_Goeden Vrijdag_. Dan rust het werk, met name de timmerlieden
en smeden staken den arbeid, ter gedachtenis aan de kruisiging
des Heeren. De visschers steken niet in zee, want de vischvangst
zou niet slagen. Eigenaardige kracht wordt dien dag aan bloemen en
gewassen toegekend, die eenigermate den kerstnacht in herinnering
roept: fruitboomen, dan begoten, schenken veel ooft; wie violier
zaait, zal dubbele bloemen hebben. Eieren, op Goeden Vrijdag gelegd,
beschermen tegen den bliksem en, in het zaadkoren gemengd, zijn ze
een voorbehoedmiddel tegen het "zwart."
_Goeden_ of _Stillen Zaterdag_ keeren vóor de Gloria de klokken uit
Rome terug en brengen de paascheieren mee. De kinderen worden naar
buiten gestuurd, om de voorschooten op te houden en de eieren, die
wel eens uit de lucht vallen, op te vangen.
_Paaschdag_ worden de eieren achter struiken of allerlei voorwerpen
verborgen, en de kinderen gaan ze zoeken. De klokken hebben ze
meegebracht, of de paaschvogel of de paaschhaas (deze is eigenlijk
meer een oostelijk import). Het is een blijde dag voor de kinderen,
maar evenzeer voor de volwassenen, die zich steken in hun "paaschbest"
pak. Ook de natuur werkt mee: immers, op Paaschdag "danst het zonneke
van blijdschap." Wat wonder, dat aan het water dien dag een bijzondere
geneeskracht wordt toegeschreven, waar reeds in overoude tijden het
water, op heilige tijden geput, het _heilawâc_, voor zoo bijzonder
geneeskrachtig gold?
Om middernacht is alle water wijn,
Als onze Heer Jezus zal verrezen zijn,
luidt het te Erembodegem. Water, op paaschmorgen _zwijgend_ geput,
kan niet bederven. Koud water, op dezen dag gedronken, sterkt de
gezondheid.
Het gebruik der paascheieren was vroeger algemeen en is thans nog in
het Zuiden van Groot-Nederland overheerschend. Ook in Friesland bestaat
plaatselijk thans nog het maal op Paaschdag zoo goed als uitsluitend
uit een schotel gekookte eieren. Veelal worden de eieren gekleurd,
geel, oranje, rood, paars enz. Verder placht men vroeger in Limburg
sommige eieren te laten zegenen, om ze dan na de hoogmis ten geschenke
te geven. Nog heden bestaat de gewoonte van het eieren _tikken_
of _kippen_ in de gezinnen, plaatselijk ook in 't openbaar, b.v. te
Venloo op de markt. Eertijds gebeurde dit te Arnhem op de Praast,
te Wageningen en Nunspeet op den Paaschberg, te Tiel op de Hooge
Weide, te Deventer op de Worp, te Zwolle op en bij den Spoolderberg,
te Lochem op den Paaschberg, te Winterswijk op de Weme, te Ootmarsum op
den Paaschkamp, te Dwingeloo op het Dwingelerzand, --maar meestal toch
op Paaschmaandag. Te Nes op Ameland gaan op Paaschdinsdag de kinderen
naar de Paaschduin eiersmijten of eierrollen. De eieren worden tot dit
doel hard gekookt in koffie, in water met uienschillen, of in andere
kleurstoffen. Het spel bestaat hoofdzakelijk in het laten afrollen
van hardgekookte eieren langs de hellingen der duinen; breekt er een,
dit wordt terstond opgegeten. Op Walcheren was eertijds het _eiergaren_
een geliefkoosdspel; ook den _eierdans_ kende men.
Wat het eieren-kippen betreft, hierbij wint hij het, die het sterkste
ei heeft; houdt elk der partijen bij het kippen éen kant--spits of
bot--onbeschadigd, dan blijft het pleit onbeslist. Bij het kippen
behoort eigenlijk het rijmpje:
1. Eén ei is geen ei
2. Twee ei is een half ei
3. Drie ei is een paaschei.
Dit rijmpje wordt zoo goed als over het geheele land gezongen met
tallooze varianten, waarvan wel de voornaamste zijn:
Borkeloo, Almen enz.: