III. Huiselijk Verkeer.

Maar de liefde rijpt, en een nieuw, rijk en vruchtbaar leven: het

huiselijk verkeersleven, neemt een aanvang. Zijn de jonge lieden bij

de oude lui ingetrouwd, dan worden door deze voorwaarden gesteld;

vooral de Drentsche boer staat niet graag zijn hoeve af, gedachtig

aan het spreekwoord: "Men moet zich niet uitkleeden, voor men naar

bed gaat." Dat dit _introuwen_ niet altijd in peis en vree verloopt,

getuigt het Limburgsche spreekwoord, dat "de bliksem en de introuw

nog niet beschreven zijn."

Wordt de echt gezegend en moeten vader en moeder zich reppen om

hongerige mondjes te vullen, dan ontplooit zich het bedrijvige

huiselijke leven in zijn vollen omvang. Het vrome echtpaar stelt prijs

op Gods zegen, die het huis moge schutten, het onheil afwere en den

arbeid doe gedijen. In katholieke streken wordt het huis ingezegend,

het kruisbeeld prijkt boven den schoorsteenmantel, en daarop of op

de kast staan enkele heiligen-beeldjes. Naast de deur--meestal van

de slaapkamer--hangt een wijwatervaatje met gewijde palm; en in

den kersttijd vindt men veelal nog een Stalletje van Bethlehem en

in de meimaand een versierd Mariabeeld, waarbij gebeden en gezongen

wordt. Aan den wand hangen ingelijste woorden, als "God ziet mij" en

"Hier vloekt men niet"; en tegen de binnenzijde van de kastdeur is

veelal een gekleurde plaat bevestigd, de _Huiszegen_, waarop een gebed

bij tijden van onweêr: dan wordt ook de gewijde kaars ontstoken, die

tevens als doodenkaars dienst doet. De wandkaarten bij de protestanten

bevatten meestal korte teksten uit den Bijbel. Op de scheurkalenders

vindt men een tekst uit de H. Schrift met een korte verklaring ervan op

de voorzijde, tegelijk met een opgave van het gedeelte der H. Schrift

en een psalm- of gezangvers, dat 's morgens of 's avonds gelezen kan

worden. Aan de achterzijde vindt men meestal korte verhaaltjes, aan

het Christelijk leven, of geschiedenissen, aan de Zending ontleend;

terwijl op roomsche scheurkalenders naast Schriftuurteksten veelal

citaten uit kerkelijke schrijvers of korte verhalen uit de levens

der heiligen voorkomen.

Het Christelijk gezin begint en eindigt den dag met _gebed_; en hier

wordt "gezin" genomen in ruimsten omvang, want, zitten nog slechts op

het platte land veelal de knechts en meiden mee aan den disch, bij de

gebedsstonden pleegt ook elders de vrome huisvader de onderhoorigen

met de andere huisgenooten te vergaderen. Des avonds wordt in vele

katholieke gezinnen gezamenlijk de Rozenkrans gebeden, onverminderd het

gewone avondgebed; ook laat men zelden na, des avonds te bidden voor de

"geloovige zielen", met name van de afgestorven bloedverwanten. Bij

de vrome protestanten is het regel, dat dagelijks de Bijbel gelezen

wordt. In sommige families geschiedt dit eenmaal daags, vóor of na het

ontbijt, in andere tweemaal, nl. ook des avonds vóor het naar bed gaan,

in weer andere driemaal, nl. ook na het middageten. Bij velen wordt,

nadat een kapittel uit de H. Schrift of een gedeelte daarvan gelezen

is, ook nog een stuk uit een Christelijk dagboek gelezen. Soms, als

men een huisorgel bezit, wordt er een psalmvers of een gezangvers

bij gezongen.

Vóor elken maaltijd wordt gebeden, na elken maaltijd gedankt,

waarbij allen de handen vouwen en de oogen sluiten. Treffend heeft

Karel de Groux het familiale gebed vóor het eten afgebeeld in zijn

_Bénédicité._ In katholieke gezinnen bidt men na het kruisteeken een

Onze Vader en een Wees Gegroet: de vader of het jongste kind bidt voor,

en allen antwoorden met luider stem. Waar in protestantsche gezinnen

de huisvader hard op bidt en dankt, is het gebed een zoogenaamd vrij

gebed, dat in sommige gezinnen zelfs zeer lang kan zijn, of er wordt

een formuliergebed gebruikt. Meestal spreken de jonge kinderen dan

nog een klein gebed, b.v. "Heere, zegen deze spijs en drank, Amen",

of "Heere, wij danken U voor deze spijs en drank, Amen".--

Van zulk een hoofdmaaltijd--tegen het middaguur--vormt de brij of

pap op het land een voornaam bestanddeel. Des avonds is brood met

pap en aardappels zelfs het eenige _voedsel_. Verdere gerechten zijn

appelenpap, weggenmelk (van gedroogd wittebrood), spek, pannekoek

enz. De middagpot bestaat veelal uit boonen- of erwtensoep,

aardappelen met groenten, of ook met kool, boonen enz. vermengd

tot _stamp_ of _potage_, en vaak een stukje spek of vleesch. Uit

een gemeenschappelijken schotel wordt nog veelal gegeten, als het

aardappelen geldt met saus. Dan plaatst men midden op tafel de

kom met aardappelen en een bakje saus. Met stalen vorken worden

nu de aardappelen geprikt en in de saus gedompeld. Ook pap wordt

veelal uit éen schotel gegeten; een tafellaken is ten platten lande

onbekend.--Van ouds het voornaamste voedsel is het brood, en wel het

bruine roggebrood, zoozeer, dat b.v. in Limburg slechts dit "brood"

genoemd wordt, terwijl het wittebrood "mik" heet. Het brood wordt door

het volk dankbaar geëerd als de goede gave Gods. Daarom drukt de boerin

met den vinger een kruisje in het deeg; daarom maakt zij met het mes

een kruis op de onderzijde van het brood, vóor zij het aansnijdt;

daarom leert zij de kinderen, nooit een kruimel te laten verloren

gaan. Want, gaat de vader zijn kroost voor in noeste werkzaamheid en

voedt hij het op tot karaktervastheid en plichtsbetrachting, de moeder

vooral kweekt vroomheid en godsdienstzin, en tempert de strengheid van

het vaderlijk gezag met zacht beleid en trouwhartige, zorgzame liefde.

Na het middagmaal of _de noon_ volgt in den zomer de rusttijd, de

_ungere_ (Limburg). Het koffie-uurtje heet dan de _achterungere_. Maar

worden de dagen korter, dan vervallen beide: "Sint Mecheel (Michiel)

verbuut den ungere en den achterungere".--Nog dient opgemerkt,

dat bij het maal ook de ambachtslui aanzitten, als de boer die aan

huis heeft, vooral de kleermaker of _snieder_. Vroeger vooral was

het ambacht op de dorpen niet in tel. "De snieder is ene mins,"

zegt een Limburgsche spreekwijze, "as hê mit de andere minse oet de

kerk kump." Lager nog stond de wever: in de herberg kreeg hij nimmer

een gaaf glas. Werd aan een ander bij geval zulk een glas gebracht,

dan luidde de verontwaardigde vraag: "Ben ik soms een wever?" Het

laagst stond de vilder: hij mocht de herberg niet binnenkomen, maar

bleef in de gang staan, waar hem het bier gebracht werd.

Voor eentonigheid en kleurloosheid wordt het gezinsleven behoed door

het _familiefeest_. Oorspronkelijk en op de allereerste plaats was dit

het naam- of patroonfeest van de ouders, later in Noord-Nederland door

de verjaardagen vervangen; dan ook het naamfeest en de verjaardagen

der kinderen. Nu doet de _mei_ weer dienst, en steekt men een groene

twijg, later een ruiker, in een koek, dien men de(n) feestvierende

vereert; vandaar de uitdrukking: "iemand _besteken_." Zoo noemde men

het eertijds nog "een meisje besteken," wanneer men ring of klopper

van haar huisdeur met groen versierde.

Op den vooravond van het patroonfeest worden plechtig de geschenken

aangeboden onder het zingen van:

Van avond is 't den avond

En morgen is 't den dag,

Dat men Sint-N. besteken mag.

Vandaar, dat in Midden- en Zuid-Limburg de term _mei_ de benaming is

van het geschenk op den vooravond, en van het naamfeest zelf.

De viering van den verjaardag mist doorgaans alle kleur. Maar

plaatselijk is het _besteken_ veranderd in het _bestrikken_ der jarige

kinderen, d.i. "kinderen op hun verjaardag een stuk koek enz. met

linten op den arm vastbinden" (Molema, Wörterb. d. Groningschen

Mundart, bl. 32). Maar oorspronkelijk kwamen er groen en kransen bij te

pas, zooals nog blijkt uit een door Waling Dijkstra aangehaald versje:

Ik kom u versieren

Met kransen en laurieren;

Ik bind u met hemelsch lof; enz.

In wezen een familiefeest, met een kerkelijk feest eng verbonden,

is ook de _kermis_. Het is een gedenkfeest der kerkwijding; immers

het Middelnederlandsche _keremisse_ beteekent "mis bij 't feest van de

kerkwijding", dan ook "viering van dit feest", en verder "jaarmarkt",

men denke aan de _Leipziger Messe_. Deze dag toch wordt tot aandenken

aan de stichting der kerk of van haar patroonfeest door een plechtige

hoogmis opgeluisterd. Tevens wordt in het zuidelijk volksgebied de

groote H. Sakraments-processie of _bronk_ gehouden; meien worden

geplant langs den geheelen weg, dien de processie nemen zal.

Vele oude kermissen herinneren nog heden ten dage aan den dag van de

oprichting der gemeente als parochie en van de inwijding der kerk. Den

7den Mei 1777 verordenden de Generale Staten, dat in hun gebied,

in de landen van Overmaas, alle kermissen op Zondag na Sint-Martinus

(11 Nov.) zouden plaats hebben en niet langer dan drie dagen zouden

duren. Vandaar ontstond in Limburg de zoogenaamde _Hollandsche kermis_,

nog heden bewaard te Heerlen, Meersen, Bunde, Geulle, Beek, Voerendaal,

Itteren, Hulsberg, Klimmen, Margraten, Ubagsberg enz.

De kerkmis trok bezoekers uit de naburige dorpen en van elders; de

toevloed van vreemden bracht markt en handel mee, en zoo trad het

wereldlijk element naast het kerkelijke, om dit ten slotte verre

te overvleugelen. In de groote steden met haar hoogere kuituur is

de kermis zelfs dermate ontaard in formaliteiten en losbandigheden,

dat men ze op verscheidene plaatsen wijselijk heeft afgeschaft.

Maar in de kleine steden en dorpen, van ons zuidelijk gebied vooral,

daar viert zij nog hoogtij; daar kan men zeggen: geen plaats zonder

kermis, ja sommige plaatsen hebben er twee. De wereldsche feestviering

bestaat uit een groot komplex van overgeleverde gebruiken, genietingen

en vermakelijkheden, van welke de familiale feestviering de kern

vormt: wordt deze door het verslappen der gemeenschapsbanden of het

verflauwen van den familiezin aangetast, dan ontaardt de rest en

valt spoedig uiteen. Verwante of bevriende gezinnen, uren ver van

elkaar verwijderd, vinden op kermisdag de gelegenheid, de familie-

en vriendschapsbanden nauwer aan te halen. Ten bewijze, dat twee

gezinnen met elkaar bevriend zijn, zegt men dan ook, "dat zij bij

elkaar op de kermis komen." Hierbij komt, dat in een groot aantal

gevallen de gedachtenisviering der kerkwijding zich met gebruiken

uit het oogstfeest verbonden heeft, dat, zooals wij weten, een bij

uitstek intiem karakter droeg. Vandaar ook wellicht de overvloed

van gerechten: taart, knapkoek, krentenmik, rijstepap enz.; het

kermisgerecht bij uitstek is echter de Limburgsche en Brabantsche

_flaai_ (_vla_). Het kermismaal is een gebeurtenis van gewicht voor

het geheele gezin, en voor de zorgzame huisvrouw in het bijzonder:

