II. Liefde en huwelijk.

_Minnen en werven_. Het woord _minnen_ is niet aan de volkstaal

ontleend. Deze kent noch (_be_)_minnen,_ noch een stamverwant, woord

van het Hoogduitsche _lieben_, maar slechts slappe omschrijvingen

als: _goed mogen lijden, liefhebben_ of _hebben, gaarne sien_

enz. Daarentegen is aan woorden en wendingen, die het begrip "vrijen",

of ook een ruweren vorm van minnen en liefkoozen uitdrukken, geen

gebrek.

Bij verscheidene gelegenheden trachten de jonge meisjes door

liefdesorakels den sluier der toekomst op te lichten, met name op

Sint-Thomas-, Sylvester- en Paaschdag; over het _schoenwerpen_ is

reeds gesproken (bl. 123); op Nieuwjaarsnacht ziet men den geliefde

in den spiegel. Van de Middeleeuwsche minnedrankjes en sympathetische

toovermiddelen zijn nog slechts zwakke overleefsels overgebleven,

allereerst de zegswijze: "een minnedrankje ingenomen hebben". Van

de thans nog bestaande liefdeverwekkende middelen vormen de haren,

nagelknipsel, zweet en bloed de hoofdbestanddeelen. Naar men weet,

vindt men overeenkomstige gebruiken bij de volken met lage kultuur. Ook

bezigt men te dezen einde valeriaan en wilde alsem, in den zak of

op het lijf gedragen; zie Volkskunde XI, bl. 242; XII, bl. 62, 136,

242; XXIV, bl. 51. Daarentegen dient het leggen van _nestelknoopen_,

knoopen in een riem of veter, om andermans huwelijksgeluk te

bederven. Het is een overoud sympathetisch toovermiddel, waaraan

dezelfde volksvoorstelling ten grondslag ligt, als aan de voorzorg,

gedurende de trouwplechtigheden geen knoopen in de kleederen te

hebben.--Ook versmaadt men niet, bij waarzegsters en kaartlegsters

te rade te gaan; en eindelijk, het bloemenorakel speelt nog steeds

een voorname rol.

Droomt men van een huwelijk, van een bruiloft, dan heeft men

een doode te wachten. Men kan dit volksgeloof door de algemeene

"droomverklaring door omkeering" uitleggen en vergelijken met het

droomen over geld, hetgeen armoede, over omhelzing, hetgeen verraad

beduidt. Deze verklaring wordt ons aan de hand gedaan door Tylor,

die bij de Zoeloe's zulke droomverklaringen waarnam, verwekt door een

streven, zich tegen dwaling te beveiligen; want de Zoeloe's hadden

vaak ondervonden, dat hun droomen zich niet verwezenlijkten. Nochtans

geloof ik hier nog een anderen faktor te zien. Telkens en telkens

weer openbaart zich in het volksgeloof de schrijnende tragiek van

het leven met zijn gedurige wisseling van lief en leed. Een verdere

overeenkomst tusschen de huwelijks- en begrafenisgebruiken is deze,

dat beide in betrekking staan tot de zielen der afgestorvenen, vooral

van de voorvaderen.

Men moet zijn dochters vroegtijdig uithuwelijken; "dochters en doode

brasems moet men niet lang bewaren," meent het volk, en trouwens

"wie dochters heeft, is altijd herder," en "een huis vol dochters

is een kelder vol zuur bier." Heeft de jonge dochter drie kruisjes

achter den rug, dan komt zij "op Sint-Anna's schapraai" (Limburg:

_schaap_), of -bankske, of -kapelleke. In Vlaanderen kent men nog

"het schipken van Sint-Annuit", wat waarschijnlijk op een verwarring

berust. Dan zegt men, dat "Hein-van-pas maar niet wil komen," of "dat

haar vent te Wachtebeke woont." Intusschen gebeurt dit op het land

vrij zelden, immers "daar is geen potje zoo scheef, of er past wel

een dekseltje op," en ook is "geen schip zoo oud, of 't doet nog wel

eens een reisje." Algemeen wordt het gelaakt, wanneer slechts "het

geld getrouwd wordt"; niet zelden trouwt men echter in de familie,

"opdat het geld bij elkaar blijve."

Oudtijds kende men _vrijstermarkten_, en vooral die van Schermerhorn

was bekend. Boerenzoons, die graag een meisje wilden kiezen, bestelden

"koopdag" in _De Valk_, en lieten dit door den dorpsomroeper bekend

maken. De trouwlustige meisjes togen dan naar de herberg, waar de koop

gehouden werd. Een andere soort van vrijstermarkt was slechts voor

't kermishouden ingesteld, al had deze dan ook meermalen een huwelijk

ten gevolge; en hiertoe behoorde de Schagermarkt. Veel overeenkomst

hiermee vertoont het gebruik op eenige dorpen van Noord-Holland, dat de

meisjes zich des Zondags na kerktijd neerzetten op het muurtje van het

kerkhof, wachtende tot er een gezel komt, die haar zal uitnoodigen,

om te zamen ter herberg te gaan; en eveneens de _Maartekeur_ te

Lochem en te Borculo op een marktdag in Maart, met het oog op de

aanstaande Meimarkt. Dan staan de boerinnetjes in een lange rij over

de geheele lengte van het plein en worden met rood of wit krijt op

den rug gemerkt. Zie hierover vooral J. H. Scheltema, Volksgebruiken

der Nederlanders bij het vrijen en trouwen (Utrecht 1832), bl. 65 en

Mr. N. de Roever, Van Vrijen en Trouwen (Haarlem 1891), bl. 81 vlg.

De gewone en betere wijze is echter een bezoek ten huize, immers "de

beste koeien worden op stal verkocht". Hierbij is het verstandig, zich

eerst van de genegenheid der moeder te vergewissen; want "wie eerst

de dochter en dan de moeder vangt, vat het varken bij de ooren". Ook

wordt het terrein wel eens verkend door een huwelijksmakelaar,

soms _heiligmaker_, in West-Vlaanderen _handknecht_ genoemd. Dit

_heiligmaker_ is een volksetymologische vervorming van _heilikmaker_,

d.i. huwelijksmaker, van het Middelnederl. _hîlijc_. Aan de Zaan

bestond zijn belooning in geld of in een pak nieuwe kleeren: Schotel,

Zeden en Gebruiken aan de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 43. Ook de

koek, voor het meisje meegebracht, heet _hijlikmaker_. De verouderde

Zaansche benaming is _zelschappen_; de meer gebruikelijke benaming

voor uit vrijen gaan is ten platten lande _uit meiden gaan_. Hiervoor

is de Woensdag- en Zondagavond het meest geschikt; de Donderdag is

meer voor weduwnaars; Zaterdagavond is ook niet ongeschikt, maar

"Zaterdagavondloopers zijn koopers", zegt het spreekwoord. In de

meeste streken moet de vrijer klokke acht bij het meisje aan huis zijn;

in alle geval:

Vrijers, die 't meenen,

Komen vóor tienen

En gaan niet voor eenen.

Een uitzondering hierop maakt wel Hennaarderadeel (F.); daar zegt men:

"Die na achten komen, kunnen vóor negenen weer gaan."

