste koren alle dorschers tegelijk

met de vlegels op den vloer slaan; in het Oosten van ons land heette

dit de _drobbelslag_. Uit vergelijking met uitheemsche gebruiken

blijkt, dat deze slag oorspronkelijk den koorndaemon gold, die immers

mee in de schuur gevlucht is. Tegenwoordig is het een teeken, dat de

vrouw van den eigenaar moet komen, om de arbeiders te trakteeren.

De greidboer heeft geen bouwland, hij is enkel veehouder, hij kent

alleen den _hooi-oogst._ Maar de gebruiken, hiermee verbonden, zijn

over het algemeen veel minder ontwikkeld dan die van den graanoogst. Na

afloop volgt het hooimaal, een afscheidsmaal, dat de boer aan zijn

werkvolk geeft; het bestond van ouds uit spekpannekoeken. De laatste

wagens worden op Ameland met vlaggen versierd.

Worden de groote schuurdeuren geopend, dan gebeurt het vaak, dat

zwaluwen komen rondfladderen in de ledige ruimte der schuur. Dan

zingt de jeugd--en ook wel in het voorjaar bij den terugkeer,--het

zwaluwgetjilp nabootsend:

Verleden jaar, toen ik hier was,

Was dit vak vol en dat vak vol,

En nu is alles weer verteerd, verteerd, verteerd.

Of wel:

Toen ik weg ging, waren alle kistjes en kastjes vol,

Maar toen ik weer kwam, was alles verslikkerd, verslekkerd,

verslierd, verslierd.

Men vergelijke het Brunswijksche:

As ik weggung, as ik weggung,

Was dit fak vull, was dat fak vull,

As ik wê'erkam, as ik wê'erkam,

Was alles verslickert, verslüert.

Laat ik nog vermelden den vlasoogst, vroeger zoo belangrijk met het

oog op het algemeen gebruikelijke, huiselijke spinnen; den hopoogst,

die eertijds aanleiding gaf tot het befaamde Geldersche hopmaal met

zijn lekkere, gerezen pannekoeken; eindelijk den koolzaadoogst,

daarom niet onbelangrijk, dewijl de laatste zak door een groenen

tak, een _mei_ werd gesierd. Met de muzikanten voorop ging de stoet

zingende naar het huis van den boer. Maar reeds in 1839 was, volgens

den Gelderschen Volksalmanak, dit feest kwijnende.

In Noord-Brabant, b.v. te Duizel, kent men nog de _aardappelfooi_,

vroeger in de omstreken van Breda de _boekweitfooi_, vergel. de

Antwerpsche _pataatfooi_, naast de Vlaamsche _oogst- vlas-_ en

_zaadfooi_ (bl. 283). Het woord _fooi_ heeft hier de beteekenis van

"afscheidsmaal", die ook het Middelnederl. _foy, voy_ bezat. Een

nog oudere beteekenis is "reis, weg"; immers het woord heeft zich

ontwikkeld uit het Fransche _voie_: "reis, reispenning, teerpenning."

Zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 190 vlg.; Driem. Bladen I, bl. II,

bl. 70; Dr. De Vooys, in Volkskunde XXIV, bl. 154; Schrijnen,

in Limburg's Jaarboek I, 3, bl. 25 vlg.; H. Welters, Feesten enz.;

bl. 50; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 312 vlg.; Waling

Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 261.

De _veeteelt_ is reeds elders ten deele besproken, zoo b.v. de

stalling bij de verschillende huistypen en eveneens de afweermiddelen,

die ter bescherming van het vee tegen onheilvolle invloeden worden

gebezigd. Ook de hooioogst behoort tot dit onderwerp.

Vooral de paarden staan bloot aan betoovering en aan kwelling van

de maar, die onontwarbare knoopen in de manen vlecht en de dieren in

zweet drijft. Hiertegen bestaan afzonderlijke bezweringsformules. Ook

paardekoppen in den gevel oefenen beschermenden invloed uit. De koeien

en schapen worden op gezette tijden door de vaart gedreven, om ze

vruchtbaar te maken en tegen ziekten te beveiligen. Op een meidag

drijft men de koeien in de weide en tegen Sint Katherijne komen zij

weer op stal. In den omtrek van Bredevoort en Aalten (G.) hebben de

koewachters hun eigen deuntje, waarmee ze elkaar toeroepen: "Alleli,

allo, Derk, Jan, enz., allo, kom hier allo, gauw dan alio, alleli,

allo". Dit "Alio, alleli" dient ook om des avonds de koeien bijeen

te roepen.

Bijzondere voorschriften gelden bij het melken, om te maken, dat de

melk overvloedig is, niet blauw, dat zij niet onmiddellijk stolt,

dat zij niet botert; hiertegen beveiligt vooral de vlierstruik. Ook

palm en kruidwisch worden in den stal aangebracht; spinnewebben ziet

men er graag.

Schapen, geiten en varkens spelen in het volksgeloof een

ondergeschikte rol. Van meer belang zijn hond en kat, die vooral het

weêr voorspellen, maar toch ook geluk of ongeluk aankondigen. De kat

staat in betrekking tot het huwelijk (bl. 90, 253), kondigt bezoek

aan en ziet sterfgevallen vooruit. Van groot belang is, zooals wij

zagen, de haan bij de vruchtbaarheidsgebruiken, bij het oogstfeest

enz. Hij beveiligt tegen schadelijke invoeden en is daarom wel vooral

symbool der vruchtbaarheid, zooals ik reeds op bl. 96 en elders

heb betoogd. Eindelijk, in hooge eere staan de bijen, het eenige

insekt, dat huisdier geworden is. Zij staan in nauwe betrekking tot

het gezin van den iemker; zijn dood wordt hun aangekondigd; met de

naastbestaanden dragen zij rouw.

Nederlandsche Volkskunde · 第 81 / 117 题