met het oog hierop wordt het heele huis van onder tot boven geschrobd,

geschuurd, geboend, en wat al niet meer.--

Vandaag is 't kermisavond

Morgen is 't kermisdag, dag, dag,

Da bierken, da gebrouwen es,

Da ich wel drinken mag, mag, mag,

zingen de kinderen te Hasselt op den vooravond van den lang verbeiden

dag. En inderdaad, de kermis is ook een kinderfeest: de markt is dan

dicht bezet met kramen en tenten, en vooral de mallemolen--tegenwoordig

veelal door vermakelijkheden van hooger volmaaktheid of kultuur

vervangen--mag niet ontbreken; in Vlaanderen verlangen de kinderen

naar hun _molens van plezier_. Maar laat ik ook _Jan Klaassen_ niet

vergeten, en evenmin het bekende _koekslaan_, o.a. te Venloo met een

stok, elders met een bijltje, vanwaar de benaming: _koekhakken_.

Tot de oude kermisvermakelijkheden voor de volwassenen behoort, of

behoorde, het ringsteken, het afkeurenswaardige dassenbijten door

gedresseerde honden, het ganstrekken of gansrijden, het katknuppelen,

haanslaan, mastklimmen, kaatsen, schijfschieten enz. Aldus werd

"kermis" synoniem van allerlei pret en vermaak, met het gevolg,

dat menig andere ontspanning en feestelijkheid den naam van "kermis"

kreeg. Zoo b.v. de Geldersche _öskeskermis_ in November, ten huize,

waar een koe of os geslacht is, vgl. den Gelderschen Volksalm. XXXVI,

bl. 45; de Veluwsche _schaapskermis_, beschreven in den Gelderschen

Volksalm. 1862, bl. 151; de _Mulderskermis_; de _Haagsche Boschkermis_;

ja, men spreekt zelfs van een kermis op het ijs. Minder bekend is de

Noord-Brabantsche schaapskermis. Als te Reusel de schapen geschoren

worder, verzoekt men de kinderen uit de buurt en van de gezinnen, op

wier stoppelland de schaapherder zijn kudde drijven mag. De kinderen

komen helpen bij het scheren, door "een pootje vast te houden."

Sedert eeuwen was de kermis onafscheidelijk verbonden met processie en

ommegang. Van deze ommegangen verdienen een afzonderlijke vermelding

de Reuzen-stoeten van Brussel, Leuven, Antwerpen, Mechelen, Brugge,

met hun _Antigoon, Janneken_ en _Mieken, Grand'Papa, Op-Sinjoorken,_

de _Groote Turk_ enz. Nòg verschijnt te Hasselt de _Lange Man (Don

Christoffel_) en te Venloo _Valuas_ en zijn vrouw. Deze trekken op

met het akkermansgilde en voeren ten slotte een dans uit. Immers de

kermis is het groote gilde-feest.

