Maar de liefde rijpt, en een nieuw, rijk en vruchtbaar leven: het
huiselijk verkeersleven, neemt een aanvang. Zijn de jonge lieden bij
de oude lui ingetrouwd, dan worden door deze voorwaarden gesteld;
vooral de Drentsche boer staat niet graag zijn hoeve af, gedachtig
aan het spreekwoord: "Men moet zich niet uitkleeden, voor men naar
bed gaat." Dat dit _introuwen_ niet altijd in peis en vree verloopt,
getuigt het Limburgsche spreekwoord, dat "de bliksem en de introuw
nog niet beschreven zijn."
Wordt de echt gezegend en moeten vader en moeder zich reppen om
hongerige mondjes te vullen, dan ontplooit zich het bedrijvige
huiselijke leven in zijn vollen omvang. Het vrome echtpaar stelt prijs
op Gods zegen, die het huis moge schutten, het onheil afwere en den
arbeid doe gedijen. In katholieke streken wordt het huis ingezegend,
het kruisbeeld prijkt boven den schoorsteenmantel, en daarop of op
de kast staan enkele heiligen-beeldjes. Naast de deur--meestal van
de slaapkamer--hangt een wijwatervaatje met gewijde palm; en in
den kersttijd vindt men veelal nog een Stalletje van Bethlehem en
in de meimaand een versierd Mariabeeld, waarbij gebeden en gezongen
wordt. Aan den wand hangen ingelijste woorden, als "God ziet mij" en
"Hier vloekt men niet"; en tegen de binnenzijde van de kastdeur is
veelal een gekleurde plaat bevestigd, de _Huiszegen_, waarop een gebed
bij tijden van onweêr: dan wordt ook de gewijde kaars ontstoken, die
tevens als doodenkaars dienst doet. De wandkaarten bij de protestanten
bevatten meestal korte teksten uit den Bijbel. Op de scheurkalenders
vindt men een tekst uit de H. Schrift met een korte verklaring ervan op
de voorzijde, tegelijk met een opgave van het gedeelte der H. Schrift
en een psalm- of gezangvers, dat 's morgens of 's avonds gelezen kan
worden. Aan de achterzijde vindt men meestal korte verhaaltjes, aan
het Christelijk leven, of geschiedenissen, aan de Zending ontleend;
terwijl op roomsche scheurkalenders naast Schriftuurteksten veelal
citaten uit kerkelijke schrijvers of korte verhalen uit de levens
der heiligen voorkomen.
Het Christelijk gezin begint en eindigt den dag met _gebed_; en hier
wordt "gezin" genomen in ruimsten omvang, want, zitten nog slechts op
het platte land veelal de knechts en meiden mee aan den disch, bij de
gebedsstonden pleegt ook elders de vrome huisvader de onderhoorigen
met de andere huisgenooten te vergaderen. Des avonds wordt in vele
katholieke gezinnen gezamenlijk de Rozenkrans gebeden, onverminderd het
gewone avondgebed; ook laat men zelden na, des avonds te bidden voor de
"geloovige zielen", met name van de afgestorven bloedverwanten. Bij
de vrome protestanten is het regel, dat dagelijks de Bijbel gelezen
wordt. In sommige families geschiedt dit eenmaal daags, vóor of na het
ontbijt, in andere tweemaal, nl. ook des avonds vóor het naar bed gaan,
in weer andere driemaal, nl. ook na het middageten. Bij velen wordt,
nadat een kapittel uit de H. Schrift of een gedeelte daarvan gelezen
is, ook nog een stuk uit een Christelijk dagboek gelezen. Soms, als
men een huisorgel bezit, wordt er een psalmvers of een gezangvers
bij gezongen.
