V. Ziekte, dood, begrafenis.

Na de genoegens van het leven komen _ziekte_ en de dood. Menige zwakte

en menig lijden slaat de landbouwer lager aan dan de stedeling met

hooger kultuur, en het is zelfs een bekend feit, dat hij eerder den

veearts voor de stalbeesten zal ontbieden, dan den geneesheer voor

zich zelf of voor de leden van zijn gezin. En nog gaat hij dan bij

voorkeur bij waterdokters en konsorten te rade. Daarentegen is hij

voor kleine misvormingen zeer gevoelig, getuige b.v. het heirleger

van bezweringsformules tegen de wratten. Maar ik kom hier op het

gebied der volksgeneeskunde, die uitvoerig in het Zesde Hoofdstuk

zal besproken worden.--

Intusschen wordt de kwaal erger en erger en nadert de _dood_. Reeds

heeft men herhaaldelijk geheimzinnige lichten waargenomen, die onder

den naam van _veurbuken_, (_veurbukes, veurbuksel_ enz.) bekend zijn,

althans in het zuidelijk volksgebied. Voortdurend krast de uil en

de raaf, de waakhond slaat aan in het holle van den nacht, de klok

blijft stil staan of twee klokken slaan te gelijk, de katten bijten

elkaar; nu eens springt een glas, dan weer worden deuren plotseling

dichtgeworpen, en voortdurend laat het houtwormpje zijn eentonig

getik hooren. Hierbij komt nog, dat de huisgenooten voortdurend

droomen van huwelijk en bruiloft (vgl. bl. 241), of den priester

aan het altaar zien staan: geen twijfel meer mogelijk, spoedig zal

de zieke "het gewaagd hebben". "Hij gaat de gard af", fluisteren de

vrienden en magen, "hij riekt naar de schup". Bij kinderen klinkt de

volksuitdrukking zachter, gevoeliger: groote kinderoogen, luidt het,

zijn "kerkhofbloemen".

Men kan niet zeggen, dat de landman den dood meer vreest dan de

stedeling, maar hij wordt er voortdurend aan herinnerd door zijn

intiem samenleven met de natuur, wier opvallende verschijnselen hij

als voorboden beschouwt. Hierop wijst m.i. het meest sprekend de

volksverklaring van een ontijdigen bloei:

Een bloem buiten den tijd

Is een bruid of een lijk.

Ook hier weer de verwantschap van dood en huwelijk als het telkens

wederkeerend refrein.

De dood wordt door het volk beschouwd als een overgang, niet als

een einde: vandaar een heele reeks van scheidingsgebruiken uit de

wereld, die den mensch omringt, zoowel bij het sterven, als na

den dood, tot hij veilig en wel geborgen is in het graf. Want,

dat ieder mensch bestaat uit een tweevoudig ik, dat er bij den

dood een scheidingsproces plaats heeft, ten gevolge waarvan het

onsterfelijke gedeelte overblijft, om een nieuw leven te beginnen,

was een overtuiging, door de Oude Germanen met alle andere volken

en volkengroepen gedeeld. Deze overtuiging is algemeen-menschelijk,

en behoort tot de goudaderen in veelal waardeloos of minder waardevol

erts. Tot dit soort van gebruiken behoort het afknippen van nagels

en haar, het omwerpen van de stoelen en banken, het openzetten

der vensters, het rondgaan om het kerkhof enz. Ook bij de geboorte

hebben wij een dergelijken scheidingsritus ontmoet (bl. 214, 215);

hier is hij op zijn eigen domein. Zelfs voor de overlevenden is

hij van toepassing, ten einde scheiding te bewerkstelligen van den

doode en de doodsmachten en ter wederopneming in de wereld en in de

gemeenschap der levenden. Natuurlijk vermengen zich hiermee gevoelens

van teedere piëteit met den dierbaren stervende of doode.

Na de berechting, in katholieke streken, wacht men met bange vrees en

klimmende bezorgdheid het naderend einde af. Komt het stervensuur

en heeft men allen grond, te duchten, dat de zieke het spoedig

zal hebben afgelegd, dan ontsteekt men de gewijde doodenkaars--in

Vlaanderen wordt dit _uitlichten_ genoemd--en roept de familie om

het sterfbed. Men tracht den stervende het verscheiden zoo licht

mogelijk te maken. Hij mag geen kleedingstuk aanhebben, waaraan op

Zondag genaaid is, want daarin kan hij niet sterven, maar blijft

voortdurend in doodstrijd. Men vraagt hem gaarne, of hij niets meer

"op zich heeft", een laatsten wensch, maar ook wellicht een belofte,

die men hem dan afneemt. Bestellingen en beschikkingen van een

stervende moet men volbrengen, anders kan hij geen rust vinden in

het graf; en evenmin vindt hij rust, als men de begrafenisgebruiken

verwaarloost. Houdt men na den dood ter volbrenging eener belofte van

den overledene een bidweg, dan moet men een stok of regenscherm voor

de deur zijner woning zetten en zeggen: "In den naam van God, ga voor,

ik zal u volgen." Blijkbaar wil men aldus den geest verschalken en

alvast voorop sturen; anders moet men hem dragen.

In dit beslissend tijdsgewricht ducht men vooral het twaalfde uur;

immers dan "verzet" de tijd.

Heeft de stervende den laatsten snik gegeven, heeft de ziel het

lichaam verlaten, naar het volk meent als ademtocht, dan wordt

de mond gesloten, de naaste verwanten drukken de oogen dicht,

en in katholieke streken omklemmen de saamgevouwen handen een

kruis of rozenkrans. Eertijds werd de stervende, naderhand ook de

doode afgelegd, en kwam hij van het bed op het lijkstroo te liggen,

in geheel België _reeuwstroo_, in Hollandsch Limburg _schoofstroo_

genoemd; _reeuw_- beteeken "lijk", vergel. het Gothische _hraiw_- in

_hraiwadûbô_ "tortelduif, lijkduif." Het feit, dat de uitdrukking "op

zijn reeuwstroo liggen" in heel Vlaamsch België en in de aangrenzende

gewesten mondgemeen is, bewijst voldoende, dat zij verband houdt

met een algemeen verspreid gebruik. Het afleggen op stroo mag als

Pangermaansch, ja als algemeen Indogermaansch beschouwd worden. In

België schijnt het sedert enkele tientallen van jaren uitgestorven;

ook in Westfalen (_Revestroh_) en Rijnland is het gebruik veel

verminderd. In Nederland is het, voor zoover mij bekend, nog

slechts in Friesland en in Hollandsch Limburg in zwang: "Wanneer het

gewasschen en in het doodshemd gekleed is," schrijft Th. Dorren in

Limburg's Jaarboek XVI, bl. 13, "wordt het lijk--gewoonlijk op twee

aan elkaar geschoven tafels--in de beste kamer _op schouf_, d.i. op

stroo gelegd. De tijd, dat het lijk onbegraven daar ligt, heet het

"_euver eerd_ liggen." Vandaar de uitdrukking: "Hij komt van het bed

op het stroo," d.i. van euvel tot euvel, zonder dat het er beter op

wordt. Oorspronkelijk werd het lijk van het bed op een plank gelegd,

en deze, in Beieren het _Rebrett_ genoemd, dient in ons land nog op

tal van plaatsen, om den dood aan te kondigen. Zwart geverfd en met

een doodshoofd, waaronder de letters R.I.P., beschilderd, wordt het

_liêkbreed_ naast de deur van het sterfhuis geplaatst.

Het lijk wordt dus gewasschen, geschoren, en men legt een doekje

onder de kin. Kinderen tooit men met een kransje, ook de ongehuwden

krijgen den bruidstooi, dien zij gedurende hun leven moesten ontberen:

den mirten- of rosmarijnkrans. Dan vangt het _verhennekleen_ aan,

d.i. het doodskleed of _hennekleed_ wordt den doode aangedaan of

liever over hem heen genaaid. De Friesche benaming is _hinnekleed_;

in Oost-Groningen zegt men ook _reekleed_, en met volksetymologische

vervorming _regenkleed_. Dit kleed is het eerste, wat de jonge

vrouw voor zich en haar man spint. Het wordt oospronkelijk met éen

draad en éene naald om het lijk vastgenaaid. Deze naald is "heilig"

en "gevaarlijk" tevens; beide begrippen raken elkaar (bl. 86). Zij

wordt dus doorgebroken en de stukken worden in de kist gedaan; ofwel

men werpt ze in het vuur. Raakt men er een kies mee aan, dan zou hij

uitvallen; éen prik er mee geeft een ongeneeslijke wonde. Anderzijds

brengt zij geluk bij het loten.

In Limburg wordt de vrouw met het hemd bekleed, dat zij den eersten

huwelijksnacht en daarna nooit meer gedragen heeft. Elk jaar wordt het

gewasschen en dan zorgvuldig opgeborgen; wij ontmoeten hier wederom

de verwantschap van dood en huwelijk in het folklore (bl. 241).

Na den dood worden onmiddellijk deuren en vensters geopend in

het sterfvertrek, althans op enkele plaatsen in Zuid-Limburg, een

scheidingsgebruik, dat de ziel er vrij uit kan _pfluderen_ (fladderen),

zooals men in Zwaben zegt. In de Graafschap, en in 't algemeen in

't Oosten van Nederland, wordt onder het bed, of in de buurt ervan,

een bak met water of met water en melk gezet; dit gebruik heerscht

ook in Westfalen en andere streken van Noord-Duitschland. In Groningen

meent men, dat dit met een hygiënisch doel geschiedt, omdat dan alle

vuiligheid op dit water trekt; elders zegt men, dat anders alle water

en de melk in huis onrein wordt. Waarschijnlijk was de oorpronkelijke

bedoeling, de ziel een bad in water en melk te schenken. In Oostenrijk

keert men alle vaatwerk om, dat de ziel daar niet aan blijve hangen. In

Friesland wilde het gebruik, drie handjes vol gerstekorrels rond den

doode uit te strooien; het strooien van gerst of zand heeft over het

algemeen geestenwerende kracht; vgl. bl. 76.

Nu zet men de klok stil en omfloerst den spiegel of keert hem om,

"omdat er anders spoedig een tweede sterfgeval in het huis zou

volgen", meent men in Friesland. De verklaring hiervan is deze, dat

het spiegelbeeld van den mensch met de ziel wordt gelijk gesteld; het

is dus te duchten, dat het spiegelbeeld van de overlevenden door den

geest van den overledene worde meegevoerd. Dit zelfde gebruik vindt

men plaatselijk, buiten onze grenzen, ook bij geboorte en huwelijk;

immers ook in deze gewichtige levensmomenten wordt de mensch in hooge

mate door de geesten bedreigd.

Naderhand worden deuren en vensters weer gesloten, eigenlijk en

oorspronkelijk eerst na de begrafenis, om de ziel te verhinderen, terug

te keeren. Dit blijkt o.a. hieruit, dat men in Noord-Duitschland aan

de achterzijde van het sterfhuis een brok muur neerlegt, om zich voor

het wederkeeren der ziel te vrijwaren. Wil men in Limburg uitdrukken,

dat iemand reeds lang overleden is, dan zegt men: "Hij komt al haast

terug." Het luiken der vensters werd later rouwsymbool, òok bij de

naastbestaanden.

Een krachtig middel, om den terugkeer der schimmen te beletten, is

ook het leggen van twee stroowisschen kruiselings over elkaar op de

kruiswegen, of in het algemeen tusschen woon- en begraafplaats op den

weg, dien de lijkstoet volgde: want de doode keert langs denzelfden

weg terug, dien hij gekomen is. Inderdaad wordt het lijk-, schoof-

of doodenstroo op verschillende wijze behandeld.

1. Men verbrandt het, en dit is nog op tal van plaatsen in het

zuidelijk volksgebied het geval. Immers, de geest van den doode zou

aan het stroo kunnen blijven hechten; dit is dus een reinigings-

en scheidingsgebruik. In alle geval:

2. Men verwijdert het na den dood uit het huis, evenals de

plank, waarop de doode gelegen heeft. Dit is natuurlijk weer een

reinigingsgebruik, evenals het keren van het huis en het verbranden

van kleêren en andere voorwerpen, waar de dood mee in aanraking

kwam. Vandaar het gebruik in Zeeland, Noord-Brabant, Gelderland,

Vlaanderen en enkele jaren terug ook in Limburg, na den dood

bossen stroo aan de deur van het sterfhuis te leggen, met of zonder

rouwbanden; naar den ouderdom van den overledene neemt dit grootere

afmetingen aan. In de Noordbrantsche buurten Loon-op-Zand, Sprang,

Capelle enz. wordt kort gesneden stroo onder drie naast elkaar liggende

steenen gevlijd. Naderhand dienden lijkstroo en lijkplank als teeken,

dat iemand overleden was.

3. Het stroo wordt kruiselings voor de deur gelegd, of men maakt

er wisschen van, die op de kruiswegen gelegd worden. Ook wordt de

kist op het reestroo geplaatst, en op den weg naar het kerkhof worden

stroowisschen of enkele halmen van de kar op den grond geworpen. Aldus

in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Limburg, Gelderland enz. Dit

stroo dient om den geest het terugkeeren te verhinderen. Zelfs legt

men o.a. te Sittard twee stroohalmpjes kruiselings op hoofd, borst en

voeten, om den geest den lust te benemen, zich weer met het lichaam

te vereenigen. Deze en dergelijke gebruiken heet men te Mechelen

dan ook zeer juist "den doode verloren spelen"; zie H. Coninckx,

Mechelsche gebruiken II, bl. 51. Naderhand werd het gebruik ten deele

gekerstend en vroeg de stroowisch op kruiswegen om een gebed voor de

"geloovige zielen".

Aldus verklaart men ook, waarom het stroo vóor het sterfhuis wordt

verbrand, terwijl het stroo langs of op den lijkweg daar moet blijven

liggen, tot het verrot is.

Een aandoenlijke trek in het volksleven is het aanzeggen van den dood

aan de huisdieren, die geacht worden in nauwer betrekking te staan

tot den huiselijken kring en hun deel te hebben aan het wel en wee

van het gezin. Aan het vee, maar vooral aan de bijen wordt de dood

van den meester aangezegd. Het best is deze trek bewaard gebleven

daar, waar de huisgemeenschap van menschen en vee het innigst was,

nl. op de Oudsaksische hoeve; aldus te Weerdinge en Emmen, dan ook

eertijds te Meppel en Hoogeveen. Te Barneveld maakt men een zwarte

streep op de linkerzijde van elken korf als teeken van rouw; elders

in het Oosten van het land worden de bijenkorven van rouwstrikjes

voorzien; zie Driem. Bladen XII, bl. 52, vergel. III, bl. 81. In

Westfalen luidt de formule:

Imme, Imme, din Heer is dood,

Nu bliw bi mi in mine Nood.

Ook in West-Vlaanderen, de Kempen en het Meetjesland klopt men op

de korven en zegt: "Bietjes waakt, want de meester slaapt", of "de

meester vertrekt."

Het overlijden wordt aangezegd door de naaste buren of door de

lijkbidders, en de buurt, vooral de _noodwakers,_ komen, om bij het

lijk te waken en te bidden. Wij hebben hier het overoud gebruik der

lijkwake of doodenwake, een gekerstend afweergebruik, dat echter

tegenwoordig, bij de protestanten althans, grootendeels in onbruik

geraakt is. Vroeger werden hierbij klaagliederen gezongen en een

lijkmaal gehouden. Of hier of daar bij deze gelegenheid nog opzettelijk

geweeklaag wordt aangeheven, is mij niet bekend; maar in Twente en

ook wel elders wordt die lijkwake nog etende en drinkende doorgebracht.

Burenplicht is eigenlijk ook het overluiden, waarbij natuurlijk

_luibier_ behoort. Het gebruik is vrij algemeen, en volgens den regel

wordt driemaal geluid voor volwassenen en éenmaal voor kinderen,

of voor een volwassene wordt met de groote, voor een kind (ook wel

voor een vrouw) met de kleine klok geluid. Dichterlijk is de Duitsche

uitdrukking: _das Heimläuten_; bij ons is behalve de term _overluiden_

ook wel _uitluiden_ gebruikelijk. Zooals uit vergelijking met tal

van analoge gebruiken blijkt, had zoowel de luide doodenklacht als

het overluiden oorspronkelijk ten doel, de geesten af te weren,

die zich van de scheidende ziel wenschten meester te maken.

's Avonds vóor de begrafenis wordt het lijk gekist; voor de doodkist

werden vroeger de planken opbewaard. Staat een doode 's Zondags over,

dan volgt binnen twee weken een tweede lijk. Ligt iemand "mooi" in de

kist, dan is dit insgelijks een teeken, dat weldra een nieuw sterfgeval

in dezelfde familie zal plaats hebben: "hij is mooi bestoorn",

zeggen de Friezen. Nu weet men, dat, volgens een zeer verspreide

animistische opvatting, de ziel een min of meer stoffelijk leven leidt

in of bij het graf; vandaar, dat men den doode meegeeft al datgene,

waaraan hij tijdens zijn leven bijzonder gehecht was. Vroeger waren

dit kleeren, wapens, mondvoorrraad, amuletten van allerlei aard,--in

Zweden geeft men nog heden ten dage tabakspijpen en zelfs gevulde

brandewijn-flesschen mee. Gouden en zilveren kostbaarheden werden op

den duur in geld omgezet en ten slotte vormde nog slechts een kleine

munt het rudimentaire en reeds meer symbolische overblijfsel. Den doode

zulk een munt in de hand te geven of in den mond te leggen is nog vrij

algemeen in verschillende streken van Duitschland. Dit geschiedt hier

te lande niet meer. Wel geeft men nog den doode het scheermes mee,

maar m.i. omdat dit door de aanraking, evenals de naald, waarmee het

doodskleed genaaid werd, "gevaarlijk" geworden is; dan ook rozenkrans

en medailles ter vervanging der amuletten van eertijds; aan vrouwen

wordt nog wel eens schaar, vingerhoed e.d. toegevoegd.

Bij het kisten moet de doode met de voeten naar de deur gelegd worden,

en zóo draagt men hem uit de woning, recht door de _lijkdeur_,

de hoofddeur van het huis, maar die anders niet geopend wordt, dan

wanneer een lijk wordt uitgedragen of het bruidspaar zijn intrede doet

(bl. 241); aldus in Friesland, terwijl men ook op vele plaatsen in

Noord-Holland in ouderwetsche huizen nog de staat- en sterfdeur wijst,

die alleen bij trouw- en begrafenisplechtigheden geopend werd; zie

De Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 209. Uit vrees, dat de geest

terug keert, zegt menig drager en menige draagster uit den omtrek

van Aalst, wanneer de lijkstoet zich in beweging zet: "Geest, ga

voor, ik zal u volgen"; en als de deuren 's avonds gesloten worden:

"Geest, blijf buiten, en ik binnen."

Zoo komen dan de naastbestaanden en buren ter _begrafenis_. In Brabant

hebben de buurmeisjes den avond te voren in 't sterfhuis _gepeeld_,

d.i. een kruis van groen en bloemen gemaakt, dat bij de begrafenis

door kinderen wordt gedragen, gedurende den lijkdienst op de kist

ligt, en naderhand het graf zal tooien. De familie verschijnt in

rouwkleeren, de vrouwen geheel in het zwart, zonder gouden sieraden,

en dragen somtijds den doek "met de krange kante buiten", zooals men

in het oostelijk volksgebied zegt. Te Weert, Nederweert, Neerbosch,

Lent enz. dragen de vrouwen dan nog de falie; te Lent dragen de

mannen bij deze gelegenheid mantels van een bepaald model, door den

doodgraver bezorgd. Bij deze mantels behooren natuurlijk bepaalde

hoeden, die plaatselijk na afschaffing van de mantels gebleven

zijn. Zoo komt het, dat b.v. te Neer de mannen bij den rondgang om

het altaar, elders gedurende de eerste helft der lijkmis, den hoogen

hoed opzetten. Op Zuid-Beveland wil de gewoonte, dat ieder lijkganger

den breeden rand van den Zuidbevelandschen hoed naar omlaag buigt,

waardoor een zoogenaamde _treurhoed_ ontstaat.

Buiten 's huis wordt b.v. te Reusel de kist nog eens, en nu voor

het laatst, geopend. De buren dragen het lijk, en zoo zet zich dan

de lijkstoet in beweging, reeds door velen als _begangel_, d.i. in

schijngestalte drie dagen te voren gezien, zelfs door paarden,

schichtig voorbij rijdend langs het kerkhof. Ook hebben reeds dagen

te voren de hekkenopzetters de hekken geopend op den weg, dien de

stoet moet volgen.

Na de begrafenisplechtigheden in de kerk, of ook wel terstond vanaf

het sterfhuis, wordt de kist op kar of wagen gezet en rijdt men

ter laatste rustplaats. De naaste buurman moet het lijk rijden,

en de regel geldt, dat wie den bruidswagen rijdt, ook de dooden ter

rustplaats moet brengen. De te volgen weg, die volgens oude gewoonte

voor iedere buurt en hoeve vast staat, is in Overijssel, Drente,

Gelderland, Friesland algemeen de _lijkweg, noodweg_ of _reeweg_;

hij wordt uitsluitend genomen bij het doopsel, huwelijk en begrafenis

(bl. 241). Veelal wil het gebruik, dat de stoet op bepaalde plaatsen,

b.v. bij kruiswegen, grenzen, bruggen, kapelletjes, een oogenblik

halt maakt, om dan na enkele gebeden of ceremoniën den weg te

vervolgen. Op de kar nemen twee of vier der naaste verwanten plaats,

meestal vrouwen. Ja, in verscheidene dorpen van Limburg, Friesland,

Drente, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant enz. zat de weduwe op

de kist, en dit gebruik is nog volstrekt niet geheel uitgestorven;

wellicht hebben wij hier te doen met een afweergebruik. Achter den

wagen volgen verdere bloedverwanten, buren en vrienden, meestal ook

vrouwen. "Opmerkelijk", zegt De Cock, "is nog het West-Vlaamsch

gebruik, dat den ""boever"" oplegt, 's avonds te voren reeds in

't oor der paarden te gaan fluisteren: ""Morgen moet ge 'nen doôn

voeren"", anders zouden de dieren weigeren te trekken (Volkskunde,

bl. 223). In de streek van Ootmarsum droegen degenen, die het lijk

volgden, palmtakken, versierd met bladgoud, die ze naderhand in de

kist wierpen of daarop plantten. Dit gebruik leeft ten deele nog

in Noord-Brabant, Limburg en waarschijnlijk ook elders; te Vucht

b.v. worden voor overleden meisjes door meisjes palmtakken gedragen,

voor overleden jongens door jongens hulstakken: wij ontmoeten hier

het treffend en dichterlijk gebruik van den graf- of doodenmei.

Het kerkhof ligt op de meeste dorpen van het zuidelijk volksgebied nog

om de kerk. In sommige gemeenten van Friesland en Overijssel heeft

zich het gebruik staande gehouden, op het kerkhof gekomen, driemaal

het pad om het kerkhof rond te gaan; ook volgens het Oudindisch

lijkritueel schreed men driemaal om het lijk, ten einde dit tegen

invloeden van boozen aard te beveiligen. Men vergelijke den rondgang

om de akkers, die immers een afweer-, en bijgevolg, voor dat geval,

een bevruchtingsritus is. In de groeve wordt het lijk georiënteerd,

d.i. met het gelaat naar het Oosten gericht, een gekerstend heidensch

gebruik, dat plaatselijk nog stand houdt; immers het Oosten was de

lichtzijde, maar Christus is het Licht, in het Oosten is Christus

verrezen, in het Oosten ligt het Paradijs, in het Oosten zal Christus

verschijnen ten oordeel.--Rust de kist in de groeve, dan werpt eerst

een der familieleden, vervolgens elk van de buren een schop aarde

er op, een ver verspreid gebruik, dat b.v. ook in China bekend

is. De bedoeling is, de ziel te nopen, rust te houden binnen het

graf. Gewoonlijk bedankt de naaste bloedverwant voor de bewezen eer.

Het graf wordt getooid met groen en bloemen. Een eigenaardig gebruik

vind ik vermeld voor oostelijk Noord-Brabant, het eiland Schouwen, en

Staphorst en Rouveen; bij de begrafenis van een vrouw, die in kraambed

gestorven is, wordt een witte doek op de kist of op het graf gelegd. Te

Veldhoven (N.-B.) wordt die doek op het graf aan de vier hoeken met

een steen bezwaard en blijft liggen, tot hij geheel verteerd is.

Tot het verleden behoort het gebruik, mondkost op de grafstede neer te

leggen: een waar doodenoffer. Daarentegen is het aloude doodenoffer

in den vorm van een lijkmaal plaatselijk in gewijzigden vorm of

ook slechts als _survival_ blijven voortbestaan. Het Oudgermaansche

doodenmaal werd bij het graf zelf gehouden en in christelijke tijden

herhaaldelijk verboden; in de XIe eeuw ijvert o.a. Burchard van

Worms er tegen in een zijner dekreten.-- Nog thans wordt in sommige

streken van het buitenland de doode geacht, aan deze smulpartijen,

die echter ten sterfhuize gehouden worden, onzichtbaar deel te nemen;

men laat zelfs een plaats voor hem open en de spijzen worden opgediend,

alsof hij tegenwoordig ware.