Met name de _schuttersgilden_ (vgl. bl. 200) trekken dan uit,

zwakke resten van de aloude schuttersgilden met hun heerlijke

landjuweelen. Toch schuilt nog heel wat kleur en poëzie, overgeërfde

wapentrots en zelfstandigheidsgevoel in het optrekken der Limburgsche

en Brabantsche _jonkheden_ met hun kapitein en andere gezagvoerders,

zoowel in als buiten de processie. Te Eysden (L.) trekken de jonkheden

van alle gehuchten met haar vaandels in de groote processie, elk

achter haar beschermheilige, mee. Des Maandags en Dinsdags worden

zielmissen gecelebreerd voor de overleden leden. Daarna heeft een

plechtige uittocht plaats naar het kasteel, waar een reidans, de

_cramignon_, wordt uitgevoerd: de leden der jonkheid houden elkaar bij

de hand vast en vormen, met den kapitein aan de spits, een lange rij,

die zich op de maat der muziek in allerlei slingeringen en bochten

wringt. Merkwaardig is het nog, dat door de oude geweerschutterij

van het gehucht Oost op Kermismaandag na de zielmis op de graven der

afgestorven leden en eereleden geweersalvo's worden gelost.

Op Kermismaandag, Pinkstermaandag of op het patroonfeest van het

gilde wordt meestal de vogel geschoten. In plechtigen stoet trekt de

schutterij naar het feestterrein, waar de houten vogel op den mast

staat. Maar plaatselijk wordt die vogel ook den dag te voren door de

dorpsmeisjes _gepeeld_ (opgesierd), zoo b.v. te Sint Anthonis, gemeente

Oploo (N.-B.); in dit geval wordt hij in den stoet mee gedragen en ter

plaatse op de _wip_, d.i. den mast, den schutsboom, geplaatst. Bij

raak schieten wordt de trom geroerd. De koning krijgt een premie,

maar moet trakteeren, evenals zijn vrouw of aanstaande, die tot

koningin verheven wordt. Hij wordt nu bekleed met de versierselen:

zilveren halsketen met platen, ruitersabel of staf met zilveren

knop, en generaalshoed of kroon. Deze platen, met inskriptie, worden

door den koning gegeven en vormen, aaneengeregen, _het zilver,_ het

hoofdinsigne van het koningschap. Geflankeerd door zijn adjudanten,

keert hij triomfeerend huiswaarts, 's Avonds wordt gedanst; vooral

de carré-dans staat in eere.

Bij het uittrekken der schuttersgilden wordt een bijzondere vaardigheid

vereischt van den vaandrig bij het _vaandel_- of _vendeldraaien,_

dat vóor de kerkdeur en vóor het huis der plaatselijke autoriteiten

geschiedt. Vandaar de Vlaamsche uitdrukking "kwalijk het vendel

met iemand kunnen draaien", d.i. het met iemand niet goed kunnen

vinden. Ook wordt bij de intrede in het gilde het nieuwe lid

_ingevendeld_, d.i. het vaandel hem om het hoofd gezwaaid. Elders

heeft een soort van doopsel voor de nieuwe leden plaats. Een groote

oneer is het, als lid geschrapt te worden. Te Waalre (N.-B.) wordt een

onwaardig lid uit het gild (of _guld_) "getrommeld": een geldstukje

wordt op het trommelvel gelegd, en dan wordt zoo lang getrommeld,

tot het er van afspringt.

Vroeger werd te Heer (L.) bij gelegenheid der kermis het zoogenaamde

_vreisjpeel_ gehouden. Na de hoogmis brachten de jongelui de

meisjes van 't kerkplein naar een herberg, waar gedanst en

gedronken werd. Te midden van den carré-dans maakte men halt,

en onder muziek werd een rondgang gehouden door een jongen man

met twee schotels, geflankeerd door twee jongelui, elk met een

brandende kaars. Gedroeg iemand zich niet ordelijk, dan werd hij

door den kapitein gestraft. Deze gaf namelijk order, den schuldige

midden in het vertrek neergehurkt en met de handen op den vloer,

te _britsen_, d.i. met een vierkante lat, in dunne latjes gespleten,

te tuchtigen. Nog dient vermeld het draaksteken te Heel en te Beesel

(L.). Vroeger was de ridder met den draak in de optochten en processies

een onmisbaar element. Albrecht Dürer zag hem te Antwerpen, terwijl

de draak door een dame, die Sint Margriet voorstelde, aan een rood

lint voortgetrokken werd. Vooral op de dorpen vermaakten de schutters

zich met het spel van Sint Joris-met-den-draak. De vertooningen in

genoemde Limburgsche dorpen zijn hiervan, voor zoover mij bekend,

de eenige overblijfselen,--afgezien van de spreekwijze "met iemand

den draak steken".