Uit de wijze van ontvangst kan de vrijer al spoedig bemerken, of zijn

komst en aanzoek welkom is. Blijft het meisje zitten en laat ze het

stoelzetten aan een der huisgenooten over; neemt de Friesche schoone

haar oorijzer van het hoofd en klaagt over hoofdpijn, dan weet de

vrijer, hoe laat het is en kan hij zijn matjes oprollen. Maar wordt hem

op de vraag: "mag ik mijn pijp, mijn sigaar even aansteken", bescheid

gedaan, biedt het meisje hem een lucifer, haalt ze hem een stoel,

brengt ze hem een pijp, dan nemen de zaken een gunstigen keer. Nog

beter staan de kansen, als hij door de vrijster bij zijn vertrek

tot aan de buitendeur wordt gevolgd; dat heet rond Aalst _een voois

krijgen_. Wordt de vrijer afgewezen, dan _loopt hij een blauwe scheen_,

of _loopt hij een blauwtje_. Deze uitdrukking wordt door Dr. Stoett,

Nederlandsche Spreekwoorden, n° 214, zeer zeker het eenvoudigst

aldus verklaard: "zijn scheen stooten, er tegen loopen; vandaar: niet

slagen." Een andere uitdrukking is: _een korf krijgen, door de mand

vallen_. Prof. Verdam beschouwt deze uitdrukking als eene herinnering

aan de oude strafoefening, waarbij de schuldige in een schandkorf

boven het water te pronk werd gesteld (Handel. v. d. Maatschappij

d. Nederl. Letterk. te Leiden 1901).--M.i. hebben wij hier stellig

met het overleefsel eener oude strafoefening te doen, maar niet met

de boven bedoelde. Ter vergelijking diene het gebruik uit den Eifel,

waar de minnaar, die een blauwtje geloopen heeft, door de meisjes

gekorfd wordt: ze werpen hem een bodemloozen korf over het hoofd en

trekken hem er door heen. In Brunswijk zet men den afgewezene een

ouden korf op het dak. Oorspronkelijk wordt de _ontrouw_ bij wijze

van volksrechtspraak aldus gestraft, dan ook de _onvruchtbaarheid_

bespot; ik spreek hier over aanstonds nader, bij de behandeling van

den _dorhoed_.

Voorts dient nog vermeld een zonderling gebruik, dat op Texel

en Vlieland is blijven voortleven, maar vroeger ook op Wieringen

en Terschelling en in vele Noord-Hollandsche dorpen bestond: _het

kweesten_ of nachtvrijen; eertijds bestond het in geheel Duitschland,

ja men mag zeggen over geheel Europa. Dit is een vorm van vrijen,

terwijl deuren of vensters openstaan, en de minnaar op de deken zit,

waaronder zijn beminde rust. Mocht soms de vrijer het wagen, niet

in eer en deugd te kweesten, dan volgde, voorheen althans, steeds

de volksjustitie bij wijze van ketelmuziek. Laat ik hier tevens nog

vermelden het _strunen_, het opzettelijk storen der vrijpartijtjes,

dat, naar het schijnt, in Friesland aan de orde was. Zie Waling

Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 196 vlg.; De Cock,

Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk

(Gent 1911), _passim_; Virginie Loveling, Volkskunde XV, bl. 152.

Te lange verkeering is over het algemeen niet gewild. "Lange vrijage

is zelden mariage".

_Dorhoed_ is de Noordhollandsche naam, waarmee ik eenige algemeen

verspreide liefde- en verkeeringsgebruiken wensch samen te

vatten. Volgens den Gelderschen Volksalm. van 1837, bl. 106 plaatsten

de jongelieden op Pinksterdag een strooman, potsierlijk uitgedost,

op een kar en reden het dorp rond. 's Nachts krijgen de meisjes,

"die zich zoo taai als leêr houden, of van vrijers veranderen als

van handschoenen", dien strooman op het dak; soms wordt hij ook aan

den hooiberg bevestigd. In Zuid-Limburg strooit men kaf op de stoep

van meisjes, die meer dan éen vrijer hebben. Wij vinden hier het

gebruik in zijn oorspronkelijken, justitiëelen vorm; de strooman is

de tegenhanger van den groenen Pinksterman, den vruchtbaarheidsgenius;

de dorhoed: pop, korf, mand, dorre tak, zelfs kaf alleen, symboliseert

onvruchtbaarheid. De dorhoed vormt een tegenstelling met den liefdemei.

In Drente is de zoogenaamde _zoore paal_ (dorre paal) het geschenk

voor een vrijer of vrijster, wiens (of wier) vroegere beminde in het

huwelijk treedt: een dorre tak, zonder bladeren, gebonden aan de deur

van het huis. Ook wordt op vele plaatsen de weg tusschen de huizen van

de(n) ondertrouwde en de(n) verlaten beminde door het strooien van kaf,

haksel van stroo, zaagmeel enz. gemerkt, of wordt de verlatene daarmee

bestrooid. In sommige Vlaamsche dorpen worden dan lemen (vlasscheven)

gestrooid; hetzelfde gebruik is in Zuid-Duitschland en in den Eifel

bekend: het bespottingsbegrip, dat in de straf lag opgesloten, heeft

zich zelfstandig ontwikkeld.

Het Noordhollandsch gebruik is nauwkeurig beschreven en toegelicht door

Dr. Boekenoogen in Volkskunde XIII, bl. 65 vlg.; XVII, bl. 112 vlg. Het

is een versierde stroopop, die men de verlaten vrijster of den verlaten

vrijer vereert; dit is meestal het werk der naaste buurgezellen. Het

gebruik schijnt voor het oogenblik echter alleen nog in Waterland en

het aangrenzende deel van West-Friesland te bestaan. De dorhoed wordt

vergezeld van een dorhoedsbrief, waarin verzen voorkomen als deze:

Wilt dit beeltenis aanschouwen,

Want het zal uw wel berouwen,

Dat zij nu zal trouwen gaan,

En gij moet nu agter staan.

Evenals men nu een pinkst_kroon_ kent (bl. 199), kent men ook een

strooien, dorre kroon, en aan deze soort van bruidskroon herinnert nog

de benaming _dorhoed_, later op de stroopop overgebracht. Zoo werd in

het Zutfensche den vrijer, wien zijn meisje ontvrijd was, een hoepel

met stroo om den hals geworpen. Ook Berkhey spreekt van een "kroon

van gekapt stroo". Het gebruik is insgelijks in Noord-Brabant bekend.

Zooals gezegd, is de dorhoed de oorspronkelijke vorm van bestraffing,

door het volk den verleider of de verleidster toegediend. Ook wordt

zij wel eens toegepast op het paar, dat al te veel in jaren verschilt;

zie hierover Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen

en trouwen, bl. 125.

Op een groot aantal plaatsen is de stroopop een onmisbaar element

bij de _ketelmuziek_, een anderen zeer gewonen en gebruikelijken vorm

van volksrechtspraak over al degenen, die openbare ergernis gegeven

hebben. Hoofdzakelijk is het een serenade met ketel- en ketengerammel,

belgerinkel, hoorngetoeter, zweepgeklets enz. voor de woning van

de(n) schuldige of beschuldigde, waarbij een oorverdoovend geschreeuw

wordt aangeheven.

In België zijn de meest gebruikelijke benamingen: _scherminkelen,

de beest jagen_ en _den hond branden_. Hier beteekenen _scherminkel,

beest_ en _hond_ de stroopop. In Noord-Brabant spreekt men van

_tafelen_, in Noord-Limburg van _varen_, in Zuid-Limburg van _varen,

toeten, rammelen_ of _huulen_, in Midden-Limburg en verder plaatselijk

van _den ezel (aan)drijven_. Deze laatste uitdrukking heeft misschien

betrekking op den Middeleeuwschen ezelrit, maar in alle geval wijst

het meerendeel der uitdrukkingen op een rondrijden met de stroopop,

de(n) schuldige voorstellend, onder geraas en getier. Het gebeurt

bij alle laakbare handelingen, of ook handelingen, die het volk als

zoodanig beschouwt, b.v. bij een huwelijk met groot verschil van

leeftijd, of bij het hertrouwen van weduwnaar of weduwe; en eindelijk

in Limburg ook wel bij andere huwelijken in verband met het _huulbeer_,

waarover nader. De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude

gebruiken en volkszeden, bl. 362 vlg., betoogt, dat de ketelmuziek

oorspronkelijk bij gevallen van hertrouwen plaats heeft en wel om

de booze geesten te weren, met name den geest van de(n) eerste(n)

echtgenoot(e), die uit nijd de(n) hertrouwde zou komen kwellen;

vgl. Weinhold, Zeitschrift des Vereins für Volkskunde X, bl. 206. Maar

deze meening lijkt mij onhoudbaar: 1. dewijl bijna geregeld de

ketelmuziek met het onvruchtbaarheidssymbool verbonden wordt; en 2,

daar dan de ketelmuziek aanvankelijk een gunstige beteekenis zou gehad

hebben, terwijl toch, zooals De Cock zelf op bl. 372 uitvoerig betoogt,

sinds de oudste tijden het tweede huwelijk bij het volk in kwaden geur

stond. Ik houd de ketelmuziek dus voor een vorm der _volksrechtspraak_,

waarmee wij boven reeds kennis maakten, en die, zooals gezegd, op

Middeleeuwsche rechtsvormen, maar in haar diepste wezen op voldoening

van gekrenkte gemeenschapseer berust. In zuidoostelijk Noord-Brabant

kent men nog andere wijzen om een weerspannig of slecht befaamd lid der

gemeenschap te treffen: _de buurt_ oefent haar vernielzucht uit op een

kar van den betrokkene. Typisch is ook het _voor den ploeg spannen_

van een lastigen echtgenoot, en wel krachtens een besluit van _de

buurt_, somtijds alleen van de buurvrouwen. Deze brengen dan zelf

ook het besluit ten uitvoer en drijven den voor den ploeg gespannen

echtgenoot met haar zweepen en stokken voort. Aldus nog een dertig

jaar geleden te Turnhout, Hoogstraaten, Bladel, Postel enz. Eenigen

tijd geleden was dit gebruik ook in Noord-Brabant, o.a. te Reusel,

nog heerschende. Het is dus meer recent, dan door V. D. Poll in den

Gelderschen Volksalm. 1887, bl. 161 vlg. vermoed werd.

Van den liefdemei was reeds sprake (bl. 189, 245). Laat ik hier

bijvoegen, dat te Contich en omstreken de schuchtere minnaar gaarne de

gelegenheid te baat neemt, zijn liefde te verklaren, door heimelijk een

mei te plaatsen vóor de slaapkamer zijner beminde. Antwerpsche huwbare

dochters krijgen _Greefs_ van hun minnaar, d.i. ruiters van spekulatie

of marsepein, die den Greef van Halfvasten voorstellen (bl. 169).

Met _verloving_ wordt bedoeld "vaste verkeering", daar de min of meer

plechtige verloving bij de gewone volksklasse zoo goed als onbekend

is. Men geve den beminde nooit een mesje of schaar ten geschenke,

want dit breekt de verkeering af (sympathie). Wanneer in Vlaanderen

een der partijen _beelt_, d.i. het gegeven woord breekt, dan heet het

ontworpen huwelijk _uitgebrand_, in 't Westvlaamsch _een beel_.--Het

geven van een ring is een gebruik, dat van de Romeinen tot ons gekomen

is; en evenals de ring te Rome eertijds het koopkontrakt bevestigde,

zoo verving in onze landen de ring het huwelijksgeld of handgeld,

dat met den handslag de verloving voltrok. Over de trouwpenningen

zie De Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 113 vlg.; Aug. Sassen,

Noordbrabantsche Volksalm. 1889, bl. 61. De ring behoort te worden

gedragen aan den ringvinger, omdat, volgens het volksgeloof, van

daaruit een zenuw loopt naar het hart. Op het land is de ring niet

gebruikelijk; noodzakelijk was ook de trouwpenning niet, want deze kon

zeer geschikt vervangen worden door een ander voorwerp: vingerhoed,

zakdoek, een paar hazelnoten, ja zelfs een stuk koek. Eigenaardig

was vroeger in Friesland de _knottedoek_, waarin de jonge man eenig

geld knoopte, om een en ander het meisje aan te bieden, met wie hij

zich wenschte te verloven. Trok zij den knoop toe, en nam zij dus

het geschenk aan, dan was de verloving gesloten.

Op vele plaatsen zijn bruidsgeschenken, de zoogenaamde _bruidstukken_,

gebruikelijk. De bruid vervaardigt, althans plaatselijk in

Limburg--en eveneens in Zwaben, Westfalen enz.--de hemden, die

beiden op den trouwdag zullen dragen, alsmede de slaaplakens voor het

huwelijksbed. Het bruiloftshemd dient ook als doodshemd en de lakens

als doodsmantel. Daarentegen wordt in Gelderland in de dagen vóor het

huwlijk het doodshemd met muts en laken afzonderlijk vervaardigd en

door de bruid met zwart lint gezoomd of met zwart garen gemerkt. In

het Oosten van ons land maakt men hier en daar zelfs de planken voor

de doodkist gereed: hier vloeien huwelijks- en begrafenisgebruiken

ineen; vgl. bl. 241.

Te Stamproy (L.) en omliggende plaatsen moet de bruidegom enkel

de schoenen aan zijn toekomstige echtgenoote verschaffen; bed

met toebehoor komt ten laste der bruid. De schoen speelt in de

huwelijksgebruiken van alle volken een groote rol, en volgens Ernst

Samter, Geburt, Hochzeit und Tod (Leipzig und Berlin 1911), bl. 195,

moet hier de schoen als een offer worden beschouwd; zie ook Zachariae,

Zum altindischen Hochzeitsritual, in de Wiener Zeitschrift f.d. Kunde

des Morgenlandes XVII, bl. 135. Maar ik geloof eerder, dat wij hier

met een bepaalde gave te doen hebben, die voor den doode bestemd is,

evenals het doodshemd. Het gebruik, den doode een paar schoenen in de

kist mee te geven, is overoud en was eertijds bij alle Indogermaansche

volken in zwang: de schoen heeft natuurlijk de bestemming, den tocht

naar het verre land aan gene zijde van het graf te vergemakkelijken.

Straks hebben de kerkelijke afkondigingen of _roepen_ plaats, de

verloofden "rollen van den preekstoel", zooals het in katholieke

streken heet, of ook "zij worden van den preekstoel naar beneden

geworpen"; en na den besloten tijd volgt dan meestal het huwelijk.

Bij den ondertrouw wordt in Noord-Brabant alreeds _de heug_ gevierd,

en doet men zich te goed aan wittebrood met koffie; ook begint dan

alreeds het schieten, waarover nader. _Heug_, verg. _heugelijk_,

komt van het Middelnederl. _hôghe, höghe_ en beteekent "vroolijkheid".

_Huwelijksdag_. Het skelet der huwelijksgebruiken is nog steeds

Oudgermaansch en vertoont niet zelden Indogermaansch karakter; maar

meer en meer hebben Christelijke en ook moderne elementen er zich

aan vastgehecht.

De huwelijksdag draagt in het Duitsch terecht den naam van _Hochzeit_,

het eerst bij Wolfram v. Eschenbach, nog met de toevoeging:

"der brûdloufte hochgezît". Immers deze dag is niet alleen het

voornaamste familiefeest, als zijnde het kulminatiepunt van twee

menschenlevens, maar hij is tevens een feest voor de gemeente. Naar

men weet, was _hoogtijd_ eertijds de benaming van alle hooge

kerkelijke en wereldlijke feesten (bl. 100). De namen _huwelijk_

en _bruiloft_ drukken een bepaald deel der plechtigheid uit:

_huwelijk_, vergel. het Gotische _laiks_ "dans", wijst op den dans,

waaronder bij onze Germaansche voorouders het huwelijk voltrokken

werd; _bruiloft_, d.i. "bruidloop", beteekende oorspronkelijk den

optocht, waarmee de jonggehuwden naar hunne woning werden begeleid;

later werd deze benaming op het heele huwelijksfeest toegepast. Zie

o.a. Dr. Boekenoogen, Tijdschrift v. Nederl. Taal en Letterk. XI,

bl. 14; Dr. J. W. Muller, Woordenb. d. Nederl. Taal, _sub verbo_.

Daar is wellicht geen feest, waardoor èn de familie èn de

gemeenschapszin in zoo hooge mate worden versterkt, als door

de huwelijksviering. Men gedenkt zelfs de afgestorven leden der

gemeenschap, vanwaar het treffende gebruik, de graven te bezoeken op

den huwelijksdag.

Aan Bachofen komt de eer toe, het eerst gewezen te hebben op het

belangrijke en vérstrekkende ethnologisch-folkloristische verschijnsel

van het matriarchaat. In zijn opzienbarend boek: Das Mutterrecht

(Stuttgart 1864), werd een rijk materiaal door hem bijeengebracht om

te bewijzen, dat vóor den tijd der patriarchale familie-inrichting,

krachtens welke de man in allen deele het hoofd is van het gezin,

het menschdom een periode van vrouwenregeering doorleefd zou hebben,

een tijdperk dus, waarin het "zwakkere geslacht" den schepter zwaaide

en den man slechts een ondergeschikte rol was toegedacht: volgens hem

gaat de matriarchale gezinsvorm den patriarchalen vooraf. Deze theorie

steunt in hoofdzaak op het feit, dat tal van stammen met lage kultuur,

over de geheele aarde verspreid, het matriarchaat huldigen, en dat de

diepste folkloristische lagen van bijna alle volken overleefsels te

over bieden, om een karakteriseeren der matriarchale familie-inrichting

als de primitieve te rechtvaardigen.

Sommige ethnologen meenden zelfs, dat de folkloristische gegevens hun

veroorloofden, nog veel omvangrijker konklusies te trekken. Men achtte

zich in staat tot het ontwerpen eener _ontwikkelingsgeschiedenis

van het huwelijk_. De verschillende, opeenvolgende stadia dezer

geschiedenis zouden zijn: promiskuïteit, groepenhuwelijk, polyandrie in

verscheidene nuancen, polygamie (monandrie), monogamie. Het instituut,

dat, volgens de meest gangbare opvatting, van lieverlede den weg

effende tot een geregelde familieverhouding, tot de monogamie en met

deze tot het patriarchaat, is het roofhuwelijk. Op een hoogere sport

van ontwikkeling trad voor de ruwe schaking de vrouwenkoop in de

plaats: een losprijs, aan den beleedigden stam betaald, om weerwraak

te voorkomen, een soort internationaal huwelijkskontrakt. Hier vertoont

zich het oorspronkelijk karakter van den bruidschat. Meer en meer trad

het begrip van beleediging op den achtergrond, terwijl de zoengave

gaandeweg geheel en al de beteekenis kreeg van een koopsom der vrouw.

Verkocht werd echter alleen de vrouw, niet de kinderen. Deze behoorden

en bleven behooren aan de moeder en hadden in den oom van moederszijde

hun natuurlijken voogd en beschermer. Maar steeds sterker ontwaakt

in de vaderborst de liefde tot _zijn_ kroost, _zijne_ kinderen, wier

hulp hij trouwens bij het bebouwen van zijn akker niet langer meer kan

ontberen, en deze sympathie is het, die een erfrecht te hunnen gunste

tracht in het leven te roepen: motieven van ekonomisch-juridischen

aard komen in het spel. Een hardnekkige strijd wordt aangebonden,

waarvan de inzet is het eigendomsrecht over het kind, en het einde

de volkomen zegepraal des vaders en van het agnatische systeem.

Nu is welhaast de familie gegrondvest, de huwelijksband gestrengeld. Om

den vaderlijken haard staat het vereende gezin, de vader aan het hoofd;

want hij is voortaan niet slechts de meerdere over zijn kinderen,

maar door den losprijs acht hij zich op den duur ook gerechtigd,

de vrouw, die hem als koopwaar werd overgeleverd, als zijn volle

eigendom te beschouwen.

De fout van dit systeem, op het oog zoo onberispelijk-nauwsluitend,

ligt in te oppervlakkige waarneming en te groote generaliseering in

de gevolgtrekkingen. Men stelt zich niet tevreden met te beweren,

dat het matriarchaat een ver verspreid ethnologisch verschijnsel is

en was,--een feit, dat niet valt te loochenen; maar het moet en zal

de volstrekt-primitieve familie-inrichting geweest zijn; het heet de

eenig mogelijke: terwijl de huwelijkstheorie niet weergeeft het proces,

dat zich bij verschillende volkeren ten deele heeft afgespeeld of nog

voortduurt, maar aanspraak maakt op den titel van _de_ theorie van

_het_ menschelijk huwelijk. Ik zeg "ten deele"; want een andere fout

is deze, dat in dit systeem verschillende fragmenten, op verschillende

punten van den aardbodem verzameld, met een vrij ruime dosis apriorisme

tot een geheel worden aaneengevoegd.