Vóor elken maaltijd wordt gebeden, na elken maaltijd gedankt,
waarbij allen de handen vouwen en de oogen sluiten. Treffend heeft
Karel de Groux het familiale gebed vóor het eten afgebeeld in zijn
_Bénédicité._ In katholieke gezinnen bidt men na het kruisteeken een
Onze Vader en een Wees Gegroet: de vader of het jongste kind bidt voor,
en allen antwoorden met luider stem. Waar in protestantsche gezinnen
de huisvader hard op bidt en dankt, is het gebed een zoogenaamd vrij
gebed, dat in sommige gezinnen zelfs zeer lang kan zijn, of er wordt
een formuliergebed gebruikt. Meestal spreken de jonge kinderen dan
nog een klein gebed, b.v. "Heere, zegen deze spijs en drank, Amen",
of "Heere, wij danken U voor deze spijs en drank, Amen".--
Van zulk een hoofdmaaltijd--tegen het middaguur--vormt de brij of
pap op het land een voornaam bestanddeel. Des avonds is brood met
pap en aardappels zelfs het eenige _voedsel_. Verdere gerechten zijn
appelenpap, weggenmelk (van gedroogd wittebrood), spek, pannekoek
enz. De middagpot bestaat veelal uit boonen- of erwtensoep,
aardappelen met groenten, of ook met kool, boonen enz. vermengd
tot _stamp_ of _potage_, en vaak een stukje spek of vleesch. Uit
een gemeenschappelijken schotel wordt nog veelal gegeten, als het
aardappelen geldt met saus. Dan plaatst men midden op tafel de
kom met aardappelen en een bakje saus. Met stalen vorken worden
nu de aardappelen geprikt en in de saus gedompeld. Ook pap wordt
veelal uit éen schotel gegeten; een tafellaken is ten platten lande
onbekend.--Van ouds het voornaamste voedsel is het brood, en wel het
bruine roggebrood, zoozeer, dat b.v. in Limburg slechts dit "brood"
genoemd wordt, terwijl het wittebrood "mik" heet. Het brood wordt door
het volk dankbaar geëerd als de goede gave Gods. Daarom drukt de boerin
met den vinger een kruisje in het deeg; daarom maakt zij met het mes
een kruis op de onderzijde van het brood, vóor zij het aansnijdt;
daarom leert zij de kinderen, nooit een kruimel te laten verloren
gaan. Want, gaat de vader zijn kroost voor in noeste werkzaamheid en
voedt hij het op tot karaktervastheid en plichtsbetrachting, de moeder
vooral kweekt vroomheid en godsdienstzin, en tempert de strengheid van
het vaderlijk gezag met zacht beleid en trouwhartige, zorgzame liefde.
Na het middagmaal of _de noon_ volgt in den zomer de rusttijd, de
_ungere_ (Limburg). Het koffie-uurtje heet dan de _achterungere_. Maar
worden de dagen korter, dan vervallen beide: "Sint Mecheel (Michiel)
verbuut den ungere en den achterungere".--Nog dient opgemerkt,
dat bij het maal ook de ambachtslui aanzitten, als de boer die aan
huis heeft, vooral de kleermaker of _snieder_. Vroeger vooral was
het ambacht op de dorpen niet in tel. "De snieder is ene mins,"
zegt een Limburgsche spreekwijze, "as hê mit de andere minse oet de
kerk kump." Lager nog stond de wever: in de herberg kreeg hij nimmer
een gaaf glas. Werd aan een ander bij geval zulk een glas gebracht,
dan luidde de verontwaardigde vraag: "Ben ik soms een wever?" Het
laagst stond de vilder: hij mocht de herberg niet binnenkomen, maar
bleef in de gang staan, waar hem het bier gebracht werd.
Voor eentonigheid en kleurloosheid wordt het gezinsleven behoed door
het _familiefeest_. Oorspronkelijk en op de allereerste plaats was dit
het naam- of patroonfeest van de ouders, later in Noord-Nederland door
de verjaardagen vervangen; dan ook het naamfeest en de verjaardagen
der kinderen. Nu doet de _mei_ weer dienst, en steekt men een groene
twijg, later een ruiker, in een koek, dien men de(n) feestvierende
vereert; vandaar de uitdrukking: "iemand _besteken_." Zoo noemde men
het eertijds nog "een meisje besteken," wanneer men ring of klopper
van haar huisdeur met groen versierde.
Op den vooravond van het patroonfeest worden plechtig de geschenken
aangeboden onder het zingen van:
Van avond is 't den avond
En morgen is 't den dag,
Dat men Sint-N. besteken mag.
Vandaar, dat in Midden- en Zuid-Limburg de term _mei_ de benaming is
van het geschenk op den vooravond, en van het naamfeest zelf.
De viering van den verjaardag mist doorgaans alle kleur. Maar
plaatselijk is het _besteken_ veranderd in het _bestrikken_ der jarige
kinderen, d.i. "kinderen op hun verjaardag een stuk koek enz. met
linten op den arm vastbinden" (Molema, Wörterb. d. Groningschen
Mundart, bl. 32). Maar oorspronkelijk kwamen er groen en kransen bij te
pas, zooals nog blijkt uit een door Waling Dijkstra aangehaald versje:
Ik kom u versieren
Met kransen en laurieren;
Ik bind u met hemelsch lof; enz.
In wezen een familiefeest, met een kerkelijk feest eng verbonden,
is ook de _kermis_. Het is een gedenkfeest der kerkwijding; immers
het Middelnederlandsche _keremisse_ beteekent "mis bij 't feest van de
kerkwijding", dan ook "viering van dit feest", en verder "jaarmarkt",
men denke aan de _Leipziger Messe_. Deze dag toch wordt tot aandenken
aan de stichting der kerk of van haar patroonfeest door een plechtige
hoogmis opgeluisterd. Tevens wordt in het zuidelijk volksgebied de
groote H. Sakraments-processie of _bronk_ gehouden; meien worden
geplant langs den geheelen weg, dien de processie nemen zal.
Vele oude kermissen herinneren nog heden ten dage aan den dag van de
oprichting der gemeente als parochie en van de inwijding der kerk. Den
7den Mei 1777 verordenden de Generale Staten, dat in hun gebied,
in de landen van Overmaas, alle kermissen op Zondag na Sint-Martinus
(11 Nov.) zouden plaats hebben en niet langer dan drie dagen zouden
duren. Vandaar ontstond in Limburg de zoogenaamde _Hollandsche kermis_,
nog heden bewaard te Heerlen, Meersen, Bunde, Geulle, Beek, Voerendaal,
Itteren, Hulsberg, Klimmen, Margraten, Ubagsberg enz.
De kerkmis trok bezoekers uit de naburige dorpen en van elders; de
toevloed van vreemden bracht markt en handel mee, en zoo trad het
wereldlijk element naast het kerkelijke, om dit ten slotte verre
te overvleugelen. In de groote steden met haar hoogere kuituur is
de kermis zelfs dermate ontaard in formaliteiten en losbandigheden,
dat men ze op verscheidene plaatsen wijselijk heeft afgeschaft.
Maar in de kleine steden en dorpen, van ons zuidelijk gebied vooral,
daar viert zij nog hoogtij; daar kan men zeggen: geen plaats zonder
kermis, ja sommige plaatsen hebben er twee. De wereldsche feestviering
bestaat uit een groot komplex van overgeleverde gebruiken, genietingen
en vermakelijkheden, van welke de familiale feestviering de kern
vormt: wordt deze door het verslappen der gemeenschapsbanden of het
verflauwen van den familiezin aangetast, dan ontaardt de rest en
valt spoedig uiteen. Verwante of bevriende gezinnen, uren ver van
elkaar verwijderd, vinden op kermisdag de gelegenheid, de familie-
en vriendschapsbanden nauwer aan te halen. Ten bewijze, dat twee
gezinnen met elkaar bevriend zijn, zegt men dan ook, "dat zij bij
elkaar op de kermis komen." Hierbij komt, dat in een groot aantal
gevallen de gedachtenisviering der kerkwijding zich met gebruiken
uit het oogstfeest verbonden heeft, dat, zooals wij weten, een bij
uitstek intiem karakter droeg. Vandaar ook wellicht de overvloed
van gerechten: taart, knapkoek, krentenmik, rijstepap enz.; het
kermisgerecht bij uitstek is echter de Limburgsche en Brabantsche
_flaai_ (_vla_). Het kermismaal is een gebeurtenis van gewicht voor
het geheele gezin, en voor de zorgzame huisvrouw in het bijzonder:
met het oog hierop wordt het heele huis van onder tot boven geschrobd,
geschuurd, geboend, en wat al niet meer.--
Vandaag is 't kermisavond
Morgen is 't kermisdag, dag, dag,
Da bierken, da gebrouwen es,
Da ich wel drinken mag, mag, mag,
zingen de kinderen te Hasselt op den vooravond van den lang verbeiden
dag. En inderdaad, de kermis is ook een kinderfeest: de markt is dan
dicht bezet met kramen en tenten, en vooral de mallemolen--tegenwoordig
veelal door vermakelijkheden van hooger volmaaktheid of kultuur
vervangen--mag niet ontbreken; in Vlaanderen verlangen de kinderen
naar hun _molens van plezier_. Maar laat ik ook _Jan Klaassen_ niet
vergeten, en evenmin het bekende _koekslaan_, o.a. te Venloo met een
stok, elders met een bijltje, vanwaar de benaming: _koekhakken_.
Tot de oude kermisvermakelijkheden voor de volwassenen behoort, of
behoorde, het ringsteken, het afkeurenswaardige dassenbijten door
gedresseerde honden, het ganstrekken of gansrijden, het katknuppelen,
haanslaan, mastklimmen, kaatsen, schijfschieten enz. Aldus werd
"kermis" synoniem van allerlei pret en vermaak, met het gevolg,
dat menig andere ontspanning en feestelijkheid den naam van "kermis"
kreeg. Zoo b.v. de Geldersche _öskeskermis_ in November, ten huize,
waar een koe of os geslacht is, vgl. den Gelderschen Volksalm. XXXVI,
bl. 45; de Veluwsche _schaapskermis_, beschreven in den Gelderschen
Volksalm. 1862, bl. 151; de _Mulderskermis_; de _Haagsche Boschkermis_;
ja, men spreekt zelfs van een kermis op het ijs. Minder bekend is de
Noord-Brabantsche schaapskermis. Als te Reusel de schapen geschoren
worder, verzoekt men de kinderen uit de buurt en van de gezinnen, op
wier stoppelland de schaapherder zijn kudde drijven mag. De kinderen
komen helpen bij het scheren, door "een pootje vast te houden."
Sedert eeuwen was de kermis onafscheidelijk verbonden met processie en
ommegang. Van deze ommegangen verdienen een afzonderlijke vermelding
de Reuzen-stoeten van Brussel, Leuven, Antwerpen, Mechelen, Brugge,
met hun _Antigoon, Janneken_ en _Mieken, Grand'Papa, Op-Sinjoorken,_
de _Groote Turk_ enz. Nòg verschijnt te Hasselt de _Lange Man (Don
Christoffel_) en te Venloo _Valuas_ en zijn vrouw. Deze trekken op
met het akkermansgilde en voeren ten slotte een dans uit. Immers de
kermis is het groote gilde-feest.