In ons land wordt het begrafenismaal vóor of na de begrafenis gehouden;

bij welgestelde boeren neemt het wel eens den vorm aan van een vollen

maaltijd. Het draagt den naam van _groevemaal, lijkmaal, grafmaal_,

alsook van _lijkbier, troostelbier, leedbier_ enz. Een begrafenis

zonder lijkmaal heet in de _Trijwâlden_ (F.) een "begrafenis zonder

leed". Hoe meer hierbij gegeten en gedronken wordt, des te beter,

want het komt den doode ten goede; het verzuimen van een lijkmaal

wordt beschouwd als een oneer, den doode aangedaan.

In België vindt men dit lijkmaal verder nog in gewijzigden vorm terug

in de zoogenaamde _eten-uitvaart,_ waarbij het _uitvaartbrood_ aan den

arme wordt uitgedeeld. Dit lijkt mij daarom zoo belangrijk, omdat de

kerstening hier eenzelfden weg is ingeslagen, als in de eerste eeuwen

van het Christendom. Toen werd nl. de lijkmaaltijd vooral gekerstend,

door de armen en ongelukkigen daartoe uit te noodigen: de lijkmaaltijd

werd liefdemaal of _agape_, en kreeg ekonomische beteekenis, trad in

dienst der christelijke armenzorg.

In de omstreken van Kortrijk heet de rouwmaaltijd _molleprooi_, en

aan dat maal deelnemen noemt men "naar de _molleprooi_ gaan." Deze

uitdrukking zal wel zooveel beteekenen als op de _mollejacht_ gaan,

waarin het Bargoensche _mol_ "dood" beteekent.

Men zou echter verkeerd doen, in dezen lijkmaaltijd uitsluitend het

overleefsel van een offermaal te willen zien. De rouwtijd is een

tusschenperiode, een middentoestand, vooral de tijd tusschen het

overlijden en de begrafenis. In dezen toestand treden de nagelaten

betrekkingen door scheidingsgebruiken, terwijl opnamegebruiken hen weer

in de wereld der levenden terugroepen. Tot deze wederopnamegebruiken

behoort ook het lijkmaal, dat de overlevenden tegen de doodsmachten

moet sterken. Zie V. Gennep, Les rites de passage, bl. 211; Preuss,

in Globus LXXXVII, bl. 418.

Nog éen gebruik blijft ter vermelding en verklaring over. Bij het

terugkeeren van de begrafenis wordt op enkele grensplaatsen van

Friesland en Drente een licht uitgeblazen, dat den ganschen tijd

gebrand heeft, zoolang de doode boven aarde stond. Bedrieg ik mij niet,

dan hebben wij hier te doen met de ver verspreide volksvoorstelling van

het levenslicht. Na de begrafenis, als het lijk voor goed geborgen is

in het graf, is de doode ook voor goed uit de gemeenschap der levenden

geweken: zijn levenslicht is voor goed uitgedoofd. Vandaar ook,

dat elders een licht wordt aangestoken bij de geboorte van een kind.

De rouwende familieleden, het werd reeds gezegd, vormen een soort

afzonderlijke gemeenschap, die staat tusschen leven en dood. De duur

van den rouwtijd wordt geregeld door de graden der verwantschap. Ook

de dienstboden dragen rouw. De rouwkleur is in den regel zwart,

soms ook grijs, bruin, blauw en wit.

Op de graven rouwt de witte roos, opgegroeid uit de tranen van Maria

Magdalena, de lelie en de rosmarijn, die de bruidskroon tooide,

rouwen de iep, de taxis en de cypres, door den guren winter nimmer

van hun bladertooi beroofd, en daardoor troostbiedende symbolen der

onsterfelijkheid.

Zie Gallée, Volkskunde XIII, 84, 122; Waling Dijkstra, Uit Friesland's

Volksleven I, bl. 404; De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig

van oude gebruiken en volkszeden, bl. 129, 217; Heuvel, Volksgeloof en

Volksleven, bl. 330; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 78; Volkskunde

XIV, bl. 101; XX, bl. 69; XXV, bl. 164; Limburg's Jaarboek I, bl. 181;

XVI, bl. 13; Rond den Heerd XXV, bl. 154.

Nederlandsche Volkskunde · 第 82 / 117 题