Vooral bij het beoordeelen en benuttigen der folkloristische gegevens

moet men uiterst voorzichtig zijn. Juist de huwelijksgebruiken en

huwelijksvormen bij de verschillende volken heeft men herhaaldelijk

als sterk-pleitende overleefsels beschouwd; maar gesteld, dat

zij matriarchale trekken vertoonen, wijzen zij dan juist daarom

op een primairen toestand? Kan hieraan geen meer volmaakter vorm

zijn voorafgegaan? "Im Völkerleben gelten die selben Gesetze der

Entwickelung wie im Leben der Individuen", zegt Paul de Lagarde,

"und im Leben der Individuen ist ein Sinken überall da festzustellen,

wo nicht ein Steigen stattfindet."

Wat betreft de beoordeeling der afzonderlijke gevallen, een enkel

voorbeeld. Wellicht verwijst de Romeinsche huwelijksvorm der

_coemptio_ naar een tijd, waarin de _manus_, d.i. het volle recht

van den echtgenoot over de vrouw, niet in schijn, maar in volle

werkelijkheid werd gekocht. Maar volgt hieruit logisch, dat de koopsom

de losprijs was, _voor de geschaakte bruid betaald_? Tusschen het

huwelijk als koopkontrakt en het roofhuwelijk gaapt toch nog een

diepe kloof.--Verder behoort tot het bruiloftsritueel het bekende

gebruik, dat de bruid uit de armen der moeder wordt ontvoerd, om dan in

feeststoet geleid te worden naar het huis van den bruidegom. Hierbij

komt op tal van plaatsen een schijnvlucht, en zoo goed als algemeen,

dat de bruid zich verzet of uitbundig weent. Men noemt dit het

_roofsymbool_, en het is zeer wel mogelijk, dat in enkele gevallen

dergelijke gebruiken een voormaligen rooftoestand ten grondslag

hebben. Maar zou hier een meer natuurlijke verklaring niet veelal te

verkiezen zijn? Juist in de laatste jaren zijn dergelijke gebruiken

herhaaldelijk als scheidingsgebruiken beschouwd, vooral in het reeds

aangehaalde boek van A. Van Gennep, Les rites de passage, bl. 165

vlg. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 162 vlg.

Na deze, tot het goed begrip der gebruiken m.i. noodzakelijke

voorafgaande bespreking, vat ik den draad mijner uiteenzetting

weer op. Wat betreft de bruidsgaven, dient men nog op te merken,

dat in alle geval niet als sporen van een alouden koopprijs die gaven

kunnen beschouwd worden, welke de beteekenis eener nauwere vereeniging

dragen, zoo b.v. linnen, halsdoek, wederzijds gegeven luxe-voorwerpen

enz. Bruid en bruidegom treden hierdoor in een nauwere zedelijke

betrekking, evenals de gast tot den gastheer--en omgekeerd--door het

geven van het gastgeschenk: aldus in de Oudheid Glaukos en Diomedes

door het wisselen hunner wapenen.

Wat betreft den huwelijksdag, houdt het volksgeloof er weer een

eigenaardige zienswijze op na. Liefst trouwt men op Dinsdag en

Donderdag, niet op Woensdag of Vrijdag; en vooral met wassende maan

(sympathie). De meimaand is ook zeer ongeschikt: "Wat in de meimaand

trouwt, daar is geen goed haar aan"; zie De Cock, Spreekwoorden

en Zegswijzen over de vrouwen enz., bl. 161. Een bruid mag zich

niet _vóor_ den bruiloftsdag in het bruidskleed vertoonen. Om op den

huwelijksdag goed weêr te hebben, dient men de kat goed te voeren (zie

bl. 86, 90). Een droeve bruid maakt een blijde vrouw en omgekeerd

een blijde bruid een droeve vrouw; want "een bruidsgewaad is wel

eens met rouwgoed gevoerd". Weent de bruid op den trouwdag niet,

dan vloeien de tranen in het huwelijk.

Het _noodigen ter bruiloft_ vindt men nog slechts op enkele plaatsen in

het Oosten van ons land in zijn voormaligen plechtigen vorm; en ook in

Drente hebben de _wasschupsneugers_ veel van hun vertoon en beteekenis

verloren. _Wasschup_ is identiek met _waardschap_ en beteekent

"gastmaal, feestmaal"; over deze _neugers_ zie H. Tiesing, in de Vragen

van den Dag XVIII, bl. 155; vgl. Driem. Bladen IX, bl. 77. Het noodigen

gaat van de buurt uit en wordt als _noaberplicht_ beschouwd. Te Borkulo

doen twee jongezellen uit de buurt als _broedlachtneugers_ dienst; zij

trekken er op uit met bontversierden hoed en stok en vangen aldus aan:

Goen dag!

Hier stoa ik op mienen staf,

En weet niet, wat ik zeggen mag ...

Nou weet ik, wat ik zeggen mag; enz.

Meestal noodigt het bruidspaar zelf de gasten tot het feest, dat ook

ten huize der bruid zal plaats hebben. Veelal wordt een voorbruiloft

gehouden, in het Friesch _gearjift_, vergel. de Noord-Brabantsche

_heug_ (bl. 249): het is een scheidingsgebruik zoowel voor de bruid

als voor den bruidegom. Het Friesche woord wijst nog op de vroegere

gewoonte, bij deze gelegenheid giften samen te brengen. Maar nog steeds

wordt door de buren en buurmeisjes geld opgehaald om de onkosten te

bestrijden van het sieren, schieten enz.

Zoo is dan de huwelijksdag aangebroken. De buurmeisjes hebben den

_neuzik_ vastgespeld; ook de bruidskroon is klaar, eertijds door

de vriendinnen gevlochten. Zij is, evenals de ring, van Romeinschen

oorsprong en door de Kerk in onze zeden ingevoerd. Hetzelfde geldt

van de bruidskaars, die een gekerstende vervorming is der Romeinsche

huwelijksfakkel, welke dienst deed bij het heemgeleide. De buurt

is feestelijk uitgedost en prijkt met festoenen en eerebogen met

toepasselijke opschriften. Veelal wordt nog een huwelijksmei geplant

vóor het huis: lotsboompje, waarmee het huwelijksgeluk van het jonge

paar verbonden is, vergel. den _levensboom_ op bl. 214. Van alle huizen

wappert de driekleur en in feeststoet keeren bruidegom en bruid met

getuigen, bruidsmeisjes, familieleden, vrienden en bekenden uit de

kerk huiswaarts. Het burgerlijk huwelijk heeft veelal reeds daags te

voren plaats gehad.

Nu wordt het paar feestelijk ingehaald. De meeste hierbij gebruikelijke

vormen zijn ontleend aan den alouden feeststoet, waarbij de bruidswagen

een hoofdrol speelt, en dien men nog betrekkelijk zuiver in Drente

en in den Achterhoek weervindt. Wij bedoelen het _heemgeleide_, dat

nu eens in afzonderlijke bedrijven, dan weer op verschillende dagen

plaats vindt. Doorgaans werd deze stoet gehouden vóor den bruiloftsdag.

De bruidegom komt dan met een groot aantal open boerenwagens vol

jongens en meisjes aanrijden. Deuren en vensters van het huis der

bruid zijn dicht. Maar éen der jongelui treedt vooruit en verklaart

in gebonden of ongebonden taal, dat hij de bruid komt opeischen,

waarna de banderdeur zich opent en de geheele schare binnenlaat. Nu

gaat op de deel de kom met brandewijn rond, er wordt gefeest,

gegeten, gedronken en gedanst, en eindelijk rijdt de bruidegom met

de bruid op den versierden bruidswagen huiswaarts. Deze wagen, of de

volgende, zijn bepakt met beddegoed, stoelen, melkstel, spinnewiel

enz. Soms staat ook de bezem op den wagen, in Westfalen bindt men

er een haan boven op. Bezem en haan moeten de booze geesten verjagen

(bl. 96). Ook het schieten, dat thans nog zoo goed als over de geheele

uitgestrektheid van ons volksgebied gebruikelijk is, en nu uitsluitend

het karakter van vreugde en huldebetoon aanneemt, moest eertijds de

geesten verdrijven, om aldus zegen en vruchtbaarheid voor het huwelijk

te verwerven (vgl. bl. 102, 128). Hier of daar komt wellicht, ouder

gewoonte, nog de bruidskoe achteraan. Te Rijssen (O.) werd of wordt

(?) die koe gesierd en op stal gezet onder een deel van de zoldering,

dat uit geschaafde eikenplanken bestond; zie Driem. Bladen III, bl. 11.

Herhaaldelijk op weg naar de nieuwe woning wordt de bruid geschut. Een

rest hiervan is zelfs het Vlaamsche gebruik, dat arme vrouwen en

kinderen de bruid bij het verlaten van het kerkportaal _de schoenen

vegen_, natuurlijk om een fooitje te krijgen. Verderop wordt de

weg door een koord versperd, en ook hier dient de doortocht te

worden gekocht: in Vlaanderen heet dit, rond Aalst, _afspannen_,

en westwaarts _stroppen_. In Nederland vindt het paar den weg door

een balk of versierde lijn versperd; in Baden en Tirol hakt men het

koord tegen losgeld met een sabel door. Aldus wordt de bruid uit

hare gemeenschap, vooral uit de buurtgemeenschap, afgekocht en in

de nieuwe ingekocht: het is een scheidings- en opname-ritus. Volgens

Samter, Geburt, Hochzeit, Tod, bl. 162 vlg., wordt eigenlijk niet aan

het bruidspaar, maar aan de kwade geesten de weg versperd. Bij deze

verklaring steunt hij vooral op het Indisch gebruik, fijne blauwe en

roode draden over den bruidsweg te spannen. Hiervoor zou ook pleiten

de vroeger in ons land heerschende gewoonte, door een bezem den weg te

versperren; immers volgens een wijd en zijd verspreid volksgeloof kan

men zich juist door het keren zeer doeltreffend van de geesten ontdoen;

vergel. den bezem op den bruidswagen en het keren in het sterfhuis.

Onderweg strooit de bruid geldstukjes, appelen, noten en andere

versnaperingen.

De woning der bruid is versierd, de zetels van het jonge paar zijn

omkranst, kinderen strooien bloemen, buurmeisjes bieden den eerewijn

aan en zeggen gedichtjes op, den bruidegom wordt een versierde pijp

aangeboden enz. Ook wordt wel eens de geheele stoet in alle bevriende

huizen, waar hij voorbij trekt, _beschonken_, d.i. op brandewijn

met suiker, wijn en knapkoek onthaald. Maar dit zijn alle moderne

vormen van weinig waarde. Belangrijker zijn enkele gebruiken,

die ten platten lande nog hebben stand gehouden, wanneer bruid

en bruidegom de woning betreden. Zij zijn overoud en behooren tot

het Indogermaansche bruiloftsritueel, vormen een gedeelte van den

oorspronkelijken _bruidloop_ naar de echtelijke woning.

Op enkele plaatsen moet de bruid over den drempel worden gedragen

(Driem. Bladen IV, bl. 4), een overgangsgebruik, maar dat met een

afweergebruik samenhangt; het is zoo goed als over de geheele wereld

verspreid, in China zoowel, als eertijds in het oud Rome. Te Hooge

Mierse (N.-B.) legt men op den drempel een stok met een _rood_

doek. Te Reusel (N.-B.) wordt het paar onder een krans naar de

nieuwe woning geleid. De krans wordt tegen de deurstijlen gevlijd

en het paar _springt_ naar binnen. Dat wij hier met een overleefsel

van den vrouwenroof te doen zouden hebben (Rossbach, V. Schröder,

Lubbock, Jevons), lijkt mij onaannemelijk; immers de bruid wordt

niet door den bruidegom, maar door een ander willekeurig persoon

gedragen, of ook springt over den drempel, en trouwens in beide

hoogst vertrouwbare mededeelingen uit Noord-Brabant wordt van bruid èn

bruidegom gesproken. Ook komt men niet verder met de verklaring, dat

het stooten tegen den drempel een slecht voorteeken zijn zou; waarom

juist tegen den drempel? De verklaring is wel deze, dat de drempel de

verblijfplaats der zielen is, wat uit tal van volksgebruiken blijkt;

wellicht werden zij bij voorkeur vóor den drempel begraven. Het roode

doek--rood is de tooverkleur en heeft in geheel het Indogermaansche

folklore geestenwerende kracht--heeft dan ten doel, kwaadwillige

geesten den toegang te beletten, terwijl het paar zich over den drempel

laat heen dragen of er overheen springt, om de geesten niet te storen

en te vertoornen.

Dan volgt, veelal op den avond van den huwelijksdag, het _haalleiden_

of _halen_, een Indogermaansch gebruik, dat men bij de Osseten

weervindt. De bruidegom geleidt de bruid driemaal om den haard en om

het haardvuur, waarna zij in de gemeenschap van het water en vuur wordt

opgenomen. Ook wordt de bruid op verscheidene plaatsen om den ketelhaak

of _haal_ gevoerd (zie bl. 35), vanwaar de benamingen _haalleiden,

hieëlen, hölen, heelen_ enz. De haal wordt altijd blinkend geschuurd,

dit is het laatste werk, waaraan de meeste zorg wordt besteed;

vandaar de spreekwijze: "Op den haal na, is alles gepoetst."

Natuurlijk wordt voor het oorspronkelijke om-den-haard-leiden een

geheel vrijliggende haard verondersteld. Toen nu de haard tegen

den zijwand gelegd werd, moest men voor den haard een ekwivalent

zoeken, en als zoodanig nam men de haal of ketelhaak. Deze werd naar

voren getrokken of midden in het vertrek aan een balk gehangen, en

de bruid werd om haal en ketel geleid, ofwel de ketting werd haar

omgeslagen. Naarmate de haard vervangen werd door de kachel, of aan

beteekenis verloor door het plaatsen van een kachel in een der bij

vertrekken, is ook het haalgebruik op den achtergrond geraakt. Verder

werd het veralgemeend en ook op den man en op de meid, ja zelfs bij

verhuizing toegepast: uit den gedachtengang "de bruid betreedt de

nieuwe woning" heeft zich het laatste begrip losgemaakt en zelfstandig

ontwikkeld.

In Nederduitschland is dit gebruik nog op vele plaatsen in zwang;

van onze grensplaatsen noem ik Heinsberg, waar men de bruid _hielt,

haalt_ of _helt_. In Midden- en Opper-Duitschland vindt men geen

spoor. Het gebruik schijnt alleen in de Saksische landen behouden te

zijn gebleven, zoozeer, dat b.v. de bewoners van het Saterland, een

Friesch taal- en volkseiland, dit gebruik mèt den bouwtrant--natuurlijk

ten gevolge van klimaat en grondgesteldheid--van de omwonende Saksen

hebben overgenomen. Waar Siebs echter meent, dat het overreiken van

den kooklepel of _sleef_ een specifiek Saterlandsch gebruik is,

vergist hij zich. Ook in Hollandsch Limburg bestaat dit gebruik,

b.v. te Grubbenvorst.

Want, vreemd inderdaad, terwijl men dit gebruik het eerst in de zône

der hoeven van zuiver-Saksischen bouwtrant zou zoeken, is het juist

daar uitgestorven en leeft nog slechts in de streek der uitgestorven

Saksische hoeven en in die der Nederfrankische (dus ook lang niet

uitsluitend in 't Schependom van Nijmegen). Het Nijmeegsche _hoalleien_

staat beschreven in den Gelderschen Volksalm. van 1840, bl. 9 vlg.;

maar het gebruik blijkt reeds verbasterd en dient nog slechts om een

nieuwen buurman te installeeren.

Daarentegen voert dit gebruik een krachtiger leven zuidelijk en

zuidwestelijk van Nijmegen. Men kan zeggen, dat het _halen_ nog

in zwang is, of althans voor enkele jaren nog in zwang was, in

geheel Limburg tot aan de grens van den villabouw en in een groot

deel van Noord-Brabant. Het best bleef het bewaard in de omstreken

van Venray. Met name heb ik kunnen konstateeren, dat het in vrij

oorspronkelijken, of ook in meer gewijzigden vorm, optreedt of

kortelings nog optrad te: Venray, Swolgen, Meerlo, Oirloo, Leunen,

Merselo, Afferden, Maashees, Deurne, Wellerlooi, Beugen, Horst, Oploo,

Wanroy, Mill, Heeze, Mierde, Velp (N.-B.), Zeeland (N.-B.), Stiphout,

Escharen, Reek, Reusel, Aalst, Maasbree, Arcen, Belfeld; de benamingen

zijn hier _hölen, hoalen, hoalleien_.-- Verder rond Roermond, Sittard

en Weert, nl. te Melik, Beegden, Asenray, Guttecoven, Limbricht,

Buchten, Dieteren, Einighausen, Posterholt, Weert, Neeritter, Helden,

Panningen, Heel, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Kessel: _heelen,

hieëlen._ Het zuidelijkste spoor vond ik te Schinnen (zuidoostelijk

van Sittard). Het zal den lezer niet moeilijk vallen, aan de hand

van deze opsomming zelf de is-ethne te trekken (bl. 32).

Somtijds is vrijwel alleen nog de naam overgebleven en verdwijnt het

ceremoniëel in een kleurloos trakteeren. Elders, en dit is zelfs

zeer vaak het geval, wordt de bruid door de meid vervangen, of is

het gebruik op den knecht overgebracht. Dikwijls worden bruid of

meid onder den schoorsteen geplaatst. Terwijl men haar nu om de haal

leidt, of den haalketting, die thans doorgaans de haal vervangt, om

de schouders slaat of driemaal boven het hoofd zwaait, luidt de spreuk:

Ik haal u in den naam des Heeren,

Wat ge niet kent, zullen wij [voor de bruid] u wel leeren.

of: [op dezelfde regels als vervolg speuk]

Wat ge niet kent,--zal de vrouw [voor de meid] u wel leeren.

Wat ge niet kent,--zal de baas [voor den knecht] u wel

leeren.

Dat is voor u [eerste maal], dat is voor ons [tweede maal],

dat is voor de gansche kompanij [derde maal],

Voor een liter foezel zijt ge vrij.

Of:

Ik haal u als meid en niet als knecht,

Een liter foezel is uw recht.

Of ook:

Ik haal u in den naam des Heeren,

In dit huis zult ge verkeeren

Niet als meid, maar als vrouw,

En wees uw man getrouw.

Haard en haal zijn plaatselijk door verschillende andere voorwerpen

vervangen: de tafel, de karn, de melkkan, den koffiemolen, den

koffiepot, den ketel, den melkstoel, voor den boer door schop op

zaaikorf. Gebeurt dit, met den haalketting om de schouders geslagen,

dan mag het nog tot het haalleiden gerekend worden. Anders behoort

het tot de groep van inhuldigingsgebruiken, waarbij de vrouw door

omleiding of bloote aanwijzing in het bezit of gebruik van het een

of ander voorwerp gesteld wordt, b.v. "dit is het bed";--"dit is de

kast";--"dit is de klok"; ook leidt men haar door de keuken, de schuur,

de stallen, naar het vee, de bijenkorven enz. Wel wordt de haalketting

somtijds nog vervangen door den ketelwisch, d.i. een gedraaide strooien

ring, aldus b.v. te Heeze, Aalst en Stiphout. Ook te Veldhoven wordt

de meid aan een stroowisch in alle vertrekken, op den stal en door

de schuur rondgeleid. Bij den knecht bezigt men aldus het haam. Te

Mill worden emmer, bezem enz. in _den hêrd_ gelegd, de meid gaat er

bij staan, en nu danst men er om heen. Elders gaat de jonge vrouw, of

ook de meid, op den melkstoel zitten, en zingend trekt de schare rond.

Nog dien ik een zeer eigenaardigen vorm van het haalgebruik te

vermelden, zooals die in eenige dorpen noordwestelijk van Sittard,

nl. te Guttecoven, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Limbricht en

Dieteren gevonden wordt. Daar moet de bruid, of ook bruidegom en

bruid, met een versierde bijl in een versierd blok kappen. Gewoonlijk

verbergt zich de bruidegom, maar het baat niet; hij wordt door de

buurvrouwen achtervolgd en moet er aan gelooven.--Dit gebruik doet

mij veronderstellen, dat wij bij het haalleiden niet alleen met een

symbool, met een zuiveren opname-ritus te doen hebben, zooals dit

met het gewone rondleiden en omleiden om de huiselijke voorwerpen

het geval is. Zeer zeker, de bruid wordt ingeleid in het huiswezen,

en hierop wijst o.m. het Duitsche gebruik, dat de jonge vrouw in den

schoorsteen moet zien, om er mee vertrouwd te raken. Maar het kappen

in het blok wijst op een oorspronkelijk-religieuze handeling, op een

houtoffer aan de schutsgeesten des huizes: naar men weet, was de haard

de heiligste plaats van het huis, omdat het de oude offerplaats was

(bl. 35). En dat dit offer tevens een reinigings- of afweer-ritus

omsluit, blijkt uit het gebruik, dat de bruid _over het blok moet

heen springen_: dit was natuurlijk oorspronkelijk een springen over

den vrijliggenden haard. Zoo herinnert men zich te Reusel dan ook nog,

dat de bruid moest _springen over een kooltje vuur_, dat in een vooraf

geteekenden kring gelegd werd. Springen over vuur beduidt zuivering

en vruchtbaarheid (bl. 105). Het vruchtbaarheidsidee treedt dan ook

bij het Dietersche blokhouwen op den voorgrond. Blijft de bijl stevig

in het blok zitten, dan beduidt dit een _krolköpke_; anders blijft

het huwelijk onvruchtbaar.