Met name de _schuttersgilden_ (vgl. bl. 200) trekken dan uit,
zwakke resten van de aloude schuttersgilden met hun heerlijke
landjuweelen. Toch schuilt nog heel wat kleur en poëzie, overgeërfde
wapentrots en zelfstandigheidsgevoel in het optrekken der Limburgsche
en Brabantsche _jonkheden_ met hun kapitein en andere gezagvoerders,
zoowel in als buiten de processie. Te Eysden (L.) trekken de jonkheden
van alle gehuchten met haar vaandels in de groote processie, elk
achter haar beschermheilige, mee. Des Maandags en Dinsdags worden
zielmissen gecelebreerd voor de overleden leden. Daarna heeft een
plechtige uittocht plaats naar het kasteel, waar een reidans, de
_cramignon_, wordt uitgevoerd: de leden der jonkheid houden elkaar bij
de hand vast en vormen, met den kapitein aan de spits, een lange rij,
die zich op de maat der muziek in allerlei slingeringen en bochten
wringt. Merkwaardig is het nog, dat door de oude geweerschutterij
van het gehucht Oost op Kermismaandag na de zielmis op de graven der
afgestorven leden en eereleden geweersalvo's worden gelost.
Op Kermismaandag, Pinkstermaandag of op het patroonfeest van het
gilde wordt meestal de vogel geschoten. In plechtigen stoet trekt de
schutterij naar het feestterrein, waar de houten vogel op den mast
staat. Maar plaatselijk wordt die vogel ook den dag te voren door de
dorpsmeisjes _gepeeld_ (opgesierd), zoo b.v. te Sint Anthonis, gemeente
Oploo (N.-B.); in dit geval wordt hij in den stoet mee gedragen en ter
plaatse op de _wip_, d.i. den mast, den schutsboom, geplaatst. Bij
raak schieten wordt de trom geroerd. De koning krijgt een premie,
maar moet trakteeren, evenals zijn vrouw of aanstaande, die tot
koningin verheven wordt. Hij wordt nu bekleed met de versierselen:
zilveren halsketen met platen, ruitersabel of staf met zilveren
knop, en generaalshoed of kroon. Deze platen, met inskriptie, worden
door den koning gegeven en vormen, aaneengeregen, _het zilver,_ het
hoofdinsigne van het koningschap. Geflankeerd door zijn adjudanten,
keert hij triomfeerend huiswaarts, 's Avonds wordt gedanst; vooral
de carré-dans staat in eere.
Bij het uittrekken der schuttersgilden wordt een bijzondere vaardigheid
vereischt van den vaandrig bij het _vaandel_- of _vendeldraaien,_
dat vóor de kerkdeur en vóor het huis der plaatselijke autoriteiten
geschiedt. Vandaar de Vlaamsche uitdrukking "kwalijk het vendel
met iemand kunnen draaien", d.i. het met iemand niet goed kunnen
vinden. Ook wordt bij de intrede in het gilde het nieuwe lid
_ingevendeld_, d.i. het vaandel hem om het hoofd gezwaaid. Elders
heeft een soort van doopsel voor de nieuwe leden plaats. Een groote
oneer is het, als lid geschrapt te worden. Te Waalre (N.-B.) wordt een
onwaardig lid uit het gild (of _guld_) "getrommeld": een geldstukje
wordt op het trommelvel gelegd, en dan wordt zoo lang getrommeld,
tot het er van afspringt.
Vroeger werd te Heer (L.) bij gelegenheid der kermis het zoogenaamde
_vreisjpeel_ gehouden. Na de hoogmis brachten de jongelui de
meisjes van 't kerkplein naar een herberg, waar gedanst en
gedronken werd. Te midden van den carré-dans maakte men halt,
en onder muziek werd een rondgang gehouden door een jongen man
met twee schotels, geflankeerd door twee jongelui, elk met een
brandende kaars. Gedroeg iemand zich niet ordelijk, dan werd hij
door den kapitein gestraft. Deze gaf namelijk order, den schuldige
midden in het vertrek neergehurkt en met de handen op den vloer,
te _britsen_, d.i. met een vierkante lat, in dunne latjes gespleten,
te tuchtigen. Nog dient vermeld het draaksteken te Heel en te Beesel
(L.). Vroeger was de ridder met den draak in de optochten en processies
een onmisbaar element. Albrecht Dürer zag hem te Antwerpen, terwijl
de draak door een dame, die Sint Margriet voorstelde, aan een rood
lint voortgetrokken werd. Vooral op de dorpen vermaakten de schutters
zich met het spel van Sint Joris-met-den-draak. De vertooningen in
genoemde Limburgsche dorpen zijn hiervan, voor zoover mij bekend,
de eenige overblijfselen,--afgezien van de spreekwijze "met iemand
den draak steken".