Het monster is gemaakt van gevlochten teenen, met linnen overtrokken,

en van geschubde huid en groote vleugels voorzien. Het trekt met de

schutterij mee en wordt door een lid van het gilde voortbewogen. De

koning van het gilde stelt Sint Joris voor; drie maal rijdt hij op

den draak los, en den derden keer treft hij het monster, dat vuur en

water braakt. Dan voert een meisje in het wit het bedwongen ondier

in triomf weg.

Op Kermisdinsdag wordt te Aalst, bij Eindhoven, _Machielke begraven:_

een strooien pop wordt op de baar gelegd en op het marktveld onder den

grond gestopt. Ook aan een lijkrede laat men het niet ontbreken. In

Zuid-Limburg (b.v. te Schinnen) wordt het _kermiskiendje_ begraven. Men

vergelijke "den winter begraven" enz., en den Blitterswijkschen

_doodendans_ (bl. 166). In Vlaanderen "begraaft" men den laatsten

kermisdag, _kermis-kaluit_ geheeten, "het hespebeen"; ook houdt men

wel een verkoop van ledige beurzen.

Een huiselijk instituut, dat echter tot vele misbruiken aanleiding

gaf, is ook de _spinning_, spinnerij, spinnejacht enz. Gedurende

de lange wintermaanden--die in huiselijke gezinnen meestal door

gezelschapsspelen als ganzebord, domino-, kien-, dam- en kaartspel

worden gekort--kwamen sinds overoude tijden de jonge meisjes en soms

ook de vrouwen uit de buurt met vlas en spinnewiel in het een of

ander ruime vertrek te zamen. Deze spinningen waren het gevolg van het

sterkontwikkelde gemeenschaps- en buurtwezen. De jonge dochters werden

verzocht, een handje te komen helpen, om door gemeenschappelijken

arbeid in éen dag zooveel vlas als mogelijk tot fijne draden te kunnen

verwerken. Later trad het liedjes-zingen en sprookjes-vertellen meer

op den voorgrond. Naderhand werd eigenlijk weinig meer gesponnen--want

het hoog-voorname spinnen raakte in oneere, en een spinnewiel, in

de salons te pronk gesteld, kan dit niet verhelpen,--maar des te

meer gezongen en--gevrijd: want de spinmalen waren de vrijpartijtjes

bij uitstek. Zie Drentsche Volksalm. 1839; Ter Gouw, Volksvermaken,

bl. 407 vlg.

Zij bestaan nog, en plaatselijk zelfs in vrij oorspronkelijken vorm,

in het Oosten van het land, Brabant, Limburg en Vlaanderen. Gesponnen

wordt meestal in den nawinter, van Kerstmis tot Vastenavond. De

meisjes spinnen of breien doorgaans van zes tot negen; dan komen de

jongens uit de buurt allerlei dwaze streken uithalen, en er wordt

gekoosd, gevrijd, gezongen en gesprongen. Ook kort men den tijd

wel met gezelschapsspelletjes, maar van geheel anderen aard dan de

bovengenoemde; het is _pandverbeuren, bezemjagen_ in den Achterhoek,

_buurt of slage_ in Drente, _zökskes liggen_ of _den rooden hoan jagen_

in zuidoostelijk Noordbrabant: te Beers, Schayk, Haps enz. Bij _buurt

of slage_ moeten de jongelui het meisje, waar zij mee koozen, aan een

ander afstaan, op straffe van met de plak geslagen te worden. De beide

Brabantsche spelletjes zijn zoekspelen, en slachten het beschreven

_slofje onder_.

Nederlandsche Volkskunde · 第 80 / 117 题