Een anderen vorm van inhuldiging van het nieuwe personeel, in

Twente in zwang op Natte Paschen (Natten Zondag), vindt men bl. 187

beschreven. Ook hierbij speelt de haard en het haal een rol: door

het vast te grijpen, stellen de dienstboden zich als het ware onder

de bescherming van de heilige haardstede, beveiligen zij zich tegen

geweldpleging. Te Brunswijk nam eertijds de kooper een huis in bezit

door het aanraken van den ketelhaak.

Een belangrijk _survival_ vindt men te Oldenzaal, Ootmarsum en

omstreken. Daar heerscht of heerschte nog kortelings het gebruik,

dat na afloop der bruiloft de bruid weer naar haar ouderlijk huis

terugkeerde. Den volgenden dag ging de jonge man naar het ouderlijk

huis der getrouwde bruid en vroeg: "Is hier soms een vrouwspersoon

aangekomen, die gisteren mijn vrouw geworden is?" Dan kwam de bruid

aangeloopen en antwoordde: "Hier ben ik al", en nu ging zij voorgoed

mèt het huisraad naar de nieuwe woonsteê.

Wij hebben hier een vorm van het zich verbergen der bruid, zij laat

zich zoeken en geeft zich ten slotte gevangen. R. Reichhardt, Geburt,

Hochzeit und Tod (Jena 1913), zegt dus te onrechte, dat dit "heute wohl

nirgends mehr nachweisbar" is (bl. 92). De bruid trachtte nl. vroeger,

volgens vrij algemeen gebruik, na het huwelijk te ontvluchten en zich

te verbergen, waarop de bruidegom haar moest zoeken. Men zou hier een

overleefsel van het roofhuwelijk kunnen zien; klaarblijkelijk is het

echter slechts een overoud scheidingsgebruik.

Van het oude Groningsche _brüdegamslah_en, het slaan van den bruidegom

ter bevordering der vruchtbaarheid (zie Dr. Knappert, Groningsche

Volksalm. 1902) is, voor zoo ver mij bekend, niets overgebleven. Het

was een "slag met de levensroede", vgl. bl. 116. Bij de Slavische

volken vindt men het nog herhaaldelijk.

Het _bruiloftsmaal_ heeft weinig karakteristieks meer behouden:

eten, drinken en dansen is de boodschap. Den eeredans heeft het

jonge paar, of wel de bruid met den bruidsknecht, of de bruidegom

met het bruidsmeisje. Te Grubbenvorst, Helden enz. (L.) beginnen de

gasten midden onder het maal met de messen en vorken op de glazen

te tikken, totdat de bruid opstaat en zich door een zwager het huis

laat rondleiden, onder het geroep van: "de broed mot droet". Glazen

worden voor de deur stuk gegooid, en na afloop trekken de buurvrouwen

onder groot lawaai met pannen en deksels rondom het huis. Het zal

wel onnoodig zijn op te merken, dat wij hier met een geestenwerend

lawaai te doen hebben; vruchtbaarheid werd hiervan voorheen het

onrechtstreeksche, maar hoofdzakelijk bedoelde gevolg geacht. Zoo

werden nog voor eenigen tijd in Friesland op den avond der bruiloft de

glazen in den voorgevel stuk geschoten, en de vader der bruid achtte

zich hierdoor vereerd. Van iemand, die knappe dochters had, zei men:

"Die zullen hem wat glazen kosten!"

's Avonds brengen de jongelieden te Helden, Nunhem, Swalmen, Beesel

enz. aan het bruidspaar een eigenaardige serenade. Zij huilen en kermen

over de slechte tijden. Op de vraag, wat ze dan eigenlijk willen,

antwoordt de persoon, die Aartje voorstelt, dat zijn talrijk kroost

toch òok gaarne iets van de bruiloft had. Hierna worden zij onthaald.

Men dient deze vertooning als een scheidingsgebruik op te vatten,

evenals het _huilbier_ (_huulbeer_), Hoogduitsch _Heulbier_. De

gedachte is wel deze, dat de bruid tot het tijdstip van haar huwelijk

aan de geheele gemeente behoort, en dus de jonge man ze moet afkoopen

door geschenken. Ook verbeeldt het wel een afscheid van den jongen man

aan zijn gezellen. Dit gelag heeft plaats vóor of na het huwelijk, en

komt dus vrij wel overeen met het Achterhoeksche _boksenbier_, waarop

de bruid haar _bruidstranen_ (brandewijn met suiker) schenkt. Komt

deze naam van het schieten met de _bokse_? Of van de gewoonte, dat de

bruidegom door zijn vrienden schertsenderwijze van de broek ontdaan

werd, hetzij om hem daarna in het bed te stoppen, hetzij om hem in

de gelegenheid te stellen, het echtelijk gezag, aldus symbolisch

hem ontnomen, weer te koopen? Meer hierover vindt men bij Scheltema,

Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 270,

Driem. Bladen II, bl. 25, 27; 93 vlg.

Volgens Reichhardt is de naam eigenlijk _heilbier_, en hij vergelijkt

het Middelhoogduitsche _heilwîn_. Ik meen echter, zooals gezegd

(bl. 246), aan de benaming van _huilbier_ te moeten vasthouden, en

vind het gebruik in zijn _oorspronkelijken_ toestand in die plaatsen

(b.v. Sittard, Beegden, Epen), waar het huilbier gegeven wordt door

den weduwnaar, die met een jong meisje huwt, of door den jongen man,

die met een weduwe trouwt: zij kunnen zich van het _huulen_ afkoopen

door een vrijgelag. Is deze opvatting juist, dan heeft zich het

gebruik eerst naderhand tot scheidingsgebruik ontwikkeld.

In Drente kende men eertijds het _hanenbier_. Door de buren werd aan

de jonggehuwden een hanenmaal aangeboden. Men kocht een haan en deze

werd gebraden en in zijn natuurlijke houding, op drie pennen, in een

grooten schotel op tafel gezet. Uit de ontvangen fooien werden de

onkosten van het hanenbier bestreden; zie Drentsche Volksalm. 1842,

bl. 125.

Na de bruiloft beginnen voor het paar de _wittebroodsweken_, of ook de

_zoetemelksweken_. Dan komt het jonge paar nog pas "van Zoetendaal";

het slijt den zaligen tijd der eerste, jonge liefde; "de korstjes

kraken nog."

Nederlandsche Volkskunde · 第 79 / 117 题