Het monster is gemaakt van gevlochten teenen, met linnen overtrokken,
en van geschubde huid en groote vleugels voorzien. Het trekt met de
schutterij mee en wordt door een lid van het gilde voortbewogen. De
koning van het gilde stelt Sint Joris voor; drie maal rijdt hij op
den draak los, en den derden keer treft hij het monster, dat vuur en
water braakt. Dan voert een meisje in het wit het bedwongen ondier
in triomf weg.
Op Kermisdinsdag wordt te Aalst, bij Eindhoven, _Machielke begraven:_
een strooien pop wordt op de baar gelegd en op het marktveld onder den
grond gestopt. Ook aan een lijkrede laat men het niet ontbreken. In
Zuid-Limburg (b.v. te Schinnen) wordt het _kermiskiendje_ begraven. Men
vergelijke "den winter begraven" enz., en den Blitterswijkschen
_doodendans_ (bl. 166). In Vlaanderen "begraaft" men den laatsten
kermisdag, _kermis-kaluit_ geheeten, "het hespebeen"; ook houdt men
wel een verkoop van ledige beurzen.
Een huiselijk instituut, dat echter tot vele misbruiken aanleiding
gaf, is ook de _spinning_, spinnerij, spinnejacht enz. Gedurende
de lange wintermaanden--die in huiselijke gezinnen meestal door
gezelschapsspelen als ganzebord, domino-, kien-, dam- en kaartspel
worden gekort--kwamen sinds overoude tijden de jonge meisjes en soms
ook de vrouwen uit de buurt met vlas en spinnewiel in het een of
ander ruime vertrek te zamen. Deze spinningen waren het gevolg van het
sterkontwikkelde gemeenschaps- en buurtwezen. De jonge dochters werden
verzocht, een handje te komen helpen, om door gemeenschappelijken
arbeid in éen dag zooveel vlas als mogelijk tot fijne draden te kunnen
verwerken. Later trad het liedjes-zingen en sprookjes-vertellen meer
op den voorgrond. Naderhand werd eigenlijk weinig meer gesponnen--want
het hoog-voorname spinnen raakte in oneere, en een spinnewiel, in
de salons te pronk gesteld, kan dit niet verhelpen,--maar des te
meer gezongen en--gevrijd: want de spinmalen waren de vrijpartijtjes
bij uitstek. Zie Drentsche Volksalm. 1839; Ter Gouw, Volksvermaken,
bl. 407 vlg.
Zij bestaan nog, en plaatselijk zelfs in vrij oorspronkelijken vorm,
in het Oosten van het land, Brabant, Limburg en Vlaanderen. Gesponnen
wordt meestal in den nawinter, van Kerstmis tot Vastenavond. De
meisjes spinnen of breien doorgaans van zes tot negen; dan komen de
jongens uit de buurt allerlei dwaze streken uithalen, en er wordt
gekoosd, gevrijd, gezongen en gesprongen. Ook kort men den tijd
wel met gezelschapsspelletjes, maar van geheel anderen aard dan de
bovengenoemde; het is _pandverbeuren, bezemjagen_ in den Achterhoek,
_buurt of slage_ in Drente, _zökskes liggen_ of _den rooden hoan jagen_
in zuidoostelijk Noordbrabant: te Beers, Schayk, Haps enz. Bij _buurt
of slage_ moeten de jongelui het meisje, waar zij mee koozen, aan een
ander afstaan, op straffe van met de plak geslagen te worden. De beide
Brabantsche spelletjes zijn zoekspelen, en slachten het beschreven
_slofje onder_.